Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9036

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
10/03813
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9036
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Getuigenverzoek, maatstaf. In art. 410.3 Sv jo. art. 263.2 Sv ligt als vereiste besloten dat de daar bedoelde opgave van getuigen of deskundigen voldoende stellig en duidelijk als zodanig in de appelschriftuur moet zijn vermeld. De beoordeling van de vraag of een appelschriftuur zo’n opgave van getuigen of deskundigen in de zin van art. 410.3 Sv bevat, is aan het Hof. Zijn oordeel dienaangaande kan als steunend op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg der gedingstukken, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het Hof heeft hetgeen de appelschriftuur inhoudt kennelijk niet aangemerkt als een opgave van een getuige als voormeld. Die uitleg is niet onbegrijpelijk. Het verzoek van de raadsman in zijn brief tot het horen van X als getuige is een verzoek in de zin van art. 418.3 Sv. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Het Hof heeft het verzoek dan ook met toepassing van de juiste maatstaf afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/933
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/03813

Mr. Vegter

Zitting: 10 april 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 27 juli 2010 verdachte wegens 1 primair "medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken" en 2. "opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Deze zaak hangt samen met de uitleveringszaken tegen de medeverdachten [betrokkene 4] (nr. 08/00117 U), waarin de Hoge Raad op 20 mei 2008 uitspraak heeft gedaan, en [betrokkene 5] (nr. 08/00247 U), waarin de Hoge Raad op 9 december 2008 uitspraak heeft gedaan.(1)

3. Namens verdachte heeft mr. W.J. van der Flier, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De raadsman van de verdachte (mr. F.H. Garretsen, advocaat te Amsterdam) heeft bij appelmemorie van 26 oktober 2009(2) onder het hoofd "bewijsverweren" een aantal grieven aangevoerd tegen het vonnis van de Rechtbank van 13 oktober 2009. De raadsman heeft onder meer betoogd dat elk bewijs dat het geld dat is opgenomen via money-transfers afkomstig is van een misdrijf, ontbreekt. Ter onderbouwing van deze grief heeft hij onder andere opgemerkt dat de verdachte het recht heeft om een zo belastende getuige ([betrokkene 1]) te horen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat het dossier geen aanwijzing bevat dat de verdachte afwist van de internetfraude en dat [betrokkene 1] niet als getuige is gehoord zodat geen zorgvuldig oordeel over schuldwitwassen tot stand kan komen. Ter onderbouwing van deze grief heeft hij onder meer opgemerkt het zeer te betreuren is dat het verzoek om de getuige ([betrokkene 1]) te horen is afgewezen(3) en dat de verdachte hier zijn verzoek uitdrukkelijk herhaalt. Tenslotte heeft de raadsman bij wijze van "eindconclusie m.b.t. tenlastelegging onder 1" betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu er onvoldoende bewijs is dat het geld afkomstig is uit een misdrijf, bewijs voor wetenschap ontbreekt en verdachte geen geldelijk voordeel heeft genoten.(4)

(ii) De raadsman van de verdachte heeft bij schrijven van 12 november 2009, gericht aan de Advocaat-Generaal van het Ressortsparket te Amsterdam, onder meer verzocht [betrokkene 1] uit de Verenigde Staten als getuige op te roepen, omdat [betrokkene 1] in het bijzijn van de verdachte telefonisch aan [betrokkene 2] heeft medegedeeld dat het geld dat zij had overgemaakt uit de autohandel afkomstig was.(5)

(iii) De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft bij schrijven van 18 februari 2010, gericht aan mr. Garretsen, in reactie op dit verzoek medegedeeld dat hij het verzoek afwijst en de verdediging niet in haar belang geschaad acht, nu hij de veronderstelling dat [betrokkene 2] een dergelijk telefoongesprek met [betrokkene 1] heeft gevoerd, in het licht van de verklaring van [betrokkene 1] onvoldoende aannemelijk gemaakt acht.

(iv) De raadsman van de verdachte heeft bij schrijven van 4 maart 2010, gericht aan de Sector Strafrecht van het Gerechtshof te Amsterdam, wederom verzocht [betrokkene 1] als getuige te horen, nu het bewijs dat de gelden afkomstig zijn uit een misdrijf voornamelijk stoelt op de schriftelijke verklaringen van deze getuige en een andere persoon ([betrokkene 6]) welke verklaringen zij niet onder ede hebben afgelegd en [betrokkene 2] in het bijzijn van de verdachte een telefoongesprek heeft gevoerd met [betrokkene 1], waarbij [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] heeft toegelicht dat het om een zakelijke transactie ging, hetgeen [betrokkene 1] in een fax aan de Rabobank zou hebben bevestigd.(6)

(v) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 heeft de raadsman van de verdachte ter toelichting op zijn onderzoekswens om de getuige [betrokkene 1] te horen aangevoerd dat [betrokkene 1] kan bevestigen dat de verdachte niet heeft geweten van de criminele herkomst van de geldbedragen, dat zij hierover nog niet eerder is gehoord en dat zij in een telefoongesprek aan [betrokkene 2] heeft medegedeeld dat het geld "zuivere koffie" was en dat ze het geld nodig had om een huwelijk in Nederland bij te kunnen wonen.

