Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW8723

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
10/02841 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8723
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, Beslag, art. 552a Sv. Klager heeft geen belang bij zijn cassatieberoep en wordt n-o verklaard nu uit de door de AG ingewonnen inlichtingen is gebleken dat de Rb in een andere onherroepelijk geworden beschikking de teruggave van de schilderijen heeft gelast aan een ander. Vgl. HR LJN BT8757.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/899
NJB 2012/1621
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02841 B

Mr. Knigge

Zitting: 3 april 2012

Conclusie inzake:

[Klager]

1. Klager heeft een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave aan hem van acht inbeslaggenomen schilderijen. De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 27 april 2010 klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag, voor zover dat betrekking heeft op de schilderijen van Trouillebert en Teniers en het beklag overigens ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klager cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klager heeft mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het betreft een beklagzaak met een uitzonderlijke casus. Een galeriehouder doet valselijk aangifte van diefstal van kostbare schilderijen, kennelijk met het doel de verzekering op te lichten. Klager krijgt opdracht om de schilderijen te verbranden, maar doet dat niet. Meer dan twintig jaren later worden twee schilderijen bij klager op zolder gevonden en inbeslaggenomen. Zes schilderijen worden inbeslaggenomen onder een zekere [betrokkene 1], bij wie klager die schilderijen had ondergebracht. De verzekeringsmaatschappij (ALR) verzoekt als rechthebbende om teruggave van de schilderijen. Op 24 november 2009 is het op 18 juni 2009 binnengekomen klaagschrift van ALR door de Rechtbank behandeld in raadkamer. Klager noch zijn raadsvrouw mr. Koster waren daarbij aanwezig. De Rechtbank heeft de zaak op verzoek van de raadsvrouw aangehouden tot 19 januari 2010. Op 11 januari 2010 heeft klager zelf ook een klaagschrift ingediend. Dit klaagschrift is behandeld door de Rechtbank in raadkamer op 19 januari 2010. Het door ALR (in de zaak van klager belanghebbende) ingediende klaagschrift is gelijktijdig behandeld. De Rechtbank heeft bij afzonderlijke beschikkingen beslist op het klaagschriften van klager en ALR. In de bestreden beschikking is echter (deels) ook het oordeel van de Rechtbank over het klaagschrift van ALR verwoord.

5. Uit namens mij bij de Rechtbank Rotterdam en het Landelijk Parket ingewonnen inlichtingen is het volgende gebleken. De Rechtbank Rotterdam heeft het klaagschrift van de verzekeringsmaatschappij gegrond verklaard, het beslag opgeheven en de teruggave van de schilderijen gelast. Tegen die beschikking is door de verzekeringsmaatschappij geen rechtsmiddel ingesteld. Ook klager heeft dat niet gedaan, althans niet expliciet. De schilderijen zijn nog niet teruggegeven aan de verzekeringsmaatschappij. De behandeling van de strafzaak tegen verdachte is op 13 december 2011 voor onbepaalde tijd aangehouden.

6. De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

6.1. Op 6 september 2011, oordeelde de Hoge Raad in twee samenhangende zaken die met de onderhavige grote gelijkenis vertonen (HR 6 september 2011, LJN BQ8215 en LJN BQ8216). Het ging in die zaak om inbeslaggenomen geluidsbanden van The Beatles. De klagers, onder wie de banden in beslag waren genomen en de gepretendeerde eigenaar (Apple Films Limited) dienden alle drie een klaagschrift in. De Rechtbank Amsterdam verklaarde bij drie op dezelfde dag gegeven beschikkingen het beklag van Apple gegrond en dat van de klagers ongegrond. Het door Apple kennelijk per abuis ingestelde cassatieberoep tegen de gegrondverklaring van haar beklag werd ingetrokken. De klagers gingen met succes in cassatie tegen de beschikkingen waarin hun beklag ongegrond was verklaard. De Hoge Raad verwees de zaken bij beschikkingen van 20 januari 2009, LJN BG3555 en LJN BG3554 naar het Hof Amsterdam, dat het beklag opnieuw ongegrond verklaarde. Het door de klagers tegen die beschikkingen ingestelde cassatieberoep eindigde in een niet-ontvankelijkverklaring van klagers in hun beklag. De Hoge Raad overwoog dienaangaande het volgende:

"2.2. Uit door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen blijkt dat de Rechtbank te Amsterdam bij beschikking van 24 mei 2007 het door Apple Films Limited ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave van voormelde banden met geluidsopnamen gegrond heeft verklaard en de teruggave aan Apple Films Limited heeft gelast, alsmede dat deze beschikking onherroepelijk is geworden.

