Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9322

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11/02018
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9322
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO. Ambtshalve: het Hof heeft miskend dat, gelet op art. 179 en 179a WVW 1994, de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet kan worden ontzegd voor het hier bewezenverklaarde feit. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak in zoverre.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/416
RvdW 2012/930
VR 2013/22
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/02018

Mr. Aben

Zitting 8 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 1 december 2010, met vrijspraak van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde, de verdachte ter zake van "mishandeling" veroordeeld tot een werkstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. G.C. Pol, advocaat te Leeuwarden, cassatie ingesteld. Mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat strekte tot vrijspraak van het aan de verdachte onder 1. meer subsidiair tenlastegelegde. Het middel kwalificeert dit bewijsverweer als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. De vraag naar de juistheid van deze kwalificatie is van weinig belang, nu het hof niet stilzwijgend aan het gevoerde verweer voorbij is gegaan.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 meer subsidiair bewezenverklaard dat:

"hij op 30 augustus 2008 te Dalfsen opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [betrokkene 1], heeft aangereden met zijn, verdachtes, personenauto, immers is hij, verdachte, achterwaarts op [betrokkene 1] toegereden en is daarbij tegen [betrokkene 1] aangereden, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

3.3. Aan deze bewezenverklaring liggen vier bewijsmiddelen ten grondslag: (i) de aangifte van [betrokkene 1]; (ii) een geschrift, inhoudende een door een forensisch geneeskundige gegeven beschrijving van het letsel van [betrokkene 1]; (iii) een ter zitting van het hof afgelegde getuigenverklaring van [betrokkene 2] en (iv) een ter zitting van het hof afgelegde getuigenverklaring van [betrokkene 3] (de echtgenote van aangever). Uit deze bewijsmiddelen blijkt het volgende. De verdachte was op 30 augustus 2008 in de Formido winkel in Dalfsen. [betrokkene 1], destijds eigenaar van die Formido vestiging, bevond zich toen ook in de winkel. Naar aanleiding van een al langer lopend geschil over een partij tegels die de verdachte bij die Formido had gekocht vond er een woordenwisseling plaats tussen de verdachte en [betrokkene 1]. Daarbij liepen de gemoederen hoog op. Op een goed moment heeft [betrokkene 1] de verdachte verzocht zijn Formido winkel te verlaten. [Betrokkene 1] is vervolgens met de verdachte mee naar buiten gelopen richting de auto van de verdachte. Volgens [betrokkene 1] had de verdachte de bestuurdersportier open toen hij, [betrokkene 1], weer terugliep naar de winkel. [Betrokkene 1] heeft gehoord dat de verdachte zijn auto startte. Niet lang daarna - terwijl [betrokkene 1] dus richting zijn winkel liep - zag hij vanuit zijn ooghoek "een grijze flits" en direct daarna voelde hij dat "iets hem in de rug en tegen zijn rechter elleboog raakte". [Betrokkene 1] heeft gezien dat hij was aangereden door de auto van de verdachte en dat de verdachte na de aanrijding met verhoogde snelheid is weggereden. In de medische verklaring wordt het letsel van [betrokkene 1] beschreven (lichte verwardheid, nek- hoofd- en rugpijn en pijn aan rechter elleboog). [Betrokkene 2] heeft verklaard dat zij op 30 augustus 2008 bij de Formido achter de kassa zat en dat zij [betrokkene 1] samen met de verdachte naar buiten zag lopen richting de auto van de verdachte. Zij constateerde dat het gesprek dat beide heren voerden bepaald niet vriendschappelijk van aard was. Nadat de verdachte in zijn auto was gestapt, liep [betrokkene 1] weg. De verdachte reed eerst - achteruit - tegen [betrokkene 1] aan en vervolgens reed hij - vooruit - weg, aldus [betrokkene 2]. Dit beeld komt ook naar voren uit de verklaring van de echtgenote van [betrokkene 1], die de Formido binnenkwam op het moment dat haar man met de verdachte tussen de kassa's door naar buiten liep.

