Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9223

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
11/05045
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Vaststelling partneralimentatie; verdiencapaciteit alimentatiegerechtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1114
JWB 2012/409
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/05045

Mr. F.F. Langemeijer

15 juni 2012

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

1. In deze alimentatiezaak wordt volstaan met een verkorte conclusie. Partijen zijn gehuwd geweest. De man (thans verzoeker tot cassatie) heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen. De vrouw heeft verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek ingediend tot toekenning van een bijdrage in haar levensonderhoud van € 900,- per maand. De man heeft daartegen ingebracht dat de vrouw in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de vrouw (geboren in 1966) tijdens het huwelijk - naast administratieve werkzaamheden die zij voor de onderneming van de man verrichtte - 32 uur per week in dienstbetrekking elders werkte en per 1 juli 2009 dat urenaantal heeft teruggebracht naar 28 uur per week.

2. Bij beschikking van 24 november 2010 heeft de rechtbank te Rotterdam de echtscheiding uitgesproken en, onder meer, het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afgewezen. De rechtbank achtte voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw in staat moet worden geacht meer uren per week betaald werk te verrichten en/of op andere wijze (kamerverhuur) extra inkomsten te krijgen en daarmee volledig in haar levensonderhoud te voorzien.

3. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld en verzocht de man te veroordelen om vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking(1) een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te voldoen van € 1.800,- (bruto) per maand(2). Bij beschikking van 17 augustus 2011 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage de beschikking van de rechtbank op het punt van de alimentatie vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man met ingang van 31 maart 2011 aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud verschuldigd is van € 1.474,- per maand(3). Het hof ging uit van een behoefte aan de zijde van de vrouw van (€ 2.390,- netto ofwel) € 3.595,- bruto per maand (rov. 15, in cassatie onbestreden) en van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.121,- bruto per maand (rov. 20). Het hof was met de vrouw van oordeel dat van haar niet kan worden verlangd dat zij kamers in haar huis verhuurt om extra inkomsten te genereren. Wat betreft de mogelijkheden om haar inkomsten uit arbeid te verhogen, was het hof van oordeel dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij in de toekomst het aantal door haar gewerkte uren zodanig uitbreidt dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij moet thans nog in de gelegenheid worden gesteld haar verdiencapaciteiten uit te breiden (rov. 19). Om die reden ging het hof uit van de door de vrouw berekende verdiencapaciteit van € 2.121,- bruto (rov. 20).

4. De man heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

5. De klachten in het cassatierekest onder 7.3 - 7.5 zijn gericht tegen rov. 19 en houden samengevat in dat reeds nu (en niet slechts in de toekomst) van de vrouw mag worden geëist dat zij haar inkomen uit arbeid verhoogt door meer uren per week te werken. Het middel wijst in dit verband erop dat de vrouw in eerste aanleg was uitgegaan van een lagere behoefte (volgens het middel: € 1.825,- netto). Nu de vrouw in 2009 zelf een vermindering in haar arbeidsuren tot stand heeft gebracht en zij niet is opgekomen tegen de overwegingen van de rechtbank (i) dat niet gebleken is dat zij vanwege economische redenen aan de zijde van haar werkgever genoodzaakt werd minder uren per week te gaan werken en (ii) dat zij geen administratieve werkzaamheden meer verricht in het bedrijf van de man, terwijl zij daaraan vroeger 1 dag per week besteedde, mocht - aldus de klacht - van de vrouw worden verlangd dat zij haar verdiencapaciteit had uitgebreid toen zij een onderhoudsbijdrage verzocht, respectievelijk toen zij haar verzoek in appel vermeerderde.

6. Voor zover de rechtsklacht al voldoet aan de eisen die art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt, gaat zij niet op: het hof heeft zich laten leiden door de wettelijke maatstaven. De vaststelling van de behoefte is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Ook de motiveringsklacht faalt. Het oordeel, dat ten tijde van de beslissing van het hof de verdiencapaciteit van de vrouw (nog) niet uitstak boven hetgeen zij feitelijk met betaalde arbeid verdiende, is naar behoren gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Wat betreft de teruggang van 32 naar 28 uur per 1 juli 2009 (dus nog tijdens het huwelijk), heeft het hof in rov. 17 uitdrukkelijk vastgesteld dat deze teruggang in arbeidsuren de instemming van de man had en daarom niet alleen aan haar kan worden toegerekend. Aan de stelling dat deze teruggang vrijwillig is geschied zonder dat de vrouw daartoe werd genoopt door economische omstandigheden bij haar werkgever, kwam daarmee het belang te ontvallen. Het hof heeft zijn oordeel niet gebaseerd op de veronderstelling dat de vrouw nog steeds tijd besteedt aan werkzaamheden voor de onderneming van de man. Het hof is blijkbaar van oordeel dat de door het wegvallen van die werkzaamheden vrijgekomen tijd door de vrouw niet onmiddellijk kan worden omgezet in een uitbreiding van het aantal arbeidsuren per week, maar dat daarvoor enige tijd nodig is. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk voor de lezer. De omstandigheid dat de vrouw in appel uitging van een hogere behoefte dan waarvan zij in eerste aanleg was uitgegaan, brengt hierin geen verandering.

