Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW8766

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
10/03704
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8766
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ongegronde bewijsklacht medeplegen poging tot afpersing en afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/991
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/03704

Mr. Vellinga

Zitting: 27 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd", 2. "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd", 3. "medeplegen van poging tot een ander door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen" en 4. "medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met verkrachting" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van één van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd en de overige vier benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/01929, 10/03704 en 10/05489. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. M.J. Smit, advocaat te Dordrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder de feiten 1 en 2 bewezenverklaard dat:

"1. hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 20 februari 2008 te Zaandam, gemeente Zaanstad en te Amsterdam, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld telkens [betrokkene 1] te dwingen tot de afgifte van 100.000 Euro, althans 80.000 Euro, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of bouwonderneming [A], of een van zijn mededaders

- [betrokkene 1] heeft gebeld en daarbij gezegd dat hij, [betrokkene 1] 80.000 Euro moet betalen en dat er anders een team bij [betrokkene 1] zal langs komen en dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zullen laten zien wat mensen doen voor 80.000 Euro en

- [betrokkene 1] heeft gebeld (in de engelse taal) en daarbij gezegd dat er twee mannen naar het kantoor van [betrokkene 1] zullen komen als [betrokkene 1] hem niet terug belt en

- de meldkamer van de politieregio Amsterdam/Amstelland heeft gebeld met de mededeling dat er "iets" tot ontploffing gebracht zal gaan worden op het adres van bouwonderneming [A] aan de [a-straat] te Amsterdam en op het adres [b-straat 1] te Zaandam, daarmee doelend op het adres van [betrokkene 1] en

- meerdere sms-berichten heeft gestuurd naar [betrokkene 1] en meermalen de voicemail van de telefoon van [betrokkene 1] heeft ingesproken en meermalen heeft gebeld met het bedrijf van [betrokkene 1] met dreigende teksten (in de Engelse taal) als:

- "Dit is de laatste dag dat je me kunt betalen, vanaf morgen zal je omgeving nooit meer hetzelfde zijn, dat beloof ik je" en

- "De volgende bom zal zonder waarschuwing in je kantoor liggen, het is geen 80.000 dollars meer vriend, het is nu 100.000. Jij gaat betalen, geloof me!" en

- "Vanaf morgen staat [betrokkene 2] (dochter van [betrokkene 1]) ook op de lijst, het gaat leuk worden" en

- "Wij spelen geen spelletjes, als dat geld niet zo op de rekening is binnenkort komen daar mensen naar toe en moet opletten dan als jij in het bedrijf binnenkomt of het een bom is of weet ik veel wat, dan moet jij eerst de politie bellen en zij gaan ontruimen en dan ga jij naar binnen en zo wordt het elke dag totdat geld niet op de rekening komt",

althans telkens woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

2. hij in de periode van 1 december 2007 tot en met 18 december 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 3] heeft gedwongen tot de afgifte van 8.500 Euro, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [B] B.V., welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- een van zijn mededaders de voicemail van [betrokkene 3] heeft ingesproken met de dreigende tekst: "Het gaat om die geld. Ik zit hier nu bij [C]. De afspraak is dat geld van jou komt op de rekening donderdag. Als dat geld niet op de rekening komt geloof mij dat je dan in een rolstoel gaat zitten dan. Geloof mij echt gaat om veel geld" en

- een van zijn mededaders [betrokkene 3] heeft gebeld met de tekst: "Als je niet betaalt stuur ik een paar mannetjes bij je langs".

5. Het Hof heeft een verweer over het ontbreken van bewijs van medeplegen als volgt samengevat en verworpen:

"Bespreking van de bewijsverweren en motivering vrijspraken

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 niet als medepleger kan worden beschouwd nu hij op geen enkel moment op de hoogte was van de bedreigingen en zich ten tijde van de bedreigingen in het buitenland bevond. De bedreigingen zijn spontaan door de medeverdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 7] geuit en er was dus geen sprake van een vooropgezet plan, aldus de raadsman. Hoewel verdachte wel op de hoogte was van de vorderingen op [betrokkene 1] en [betrokkene 3], had hij hier geen enkele bemoeienis mee. De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten om vrijspraak verzocht. Ook heeft hij verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] af te wijzen.