3.4. De verdachte heeft niet ontkend dat hij op 30 augustus 2008 een bezoek aan de Formido in Dalfsen heeft gebracht om met [betrokkene 1] te praten over de eerder genoemde partij tegels. Wél heeft de verdachte een andere lezing gegeven van de verdere gebeurtenissen die dag in en bij de Formido. De verklaring van de verdachte komt hierop neer dat [betrokkene 1] degene was die agressief was. Hij zou tegen de verdachte zijn uitgevallen en hem met een vinger in zijn oog hebben geprikt. Op weg naar de uitgang van de winkel zou [betrokkene 1] de verdachte meerdere malen op zijn hoofd hebben geslagen. Ook zou [betrokkene 1], nadat hij met de verdachte was meegelopen naar de auto van de verdachte, tegen die auto hebben geslagen. De verdachte zou vervolgens vooruit zijn weggereden en het parkeerterrein van de Formido hebben verlaten zonder daarbij [betrokkene 1] te hebben geraakt.

3.5. In deze context heeft de raadsvrouw van de verdachte ter zitting in hoger beroep van 23 juli 2010 vrijspraak bepleit van hetgeen aan de verdachte onder 1. primair (poging tot doodslag), subsidiair (zware mishandeling) en meer subsidiair (mishandeling) was tenlastegelegd. Blijkens de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitaantekeningen heeft de verdediging betoogd dat de verklaringen die de aangever, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij de politie respectievelijk bij de rechter-commissaris hebben afgelegd niet geloofwaardig zijn, omdat die verklaringen - kort gezegd - niet met elkaar zouden rijmen. Zo zouden die verklaringen de vraag oproepen of [betrokkene 3] die bewuste middag wel aanwezig was in de Formido. In elk geval zou er niet eenduidig zijn verklaard over de plek waar zij zich bevond op het moment dat de verdachte in zijn auto het parkeerterrein verliet. De verklaringen van [betrokkene 2] zouden ongeloofwaardig zijn, onder meer omdat zij bij de politie heeft verklaard dat de verdachte met een snelheid van 20 à 30 km per uur tegen [betrokkene 1] is aangereden en zij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het ook kan zijn dat de verdachte met een snelheid van 15 à 20 kilometer achteruit is gereden. Bovendien was zij op het moment dat de verdachte wegreed bezig met het afrekenen van de aankopen van ene [betrokkene 4]. Daardoor is het - aldus de verdediging in hoger beroep - nog maar de vraag of [betrokkene 2] de gebeurtenissen buiten op het parkeerterrein wel heeft kunnen waarnemen. Volgens de verdediging riep het aanwezige bewijsmateriaal nog veel meer vragen op. Ik zie echter geen aanleiding om hier op al die - in mijn ogen ondergeschikte punten - in te gaan.

3.6. Op 6 augustus 2010 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Daarbij heeft het hof bepaald dat het onderzoek zou worden hervat en dat er ter zitting nog een viertal getuigen moest worden gehoord. Het betrof de getuigen (i) [betrokkene 3] (de echtgenote van de aangever); (ii) [betrokkene 2]; (iii) [betrokkene 4] en (iv) [betrokkene 5]. [Betrokkene 4] was - zo bleek reeds hiervoor - degene die bij de kassa zijn aankopen afrekende toen de verdachte met [betrokkene 1] buiten op het parkeerterrein was. [Betrokkene 5] was - evenals [betrokkene 2] - op 30 augustus 2008 als kassière werkzaam in de Formido. Deze vier getuigen zijn vervolgens ter zitting van 17 november 2010 gehoord.

3.7. Op 1 december 2010 heeft het hof zijn eindarrest in deze zaak gewezen. In dat arrest heeft het hof naar aanleiding van het door de verdediging op de zitting van 23 juli 2010 gevoerde bewijsverweer het volgende overwogen:

"Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep -waaronder de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van (met name) de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] - acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op het parkeerterrein van de Formido in Dalfsen uit stilstand achteruit is weggereden en dat hij aangever, die inmiddels enige meters van de (achterkant van de) auto was weggelopen, (al dan niet enigszins schuin) van achteren heeft aangereden. De verklaring van aangever [betrokkene 1] wordt - voor wat betreft de aanrijding - bevestigd door de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Anders dan de verdediging acht het hof deze getuigenverklaringen op dit punt geloofwaardig. Zowel aangever als beide getuigen hebben ten aanzien van de aanrijding consistente en gedetailleerde verklaringen afgelegd, die op essentiële onderdelen met elkaar overeen komen. De verklaring van verdachte dat hij met zijn auto vooruit het betreffende parkeervlak op het parkeerterrein van de Formido heeft verlaten, wordt op geen enkele wijze ondersteund."

