Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW8761

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
10/01929
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8761
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/986
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/01929

Mr. Vellinga

Zitting: 27 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" en 2. "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van één van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd en de overige drie benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/01929, 10/03704 en 10/05489. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 20 februari 2008 te Zaandam, gemeente Zaanstad en te Amsterdam, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld telkens [betrokkene 1] te dwingen tot de afgifte van 100.000 Euro, althans 80.000 Euro, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of bouwonderneming [A], of een van zijn mededaders

- [betrokkene 1] heeft gebeld en daarbij gezegd dat hij, [betrokkene 1], 80.000 Euro moet betalen en dat er anders een team bij [betrokkene 1] zal langs komen en dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zullen laten zien wat mensen doen voor 80.000 Euro en

- [betrokkene 1] heeft gebeld (in de engelse taal) en daarbij gezegd dat er twee mannen naar het kantoor van [betrokkene 1] zullen komen als [betrokkene 1] hem niet terug belt en

- de meldkamer van de politieregio Amsterdam/Amstelland heeft gebeld met de mededeling dat er "iets" tot ontploffing gebracht zal gaan worden op het adres van bouwondememing [A] aan de [a-straat] te Amsterdam en op het adres [b-straat 1] te Zaandam, daarmee doelend op het adres van [betrokkene 1] en

- meerdere sms-berichten heeft gestuurd naar [betrokkene 1] en meermalen de voicemail van de telefoon van [betrokkene 1] heeft ingesproken en meermalen heeft gebeld met het bedrijf van [betrokkene 1] met dreigende teksten (in de Engelse taal) als:

- "Dit is de laatste dag dat je me kunt betalen,vanaf morgen zal je omgeving nooit meer hetzelfde zijn, dat beloof ik je" en

- "De volgende bom zal zonder waarschuwing in je kantoor liggen, het is geen 80.000 dollars meer vriend, het is nu 100.000. Jij gaat betalen, geloof me!" en

- "Vanaf morgen staat [betrokkene 2] (dochter van [betrokkene 1]) ook op de lijst, het gaat leuk worden" en

- "Wij spelen geen spelletjes, als dat geld niet zo op de rekening is binnenkort komen daar mensen naar toe en moet opletten dan als jij in het bedrijf binnenkomt of het een bom is of weet ik veel wat, dan moet jij eerst de politie bellen en zij gaan ontruimen en dan ga jij naar binnen en zo wordt het elke dag totdat geld niet op de rekening komt",

althans telkens woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

2. hij in de periode van 1 december 2007 tot en met 18 december 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 3] heeft gedwongen tot de afgifte van 8.500 Euro, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [B] B.V., welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- een van zijn mededaders de voicemail van [betrokkene 3] heeft ingesproken met de dreigende tekst: "Het gaat om die geld. Ik zit hier nu bij [C]. De afspraak is dat geld van jou komt op de rekening donderdag. Als dat geld niet op de rekening komt geloof mij dat je dan in een rolstoel gaat zitten dan. Geloof mij echt gaat om veel geld" en

- een van zijn mededaders [betrokkene 3] heeft gebeld met de tekst: "Als je niet betaalt stuur ik een paar mannetjes bij je langs".

5. Het Hof heeft een verweer over het ontbreken van bewijs van medeplegen als volgt samengevat en verworpen:

"Bespreking van de bewijsverweren en motivering vrijspraken

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 niet als medepleger kan worden beschouwd, omdat er geen sprake is geweest van een vooropgezet plan. Verdachte heeft nooit afspraken gemaakt met eventuele mededaders over bedreigingen. Het is spontaan fout gelopen. Dat er dreigementen hebben plaatsgevonden is nooit teruggekoppeld aan verdachte, aldus de raadsman. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman nog opgemerkt dat verdachte het slachtoffer niet eens kende. Hij had nog nooit van de naam [betrokkene 3] gehoord.

