Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9246

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
11/04456
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Faillissement; art. 67, 101, 176 Fw. Geen beroep schuldenaar tegen toestemming rechter-commissaris tot onderhandse verkoop goederen. Niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1077
JWB 2012/405
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 11/04456

mr. Wuisman

Roldatum: 15 juni 2012 (bij vervroeging)

CONCLUSIE inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes

tegen:

mw. mr. D.T. VAN DONK, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker],

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) is op 5 april 2011 door de rechtbank Alkmaar in staat van faillissement verklaard, waarbij mw. Mr Warmerdam tot rechter-commissaris (hierna: de Rechter-commissaris) en verweerster in cassatie (hierna: de Curator) tot curator in dat faillissement zijn benoemd. Tot de faillissementsboedel hoort onroerend goed, te weten een woonhuis met grond daarbij.

1.2 Bij brief van 8 juli 2011 stelt de Rechter-commissaris [verzoeker] in kennis van het feit dat zij de Curator zojuist toestemming heeft verleend voor de onderhandse verkoop van het onroerend goed voor een bedrag van € 610.000,-. Aan slot van de brief wordt onder meer opgemerkt: "Ik wijs u erop dat van de mij gegeven toestemming gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank openstaat, te rekenen vanaf de dag waarop de beschikking is gegeven (vandaag)."

1.3 [Verzoeker] zelf zendt naar de rechtbank Alkmaar, t.a.v. de Rechter-commissaris, een brief, die gedateerd is op 15 juli 2011 en als onderwerp vermeldt: "beroep tegen verkoop pand en onroerend goed tegen onaanvaardbare prijs". In de brief geeft [verzoeker] aan het niet eens te zijn met de verkoop van het onroerend goed voor een prijs van € 610.000,-. Volgens [verzoeker] is deze prijs te laag. Aan het slot van de brief wordt verzocht om in het belang van de boedel het voorstel van de curator af te wijzen.

1.4 Op 13 september 2011 vindt een zitting plaats die blijkens het proces-verbaal van die zitting strekt tot behandeling van het beroep van [verzoeker]. Daarop volgt op 27 september 2011 de beschikking van de rechtbank, waarin [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep wordt verklaard. Tegen de beschikking van de Rechter-commissaris staat naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de artikelen 101 jo. 176 jo. 67 Fw, geen hoger beroep open. Daaraan doet niet af het vertrouwen dat op dit punt door de Rechter-commissaris is gewekt.

1.5 [Verzoeker] is met een op 7 oktober 2011 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en daarmee tijdig((1)) in cassatie gekomen van de beschikking van de rechtbank. Er heeft geen aanvulling van de cassatiemiddelen naar aanleiding van het beschikbaar komen van het proces-verbaal van de zitting van 13 september 2011 plaatsgevonden. De Curator heeft verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatieklachten

2.1 Primair wordt in 7.2 van het beroepschrift erover geklaagd dat de rechtbank ten onrechte de brief van 15 juli 2011 van [verzoeker] als een beroepschrift heeft opgevat in plaats van een verzoek aan de Rechter-commissaris om een voorziening op de voet van artikel 69 Rv. De rechtbank had het verzoek aan de Rechter-commissaris moet doorgeleiden voor een inhoudelijk beslissing.

2.2 De klacht stuit hierop af dat zij opkomt tegen een uitleg van de brief van [verzoeker] door de rechtbank, die niet onbegrijpelijk is en niet voor verdere toetsing in cassatie in aanmerking komt. De uitleg van de brief is niet onbegrijpelijk omdat de rechtbank reeds uit de omschrijving aan het begin van de brief van het onderwerp van de brief heeft kunnen afleiden dat met de brief beoogd werd beroep aan te tekenen tegen de beschikking van de Rechter-commissaris. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 september laat bovendien de advocaat van [verzoeker] zich uit in de zin van: "mijn cliënt heeft beroep ingesteld."

2.3 In 7.3 t/m 7.7 wordt, uitgaande subsidiair van de veronderstelling dat de brief van 8 juli 2011 van de Rechter-commissaris een afwijzing bevat van het verzoek van [verzoeker] om aan de Curator geen toestemming voor de verzochte onderhandse verkoop te geven, erover geklaagd dat de rechtbank ten onrechte de brief van 15 juni 2011 van [verzoeker] niet als een geschrift heeft aangemerkt, waarmee op grond van artikel 67 Fw beroep tegen een beschikking van de Rechter-commissaris in de zin van artikel 69 Fw werd ingesteld.

2.4 De klacht faalt reeds bij gebreke van feitelijke grondslag. De brief van 8 juli 2011 van de Rechter-commissaris aan [verzoeker] vormt niet een beschikking, waarin een verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen. De brief is niet geschreven, althans daarvan blijkt uit de processtukken niet, naar aanleiding van een verzoek van [verzoeker] aan de Rechter-commissaris. De brief is te beschouwen als een kennisgeving aan [verzoeker] van de verlening van de toestemming aan de Curator om, zoals door laatstgenoemde verzocht, het onroerend goed voor een prijs van € 610.000,- onderhands te verkopen. De verlening van die toestemming vormt een beschikking, waaromtrent de rechtbank terecht oordeelt dat daartegen, gelet op het bepaalde in de artikelen 101 jo. 176 jo. 67 Fw, geen hoger beroep open staat. In lid 1 van artikel 176 Fw is bepaald dat onroerend goed onderhands met toestemming van de rechter-commissaris wordt verkocht, terwijl uit de tweede volzin van lid 1 van artikel 67 Fw volgt dat geen hoger beroep openstaat tegen onder meer een beschikking vermeld in artikel 176 lid 1 Fw.

2.5 Na het voorgaande is hetgeen onder 8 van het beroepschrift nog wordt aangevoerd, zonder belang.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. De rechtbank heeft de brief van 15 juli 2011 van [verzoeker] opgevat als een stuk waarmee hoger beroep als bedoeld in artikel 67 lid 1 Fw is ingesteld. De beschikking van de rechtbank is te beschouwen als een beschikking in hoger beroep, waartegen op grond van de artikelen 67 lid 1 Fw jo. 426 lid 2 Rv binnen 10 dagen na de uitspraak in cassatie kan worden gekomen.