Ten aanzien van het verweer dat geen sprake is van medeplegen overweegt het hof als volgt. Het hof gaat hierbij uit van de volgende - niet betwiste - feiten.

De verdachte, [verdachte], deed destijds de operationele bedrijfsvoering in het aannemersbedrijf [C] waarvan zijn vader, [medeverdachte 1], directeur en eigenaar was. Zowel de verdachte als zijn vader, [medeverdachte 1], waren betrokken bij de bedrijfsvoering van [C]. [Medeverdachte 1] regelde de financiën binnen het bedrijf. Beiden waren op de hoogte van de vordering van ongeveer €70.000.- die [C] meende te hebben op [A] B.V. (hierna [A]), de bouwonderneming van [betrokkene 1] en (deels) in datzelfde verband op diens onderaannemer [betrokkene 3] dan wel diens bedrijf [B] B.V. Hierover is in november 2007 een kort geding gevoerd dat niet tot een oplossing heeft geleid. [C] ondervond (mede) hierdoor liquiditeitsproblemen. [Medeverdachte 2] was commercieel medewerker van [C] en als zodanig verantwoordelijk voor de vorderingen die het bedrijf had uitstaan op [betrokkene 1] en [betrokkene 3].

[Medeverdachte 1] en [verdachte] hadden in het kader van de bedrijfsvoering van [C] eerder samengewerkt met [betrokkene 6] en diens zoon [betrokkene 7]. [Betrokkene 6] was in december 2007 enige weken aanwezig op het bedrijf [C] teneinde de voortzetting van de onderlinge samenwerking te bespreken met betrekking tot werving en selectie van personeel.

[Medeverdachte 1] heeft met [betrokkene 6] de problemen rond de -vermeende- vordering op [betrokkene 1]/ [betrokkene 3] besproken. Vervolgens is afgesproken dat [medeverdachte 2] opnieuw in gesprek zou gaan met [betrokkene 1] met de bedoeling om [betrokkene 1] ervan te overtuigen - ondanks het kort geding vonnis - de reeds lang uitstaande vordering te betalen. [Medeverdachte 1] had besloten dat [betrokkene 6] met [medeverdachte 2] mee zou gaan, nu het [medeverdachte 2] zelf eerder niet was gelukt.

Het hof stelt vast dat vervolgens de bedreigingen door [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben plaatsgevonden zoals onder 1 en 2 zijn bewezenverklaard.

De verdachte heeft op 18 en 19 februari 2008 onder meer -zakelijk weergegeven- verklaard dat hij wist dat zijn vader had geregeld dat [medeverdachte 2] bij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] op bezoek zou gaan en dat [betrokkene 6] mee ging om druk te zetten en dat hij ook wel snapte dat er gezegd is dat als er niet betaald werd, er minder prettige dingen zouden gaan gebeuren. Hij heeft een aantal malen aan zijn vader gevraagd wat de stand van zaken was en hij wist dat een eerdere toezegging door [betrokkene 1] om te betalen, niet was doorgegaan. Het hof merkt op dat [betrokkene 1] die toezegging voor kerst 2007 had gedaan en dat kort na Nieuwjaar bleek dat hij die niet gestand zou doen. De verdachte had regelmatig contact met [betrokkene 7] die hem ook had gezegd dat het goed ging en dat [betrokkene 1] zou betalen. Bij de rechter-commissaris verklaart de verdachte dat hij in elk geval op 2 momenten dacht dat er wat aan de hand was. Dat was op 8 januari 2008 toen [medeverdachte 2] bij de politie moest komen en nadat [medeverdachte 2] hem rond 15 januari 2008 had verteld van de bommelding. De verdachte benoemt de druk die [betrokkene 6] zou uitoefenen in die verklaring als spierballentaal. Uit telefoongesprekken die gevoerd zijn in het kader van de feiten 3 en 4 blijkt dat de verdachte een goed beeld had van de aard van de bedreigingen die daaronder kunnen vallen en dat hij daar geheel achter stond.