Hij heeft ook niemand daarheen gestuurd om te gaan praten, laat staan om te gaan dreigen. Nu er noch ten aanzien van [betrokkene 1] noch ten aanzien van [betrokkene 3] ooit informatie naar hem is teruggekoppeld kon hij zich er ook niet van distantiëren. De raadsman heeft om vrijspraak ten aanzien van beide feiten verzocht. (...)

Ten aanzien van het verweer dat geen sprake is van medeplegen overweegt het hof als volgt. Het hof gaat hierbij uit van de volgende - niet betwiste - feiten.

De verdachte, [verdachte], was destijds directeur en eigenaar van het aannemersbedrijf [C]. Zowel de verdachte als zijn zoon, [medeverdachte 3], waren betrokken bij de bedrijfsvoering van [C]. De verdachte regelde de financiën binnen het bedrijf. [Medeverdachte 3] deed de operationele bedrijfsvoering. Beiden waren op de hoogte van de vordering van ongeveer €70.000.- die [C] meende te hebben op [A] B.V. (hierna [A]), de bouwonderneming van [betrokkene 1] en (deels) in datzelfde verband op diens onderaannemer [betrokkene 3] dan wel diens bedrijf [B] B.V. Hierover is in november 2007 een kort geding gevoerd dat niet tot een oplossing heeft geleid. [C] ondervond (mede) hierdoor liquiditeitsproblemen. [Medeverdachte 2] was commercieel medewerker van [C] en als zodanig verantwoordelijk voor de vorderingen die het bedrijf had uitstaan op [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. [Verdachte] en [medeverdachte 3] hadden in het kader van de bedrijfsvoering van [C] eerder samengewerkt met [betrokkene 6] en diens zoon [betrokkene 7]. [Betrokkene 6] was in december 2007 enige weken aanwezig op het bedrijf [C] teneinde de voortzetting van de onderlinge samenwerking te bespreken met betrekking tot werving en selectie van personeel. [Verdachte] heeft met [betrokkene 6] de problemen rond de -vermeende- vordering op [betrokkene 1]/ [betrokkene 3] besproken. Vervolgens is afgesproken dat [medeverdachte 2] opnieuw in gesprek zou gaan met [betrokkene 1] met de bedoeling om [betrokkene 1] ervan te overtuigen - ondanks het kort geding vonnis - de reeds lang uitstaande vordering te betalen. [Verdachte] had besloten dat [betrokkene 6] met [medeverdachte 2] mee zou gaan, nu het [medeverdachte 2] zelf eerder niet was gelukt.

Het hof stelt vast dat vervolgens de bedreigingen door [betrokkene 6 en 7] hebben plaatsgevonden zoals onder 1 en 2 zijn bewezenverklaard.

De verdachte heeft op 19 februari 2008 onder meer -zakelijk weergegeven- verklaard dat [betrokkene 6] met [medeverdachte 2] meeging naar [betrokkene 1] en [betrokkene 3] om druk te zetten. Volgens de verdachte hebben Joegoslaven over het algemeen geen goede naam en dacht men door [betrokkene 6] mee te sturen druk te kunnen zetten. [Betrokkene 6] zou voor zijn bemiddeling 15% krijgen van het geld dat hij zou binnenhalen. Op 8 januari 2008 zegt de verdachte: [Betrokkene 6] wil zijn geld hebben. Hij komt immers uit een land "waar ze dingen anders aanpakken".Tussen [verdachte] en [betrokkene 6] is een soort akte van cessie van de onderhavige vorderingen opgemaakt waarin die commissie is vastgelegd. [Medeverdachte 2] heeft op 8 januari 2008 verklaard dat hij [verdachte] op de hoogte hield over zijn contacten met [betrokkene 1] en op 20 februari 2009 dat hij, [medeverdachte 2], het doorgeefluik was tussen [betrokkene 1] en de Joegoslaven (het hof begrijpt: [betrokkene 6 en 7]) en dat de Joegoslaven de vordering moesten innen. Hij is door [betrokkene 1] op de hoogte gebracht van de bommelding en heeft [medeverdachte 3] daarvan op de hoogte gebracht. [Medeverdachte 2] was, zeker in januari 2008, op de hoogte van de bedreiging [betrokkene 1] voelde, hetgeen blijkt uit een afgeluisterd telefoongesprek op ondermeer 15 januari 2008 (14.59 uur), een sms op 16 januari 22.10 uur en telefoongesprekken op 17 januari 2008 (11.34 en 13.56 uur) tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] onder meer aan [medeverdachte 2] vertelt over de bommelding op zijn kantoor, aangeeft erg bang te zijn en hem vraagt te regelen dat de Joegoslaven aanwezig zijn bij de betaling omdat hij er zeker van wil zijn dat die vrienden van [medeverdachte 2] dan van zijn nek zijn.