2.3. Gelet op het voorgaande was het beslag reeds beëindigd ten tijde van de behandeling van en de beslissing op het klaagschrift door het Gerechtshof. Dat brengt mee dat het Gerechtshof de klager niet-ontvankelijk had behoren te verklaren in zijn beklag."

6.2. Uit de geciteerde overwegingen van de Hoge Raad lijkt te volgen dat, hoewel zulks in art. 134 lid 2 Sv niet valt te lezen, een dergelijk onherroepelijk worden op zich reeds meebrengt dat het beklag eindigt. Of de inbeslaggenomen goederen al dan niet zijn teruggegeven, lijkt niet van belang te zijn.

6.3. Recent oordeelde de Hoge Raad in een andere vergelijkbare zaak, waarin de klager een klaagschrift had ingediend strekkende tot teruggave van een onder hem inbeslaggenomen bestelauto en waarin de gedupeerde van de diefstal, althans de verzekeringsmaatschappij die in de rechten van de (oorspronkelijke) eigenaar van een inbeslaggenomen bestelauto was getreden (Avéro Achmea), eveneens een klaagschrift ex art. 552a Sv had ingediend met betrekking tot die bestelauto. In de desbetreffende beschikking (HR 27 maart 2012, LJN BT8757) overwoog de Hoge Raad:

"2.2. Uit door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen blijkt dat de Rechtbank bij beschikking van eveneens 2 september 2009 het door Avéro Achmea/Achmea Schadeverzekeringen N.V. ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave van de bestelauto gegrond heeft verklaard en teruggave aan Avéro Achmea/Achmea Schadeverzekeringen N.V. heeft gelast, alsmede dat deze beschikking onherroepelijk is geworden.

2.3. Dat brengt mee dat de klager bij gebrek aan belang in het cassatieberoep niet kan worden ontvangen, nu het daartoe bevoegde Gerechtshof na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad de klager slechts niet-ontvankelijk kan verklaren in zijn beklag aangezien het beslag, gelet op het hiervoor onder 2.2 weergegevene, reeds is beëindigd.

2.4. Opmerking verdient nog het volgende. Het gaat in het onderhavige geval om een zaak waarin door verschillende partijen afzonderlijk klaagschriften zijn ingediend die betrekking hebben op hetzelfde inbeslaggenomen voorwerp. Voor een evenwichtige en doelmatige afdoening van zulke zaken verdient het aanbeveling dat de rechter - wanneer dat redelijkerwijs mogelijk is - bevordert dat dergelijke klaagschriften gevoegd worden behandeld en vervolgens in één beschikking worden beoordeeld, zodat een daartegen gericht beroep ook de beslissing kan betreffen ten aanzien van de andere klager."

6.4. In de onderhavige zaak zal waarschijnlijk eveneens hebben te gelden dat de beslissing op het klaagschrift van de tegenpartij (ALR) inmiddels onherroepelijk is geworden. Ik merk daarbij op dat de Hoge Raad ook in de beschikking van 27 maart jongstleden de opvatting lijkt te zijn toegedaan dat het beslag is geëindigd door het enkele feit dat de beschikking tot teruggave aan de tegenpartij onherroepelijk is geworden. De achterliggende gedachte is mogelijk dat het voor de rechtspositie van die tegenpartij niet mag uitmaken dat ten onrechte geen gevolg is gegeven aan de onherroepelijk geworden beslissing op zijn klaagschrift. Ik meen dan ook primair te moeten concluderen dat de Hoge Raad de klager niet ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep.