[Medeverdachte 1] heeft verklaard dat Joegoslaven over het algemeen geen goede naam hebben en dat hij dacht door [betrokkene 6] mee te sturen druk te kunnen zetten. [Betrokkene 6] zou voor zijn bemiddeling 15% krijgen van het geld dat hij zou binnenhalen. Tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] was een soort akte van cessie van de onderhavige vorderingen opgemaakt waarin die commissie is vastgelegd. Ook de verdachte benoemde het innen van de vordering "incasso". [Medeverdachte 1] heeft gezegd toen hij op 8 januari 2008 door de politie werd benaderd naar aanleiding van de aangifte van [betrokkene 1] van bedreigingen: [betrokkene 6] wil zijn geld hebben. Hij komt immers uit een land "waar ze dingen anders aanpakken".

[Medeverdachte 2] heeft op 8 januari 2008 verklaard dat hij [medeverdachte 1] op de hoogte hield over zijn contacten met [betrokkene 1] en - op 20 februari 2009 - dat hij, [medeverdachte 2], het doorgeefluik was tussen [betrokkene 1] en de Joegoslaven (het hof begrijpt: [betrokkene 6] en [betrokkene 7]) en dat de Joegoslaven de vordering moesten innen. Hij is door [betrokkene 1] op de hoogte gebracht van de bommelding en heeft [verdachte] daarvan op de hoogte gebracht. [Medeverdachte 2] was, zeker in januari 2008, op de hoogte van de bedreiging [betrokkene 1] voelde, hetgeen blijkt uit een afgeluisterd telefoongesprek op ondermeer 15 januari 2008 (14.59 uur), een sms op 16 januari 22.10 uur en telefoongesprekken op 17 januari 2008 (11.34 en 13.56 uur) tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] onder meer aan [medeverdachte 2] vertelt over de bommelding op zijn kantoor, aangeeft erg bang te zijn en hem vraagt te regelen dat de Joegoslaven aanwezig zijn bij de betaling omdat hij er zeker van wil zijn dat die vrienden van [medeverdachte 2] dan van zijn nek zijn.

Het hof concludeert op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden dat de verdachte van meet af aan op de hoogte was van de beslissing van [medeverdachte 1] om de betwiste vorderingen op [betrokkene 1] en daaraan verbonden [betrokkene 3] te laten innen door [betrokkene 6], waarbij hij wist dat deze [betrokkene 6] daarbij bedreigingen niet uit de weg zou gaan. De verdachte heeft over de voortgang contact gehad met [medeverdachte 1] en [betrokkene 7]. Door daarbij, zoals de verdachte stelt, enkel te informeren naar het resultaat van de incasso en niet naar de wijze waarop de druk werd uitgeoefend heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust het risico genomen en aanvaard dat daarbij bedreigingen van zeer ernstige aard zouden kunnen worden gebruikt. Dat de verdachte - aanvankelijk- niet op de hoogte was van de exacte bewoordingen van de bedreigingen noch - wellicht - van het feit dat ook door [betrokkene 7] -ter ondersteuning van diens vader- bedreigingen werden geuit, doet daar niet aan af.

In elk geval had de verdachte, evenals [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], zich moeten vergewissen van het handelen van [betrokkene 6] nadat hij op 8 januari 2008 werd gebeld door de politie met betrekking tot de bedreigingen van [betrokkene 1]. De verdachte heeft echter geen navraag gedaan bij [betrokkene 6] of [betrokkene 7] over wat er zich exact had afgespeeld en evenmin aan [medeverdachte 1] of aan [medeverdachte 2] gevraagd dit te doen. Hij heeft geen poging gedaan in te grijpen en de bedreigingen te stoppen. Integendeel, uit het sms-je op 15 januari 2008 tussen de verdachte en [medeverdachte 1] (19.29 uur) en de telefoongesprekken op 17 januari met [medeverdachte 1] (14.32 en 14.54 uur) blijkt dat ook als de bommelding via [medeverdachte 2] bekend is geworden, de druk op [betrokkene 1] moet worden gehandhaafd. Uit het telefoongesprek op 24 januari 2008 met [medeverdachte 2] (17.58 uur) en op 25 januari 2008 met [betrokkene 7] (17.50 uur) blijkt dat de verdachte de inzet van [betrokkene 7] dan wel [betrokkene 6] een uitstekende en beproefde manier vindt vervelende klusjes te laten opknappen en dat zij daarvoor ook worden betaald. Dat iemand anders tijdens dat laatste telefoongesprek de uit te oefenen druk omschrijft als "gewoon zijn knieschijven eraf schieten" geeft overduidelijk aan in welke toonzetting er over de inzet van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] werd gsproken binnen het bedrijf en in aanwezigheid van de verdachte.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde merkt het hof op dat de samenhang tussen de vorderingen op [betrokkene 1] en [betrokkene 3] bij de verdachte bekend was. En dat hij ervan op de hoogte was dat [betrokkene 6] met [medeverdachte 2] meeging naar [betrokkene 3] om druk uit te oefenen. Ook hier heeft naar het oordeel van het hof de verdachte bewust het risico genomen en aanvaard dat daarbij bedreigingen van zeer ernstige aard zouden kunnen worden gebruikt. Ook hier geldt dat het feit dat de verdachte niet op de hoogte was van de exacte bewoordingen of van het feit dat er mogelijk ook door [betrokkene 7] -ter ondersteuning van diens vader- bedreigingen zijn geuit, aan zijn betrokkenheid niet afdoet. Dat [betrokkene 3] uiteindelijk minder heeft betaald dan de betwiste vordering bedroeg doet niet af aan het feit dat hij onder dreiging met geweld heeft betaald en maakt het feit niet minder strafbaar.