(vi) Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voorts in dat het Hof het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] heeft afgewezen, nu hier geen noodzaak toe is gebleken. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] betalingen heeft verricht in de veronderstelling dat het terechte betalingen waren. Antwoorden op vragen aan deze persoon kunnen niet bijdragen aan de beslissingen die het Hof op grond van art. 348 en 350 Sv moet nemen. Eventuele vragen over een telefoongesprek van [betrokkene 1] met [betrokkene 2] kunnen aan [betrokkene 2] worden gesteld.(7)

6. De in de appelschriftuur van 26 oktober 2009 gedane opmerkingen betreffende de getuige [betrokkene 1] kunnen niet worden aangemerkt als een opgave van een getuige als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv. De desbetreffende opmerkingen zijn immers enkel in de appelschriftuur opgenomen ter onderbouwing van de daarin opgenomen bewijsverweren. Van een bij appelschriftuur opgegeven getuige is derhalve geen sprake. Het bij schrijven van 12 november 2009 gedane, bij schrijven van 4 maart 2010 herhaalde en op de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om [betrokkene 1] als getuige op te roepen, kan worden aangemerkt als een verzoek in de zin van art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263, tweede en derde lid, Sv. Gelet op de omstandigheid dat voornoemde getuige (zoals gezegd) niet bij appelschriftuur door de verdachte (expliciet) is opgegeven, is de maatstaf voor de beoordeling van dit verzoek ingevolge art. 418, derde lid, Sv of de noodzaak daarvan is gebleken.(8)

7. Het Hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 bij de afwijzing van het verzoek om de getuige [betrokkene 1] op te roepen geoordeeld dat daartoe geen noodzaak is gebleken. Aldus heeft het Hof - anders dan de steller van het middel aanvoert - de juiste maatstaf toegepast.

8. Het Hof heeft de door [betrokkene 8] (US Postal Inspector) opgemaakte "memo van verhoor" betreffende [betrokkene 1] als bewijsmiddel 7 voor het bewijs gebezigd. Ter onderbouwing van het getuigenverzoek heeft de raadsman enkel aangevoerd dat [betrokkene 1] zou kunnen bevestigen dat de verdachte niet heeft geweten van de criminele herkomst van de geldbedragen en dat zij in een telefoongesprek met [betrokkene 2] heeft medegedeeld dat het geld dat zij had overgemaakt uit de autohandel afkomstig was en dat het geld "zuivere koffie" was. Dit verzoek is gedaan in het verlengde van het door de raadsman - blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2010 overgelegde pleitaantekeningen - gevoerde verweer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit, nu er geen enkel bewijs is dat de verdachte wist dat het geld afkomstig was uit internetfraude en de verdachte geloofde dat het geld afkomstig was uit de autohandel. Het Hof heeft dit verweer in de bestreden uitspraak onder het hoofd "bewijsoverweging" terecht en toereikend gemotiveerd verworpen door te overwegen dat het feit dat de verdachte zich bediende van een valse identiteit bij het ophalen van de money-transfers wijst op zijn wetenschap van het criminele karakter van zijn gedragingen, de verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat er op de bankrekeningen alleen geld werd ontvangen maar niet werd uitgegeven ten behoeve van de autohandel, de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is omdat het de verdachte niet kan zijn ontgaan dat geen enkele omschrijving bij de stortingen op de desbetreffende rekeningen naar deze autohandel verwijst, en de verklaring van de verdachte eveneens niet aannemelijk is omdat daarin onverklaard blijft waarom er naast bankrekeningen in Nederland ook nog bankrekeningen in Spanje voor overmakingen nodig waren.

Bovendien heeft het Hof het verzoek van de raadsman tot het horen van de getuige [betrokkene 2] wel toegewezen. Zij is op de terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2010 als getuige gehoord, waarbij aan de verdachte en de raadsman de gelegenheid is geboden die getuige te ondervragen en naar aanleiding daarvan tegen haar verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt evenwel niet dat door de verdediging aan haar vragen zijn gesteld met betrekking tot het telefoongesprek dat zou hebben plaatsgevonden tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1].

