Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9337

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
12/02262
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. WSNP. Beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling; art. 350 lid 3 F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/965
JWB 2012/359
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/02262

Mr. L. Timmerman

Parket: 8 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

Verzoeker tot cassatie

(hierna: [verzoeker])

1. Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 14 december 2009 is op [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze is op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd bij vonnis van 10 januari 2012 op de grond dat [verzoeker] i) zijn sollicitatieverplichting niet naar behoren is nagekomen, ii) nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan en iii) heeft gehandeld in softdrugs, hetgeen niet van een saneringsgezinde houding getuigt. Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Het hof 's-Gravenhage heeft bij arrest van 24 april 2012 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, overwegende - tot de kern teruggebracht - dat:

1) [verzoeker] gedurende (een groot deel van) de regeling heeft nagelaten aantoonbaar te solliciteren, terwijl niet aannemelijk is geworden dat hij ongeschikt is om te werken;

2) [verzoeker] ter zitting verklaarde dat er, naast de bovenmatige nieuwe schuld aan zijn ziektekostenverzekeraar, nóg een schuld is van € 1.400,-, waar hij de bewindvoerder niet van op de hoogte heeft gesteld.

2. Van 's hofs arrest is [verzoeker] tijdig in cassatie gekomen.(1) Het middel poneert drie klachten die de begrijpelijkheid van 's hofs oordeel aanvechten. De onderdelen 1-4 voeren, kort samengevat, aan dat de GGD zou hebben geoordeeld dat [verzoeker] niet geschikt is om aan reguliere arbeid deel te nemen. Dit oordeel zou bevestigd zijn door Aob Compaz. Gelet daarop heeft [verzoeker] wat de op hem rustende sollicitatieplicht betreft gedaan wat hij kon, namelijk zich inschrijven bij de Onbenutte Kwaliteitenbank. In de onderdelen 6-7 wordt de ter zitting gebleken nieuwe bovenmatige schuld betwist. Volgens het onderdeel heeft [verzoeker] de schuld aan zijn zorgverzekeraar nagenoeg afgelost, zodat die geen grond kan zijn voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Onderdeel 8 betoogt dat het hof had moeten motiveren waarom geen sprake is van gebreken die tot verlenging van de schuldsaneringstermijn hadden moeten leiden.

3. De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Wat de onderdelen 1-4 betreft, heeft het hof terecht geoordeeld dat de sollicitatieplicht een inspanningsplicht is die ook en onverkort geldt ingeval de kans op betaald werk niet groot is. Uit de in het geding gebrachte rapporten blijkt niet, anders dan de onderdelen willen doen geloven, dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is. Aan het ontbreken van een sollicitatieplicht in het kader van de Wet werk en bijstand mag een saniet in het algemeen niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat ook bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling een vrijstelling van de sollicitatieplicht wordt aangenomen: daarover beslist de rechter-commissaris.(2) In zoverre missen de onderdelen feitelijke grondslag. 's Hofs oordeel dat [verzoeker] zich met zijn inschrijving in de Onbenutte Kwaliteitenbank niet heeft gekweten van de op hem rustende sollicitatieplicht - zoals de bewindvoerder blijkens de gedingstukken ook herhaaldelijk aan [verzoeker] heeft laten weten - is juist en niet onbegrijpelijk. Met betrekking tot de in de onderdelen 6-7 vervatte klachten, moet worden geconstateerd dat [verzoeker] blijkens het proces-verbaal ter zitting melding heeft gemaakt van een nieuwe schuld ten belope van EUR 1.400,--. In het licht hiervan kunnen de onderdelen 6-7 niet tot cassatie leiden. Tot slot, onderdeel 8 gaat er ten onrechte vanuit dat de tekortkomingen van ondergeschikte aard zijn. De redenen die het onderdeel aanvoert - ten eerste dat [verzoeker] wel heeft gesolliciteerd en ten tweede dat hij de boedelachterstand heeft opgelost -, ketsen beide af op het voorgaande.

4. Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is per fax en per post ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 2 mei 2013, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.

2 Zie aldus A-G Langemeijer in zijn conlusie vóór HR 19 januari 2007, LJN AZ2048, NJ 2007, 61, par. 3.10.