Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW8773

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
10/05489
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8773
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05489

Mr. Vellinga

Zitting: 27 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" en 2. "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren. Voorts heeft het Hof de vordering van één van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd en de overige drie benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/01929, 10/03704 en 10/05489. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 20 februari 2008 te Zaandam, gemeente Zaanstad en te Amsterdam, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld telkens [betrokkene 1] te dwingen tot de afgifte van 100.000 Euro, althans 80.000 Euro, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of bouwonderneming [A], of een van zijn mededaders

- [betrokkene 1] heeft gebeld en daarbij gezegd dat hij, [betrokkene 1], 80.000 Euro moet betalen en dat er anders een team bij [betrokkene 1] zal langs komen en dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zullen laten zien wat mensen doen voor 80.000 Euro en

- [betrokkene 1] heeft gebeld (in de engelse taal) en daarbij gezegd dat er twee mannen naar het kantoor van [betrokkene 1] zullen komen als [betrokkene 1] hem niet terug belt en

- de meldkamer van de politieregio Amsterdam/Amstelland heeft gebeld met de mededeling dat er "iets" tot ontploffing gebracht zal gaan worden op het adres van bouwonderneming [A] aan de [a-straat] te Amsterdam en op het adres [b-straat 1] te Zaandam, daarmee doelend op het adres van [betrokkene 1] en

- meerdere sms-berichten heeft gestuurd naar [betrokkene 1] en meermalen de voicemail van de telefoon van [betrokkene 1] heeft ingesproken en meermalen heeft gebeld met het bedrijf van [betrokkene 1] met dreigende teksten (in de Engelse taal) als:

- "Dit is de laatste dag dat je me kunt betalen,vanaf morgen zal je omgeving nooit meer hetzelfde zijn, dat beloof ik je" en

- "De volgende bom zal zonder waarschuwing in je kantoor liggen, het is geen 80.000 dollars meer vriend, het is nu 100.000. Jij gaat betalen, geloof me!" en

- "Vanaf morgen staat [betrokkene 2] (dochter van [betrokkene 1]) ook op de lijst, het gaat leuk worden" en

- "Wij spelen geen spelletjes, als dat geld niet zo op de rekening is binnenkort komen daar mensen naar toe en moet opletten dan als jij in het bedrijf binnenkomt of het een bom is of weet ik veel wat, dan moet jij eerst de politie bellen en zij gaan ontruimen en dan ga jij naar binnen en zo wordt het elke dag totdat geld niet op de rekening komt",

althans telkens woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

2. hij in de periode van 1 december 2007 tot en met 18 december 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 3] heeft gedwongen tot de afgifte van 8.500 Euro, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [B] B.V., welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- een van zijn mededaders de voicemail van [betrokkene 3] heeft ingesproken met de dreigende tekst: "Het gaat om die geld. Ik zit hier nu bij [C]. De afspraak is dat geld van jou komt op de rekening donderdag. Als dat geld niet op de rekening komt geloof mij dat je dan in een rolstoel gaat zitten dan. Geloof mij echt gaat om veel geld" en

- een van zijn mededaders [betrokkene 3] heeft gebeld met de tekst: "Als je niet betaalt stuur ik een paar mannetjes bij je langs".

5. Het Hof heeft een verweer over het ontbreken van bewijs van medeplegen als volgt samengevat en verworpen:

"Bespreking van de bewijsverweren en motivering vrijspraken

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 niet als medepleger kan worden beschouwd, omdat er geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte heeft noch zelf gedreigd, noch had hij wetenschap van de bedreigingen uitgevoerd door zijn medeverdachten, aldus de raadsman. Dat blijkt althans niet uit het dossier. De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 verwezen naar de verklaring van [betrokkene 1] dat verdachte slechts aanwezig was bij het eerste gesprek, waarbij ook [betrokkene 6] aanwezig was. Alle betrokken personen verklaren dat het gesprek goed verliep en zonder dreigingen. Volgens [betrokkene 7] heeft hij nooit en te nimmer instructies gekregen van verdachte omtrent de bedreigingen. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat verdachte eerst van de bommelding afwist nadat deze was geschied.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman opgemerkt dat aangever [betrokkene 3] in zijn aangifte noch in zijn verklaring bij de rechter-commissaris heeft verklaard over een dreigende rol uitgevoerd door verdachte. De raadsman heeft daarom ten aanzien van beide feiten verzocht om vrijspraak. Tevens heeft hij verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van het verweer dat geen sprake is van medeplegen overweegt het hof als volgt. Het hof gaat hierbij uit van de volgende - niet betwiste - feiten.