9. Gelet op hetgeen hiervoor onder 8 is uiteengezet, geeft het oordeel van het Hof dat geen noodzaak is gebleken tot het horen van [betrokkene 1], omdat uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] betalingen heeft verricht in de veronderstelling dat het terechte betalingen waren, antwoorden op vragen aan [betrokkene 1] niet kunnen bijdragen aan de beslissingen die het Hof op grond van art. 348 en 350 Sv moet nemen en eventuele vragen over een telefoongesprek van [betrokkene 1] met [betrokkene 2] aan [betrokkene 2] kunnen worden gesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Hetgeen in de toelichting op het middel daartegen wordt aangevoerd(9), doet hieraan niet af. Anders dan de steller van het middel aanvoert, ligt in de overwegingen van het Hof betreffende de afwijzing van het verzoek niet besloten dat het op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op de door de getuige af te leggen verklaring.

10. Ten overvloede merk ik nog op dat hetgeen in de toelichting op het middel wordt aangevoerd met betrekking tot het verzoek van de raadsman van de verdachte om het faxbericht van [betrokkene 1] aan de Rabobank aan het dossier toe te voegen(10), geen zelfstandige cassatieklacht bevat.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 7] ten onrechte heeft afgewezen, althans dat de motivering van de afwijzing van dat verzoek zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

13. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 gedane verzoek van de raadsman van de verdachte om [betrokkene 7] als getuige te horen is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Gelet op de omstandigheid dat voornoemde getuige niet bij appelschriftuur door de verdachte is opgegeven, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek ingevolge art. 418, derde lid, Sv of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.(11)

14. Het Hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 bij de afwijzing van het verzoek om de getuige te horen geoordeeld dat het Hof hiertoe geen noodzaak is gebleken gelet op de door het Hof te nemen beslissingen op grond van art. 348 en 350 Sv. Aldus heeft het Hof terecht de in art. 418, derde lid, Sv voorziene maatstaf gehanteerd. Het middel klaagt daar dan ook niet over.

15. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman enkel aangevoerd dat [betrokkene 7] - de partner van de verdachte met wie hij samen een kind heeft - weliswaar niet kan verklaren over de feiten maar wel over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij heeft de raadsman niet aangegeven welke specifieke persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet door de verdachte zelf maar enkel door [betrokkene 7] naar voren zouden kunnen worden gebracht. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2010 immers zelf een verklaring afgelegd over zijn persoonlijke omstandigheden. Voorts is ook de raadsman van de verdachte blijkens zijn op die terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

16. Gelet op hetgeen hiervoor onder 15 is uiteengezet, geeft het oordeel van het Hof dat geen noodzaak is gebleken tot het horen van [betrokkene 7] gelet op de door het Hof te nemen beslissingen op grond van art. 348 en 350 Sv, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Hetgeen in de toelichting op het middel daartegen wordt aangevoerd(12), doet hieraan niet af.

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 358, vierde lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv heeft nagelaten bij de toepasselijke wettelijke voorschriften mede art. 47 Sr en art. 420bis Sr te vermelden.

19. Ten laste van de verdachte is onder 1 - kort gezegd - bewezenverklaard dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Voorts is ten laste van de verdachte onder 2 - kort gezegd - bewezenverklaard dat hij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument. Het Hof heeft onder het hoofd "toepasselijke wettelijke voorschriften" overwogen dat de opgelegde straf is gegrond op art. 45 Sr(13), art. 57 Sr, art. 231 Sr en art. 420ter Sr.

20. In geval van een veroordeling behoeven op grond van art. 358, vierde lid, Sv slechts die wettelijke voorschriften te worden vermeld die de toegepaste verbods- en strafbepalingen inhouden en de onmiddellijke grondslag van de veroordeling uitmaken.(14) Naast de wettelijke bepaling waarin de gekwalificeerde delictsvorm strafbaar is gesteld kan ook de bepaling waarin de basisvorm van dat delict strafbaar is gesteld worden beschouwd als een bepaling waarop de straf is gegrond, zodat ook die bepaling moet worden vermeld. Dit is het geval wanneer - zoals in art. 420ter Sr - wordt voortgeborduurd op het basisdelict (art. 420bis Sr). Art. 420ter Sr noemt namelijk niet opnieuw de bestanddelen van witwassen maar bezigt slechts de term "witwassen", zodat voor de inhoud van dit begrip te rade gegaan moet worden bij artikel 420bis Sr.