[Medeverdachte 3] heeft op 18 en 19 februari 2008 - zakelijk weergegeven -verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat zijn vader had geregeld dat [betrokkene 6] met [medeverdachte 2] naar [betrokkene 1] zou gaan om meer gewicht in de schaal te leggen en dat later bleek dat [betrokkene 1] enkel wilde betalen als de Joegoslaven erbij waren omdat hij er dan zeker van was dat alles achter de rug was. Hij wist dat er minder aardige dingen werden gezegd en had regelmatig contact met [betrokkene 7]. Hij heeft ook een paar keer aan zijn vader gevraagd hoe het ermee stond. Naar hij verklaart kon [betrokkene 6] druk op de ketel zetten met spierballentaal.

Het hof stelt vast dat de verdachte aan [betrokkene 6] de vrije hand heeft gelaten te bepalen op welke wijze de druk op [betrokkene 1] zou wordend uitgeoefend. Door de akte van cessie heeft hij ervoor gezorgd dat [betrokkene 7] een stevig belang kreeg bij het innen van de vordering. De verdachte heeft gesteld dat hij er in december 2007 weliswaar van op de hoogte was gesteld dat [betrokkene 1] had toegezegd te zullen gaan betalen, maar dat hij niet wist van de aard van de bedreigingen die daartoe door [betrokkene 6] en [betrokkene 7] waren gebruikt. Hij heeft daar ook niet naar gevraagd. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte die "om de andere werkwijze van Joegoslaven" kiest voor de inzet van [betrokkene 6] bij de incasso bewust het risico genomen en aanvaard dat daarbij bedreigingen van zeer ernstige aard zouden kunnen worden gebruikt. Dat de verdachte -aanvankelijk - niet op de hoogte was van de exacte bewoordingen van de bedreigingen noch van het feit dat ook door [betrokkene 7] -ter ondersteuning van diens vader- bedreigingen werden geuit, doet daar niet aan af.

In elk geval had de verdachte, evenals [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], zich moeten vergewissen van het handelen van [betrokkene 6] nadat hij op 8 januari 2008 werd gebeld door de politie met betrekking tot de bedreigingen van [betrokkene 1]. De verdachte heeft echter geen navraag gedaan bij [betrokkene 6] of [betrokkene 7] over wat er zich exact had afgespeeld en evenmin aan [medeverdachte 3] of aan [medeverdachte 2] gevraagd dit te doen. Hij heeft geen poging gedaan in te grijpen en de bedreigingen te stoppen. Integendeel, uit de telefoongesprekken op onder meer 15 januari 2008 tussen de verdachte en [betrokkene 7] (18.33 uur) en met [medeverdachte 2] (19.10 uur) en uit het sms-je aan [medeverdachte 3] (19.29 uur), alsmede 16 januari met [betrokkene 7] (21.10 uur) en 17 januari met [medeverdachte 3] (14.32 uur) blijkt dat ook als de bommelding via [medeverdachte 2] bekend is geworden, de druk op [betrokkene 1] moet worden gehandhaafd. Uit de gesprekken op 17 januari 2008 met [betrokkene 6] om 15.43 en 15.48 blijkt dat de tactiek van de bommelding door de verdachte wordt gesteund.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde merkt het hof op dat de samenhang tussen de vorderingen op [betrokkene 1] en [betrokkene 3] bij de verdachte bekend was. Hij heeft het ontstaan van die vordering met [betrokkene 6] besproken en [medeverdachte 2] en [betrokkene 6] zijn na het gesprek met [betrokkene 1] ook samen om geld gaan vragen aan [betrokkene 3] die daartoe op een bouwplaats werd aangesproken. De verdachte heeft op 19 februari 2008 verklaard ook daarvan op de hoogte te zijn en de vordering op [betrokkene 3] staat ook in de akte van cessie vermeld. Ook hier heeft naar het oordeel van het hof de verdachte die "om de andere werkwijze van Joegoslaven" kiest voor de inzet van [betrokkene 6] bij de incasso bewust het risico genomen en aanvaard dat daarbij bedreigingen van zeer ernstige aard zouden kunnen worden gebruikt. Ook hier geldt dat het feit dat de verdachte niet op de hoogte was van de exacte bewoordingen of van het feit dat er mogelijk ook door [betrokkene 7] -ter ondersteuning van diens vader- bedreigingen zijn geuit, aan zijn betrokkenheid niet afdoet. Dat [betrokkene 3] uiteindelijk minder heeft betaald dan de betwiste vordering bedroeg doet niet af aan het feit dat hij onder dreiging met geweld heeft betaald en maakt het feit niet minder strafbaar.

