Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9386

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11/03482
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9386
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/947
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03482

Mr. Machielse

Zitting 8 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 31 mei 2011 wegens "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 71 dagen en een voorwaardelijke werkstraf van 60 uren. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.

2. Mr. H. Ruiter, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel klaagt dat 's hofs afwijzing van het verzoek een viertal getuigen te doen horen ontoereikend en onbegrijpelijk is gemotiveerd.

3.2 Namens verdachte is op 3 februari 2011 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2011. Zijn raadsman mr. Ruiter heeft een appelschriftuur ingezonden, welke op 17 februari 2011, dus binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep zoals voorgeschreven in art. 410, eerste lid, Sv, ter griffie van de rechtbank Amsterdam is ingekomen. Na een uiteenzetting van de grieven tegen het vonnis van de rechtbank, bevat deze schriftuur het verzoek onder meer [betrokkene 5], [betrokkene 7]. [betrokkene 8] en [betrokkene 9] als getuigen te doen horen.

3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2011 houdt, voor zover hier relevant, in:

"De voorzitter maakt melding van een binnengekomen stuk, te weten een appelschriftuur van de raadsvrouw van 15 februari 2010, inhoudende de onderzoekswensen.

De advocaat-generaal verklaart zich tegen inwilliging van de verzoeken te verzetten en deelt voorts -zakelijk weergegeven- mede:

Op de ingediende verzoeken is het verdedigingsbelang als criterium van toepassing. Het gaat om getuigen ten aanzien van het bewijs. Op 15 oktober 2010 heeft de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris in het bijzijn van zijn raadsman een bekennende verklaring afgelegd. Gelet op die verklaring vraag ik me af wat de getuigen daaraan kunnen toe- of afdoen.

Los daarvan zie ik niet in wat de strekking is van het belang van het horen van getuigen [betrokkene 8] en [betrokkene 9]. Deze getuigen komen niet in het dossier voor. Zijn de adressen van deze twee getuigen bekend?

De raadsman deelt - zakelijk weergegeven - mede:

Ter terechtzitting in eerste aanleg is betwist dat de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring bekennend is. Voor zover die verklaring als bekennend is aan te merken, is mijn cliënt daarop ter terechtzitting in eerste aanleg teruggekomen. Mijn cliënt heeft bekend dat hij geld heeft ontvangen, maar de hoogte ervan wordt betwist, alsmede het feit dat er sprake zou zijn van afpersing.

Getuigen [betrokkene 8] en [betrokkene 9] zijn klasgenoten dan wel schoolgenoten van de aangever. Het is mijn cliënt bekend dat ook deze jongens geld van de aangever hebben ontvangen, zonder dat daar, voor zover aan mijn cliënt bekend is, afpersing aan vooraf is gegaan. Dat sluit aan bij het verhaal van mijn cliënt, die stelt dat de aangever weliswaar geld heeft gegeven, al is het minder dan wordt gesteld, maar dat er geen sprake was van afpersing. Deze getuigen, die zoals de advocaat-generaal opmerkt niet in het dossier voorkomen, zouden dat verhaal kunnen bevestigen. De adressen van deze getuigen zijn niet bekend. Wel is bekend dat zij in ieder geval destijds dezelfde school bezochten als de aangever, namelijk [A].

De advocaat-generaal deelt -zakelijk weergegeven- mede:

Raadsman geeft aan dat ter terechtzitting in eerste aanleg over de eerder door de verdachte afgelegde bekennende verklaring is gesproken. De verdachte erkent de bewoordingen van de bedreigingen niet, maar komt er niet op terug dat het zou zijn gebeurd. De raadsman zegt dat de hoogte van het afgegeven bedrag wordt betwist. Ik zie dat in het dossier een lijstje van ontvangen bedragen is opgenomen, waar uit blijkt waar dit geld aan is uitgegeven. Het totaal komt dichtbij de helft van het gestelde bedrag.

Ik verzet me nadrukkelijk tegen het horen van getuigen [betrokkene 8] en [betrokkene 9]. Van deze getuigen zijn geen nadere gegevens bekend. De raadsman voert aan dat zij mogelijk [A] bezoeken. Het is echter ook goed mogelijk dat zij die school niet of niet meer bezoeken.

Na onderbreking voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof het volgende mede:

[...]