21. Gelet op het voorgaande heeft het Hof verzuimd art. 47 Sr en art. 420bis Sr te vermelden. Het middel is gegrond. De Hoge Raad kan met toepassing van art. 441 Sv dit verzuim zelf herstellen en deze wetsartikelen alsnog vermelden.(15)

22. Het vierde middel bevat de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, vijfde en zesde lid, Sv heeft nagelaten voldoende aan te geven waarop bij de vaststelling van de duur van de opgelegde gevangenisstraf is gelet, althans dat de motivering van de strafoplegging onbegrijpelijk is.

23. De Officier van Justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van feit 1 primair (het medeplegen van gewoontewitwassen van grote geldbedragen; een totaalbedrag van € 13.787,53 aan money-transfers, € 86.791,66 op Nederlandse bankrekeningen en € 103.085,57 op Spaanse bankrekeningen) en feit 2 (het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld Belgisch paspoort) dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Vervolgens heeft de Rechtbank de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De Advocaat-Generaal heeft in hoger beroep eveneens gevorderd dat de verdachte ter zake van dezelfde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tenslotte heeft het Hof de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

24. Het Hof heeft in de motivering van de opgelegde straf na de weergave van de door de Rechtbank opgelegde straf en de door de Advocaat-Generaal gevorderde straf een uiteenzetting gegeven van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en over de persoon van de verdachte, waarbij het Hof enerzijds heeft gerefereerd aan het feit dat de rol van de verdachte bij de witwaspraktijken aanzienlijk is geweest en dat hij bij het plegen van dit strafbare feit gebruik heeft gemaakt van zijn internationale contacten en anderzijds heeft gerefereerd aan de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Voorts heeft het Hof gemotiveerd uiteengezet dat het een hogere straf oplegt dan door de Advocaat-Generaal is gevorderd, nu de gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten. Het Hof heeft in de strafmotivering ten aanzien van de ernst van feit 1 de volgende uitgebreide uiteenzetting gegeven. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, in stand gehouden en bevorderd, terwijl het witwassen van geld een bedreiging van de legale economie vormt en de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan een zeer geraffineerde vorm van oplichting die ertoe heeft geleid dat mensen hun geld hebben overgemaakt en op die manier zijn kwijtgeraakt met voor hen allerlei (financiële) gevolgen en persoonlijk leed, waarbij ernstig misbruik is gemaakt van het vertrouwen van deze personen. De verdachte heeft uit louter financieel gewin gehandeld zonder rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers en hij heeft ernstig misbruik gemaakt van de naïviteit van zijn toenmalige vrouw ([betrokkene 2]). Daarnaast heeft het Hof ten aanzien van de ernst van feit 2 nog overwogen dat de verdachte door dit feit het vertrouwen heeft geschaad dat in het (internationale) personenverkeer in identiteitspapieren moet kunnen worden gesteld.

25. Aldus heeft het Hof geoordeeld dat - in afwijking van de Rechtbank en de vordering van de Advocaat-Generaal - niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 24 maanden meebrengt. Deze strafoplegging is mede gelet op de uitgebreide uiteenzetting in de strafmotivering ten aanzien van de ernst van de feiten voldoende gemotiveerd. Verbazing wekt de opgelegde straf immers niet en onbegrijpelijk is de motivering evenmin. In aanmerking genomen dat door de verdediging geen strafmaatverweer is gevoerd,(16) was het Hof niet gehouden tot een nadere motivering. Anders dan de steller van het middel aanvoert, voldoet de strafmotivering aan de op grond van art. 359, vijfde en zesde lid, Sv te stellen eisen.(17)

26. Het middel faalt.

27. Het derde middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin als wettelijke voorschriften waarop de oplegging van de straf mede berust, niet art. 47 Sr en art. 420bis Sr zijn vermeld. De Hoge Raad kan als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust art. 47 Sr en art. 420bis Sr vermelden. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de zaak [betrokkene 4] heeft de Rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 18 december 2007 diens uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging, waarna de Hoge Raad het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep met art. 81 RO heeft verworpen (niet gepubliceerd). In de zaak [betrokkene 5] heeft de Rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 4 januari 2008 ook zijn uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging, waarna de Hoge Raad het tegen die uitspraak ingestelde cassatieberoep eveneens met art. 81 RO heeft verworpen (niet gepubliceerd).

2 Deze appelschriftuur is zoals blijkt uit een daarop geplaatste stempel op 27 oktober 2009 en derhalve binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep op 13 oktober 2009 bij de strafgriffie van de Rechtbank te Amsterdam ingekomen.