De verdachte was commercieel medewerker bij [C] en als zodanig verantwoordelijk voor de vorderingen die het bedrijf had uitstaan op [betrokkene 1] en [betrokkene 3].

[Medeverdachte 1] was destijds directeur en eigenaar van het aannemersbedrijf [C] en regelde de financiën binnen het bedrijf. [Medeverdachte 3] deed de operationele bedrijfsvoering. Zowel [medeverdachte 1] als zijn zoon, [medeverdachte 3], waren betrokken bij de bedrijfsvoering van [C]. Zij en de verdachte waren op de hoogte van de vordering van ongeveer €70.000.- die [C] meent te hebben op [A] B.V. (hierna [A]), de bouwonderneming van [betrokkene 1] en (deels) in datzelfde verband op diens onderaannemer [betrokkene 3] dan wel diens bedrijf [B] B.V. Hierover is in november 2007 een kort geding gevoerd dat niet tot een oplossing heeft geleid. [C] ondervond (mede) hierdoor liquiditeitsproblemen.

[Medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hadden in het kader van de bedrijfsvoering van [C] eerder samengewerkt met [betrokkene 6] en diens zoon [betrokkene 7]. [Betrokkene 6] was in december 2007 enige weken aanwezig op het bedrijf [C] teneinde de voortzetting van de onderlinge samenwerking te bespreken met betrekking tot werving en selectie van personeel. De verdachte was hiervan ook op de hoogte.

[Medeverdachte 1] heeft met [betrokkene 6] de problemen rond de -vermeende- vordering op [betrokkene 1]/ [betrokkene 3] besproken. Vervolgens is afgesproken dat de verdachte opnieuw in gesprek zou gaan met [betrokkene 1] met de bedoeling om [betrokkene 1] ervan te overtuigen - ondanks het kort geding vonnis - de reeds lang uitstaande vordering te betalen. [Medeverdachte 1] had besloten dat [betrokkene 6] met de verdachte mee zou gaan, nu het de verdachte zelf eerder niet was gelukt.

Het hof stelt vast dat vervolgens de bedreigingen door [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben plaatsgevonden zoals onder 1 en 2 zijn bewezenverklaard.

De verdachte heeft op 8 januari 2008 verklaard dat hij [medeverdachte 1] op de hoogte hield over zijn contacten met [betrokkene 1] en - op 20 februari 2009 - dat hij het doorgeefluik was tussen [betrokkene 1] en de Joegoslaven ( het hof begrijpt: [betrokkene 6] en [betrokkene 7]), dat de Joegoslaven de vordering moesten innen en dat hij met zowel [betrokkene 6] als [betrokkene 7] contact heeft gehad. Hij is door [betrokkene 1] op de hoogte gebracht van de bommelding en heeft [medeverdachte 3] daarvan op de hoogte gebracht. De verdachte was, zeker in januari 2008, op de hoogte van de bedreiging [betrokkene 1] voelde, hetgeen blijkt uit een afgeluisterd telefoongesprek op ondermeer 15 januari 2008 (14.59 uur), een sms op 16 januari 22.10 uur en telefoongesprekken op 17 januari 2008 (11.34 en 13.56 uur) tussen de verdachte en [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] onder meer aan de verdachte vertelt over de bommelding op zijn kantoor, aangeeft erg bang te zijn en hem vraagt te regelen dat de Joegoslaven aanwezig zijn bij de betaling omdat hij er zeker van wil zijn dat "die vrienden van de verdachte" dan van zijn nek zijn.