-het hof acht de verzoeken tot oproeping van de overige getuigen[(1)] onvoldoende onderbouwd, nu niet gebleken is wat deze getuigen zouden kunnen verklaren, dat van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing en wijst deze verzoeken derhalve af".

3.4 De steller van het middel betoogt dat het hof met deze motivering niet duidelijk heeft gemaakt aan de hand van welke maatstaf het dit verzoek heeft afgewezen. Gezien het feit dat het verzoek om genoemde personen als getuigen te doen horen bij appelschriftuur ex art. 410, derde lid, Sv is gedaan, het verzoek ter terechtzitting aan de orde is gesteld en de raadsman het verzoek aldaar heeft gehandhaafd, had het hof het verzoek slechts kunnen afwijzen indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte daardoor niet in zijn verdediging zou worden geschaad. Echter, de door het hof gebruikte formulering "onvoldoende onderbouwd" lijkt er volgens de steller van het middel op te duiden dat het hof kennelijk de noodzaak tot het oproepen van de gevraagde getuigen niet was gebleken en dat het hof ten onrechte het noodzaakscriterium heeft gehanteerd.

3.5 Indien bij appelschriftuur als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv een opgave van verzochte getuigen wordt gedaan als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv, dient de rechter, gelet op art. 418, eerste lid, Sv, de in art. 288, eerste lid, Sv voorziene maatstaven te hanteren in geval deze getuigen niet zijn verschenen en verdachte de oproeping van deze getuigen verzoekt.

3.6 De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2011 zijn reeds bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 7]. [betrokkene 8] en [betrokkene 9] herhaald.(2) Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek dient de rechter in beginsel dus te beoordelen of redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte door afwijzing van het verzoek in zijn verdediging wordt geschaad.

3.7 In de overwegingen van het hof ligt besloten dat aan het hof uit de onderbouwing van de verzoeken niet duidelijk is kunnen worden dat deze getuigen iets zouden kunnen verklaren dat relevant zou kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissing. Aldus begrepen geeft de motivering ter afwijzing van deze getuigen geen blijk van een miskenning van de toepasselijke maatstaf, dat door het afwijzen verdachte redelijkerwijs niet in zijn belangen wordt geschaad.(3)

Ik wijs er in dit verband op dat de vader van het slachtoffer ook in de appelschriftuur als te horen getuige is genoemd, dat deze als benadeelde partij is verschenen en dat de verdediging niet heeft verzocht over te gaan tot het horen van de vader als getuige. Ten aanzien van de andere getuigen die zijn geweigerd, geldt dat zij niets zouden kunnen vertellen over het tenlastegelegde feit, maar min of meer zijdelings wellicht iets over de betrouwbaarheid van het slachtoffer. Het slachtoffer is ter terechtzitting in hoger beroep gehoord en de verdediging heeft alle gelegenheid gehad hem vragen te stellen.

Het middel faalt.

4.1 Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

4.2 Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

"hij in de periode van 15 juni 2010 tot en met 4 oktober 2010 te Amsterdam, meermalen tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] telkens heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader [betrokkene 1] telkens de woorden hebben toegevoegd: "Als je het niet brengt, dan ga ik mannen op je afsturen" en "Ik heb thuis ook dingen liggen. Die zal ik voor je meebrengen" en "Je moet er maar voor zorgen dat je het geld zult hebben, want anders stuur ik mensen op je af" en dat [betrokkene 1] geld moest geven en als hij dat niet zou doen dat [betrokkene 3] hem zou slopen en dat [betrokkene 1] geld moest geven omdat anders andere mensen hem ook zouden gaan bedreigen en "geef het geld anders gaan we je slaan"."

4.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2011.

Het klopt dat ik samen met [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) op 15 juni 2010 de mobiele telefoon van aangever [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) heb afgepakt. We zeiden tegen [betrokkene 1] dat hij voor 5 euro zijn telefoon weer terug zou krijgen. De volgende dag kwam [betrokkene 1] op school en gaf mij 100 euro [betrokkene 3] heeft ook geld gekregen van [betrokkene 1] die volgende dag. Een week daarna kreeg ik weer geld van [betrokkene 1]. Ik had hem om geld gevraagd en hij wilde dat wel brengen. Het was weer een bedrag van 100 euro. Het hoogste bedrag dat ik in een keer van [betrokkene 1] heb gekregen bedraagt 250 euro. Ik heb vier à vijf keer geld gekregen van hem; drie keer 100 euro, een keer 250 euro en volgens mij nog een keer 100 euro. Ik kreeg dit geld voor de zomervakantie.

