Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9071

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
11/01781
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2011:BP2347
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9071
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Pensioenrecht. Ouderdomspensioen; pensioengrondslag; Pensioenreglement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/888
PJ 2012/146 met annotatie van Prof. mr. drs. M. Heemskerk
JWB 2012/323
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/01781

mr. Hammerstein

Zitting 4 mei 2012 (bij vervroeging)

Conclusie in de zaak van:

[Eiser]

tegen:

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de schoen-, leder- en lederwarenindustrie.

1. De procedure

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 januari 2011. De feiten zijn vermeld in rov. 4.2 van dit arrest. Het geding, waaraan een uitvoerige correspondentie is voorafgegaan, gaat over de hoogte van het ouderdomspensioen van eiser tot cassatie, [eiser]. De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 april 2009 dit pensioen vastgesteld op een bedrag van € 21.064,56 met ingang van 1 november 2006(1), te vermeerderen met indexatie en wettelijke rente. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd.

Het cassatieberoep is - tijdig - ingesteld bij exploot van 11 april 2011. [Eiser] heeft twee middelen doen aanvoeren. Beide partijen hebben een schriftelijke toelichting gegeven en zij hebben vervolgens van re- en dupliek gediend.

2. Beoordeling van de middelen

2.1 Het eerste middel van cassatie betoogt dat het hof "een denkfout" heeft gemaakt door in rov. 4.11 uit te gaan van maximale pensioengrondslagen (van f 10.000,-- vanaf 6 april 1966 en van f. 20.000,-- vanaf 1 juli 1969) conform art. 6 lid 2 van het Pensioenreglement. Volgens het middel gaat het hier om de maximum pensioengevende salarissen.

In het dossier heb ik alleen het Pensioenreglement 1966 volledig aangetroffen, als bijlage bij productie 7 bij de conclusie van antwoord(2). Art. 6 luidt voor zover van belang als volgt:

"1. De pensioengrondslag in enig kalenderjaar is gelijk aan het jaarloon in dat jaar, (...)

2. Als jaarloon wordt beschouwd het vaste jaarloon op 1 januari; 12x het vaste maandloon op 1 januari of 52x het vaste weekloon over de eerste volle werkweek na 1 januari, tot een maximum van f. 10.000,=. (...)"

Uit het samenstel van deze beide leden kan naar mijn mening geen andere conclusie worden getrokken dan dat de pensioengrondslag ten hoogste een bedrag van f. 10.000,-- omvatte.

Weliswaar erkent de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds wat betreft de f. 20.000 per 1 juli 1969 dat dit bedrag het maximum pensioengevende salaris is (zie punt 2.2 van haar schriftelijke toelichting en punt 2 van de dupliek in cassatie), maar onduidelijk blijft waarom dit (rechts)feit het oordeel van het hof op losse schroeven zet. Het door [eiser] gewenste aanmerken als 'toen geldende maxima' van de pensioengrondslagen die op de bij conclusie van antwoord overgelegde pensioenopgaven staan vermeld (volgens p. 4, derde alinea, van het middel een "kardinaal" punt), valt niet te rijmen met de tekst van artikel 6 van het Pensioenreglement 1966 waaruit, zoals gezegd, ondubbelzinnig blijkt dat de maximale pensioengrondslag in 1966 een bedrag van f. 10.000 beliep, terwijl de voor [eiser] geldende pensioengrondslag in dat jaar lager moet hebben gelegen dan f. 6.951 (de pensioengrondslag per 1 juli 1969; zie pensioenopgaven; relevante stukken uit.1966, evenals de periode 1973-1988, ontbreken) in verband met de stijgende lijn gedurende die jaren. En dit laatstgenoemde bedrag kan geen maximum geweest zijn gelet op het maximum van f. 10.000 drie jaar eerder (1966). Wat de periode na 1 juli 1969 betreft heeft de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds erop gewezen dat het jaarloon van [eiser] toen in elk geval (ook) beneden dat maximum lag. Ik deel niet het door [eiser] verdedigde standpunt dat het niet uitmaakt of sprake is van een eindloon- dan wel middelloonregeling, omdat naar mijn mening niet vaststaat dat hij altijd de maximale pensioengrondslag heeft gehaald(3).

2.2 Het oordeel van het hof berust, zoals de steller van het middel heeft onderkend, op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van het reglement en meer nog op de feitelijke en in cassatie onaantastbare vaststellingen door het hof van de hoogte van de voor de berekening van het pensioen van belang zijnde bedragen. Het eerste middel faalt en het tweede middel, dat voortbouwt op het eerste middel en uitgaat van het slagen daarvan, mist dan zelfstandige betekenis.

2.3 Uit de gedingstukken blijkt dat deze kwestie voor de betrokkene, [eiser], heel belangrijk is en als principieel wordt ervaren. Dat begrijp ik van iemand die op zijn 15e jaar is gaan werken, na een 40-jarig dienstverband het faillissement van zijn werkgever heeft beleefd, in de WAO is beland en ten slotte zijn pensioenleeftijd bereikt en zeer teleurgesteld is over de hoogte van het pensioen dat hij uiteindelijk krijgt. Ten overvloede vermeld ik daarom dat ik ook na een grondige bestudering van de processtukken geen argument kan vinden op grond waarvan aannemelijk is dat aan [eiser] een te laag pensioen is toegekend. Aan hem kan worden toegegeven dat de door de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds gegeven voorlichting niet altijd even helder is geweest. Het hof heeft echter in het bestreden arrest naar mijn mening de standpunten van partijen in essentie juist weergegeven en op basis daarvan een duidelijk en overtuigend oordeel geveld, hoe zeer de uitkomst voor [eiser] onbevredigend zal zijn. Een van de geschilpunten heeft betrekking op het bedrag van de per 31 december 1988 opgebouwde pensioenaanspraak. Het hof heeft de daarop betrekking hebbende grief in rov. 4.9 verworpen. Daartegen is geen klacht gericht. Ook voor het overige heeft het hof de grieven van [eiser] uitvoerig behandeld en op een begrijpelijke wijze weerlegd. In rov. 4.15 en volgende heeft het hof naar mijn mening terecht overwogen dat de berekeningen van [eiser] niet kunnen worden aanvaard omdat zij steeds uitgaan van het standpunt dat de maximale pensioengrondslag moet worden gehanteerd, dan wel voor de berekening na 31 december 1996 uitgaan van een te hoog bedrag dat kennelijk is ontleend aan een brief waarin alleen een rekenvoorbeeld werd gegeven.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het beroep, hetgeen naar mijn mening met toepassing van art. 81 RO zou kunnen gebeuren.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Wnd. A-G

1 Dit is conform de herberekening op p. 2 van de conclusie van dupliek in eerste aanleg. Het verschil van inzicht zit voornamelijk in de uitgangspositie per 31 december 1996, zie vonnis van de kantonrechter onder 3.3.

2 Van de regeling die met ingang van 1 juli 1969 van kracht is, is alleen een samenvatting overgelegd, die te vinden is achter het reglement van 1966. Daaruit blijkt dat de pensioengrondslag wordt berekend op basis van 1,75% maal het mogelijke aantal deelnemersjaren te vermenigvuldigen met het in aanmerking te nemen jaarsalaris te verminderen met 10/7 maal de AOW-uitkering voor gehuwden.

3 Zie p. 5 van de memorie van grieven.