[Medeverdachte 1] heeft op 19 februari 2008 onder meer -zakelijk weergegeven- verklaard dat llic met de verdachte meeging naar [betrokkene 1] en [betrokkene 3] om druk te zetten. Volgens [medeverdachte 1] hebben Joegoslaven over het algemeen geen goede naam en dacht men door llic mee te sturen druk te kunnen zetten. [Betrokkene 6] zou voor zijn bemiddeling 15% krijgen van het geld dat hij zou binnenhalen. Op 8 januari 2008 zegt [medeverdachte 1] als hij telefonisch door de politie wordt benaderd over de situatie "[betrokkene 1]": [betrokkene 6] wil zijn geld hebben. Hij komt immers uit een land "waar ze dingen anders aanpakken". Tussen [medeverdachte 1] en llic is een soort akte van cessie van de onderhavige vorderingen opgemaakt waarin die commissie is vastgelegd.

[Medeverdachte 3] heeft op 18 en 19 februari 2008 - zakelijk weergegeven -verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat zijn vader had geregeld dat llic met de verdachte naar [betrokkene 1] zou gaan om meer gewicht in de schaal te leggen en dat later bleek dat [betrokkene 1] enkel wilde betalen als de Joegoslaven erbij waren omdat hij er dan zeker van was dat alles achter de rug was. Hij wist dat er minder aardige dingen werden gezegd en had regelmatig contact met [betrokkene 7]. Hij heeft ook een paar keer aan zijn vader gevraagd hoe het ermee stond. Naar hij verklaart kon [betrokkene 6] druk op de ketel zetten met spierballentaal.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien is het hof van oordeel dat de verdachte vanaf het moment dat hij [betrokkene 6] bij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] introduceerde bewust het risico heeft genomen en aanvaard dat bij de incasso van een betwiste vordering bedreigingen van zeer ernstige aard zouden kunnen worden gebruikt. Dat de verdachte -aanvankelijk - niet op de hoogte was van de exacte bewoordingen van de bedreigingen noch van het feit dat ook door [betrokkene 7] -ter ondersteuning van diens vader- bedreigingen werden geuit, doet daar niet aan af. Uit een mutatie van 19 december 2007 (blz. 321 van het dossier) blijkt dat de politie naar aanleiding van de aangifte van [betrokkene 3] heeft gebeld met de verdachte. Aan de verdachte is toen verteld dat [betrokkene 3] was bedreigd. Reeds dit had voor de verdachte aanleiding moet vormen om zowel ten aanzien van [betrokkene 1] als ten aanzien van [betrokkene 3] zich te informeren over de exacte gang van zaken. In elk geval had de verdachte, evenals [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3], zich moeten vergewissen van het handelen van [betrokkene 6] nadat hij op 8 januari 2008 over het conflict met [betrokkene 1] door de politie werd gehoord. De verdachte heeft echter geen navraag gedaan bij [betrokkene 6] of [betrokkene 7] over wat er zich exact had afgespeeld en evenmin aan [medeverdachte 1] of aan [medeverdachte 3] gevraagd dit te doen. Hij heeft geen poging gedaan in te grijpen en de bedreigingen te stoppen. Integendeel, ook als de bommelding via [betrokkene 1] bij de verdachte bekend is geworden, blijkt uit de telefoongesprekken op onder meer 15 januari 2008 tussen de verdachte en [betrokkene 7] (15.30 uur) en, nadat [betrokkene 1] op 17 januari aan de verdachte vertelt dat er met een tweede bom is gedreigd en dat hij vreselijk bang is (11.34 en 13.56 uur), dat de druk op [betrokkene 1] wordt gehandhaafd. Uit het telefoongesprek op 25 januari 2008 te 17.50 uur tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 7], waarbij de verdachte aanwezig was, blijkt dat de toonzetting van de door [betrokkene 6] en [betrokkene 7] uit te oefenen druk wordt bepaald door "zijn knieschijven eraf te schieten".