Het klopt dat ik tijdens mijn politieverhoor heb verklaard dat ik tegen [betrokkene 1] heb gezegd dat [betrokkene 3] hem zou slopen als hij mij geen geld zou geven. Ook heb ik toen verklaard dat het totaalbedrag dat ik van [betrokkene 1] heb gekregen 3000 euro was.

2. Een proces-verbaal van verhoor van 15 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. M.I. Heyning, kinderrechter als rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

[Betrokkene 1] is bedreigd, ook door mij. Dat is begonnen eind van het schooljaar, ik geloof in juni. Het is doorgegaan tot ongeveer twee weken geleden. Ik denk dat ik ongeveer 2000 euro heb gekregen. Ik denk wel dat hij zich bang voelde.

U laat mij de foto zien op pagina 15 van het dossier. Dat ben ik. Het geld wat ik in mijn hand heb, heb ik van [betrokkene 1] gekregen

3. Een proces-verbaal met nummer PL132F 2010245175-1 van 5 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], dossierpagina's 8 t/m 11.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als aangifte van [betrokkene 1]:

Bij deze doe ik aangifte van bedreiging en afpersing in de periode van 15 juni 2010 tot en met 4 oktober 2010 te Amsterdam. Ik word bedreigd en afgeperst door drie jongens die bij mij op school, [A], zitten. Deze jongens heten [verdachte] (hierna te noemen: de verdachte), [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) en [betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4]). Het is begonnen op school. De verdachte en [betrokkene 3] hadden mijn telefoon afgepakt in de pauze. Ik ben toen achter hen aangelopen en heb gevraagd of ik mijn telefoon terug mocht hebben. Ze zeiden dat ik hem wel terug zou krijgen, maar dan moest ik ze wel de volgende dag 10 euro brengen, anders zouden ze mannen op mij afsturen. Ik heb toen mijn telefoon teruggekregen en de dag erna heb ik hen 10 euro gegeven. Een week later pakten ze, de verdachte en [betrokkene 3], weer mijn telefoon af. Ik moest ze deze keer 20 euro betalen om mijn telefoon weer terug te krijgen. Dit geld was van mijzelf. Hierna is dit nog heel vaak gebeurd. Ze pakten niet meer mijn telefoon af, maar begonnen meteen met bedreigen. Ze zeiden ''als je het niet brengt, dan ga ik mannen op je afsturen. Ik heb thuis ook dingen liggen, die zal ik voor je meebrengen". Ik heb ze iedere keer geld gegeven. Ik hoopte dat als ik ze geld gaf, ze zouden ophouden. Ik was erg bang. Ik heb de verdachte in totaal 4500 euro geven. Ik wist dat er bij ons thuis in de kluis een envelop met 5000 euro lag.

Ik wist ook waar de sleutel van de kluis lag, dus ik heb toen de envelop van mijn ouders eruit gehaald. Mijn ouders wisten hier niets van.

Al die tijd is de verdachte hiermee doorgegaan. Vorige week kwam [betrokkene 4] erbij. Die begon ook om geld te vragen. In totaal heb ik die jongens 5530 euro gegeven.

Gisteren, 4 oktober 2010, kreeg ik nog een sms van de verdachte. Hierin staat: 'Breng morgen ff 3 bar voor me!!!'.

4. Een geschrift, inhoudende een gespreksverslag van de vader, [betrokkene 5], van aangever [betrokkene 1], behorende bij proces-verbaalnummer 2010245175-1, dossierpagina's 13 t/m 15.

Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Op 4 oktober 2010 ben ik erachter gekomen dat ik geld mis in mijn kluis. Mijn zoon [betrokkene 1] laat weten dat hij het geld aan drie jongens heeft gegeven. Toen ik vroeg waarom, begon hij te huilen en zei dat de jongens hem bedreigden voor de zomervakantie. [Betrokkene 1] noemde de namen van de jongens: de verdachte, [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. lk wilde net de verdachte bellen en toen kwam een sms van hem op de mobiel van mijn zoon dat hij morgen 300 euro moet brengen. De ouders van de verdachte hebben laten weten dat voor de vakantie een bedrag van ongeveer 380 euro gevonden was bij de verdachte. Mijn zoon zei dat de verdachte ongeveer 4500 euro heeft genomen. Mijn zoon liet de foto zien dat de verdachte honderden euro's vasthield. Deze foto heeft mijn zoon door pingen profile van de verdachte in zijn mobiel opgeslagen.