Naar het oordeel van het hof volgt uit bovenstaande feiten en omstandigheden, ook in onderling verband bezien, dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders met betrekking tot de onder feit 1 bewezen geachte poging tot afpersing van [betrokkene 1] en de onder feit 2 bewezen geachte afpersing van [betrokkene 3]. Verdachte en [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben allen een rol gespeeld in deze afpersingen. Daaraan doet niet af dat de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] niet zelf aan de uitvoering van afpersingen -de dreigementen- hebben deelgenomen. Zij hebben zich niet van de door de verdachte met hun medeweten in gang gezette incassomethode, zoals gehanteerd door [betrokkene 6 en 7] gedistantieerd, terwijl zij allen in de ten laste gelegde periode op enig moment daarvan kennis droegen. Er was onderling sprake van een (stilzwijgende) taakverdeling, waarbij ruwweg een onderscheid gemaakt kan worden tussen de intellectuele daders ([verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]) en de feitelijke daders ([betrokkene 6 en 7]). Daarbij doet het naar het oordeel van het hof niet ter zake, dat de verdachte heeft verklaard, o.a. ter terechtzitting in hoger beroep, dat "hij die hele [betrokkene 3] -persoonlijk- helemaal niet kende".

Derhalve acht het hof de feiten 1 en 2 bewezen zoals hierboven weergegeven onder het kopje "bewezen verklaarde". De verweren van de raadsman worden op dit punt verworpen."(1)

6. Het eerste middel klaagt dat er onvoldoende bewijs is voor het onder 1. bewezenverklaarde medeplegen.

7. Alvorens het middel te bespreken merk ik op dat de toetsing van het oordeel van het Hof wordt bemoeilijkt doordat het Hof in zijn bewijsoverweging niet steeds de inhoud van de kennelijk gebezigde bewijsmiddelen weergeeft doch meermalen geheel of ten dele volstaat met het trekken van conclusies daaruit(2) en de inhoud van die door het Hof kennelijk gebezigde bewijsmiddelen ook niet steeds is opgenomen in de aanvulling met bewijsmiddelen van het verkorte arrest. Ik wijs bij wege van voorbeeld op de op 16 en 17 januari 2008 gevoerde telefoongesprekken mede waaruit het Hof afleidt dat ook als de bommelding via [medeverdachte 2] bekend is geworden, de druk op [betrokkene 1] moet worden gehandhaafd. Het middel klaagt over dit - in mijn ogen ernstige - gebrek niet(3). In aanmerking genomen dat in cassatie over de door het Hof uit kennelijk gebezigde bewijsmiddelen getrokken conclusies niet wordt geklaagd en er dus wel van kan worden uitgegaan dat deze met de inhoud van die bewijsmiddelen stroken, behoeft het niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden.

8. Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist bewuste en nauwe samenwerking gericht op - i.c. - poging tot door bedreiging met geweld iemand dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.(4) Het opzet van de medepleger moet dus zijn gericht op tezamen en in vereniging met anderen iemand dwingen tot de afgifte van een geldbedrag door bedreiging met geweld.

9. Het Hof neemt voorwaardelijke opzet gericht op bedreiging met geweld ten behoeve van het innen van een (vermeende) vordering aan omdat verdachte

- de vrije hand aan [betrokkene 6 en 7] heeft gelaten,

- hen bij een soort akte van cessie een stevig belang (15 %) in het innen van de vordering heeft gegeven, en

- heeft gekozen voor de inzet van Joegoslaven "om de andere werkwijze van Joegoslaven".

10. Voorts stelt het Hof vast dat ook toen de verdachte op de hoogte raakte van de ernst van de bedreigingen, met name de bommelding (zie bewijsmiddelen 1 en 7), de verdachte van oordeel was dat de druk op [betrokkene 1] moest worden gehandhaafd.

11. Mede in aanmerking genomen, dat - zoals het Hof heeft vastgesteld - een over de vordering gevoerd kort geding niet tot een oplossing had geleid, heeft het Hof uit een en ander kunnen afleiden dat verdachte zo bewust en nauw met onder andere [betrokkene 6 en 7] heeft samengewerkt met het oog op de afpersing van [betrokkene 1] dat van medeplegen van afpersing kan worden gesproken. Juist doordat de verdachte aan de inzet van [betrokkene 6] en zoon geen einde maakte toen hij op de hoogte raakte van de bommelding dus van de dreiging met zeer ernstig geweld liet hij - zoals het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld - zien dat hij volhardde in - en zich niet distantieerde van - de inzet van [betrokkene 6 en 7] ondanks de door dezen gebezigde werkwijze ter inning van de vordering. Daarmee - zo heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld - bevestigde hij niet alleen dat hij bewust op de koop toe nam dat de door hem ter inning van de vordering ingeschakelde [betrokkene 6] en zoon hun toevlucht namen tot bedreiging met ernstig geweld om de vordering van verdachtes bedrijf op [betrokkene 1] te innen, maar ook dat hij zo bewust en nauw met onder andere [betrokkene 6 en 7] heeft samengewerkt met het oog op de afpersing van [betrokkene 1] dat van medeplegen van poging tot afpersing kan worden gesproken.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat er onvoldoende bewijs is voor het onder 2. bewezenverklaarde medeplegen.

14. Met betrekking tot het bewijs van het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen van afpersing van [betrokkene 3] neemt het Hof behalve hetgeen het Hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft overwogen in aanmerking dat verdachte op de hoogte was van de samenhang tussen de vorderingen op [betrokkene 1] en [betrokkene 3], dat verdachte het ontstaan van de vordering op [betrokkene 3] met [medeverdachte 2] en [betrokkene 6] heeft besproken, dat ook de vordering van [betrokkene 3] in de akte van cessie staat vermeld en dat verdachte bewust voor de inzet van [betrokkene 6] heeft gekozen "om de andere werkwijze van de Joegoslaven".

15. Tegen deze achtergrond kan op dezelfde gronden als voor het onder 1 bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen van afpersing van [betrokkene 3].

16. Het middel faalt.

17. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt niet van telefoongesprekken op 16 januari 2008 om 21.10 uur en op 17 januari 2008 om 14.32, 15.43 en 15.48 uur. Hierover wordt echter niet geklaagd[0].

2 Zie HR 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007, 387, m.nt. Y. Buruma, rov. 5.6.1 voor het gevaar dat kleeft aan de weergave van de inhoud van bewijsmiddelen in een bewijsoverweging

3 Het middel klaagt ook niet over het gebrek dat het Hof niet steeds exact aangeeft aan welk bewijsmiddel het een weergegeven feit of verklaring ontleent; zie daarover HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008, 70, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.3.

4 Vgl. HR 6 december 2005, LJN AU2246, NJ 2007, 455 en HR 12 april 2011, LJN BP6012. Zie over het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling HR 9 februari 1971, NJ 1972, 1.