Naar het oordeel van het hof volgt uit bovenstaande feiten en omstandigheden, ook in onderling verband bezien, dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders met betrekking tot de onder feit 1 bewezen geachte poging tot afpersing van [betrokkene 1] en de onder feit 2 bewezen geachte afpersing van [betrokkene 3]. Verdachte en [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben allen een rol gespeeld in deze afpersingen. Daaraan doet niet af dat de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet zelf aan de uitvoering van afpersingen -de dreigementen- hebben deelgenomen. Zij hebben zich niet van de door de verdachte met hun medeweten in gang gezette incassomethode, zoals gehanteerd door [betrokkene 6 en 7] gedistantieerd, terwijl zij allen in de ten laste gelegde periode op enig moment daarvan kennis droegen. Er was onderling sprake van een (stilzwijgende) taakverdeling, waarbij ruwweg een onderscheid gemaakt kan worden tussen de intellectuele daders ([verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) en de feitelijke daders ([betrokkene 6 en 7]). Derhalve acht het hof de feiten 1 en 2 bewezen zoals hierboven weergegeven onder het kopje "bewezen verklaarde". De verweren van de raadsman worden op dit punt verworpen."

6. Het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte medepleger is van de poging tot afpersing van [betrokkene 1] (feit 1), en wel in het bijzonder niet omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde uitvoeringshandelingen.

7. Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist bewuste en nauwe samenwerking gericht op - i.c. - poging tot door bedreiging met geweld iemand dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.(1) Het opzet van de medepleger moet dus zijn gericht op tezamen en in vereniging met anderen iemand dwingen tot de afgifte van een geldbedrag door bedreiging met geweld.

8. Het oordeel van het Hof moet kennelijk als volgt worden begrepen. Verdachte was er in zijn hoedanigheid van leidinggevende van de dagelijkse operationele gang van zaken in het aannemingsbedrijf [C], waarvan zijn vader algemeen directeur en eigenaar was en als zodanig belast was met de regeling van de financiën van het bedrijf, van op de hoogte dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] vorderingen, die [C] op hen pretendeerde te hebben, niet betaalde. Voorts was hij er in bedoelde hoedanigheid van op de hoogte dat zijn vader, toen een kort geding geen middel tot inning van die vorderingen had opgeleverd, [medeverdachte 2], commercieel medewerker van [C] en als zodanig verantwoordelijk voor de vorderingen die [C] had uitstaan op [betrokkene 1] en [betrokkene 3], had gevraagd om samen met [betrokkene 6] bij [betrokkene 1] langs te gaan om alsnog betaling van die vorderingen te verkrijgen. Verdachte had, aldus het Hof, een goed beeld van de aard van de bedreigingen die kunnen vallen onder de door verdachte als spierballentaal benoemde druk die [betrokkene 6] ter inning van de vordering op [betrokkene 1] zou uitoefenen. Dit betekent dat verdachte bewust het risico heeft genomen en aanvaard dat bij het incasseren van de vordering bedreigingen van zeer ernstige aard zouden kunnen worden gebruikt. Niettemin heeft de verdachte, met name niet nadat hij op 8 januari 2008 werd gebeld door de politie met betrekking tot de bedreigingen van [betrokkene 1], geen navraag gedaan of laten doen bij vader en/of zoon [betrokkene 6 en 7], en heeft hij geen poging gedaan de bedreigingen te stoppen doch aan zijn vader te kennen gegeven dat de druk op [betrokkene 1] moest worden gehandhaafd, ook toen de bommelding hem bekend was geworden. Uit een en ander vloeit voort dat verdachte zo bewust en nauw met zijn vader, [medeverdachte 2] en vader en zoon [betrokkene 6 en 7] heeft samengewerkt dat van medeplegen van bedreiging van [betrokkene 1] met afpersing gesproken kan worden.