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde merkt het hof op dat de samenhang tussen de vorderingen op [betrokkene 1] en [betrokkene 3] bij de verdachte bekend was. Hij is met [betrokkene 6] na het gesprek met [betrokkene 1] ook geld gaan vragen aan [betrokkene 3] die daartoe op een bouwplaats werd aangesproken. Daarbij heeft de verdachte volgens de verklaring van [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris gezegd dat de vordering nu van [betrokkene 6] was. Dat [betrokkene 3] uiteindelijk minder heeft betaald dan de betwiste vordering bedroeg, doet niet af aan het feit dat hij onder dreiging met geweld heeft betaald en maakt het feit niet minder strafbaar.

Naar het oordeel van het hof volgt uit bovenstaande feiten en omstandigheden, ook in onderling verband bezien, dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders met betrekking tot de onder feit 1 bewezen geachte poging tot afpersing van [betrokkene 1] en de onder feit 2 bewezen geachte afpersing van [betrokkene 3]. Verdachte en [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben allen een rol gespeeld in deze afpersingen. Daaraan doet niet af dat de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] niet zelf aan de uitvoering van afpersingen -de dreigementen- hebben deelgenomen. Zij hebben zich niet van de in gang gezette incassomethode, zoals gehanteerd door [betrokkene 6] en [betrokkene 7] gedistantieerd, terwijl zij allen in de ten laste gelegde periode op enig moment daarvan kennis droegen. Er was onderling sprake van een (stilzwijgende) taakverdeling, waarbij ruwweg een onderscheid gemaakt kan worden tussen de intellectuele daders ([medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en verdachte) en de feitelijke daders ([betrokkene 6] en [betrokkene 7]). Derhalve acht het hof de feiten 1 en 2 bewezen zoals hierboven weergegeven onder het kopje "bewezen verklaarde". De verweren van de raadsman worden op dit punt verworpen."

6. Het middel houdt in dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

7. Alvorens het middel te bespreken merk ik op dat de toetsing van het oordeel van het Hof wordt bemoeilijkt doordat het Hof in zijn bewijsoverweging niet steeds de inhoud van de kennelijk gebezigde bewijsmiddelen weergeeft doch meermalen geheel of ten dele volstaat met het trekken van conclusies daaruit(1) en de inhoud van die door het Hof kennelijk gebezigde bewijsmiddelen ook niet steeds is opgenomen in de aanvulling met bewijsmiddelen van het verkorte arrest. Ik wijs bij wege van voorbeeld op het op 15 januari 2008 gevoerde telefoongesprek mede waaruit het Hof afleidt dat ook als de bommelding via verdachte bekend is geworden, de druk op [betrokkene 1] moet worden gehandhaafd. Het middel klaagt over dit - in mijn ogen ernstige - gebrek niet(2). In aanmerking genomen dat in cassatie over de door het Hof uit kennelijk gebezigde bewijsmiddelen getrokken conclusies niet wordt geklaagd en er dus wel van kan worden uitgegaan dat deze met de inhoud van die bewijsmiddelen stroken, behoeft het niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden.

8. Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist bewuste en nauwe samenwerking gericht op - i.c. - (poging tot) door bedreiging met geweld iemand dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.(3) Het opzet moet dus zijn gericht op tezamen en in vereniging met anderen iemand dwingen tot de afgifte van een geldbedrag door bedreiging met geweld.

9. Het Hof heeft vastgesteld dat:

- de verdachte op de hoogte was van de vorderingen die [C] meende te hebben op [betrokkene 1] en op [betrokkene 3],

- dat verdachte als commercieel medewerker bij [C] verantwoordelijk was voor deze uitstaande vordering,

- dat over deze vorderingen een kort geding is gevoerd dat tot niets had geleid,

- dat verdachte opnieuw met [betrokkene 1] in gesprek zou gaan om hem te overtuigen om ondanks het kort geding toch te betalen en dat hierbij [betrokkene 6] met verdachte mee zou gaan omdat het de verdachte zelf eerder niet was gelukt,

- dat verdachte tijdens het bezoek aan [betrokkene 3] tegen [betrokkene 3] zou hebben gezegd dat de vordering nu van [betrokkene 6] is,

- dat de politie op 19 december 2007 aan de verdachte laat weten dat [betrokkene 3] werd bedreigd en op 8 januari 2008 dat [betrokkene 1] zich bedreigd voelde en dat verdachte desondanks geen navraag doet bij [betrokkene 6 en 7] of aan [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] vraagt dat te doen, en

- dat ook toen verdachte door [betrokkene 1] op de hoogte werd gebracht dat er met een tweede bom is gedreigd, de druk werd gehandhaafd.