5. Een geschrift, inhoudende een afbeelding van de verdachte, behorende bij proces-verbaalnummer 2010245175-1, dossierpagina 15.

6. Een proces-verbaal met nummer 2010245175-2 van 12 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], dossierpagina 19.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als getuigenverklaring van [betrokkene 6]:

Een paar weken geleden stond ik met [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) op school op de gang. lk zag dat er twee jongens naar [betrokkene 1] toeliepen. Een daarvan ken ik als de verdachte. Ik zag dat de verdachte wat tegen [betrokkene 1] zei. Ik zag dat [betrokkene 1] toen in zijn zakken voelde en hier een briefje van 50 euro uithaalde. Ik zag dat hij dit aan de verdachte gaf.

7. Een proces-verbaal met nummer 2010245175-10 van 13 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], dossierpagina 28.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 4]:

Ik zag dat [betrokkene 1] buiten op school stond samen met [betrokkene 3] en de verdachte. Ik zag dat [betrokkene 1] geld aan deze jongens gaf. Ik heb toen, eigenlijk voor de grap, tegen [betrokkene 1] gezegd dat als hij toch geld aan het uitdelen was, hij ook wat aan mij kon geven. [Betrokkene 1] gaf mij toen 100 euro. De verdachte en [betrokkene 3] hebben mij niet verteld dat ze [betrokkene 1] geld hebben afgenomen. Wel heb ik in de wandelgangen op school gehoord dat zij een jongen afpersten, maar ik wist niet wie dat was totdat ik buiten kwam en hen met [betrokkene 1] zag staan.

8. Een proces-verbaal met nummer PL132F 2010245175-19 van 14 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], dossierpagina 49.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 3]:

Ik stond er elke keer bij als de verdachte geld kreeg. Wij hebben dat geld gesplit. De verdachte ging [betrokkene 1] sms'jes sturen dat hij geld moest brengen. [Betrokkene 1] was bang voor ons omdat wij groter zijn en daarom heeft hij dat geld gegeven. Soms gaf [betrokkene 1] dat geld niet en dan zei de verdachte bijvoorbeeld tegen [betrokkene 1]: "Geef het geld anders gaan we je slaan"'. Ik kreeg zelf iedere keer de helft. Ik weet niet precies hoeveel ik heb gekregen, ik denk ongeveer 2500 euro. De verdachte heeft [betrokkene 1] bedreigd. Ik stond erbij."

4.4 Het middel klaagt dat uit deze bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte en/of zijn mededader aan het slachtoffer de volgende, in de bewezenverklaring genoemde (bedreigende) woorden hebben toegevoegd:

- "Je moet er maar voor zorgen dat je het geld zult hebben, want anders stuur ik mensen op je af" en

- dat het slachtoffer geld moest geven omdat anders andere mensen hem ook zouden gaan bedreigen.

4.5 Inderdaad kunnen deze zinsneden niet letterlijk worden afgeleid uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

De gebezigde bewijsmiddelen bieden echter voldoende steun voor de aanname dat de verdachten zich in woorden van gelijke strekking hebben uitgelaten. Kennelijk per vergissing heeft het hof niet in zijn bewezenverklaring opgenomen "althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking". De Hoge Raad kan de bewezenverklaring verbeterd lezen, waardoor de feitelijke grondslag aan het middel komt te ontvallen.

5. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Bedoeld zijn [betrokkene 5], [betrokkene 7]. [betrokkene 8] en [betrokkene 9].

2 Voor [betrokkene 8] en [betrokkene 9] geldt dit expliciet, voor [betrokkene 5] en [betrokkene 7] kennelijk impliciet.

3 HR 14 februari 1995, DD 95.227; HR 7 oktober 1997, NJ 1998, 153 m.nt. tH, rov. 10.3; HR 8 juli 1998, DD 98.367 rov. 7.1.2; HR 13 juli 2010, LJN BM2434 rov. 2.6.