Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9186

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
10/04864
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9186
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/936
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04864

Mr. Vellinga

Zitting: 10 april 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de verdachte de verplichting opgelegd om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat een bedrag te betalen van € 3000,- subsidiair 40 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, drie middelen van cassatie voorgesteld. De advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij], mr. Y.W.A.M. van der Koelen, heeft op 13 maart 2012 binnen de gestelde termijn van 30 dagen, een verweerschrift aan de Hoge Raad doen toekomen. Dit verweerschrift heeft betrekking op het eerste en het tweede namens verdachte ingediende cassatiemiddel.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof nadat het de benadeelde partij niet ontvankelijk heeft verklaard in haar vorderingen, een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd. Het tweede middel klaagt dat het Hof bij de oplegging daarvan ten onrechte wettelijke rente heeft toegewezen vanaf 28 februari 1998 tot de dag der algehele voldoening. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4. Het Hof in het arrest onder de kop "schadevergoeding" het volgende overwogen:

"De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 4.000,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep met wijziging van de vordering - binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd.

Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt tot betaling van een bedrag van EUR 3.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts is een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand gevorderd, zijnde een bedrag van EUR 1.142,40.

Het hof overweegt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende. Op grond van artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek verjaart een rechtsvordering tot schadevergoeding door verloop van vijfjaren vanaf het moment dat de benadeelde partij met de schade en de veroorzakende persoon bekend is geworden. Het hof is aldus, met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de geleden schade ad EUR 3.000,- is verjaard. Nu echter uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat door het bewezen verklaarde handelen rechtstreekse schade aan het slachtoffer is toegebracht, ziet het hof aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht te treffen. De civielrechtelijke verjaring van de vordering staat aan het opleggen van deze maatregel niet in de weg.

Het hof neemt als aanvangsdatum voor de berekening van de wettelijke rente de einddatum van de bewezen verklaarde periode waarin de verkrachtingen hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van de gevorderde kosten van rechtsbijstand overweegt het hof dat ook indien de benadeelde partij niet in haar vordering tot vergoeding van materiële en/of immateriële schade kan worden ontvangen, op grond van het bepaalde van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering een beslissing zal volgen over de kosten die in het kader van de vordering door de benadeelde partij dan wel door verdachte zijn gemaakt.

Het hof overweegt dienaangaande dat, nu de benadeelde partij wegens verjaring van haar vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, de benadeelde partij wordt veroordeeld in de gemaakte kosten."

5. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof ten onrechte overwogen dat civielrechtelijke verjaring van een vordering niet in de weg staat aan het opleggen van de maatregel van art. 36f Sr.

6. Art. 36f lid 2 Sr bepaalt dat de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Met dit vereiste beoogde de wetgever tot uitdrukking te brengen dat zowel de aard als de omvang van de maximaal te vergoeden schade volgens de criteria van het burgerlijk recht moet worden vastgesteld.(1)

7. Verjaring op de voet van art. 3:310 BW doet niet de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht maar de rechtsvordering tot vergoeding van schade vervallen: na het door de schuldenaar gedaan beroep op verjaring blijft de verplichting tot vergoeding van schade als een natuurlijke verbintenis voortbestaan.(2) Daarom staat verjaring op de voet van art. 3:310 BW niet aan oplegging van een schadevergoedingsmaatregel als de onderhavige in de weg.

8. Het voorgaande strookt met het karakter van de schadevergoedingsmaatregel zoals geschetst in de memorie van toelichting: geen straf maar een maatregel omdat aan de verdachte een verplichting wordt opgelegd waaraan hij uit anderen hoofde moet voldoen.(3) Dat geldt ook voor het verschil in karakter tussen de voegingsprocedure en de schadevergoedingsmaatregel zoals deze door de wetgever is gedacht:

"De voegingsprocedure is een procedure waarlangs de benadeelde partij binnen het straf proces over een zuiver civielrechtelijk geschil een beslissing van de rechter kan afdwingen. (...) De schadevergoedingsmaatregel daarentegen is een sanctie. De rechter kan deze sanctie,binnen de grenzen die het materiële strafrecht stelt, naar eigengoeddunken toepassen."(4)

9. De middelen falen.

10. Het derde middel klaagt dat de straftoemeting niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

11. Het Hof heeft met betrekking tot de strafoplegging in het arrest het volgende overwogen:

"De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging daarbij van de bijzondere voorwaarde dat verdachte binnen 6 maanden na het ingaan van de proeftijd een bedrag van EUR 3.000,- zal betalen aan [benadeelde partij] ter vergoeding van de door haar door de strafbare feiten geleden schade.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarde dat verdachte aan het slachtoffer ter vergoeding van de door haar geleden schade een bedrag zal betalen van EUR 3.000,--, alsmede een bedrag van EUR 1.142,40 voor de kosten van rechtsbijstand.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de ouderdom van de feiten, alsmede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (schuldigverklaring zonder oplegging van straf) of een geheel voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd. Voor het toekennen van een schadevergoedingsverplichting als bijzondere voorwaarde, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, is in de visie van de raadsman geen ruimte.

Het hof overweegt het navolgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof zal voor de strafmaat in de eerste plaats aansluiting zoeken bij de straffen die in soortgelijke zaken in de regel worden opgelegd. Volgens de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, zou in geval van een eenmalige verkrachting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als passend kunnen worden beschouwd.

Het hof overweegt dat verdachte gedurende een jarenlange periode op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke integriteit en waardigheid van zijn toenmalige echtgenote met wie hij samenwoonde, door haar meermalen te dwingen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij daarbij slechts zijn eigen seksuele behoeftenbevrediging voorop heeft gesteld.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij [benadeelde partij]. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de gevolgen voor het slachtoffer zoals die ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 oktober 2010 naar voren zijn gebracht en waaruit blijkt dat het bewezen verklaarde zowel veel leed bij haar teweeg heeft gebracht en dat zij daarvan nog altijd de gevolgen ondervindt.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De door de verdediging voorgestane toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht dan wel het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf of een taakstraf is dan ook geen passende reactie op de bewezen verklaarde handelwijze van verdachte.

Het hof heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met onder meer de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 september 2010 terzake soortgelijke strafbare feiten niet eerder veroordeeld. Hij heeft een vaste baan en naar eigen zeggen is van excessief alcoholgebruik, anders dan in de ten laste gelegde periode, thans geen sprake meer.

Voorts is na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels een geruime tijd verstreken.

Alles afwegende zal het hof een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het hof acht deze straf passend en geboden, gezien de ernst van de feiten en gelet op de persoon van verdachte.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten."

12. Vooropgesteld moet worden dat de appelrechter - behoudens bijzondere omstandigheden - niet gehouden is te motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan de rechter in eerste aanleg ter zake van dezelfde strafbare feiten heeft opgelegd.(5) Dat is slechts anders indien de in hoger beroep opgelegde straf zonder nadere motivering verbazing wekt.(6)

13. Voor zover de door het Hof opgelegde straf in het licht van de door de Rechtbank opgelegde straf al verbazing zou wekken, wordt deze weggenomen door de uitgebreide strafmotivering en wel in het bijzonder door de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat in zaken van eenmalige verkrachting in beginsel een gevangenisstraf van vierentwintig maanden pleegt te worden opgelegd.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 19.

2 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009/387-390 onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3, p. 917 en Boek 6, p. 78.

3 Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 5.

4 Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 8.

5 HR 2 december 1997, LJN ZD0876 (niet gepubliceerd).

6 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Kluwer 2011, zevende druk, p. 773.