3.8. Vervolgens heeft het hof zich de vraag gesteld hoe de aanrijding strafrechtelijk moest worden gekwalificeerd. Omdat volgens het hof niet was gebleken dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het doden of het zwaar verwonden van [betrokkene 1], heeft het hof de verdachte vrijgesproken van de aan hem primair en subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag respectievelijk zware mishandeling. Het hof achtte wél de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling bewezen, omdat het - aldus het hof - naar algemene ervaringsregels aannemelijk is dat een aanrijding met een auto een aanmerkelijke kans op enig lichamelijk letsel en/of pijn tot gevolg heeft.(1)

4.1. Ik keer terug naar het middel. Dat klaagt, als gezegd, over de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat strekte tot vrijspraak van de aan de verdachte onder 1. meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling. In de toelichting op het middel wordt wederom de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal in twijfel getrokken.

4.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het aan de feitenrechter is voorbehouden om - binnen de door de wet gestelde grenzen - van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.(2) Deze regel, dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden, is niet gewijzigd door de inwerkingtreding van het huidige lid 2 van art. 359 Sv. Uitgangspunt is verder dat de feitenrechter geen verantwoording hoeft af te leggen van de keuze die hij maakt. Op dit uitgangspunt bestaan enkele uitzonderingen, op grond waarvan onder omstandigheden een nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde materiaal. Tot die uitzonderingen behoort de in de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringseis.

4.3. In dit geval heeft het hof naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde bewijsverweer het gebruik van het bewijsmateriaal verantwoord. Het hof is daarbij weliswaar niet op elk detail van het gevoerde bewijsverweer ingegaan, maar daartoe was het hof ook niet gehouden, nu veel van de door de verdediging aangevoerde ongerijmdheden geen betrekking hadden op de aanrijding zelf (maar eerder op wat aan die aanrijding vooraf ging).(3) Waar het om gaat, is dat het hof op een begrijpelijke wijze heeft toegelicht waarom het de verklaringen van de aangever, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] - anders dan de verdediging - wél betrouwbaar heeft geacht en waarom het die verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt. Volgens het hof hebben de aangever, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] consistente en gedetailleerde verklaringen afgelegd daar waar het de aanrijding betreft. Bovendien komen die verklaringen voor wat betreft de aanrijding met elkaar overeen, aldus het hof. Dit in tegenstelling tot de verklaring van de verdachte, die volgens het hof op geen enkele wijze wordt ondersteund. Dit oordeel is geenszins onbegrijpelijk, mede gelet op de overige ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaringen,(4) die de door de bewijsmiddelen geschetste sfeer bevestigen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de (on)betrouwbaarheid van het bewijs noopte het hof niet tot een nadere motivering, om de reden die ik al eerder noemde.

5. Het middel faalt derhalve en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

6. Behoudens het navolgende heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden. Het hof heeft tezamen met de werkstraf een bijkomende straf opgelegd, bestaande in een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Ter zake van het misdrijf van mishandeling staat artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994 de oplegging van een dergelijke bijkomende straf niet toe.

7. Deze conclusie strekt tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid, en tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ik merk in dit verband op dat de rechtbank in eerste aanleg (wél) kwam tot een bewezenverklaring van de primair aan de verdachte tenlastegelegde poging tot doodslag. Naar aanleiding van het ter zitting in eerste aanleg gevoerde bewijsverweer - dat dezelfde strekking had als het in het hoger beroep gevoerde bewijsverweer - overwoog de rechtbank dat zij de verklaring van de verdachte, dat hij gewoon is weggereden en dat niet aangever maar hij het slachtoffer is in deze zaak, niet geloofwaardig achtte. De rechtbank oordeelde voorts dat de door de verdachte gegeven lezing van de gebeurtenissen bij de Formido "geen enkele steun [vindt] in de verklaringen van de personen die daar op dat moment aanwezig waren." (zie p. 4 van het vonnis van de rechtbank van 19 mei 2009)

2 Dat is vaste rechtspraak. Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2009, p. 234.

3 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393. Uit rov. 3.8.4 sub d van dat arrest volgt dat de in art. 359, tweede lid, Sv voorgeschreven motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

4 Waarbij ik doel op verklaring van de getuigen [betrokkene 4] (de klant die afrekende op het moment van de aanrijding) en [betrokkene 5] (de kassière).