10. Voorts houden de bewijsmiddelen opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest- onder meer - in:

- dat [betrokkene 1] verdachte heeft aangesproken op de telefonische bedreigingen met doodschieten en in een rolstoel terecht komen, omdat hij veronderstelde dat verdachte opdracht had gegeven hem te bedreigen en dat verdachtes reactie hierop was "Het zijn Joegoslaven" en "Ik zou doen wat ze zeggen." (bewijsmiddel 2),

- dat [betrokkene 6] van verdachte heeft vernomen dat hij na het bezoek aan [betrokkene 1] mee zou gaan naar [betrokkene 3], dat Serven een slechte naam hebben en dat hij, [betrokkene 6], meeging zodat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] uit angst voor hen (Serven) zouden gaan betalen (bewijsmiddel 9), en

- dat [betrokkene 3] zich door het bezoek van verdachte en [betrokkene 6] bedreigd voelde (bewijsmiddel 6).

11. Uit een en ander kan zonder meer worden afgeleid dat de verdachte bewust en nauw met o.a. [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] heeft samengewerkt met het oog op inning van de vorderingen op [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Daarmee is echter nog niet de vraag beantwoord of die bewuste en nauwe samenwerking van dien aard was dat deze mede was gericht op het daartoe gebruikmaken van bedreiging met geweld.

12. Zoals het Hof vaststelt raakte de verdachte er reeds op 19 december 2007, twee dagen nadat hij met [betrokkene 6] bij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] was geweest om de bewuste vorderingen te innen, van op de hoogte dat [betrokkene 3] telefonisch bedreigd was, dat [betrokkene 6] daarvan werd verdacht en dat het nummer van de telefoon met behulp waarvan [betrokkene 3] werd bedreigd het nummer was van [C] (bewijsmiddel 4). Toen [betrokkene 1] verdachte aansprak op jegens hem telefonisch geuite ernstige bedreigingen gericht op het doen betalen van de vordering van [C], reageerde de verdachte met de opmerking "Het zijn Joegoslaven. Ik zou doen wat ze zeggen." Uit een en ander heeft het Hof kunnen afleiden dat verdachte bewust op de koop toe heeft genomen dat [betrokkene 6] ter inning van bedoelde vorderingen gebruik maakte van ernstige bedreigingen, temeer nu verdachte, zoals het Hof vaststelt, niet naar de exacte gang van zaken heeft geïnformeerd en geen poging heeft gedaan de bedreigingen te stoppen. Gelet op dit opzet kan uit een en ander ook worden afgeleid dat de samenwerking gericht op inning van de vorderingen mede was gericht op het bezigen van bedreiging met geweld daarbij, dus op afpersing.

13. Tegen deze achtergrond heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat verdachte zo bewust en nauw met o.a. [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] heeft samengewerkt met het oog op inning van de vorderingen op [betrokkene 1] en [betrokkene 3], dat van medeplegen van (poging tot) afpersing kan worden gesproken.

14. Het bewezenverklaarde kan dus uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen gelezen in onderling verband en samenhang met de hiervoor aangehaalde bewijsoverwegingen van het Hof worden afgeleid.

15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007, 387, m.nt. Y. Buruma, rov. 5.6.1 voor het gevaar dat kleeft aan de weergave van de inhoud van bewijsmiddelen in een bewijsoverweging

2 Het middel klaagt ook niet over het gebrek dat het Hof niet steeds exact aangeeft aan welk bewijsmiddel het een weergegeven feit of verklaring ontleent; zie daarover HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008, 70, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.3.

3 Vgl. HR 6 december 2005, LJN AU2246, NJ 2007, 455 en HR 12 april 2011, LJN BP6012. Zie over het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling HR 9 februari 1971, NJ 1972, 1.