9. De toetsing van dit oordeel van het Hof wordt bemoeilijkt doordat het Hof in zijn bewijsoverweging niet steeds de inhoud van de kennelijk gebezigde bewijsmiddelen weergeeft doch meermalen geheel of ten dele volstaat met het trekken van conclusies daaruit(2) en de inhoud van die door het Hof kennelijk gebezigde bewijsmiddelen ook niet steeds is opgenomen in de aanvulling met bewijsmiddelen van het verkorte arrest. Ik wijs bij wege van voorbeeld op de op 17 januari 2008 gevoerde telefoongesprekken mede waaruit het Hof afleidt dat ook als de bommelding via [medeverdachte 2] bekend is geworden, de druk op [betrokkene 1] moet worden gehandhaafd. Hoewel het middel over dit - in mijn ogen ernstige - gebrek niet klaagt(3), heb ik lang geaarzeld of dit gebrek in casu niet van dien aard is dat dit aan behoorlijke toetsing van het oordeel van het Hof in de weg staat en dus moet leiden tot vernietiging van het arrest van het Hof. Uiteindelijk meen ik dat dit - zoals uit het navolgende moge blijken - niet het geval is. Daarbij heb ik meegewogen dat in cassatie over de door het Hof uit kennelijk gebezigde bewijsmiddelen getrokken conclusies niet wordt geklaagd en er dus wel van kan worden uitgegaan dat deze met de inhoud van die bewijsmiddelen stroken.

10. Het oordeel van het Hof komt er in de kern van de zaak op neer dat het medeplegen van de verdachte niet alleen bestaat in niet ingrijpen in een situatie waarin hij bewust aanvaardde dat [betrokkene 6] ter inning van de vordering op [betrokkene 1] bedreigingen van zeer ernstige aard zou uitoefenen(4), maar ook - daar gaat het middel aan voorbij - in het te kennen geven dat de druk op [betrokkene 1] moest worden gehandhaafd toen hij van de bommelding op de hoogte was geraakt. Daarmee, zo moet 's Hofs oordeel kennelijk worden begrepen, heeft de verdachte zich niet alleen niet gedistantieerd van het innen van de vorderingen door ernstige bedreigingen maar ook te kennen gegeven deze voor zijn rekening te nemen(5) en te willen voortzetten. Daarin heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting besloten kunnen achten dat verdachte zo bewust en nauw met zijn vader, [medeverdachte 2], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] heeft samengewerkt, dat van medeplegen van de bewezenverklaarde poging tot afpersing van [betrokkene 1] kan worden gesproken.

11. Verdachtes voor medeplegen vereiste opzet op afpersing bestaat volgens het Hof hierin dat de verdachte door niet in te grijpen bewust het risico heeft genomen en aanvaard dat bij het incasseren van de vordering bedreigingen van zeer ernstige aard zouden kunnen worden gebruikt. Het middel werpt de vraag op of dit oordeel verenigbaar is met de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte voor zover inhoudende (bewijsmiddel 1) dat hij zich niet kon voorstellen dat [betrokkene 7] bij wege van bedreiging van [betrokkene 1] een bommelding bij deze had gedaan. Deze verklaring van de verdachte is op het eerste gezicht inderdaad niet verenigbaar met verdachtes (voorwaardelijk) opzet. Daarin ligt immers besloten dat het doen van een bommelding als vorm van bedreiging door de verdachte wel als reëel is gezien. Nu echter het Hof het voorwaardelijk opzet met name heeft toegesneden op de van [betrokkene 6] te verwachten bedreigingen, niet alleen [betrokkene 7] maar ook [betrokkene 6] een bommelding heeft gedaan (bewijsmiddel 7) en de verdachte, zoals het Hof vaststelt, na het bekend worden van de bommelding door [betrokkene 7] niettemin vond dat de druk op [betrokkene 1] moest worden gehandhaafd, kan niettemin uit de door het Hof weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte ook de door hem niet verwachte vorm van bedreiging door [betrokkene 7] voor zijn rekening heeft willen nemen. Van onverenigbaarheid van bedoelde passage uit de verklaring van de verdachte met de bewezenverklaring is dus - uiteindelijk - geen sprake.

12. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat - zoals het Hof op p. 7 van zijn arrest heeft overwogen - de verdachte wist dat [betrokkene 6] bij de inning van de vordering(en) op [betrokkene 1] en [betrokkene 3] bedreigingen niet uit de weg zou gaan. Het Hof heeft die wetenschap echter kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid uit hetgeen de verdachte op 18 en 19 februari 2008 heeft verklaard, te weten dat hij wist dat zijn vader had geregeld dat [medeverdachte 2] bij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] op bezoek zou gaan en dat [betrokkene 6] mee ging om druk te zetten en dat hij ook wel snapte dat er gezegd is dat als er niet betaald werd, er minder prettige dingen zouden gaan gebeuren, uit zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris waarin hij de druk die [betrokkene 6] zou uitoefenen benoemt als spierballentaal, en uit de in bewijsmiddel 18 opgenomen schriftelijke weergave van telefoongesprekken die gevoerd zijn in het kader van de feiten 3 en 4 waaruit - zoals het Hof niet onbegrijpelijk oordeelt - blijkt dat de verdachte een goed beeld had van de aard van de bedreigingen die daaronder kunnen vallen en dat hij daar geheel achter stond.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte medepleger is van afpersing van [betrokkene 3] (feit 2).

15. Met betrekking tot het bewijs van het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen van afpersing van [betrokkene 3] neemt het Hof behalve hetgeen het Hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft overwogen in aanmerking dat verdachte op de hoogte was van de samenhang tussen de vorderingen op [betrokkene 1] en [betrokkene 3], en dat hij ervan op de hoogte was dat [betrokkene 6] met [medeverdachte 2] meeging naar [betrokkene 3] om druk uit te oefenen. Voorts oordeelt het Hof op dezelfde gronden als ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde dat de verdachte bewust het risico heeft genomen en aanvaard dat daarbij bedreigingen van zeer ernstige aard zouden kunnen worden gebruikt terwijl ook hier geldt dat het feit dat de verdachte niet op de hoogte was van de exacte bewoordingen of van het feit dat er mogelijk ook door [betrokkene 7] -ter ondersteuning van diens vader- bedreigingen zijn geuit, aan zijn betrokkenheid niet afdoet

16. Tegen deze achtergrond kan op dezelfde gronden als voor het onder 1 bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen van afpersing van [betrokkene 3]

17. Het middel faalt.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 6 december 2005, LJN AU2246, NJ 2007, 455 en HR 12 april 2011, LJN BP6012. Zie over het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling HR 9 februari 1971, NJ 1972, 1.

2 Zie HR 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007, 387, m.nt. Y. Buruma, rov. 5.6.1 voor het gevaar dat kleeft aan de weergave van de inhoud van bewijsmiddelen in een bewijsoverweging

3 Het middel klaagt ook niet over het gebrek dat het Hof niet steeds exact aangeeft aan welk bewijsmiddel het een weergegeven feit of verklaring ontleent; zie daarover HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008, 70, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.3.

4 Zie over het belang daarvan voor het bewijs van medeplegen HR 11 januari 2000, LJN ZD1700, NJ 2000, 228, HR 14 oktober 2003, LJN AJ1457, NJ 2005, 183, m.nt. Knigge en HR 12 april 2005, LJN AS2769, NJ 2005, 577, m.nt. Mevis.

5 Vgl. HR 12 november 1996, LJN ZD0574, NJ 1997,190, HR 12 februari 2002, LJN AD7803, rov. 3.4, en HR 21 november 2006, LJN AY9575 over het belang van gedrag na voltooiing van een strafbaar feit voor het bewijs van medeplegen aan dat strafbaar feit. Zie daarover voorts J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2009, vierde druk, p. 436.