7. De motiveringsklacht in onderdeel 7.6, gericht tegen rov. 20, faalt. Weliswaar heeft de man ter zitting in hoger beroep gesteld dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.934,- per maand is(4), maar dat is niet onverenigbaar met de vaststelling in rov. 20 dat de 'verdiencapaciteit' van de vrouw te stellen is op bruto € 2.121,- per maand. Ook overigens is die vaststelling niet onbegrijpelijk(5). De hierop voortbouwende klacht in onderdeel 7.7, gericht tegen rov. 21, faalt om dezelfde reden.

8. De klachten in de onderdelen 7.8 en 7.9 komen neer op een herhaling van het standpunt van de man dat de vrouw, gelet op haar leeftijd, opleiding en werkervaring, al vóór de datum van de beschikking van het hof (en niet pas in de toekomst) in staat moet worden geacht zelf in haar levensonderhoud te voorzien door haar aantal arbeidsuren uit te breiden. Onderdeel 7.8 verwijst naar het verweerschrift van de man in hoger beroep onder 4.d(6). Onderdeel 7.9 klaagt dat het hof tot een andere invulling is gekomen van het feitenpakket zoals dat bij de rechtbank voorlag en dat de rechtbank aanleiding had gegeven het verzoek van de vrouw af te wijzen. Volgens de klacht behoeft de beslissing van het hof "aldus bredere redengeving dan thans is geschied".

9. Een zo geformuleerde motiveringsklacht voldoet niet aan de eisen die art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt. Overigens is niet onbegrijpelijk waarom het hof tot een andere beslissing is gekomen dan de rechtbank. Het hof heeft eerst de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw vastgesteld. Vervolgens heeft het hof onderzocht of de vrouw in staat is door inkomsten uit arbeid of andere bronnen van inkomsten in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof heeft geconstateerd dat de vrouw ten tijde van zijn beslissing nog behoefte had aan een (aanvullende) onderhoudsbijdrage. Bij de vaststelling van de behoefte is het hof uitgegaan van de behoefteberekening van de vrouw in appel, die op een andere basis was opgesteld dan die van de vrouw in eerste aanleg. Onder omstandigheden is mogelijk dat, in geval van een vrijwillige teruggang in inkomsten uit arbeid, bij de vaststelling van of de behoefte van een onderhoudsgerechtigde (of de draagkracht van een alimentatieplichtige) wordt uitgegaan van een fictief inkomen, wegens een wel aanwezige, doch niet benutte verdiencapaciteit(7). In het onderhavige geval heeft het hof, anders dan de rechtbank, daartoe geen aanleiding gezien. Dat, aan de feitenrechter voorberhouden, oordeel is omkleed met redenen die deze beslissing kunnen dragen.

10. De slotsom is dat het middel geen doel treft. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 31 maart 2011.

2 De vrouw verklaarde het verschil met het in eerste aanleg door haar gevorderde bedrag aan de hand van de 60%-norm in combinatie met nieuw door haar ontvangen informatie over het gezinsinkomen tijdens het huwelijk (beroepschrift in appel blz. 7).

3 Het hof sprak zich tevens uit over een kwestie betreffende verzekeringspolissen. Deze is in cassatie niet aan de orde en blijft hier onbesproken.

4 Proces-verbaal zitting 15 juni 2011, blz. 2.

5 Het hof heeft deze vastgesteld aan de hand van de berekening, overgelegd als prod. 32 (blad 2 onderaan).

6 Daarin heeft de man het een en ander gesteld over sollicitaties van de vrouw en haar mogelijkheden om het urenaantal bij de eigen werkgever uit te breiden. Het betoog mondt uit in de stelling dat de vrouw ingaande 15 februari 2011 haar urenaantal heeft uitgebreid naar 32 uur en niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij heeft gesolliciteerd naar functies voor meer dan 32 uur per week.

7 Zie bijv. HR 29 maart 1985 (LJN: AG4988), NJ 1985/889; HR 24 april 1998 (LJN: ZC2636), NJ 1998/603; HR 10 september 2004 (LJN: AO9077), NJ 2005/225 m.nt. SW. Zie m.b.t. een inkomensvermindering van de onderhoudsplichtige: HR 5 december 2008 (LJN: BF8928), NJ 2009/2.