3 Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft dezelfde raadsman verzocht [betrokkene 1] als getuige te horen. De Rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis afgewezen, omdat het niet noodzakelijk is haar als getuige te horen. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verklaring van [betrokkene 1] de aanleiding was om een onderzoek te starten naar de bankrekening van [betrokkene 2], dat [betrokkene 1] de verdachte in haar verklaring niet heeft genoemd en evenmin heeft belast en dat los van de verklaring van [betrokkene 1] uit het dossier voldoende blijkt dat het niet anders kan dan dat het geld dat de verdachte op de rekeningen van [betrokkene 2] voorhanden had van misdrijf afkomstig was.

4 Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts nog een tweede versie van de appelmemorie van mr. Garretsen, welke versie op 12 november 2009 naar de Strafsector van het Gerechtshof te Amsterdam is verzonden en blijkens een op een ander afschrift van deze versie geplaatste stempel op 9 februari 2010 bij het Gerechtshof te Amsterdam is ingekomen. Daarin wordt überhaupt niet gerefereerd aan een verzoek betreffende het horen van [betrokkene 1] als getuige, doch worden enkel bezwaren geuit tegen de door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en de door de Rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

5 De raadsman heeft op 12 november 2009 een afschrift van dit schrijven verzonden naar de Strafsector van het Gerechtshof te Amsterdam.

6 Aan het slot van dit schrijven staat vermeld dat de raadsman een afschrift daarvan aan de Advocaat-Generaal zou hebben gezonden. Het desbetreffende afschrift bevindt zich evenwel niet bij de stukken van het geding, terwijl de Advocaat-Generaal op de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 heeft medegedeeld dat hij de brief van de raadsman van 4 maart 2010 niet heeft ontvangen.

7 Na een pro forma terechtzitting op 25 mei 2010 heeft de volgende terechtzitting in hoger beroep op 13 juli 2010 plaatsgevonden in een andere samenstelling. Met instemming van de Advocaat-Generaal, de verdachte en de raadsman heeft het Hof het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 16 maart 2010, zodat het arrest van het Hof wat betreft het hoger beroep niet alleen is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2010 maar ook naar aanleiding van het onderzoek op 16 maart 2010. Het arrest van het Hof vermeldt onder het hoofd "onderzoek van de zaak" bij kennelijke vergissing dat het wat betreft het hoger beroep enkel is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op 13 juli 2010.

8 Vgl. HR 7 december 2010, LJN BN2370, NJ 2010/682, rov. 2.3, HR 1 juni 2010, LJN BL8640, rov. 2.5 en HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. PMe, rov. 3.2.5.

9 De bevestiging van het gevoerde verweer werd gezocht in een verhoor van [betrokkene 1], terwijl het horen van [betrokkene 1] niet kan worden gelijkgesteld met het horen van [betrokkene 2].

10 De toelichting bevat dienaangaande enkel de volgende zinsnede: "Dat geldt overigens ook voor het in dit kader gedane verzoek tot aan het dossier toevoegen van een faxbericht van [betrokkene 1] aan de Rabobank."

11 Vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. PMe, rov. 3.2.5 en 3.3.1.

12 Bij de op grond van art. 350 Sv te nemen beslissingen hoort ook de strafoplegging, terwijl in het kader van de beantwoording van de vraag welke straf dient te worden opgelegd in het algemeen ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte van belang worden geacht.

13 In aanmerking genomen dat er zowel bij feit 1 als bij feit 2 geen sprake is van een poging, heeft het Hof kennelijk bij vergissing art. 45 Sr aangehaald in plaats van art. 47 Sr.

14 Vgl. HR 20 april 2010, LJN BL6724, rov. 3.3.

15 Vgl. HR 7 februari 2012, LJN BU6787, rov. 3 en 6 (verzuim art. 63 Sr en art. 420bis Sr te vermelden als toepasselijke wettelijke voorschriften), HR 27 september 2011, LJN BR2087, rov. 3 en 5 (verzuim art. 55 WWM te vermelden als wettelijk voorschrift waarop de straf mede berust), HR 5 juli 2011, LJN BP7851, rov. 4 en 7 (art. 302 Sr niet aangehaald als toepasselijk wetsartikel bij een veroordeling wegens poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade) en HR 16 november 2010, LJN BN7733, rov. 3 en 5 (verzuim art. 23, 24c, 47 en 417 bis Sr te vermelden als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging berust).

16 De op de terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2010 overgelegde pleitaantekeningen bevatten - voor zover hier van belang - enkel een opsomming van een aantal persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zonder dat daaraan een conclusie wordt verbonden.

17 Vgl. HR 6 november 2007, LJN BB4842, NJ 2007/602 en HR 3 juli 2007, LJN BA3128.