6.5. Zelf zou ik menen dat er in het onderhavige geval ruimte is voor een andere redenering. In zowel de Beatles-zaak waren de inbeslaggenomen voorwerpen reeds in bewaring gegeven bij de tegenpartij, terwijl in de zaak betreffende Avéro Achmea het inbeslaggenomen voorwerp overeenkomstig de onherroepelijk geworden beslissing reeds teruggegeven was aan de tegenpartij. Daarin verschilt de zaak van de onderhavige, waar de inbeslaggenomen goederen, de schilderijen, kennelijk in afwachting van de uitkomst van het door klager ingestelde cassatieberoep, nog niet zijn teruggegeven aan de verzekeringsmaatschappij. Hierin zou aanleiding kunnen worden gevonden de cassatieakte van klager welwillend te lezen, als zijnde impliciet ook gericht tegen de beschikking op het klaagschrift van ALR. Daarbij kan betekenis worden toegekend aan het feit dat de Rechtbank in de bestreden beschikking ook haar gemotiveerde oordeel over het klaagschrift van ALR heeft opgenomen. De Rechtbank heeft dus weliswaar niet, anders dan de Hoge Raad aanbeveelt, volstaan met één beschikking waarin haar oordeel met betrekking tot beide klaagschriften is neergelegd, maar haar aanpak komt daarbij wel dicht in de buurt. Door haar oordeel met betrekking tot beide klaagschriften in twee - naar ik aanneem - vrijwel identieke beschikkingen neer te leggen, heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het in wezen gaat om een oordeel over dezelfde zaak.

6.6. In deze redenering is de beslissing op het klaagschrift van de tegenpartij (ALR) nog niet onherroepelijk geworden en is er dus geen reden om klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep.

6.7. Voor het geval de Hoge Raad met mij aanleiding ziet de cassatieakte welwillend te lezen, bespreek ik kort de middelen. Ik wijk daarbij af van de volgorde die in de schriftuur is aangehouden.

7. Het vierde middel

7.1. Het middel klaagt over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek in verband met verblijf in het buitenland van de raadsvrouw van klager. Het Hof heeft het verzoek op onjuiste, ontoereikend gemotiveerde althans onbegrijpelijk gronden afgewezen, aldus de steller van het middel.

7.2. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 19 januari 2010 houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde aanhoudingsverzoek in:

"De raadsman van de klager verklaart:

Ik zal mijn standpunten in de zaak [klager] kenbaar willen maken. Namens [klager] wil ik u verzoeken om de behandeling van het klaagschrift aan te houden. De argumenten daarvoor luiden als volgt.

Als raadsvrouw van [klager] is mr. S. Koster al geruime tijd bezig met [klager] in het kader van de tegen hem als verdachte aanhangige strafzaak. Van meet af aan wordt [klager] door mr. Koster bijgestaan. Omdat mr. Koster zich op dit moment in het buitenland bevindt, is het contact met haar sinds haar vertrek niet mogelijk geweest. Evenmin heeft mr. Koster met [klager] overleg kunnen plegen. Op 29 december 2009 heeft mr. Koster een faxbericht aan de rechtbank gezonden, waarin zij kenbaar heeft gemaakt dat zij [klager] bijstaat en dat zij namens [klager] een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering zal indienen. Zij verzocht daarbij rekening te houden met de door haar in dat bericht opgegeven verhinderdata. Op dat bericht kwam geen reactie van de rechtbank. Op 7 januari 2010 is namens mr. Koster, onder verwijzing van haar brief d.d. 29 december 2009, de rechtbank wederom verzocht om acht te slaan op haar verhinderdata. Haar is toen per faxbericht medegedeeld dat de nieuwe zittingsdatum van het klaagschrift van de belanghebbende ALR, al op de zitting van 24 november 2009 en in overleg met de aanwezige procesdeelnemers, is bepaald. Mr. Koster is op de zitting van 24 november 2009 niet verschenen omdat er dermate laat een oproeping aan haar is verzonden, hetgeen mede tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift op 24 november 2009 heeft geleid. Gebleken is dat de behandeling van het klaagschrift tot 19 januari 2010 is geschorst. Van een mededeling over de nieuwe datum van behandeling die kort na de zitting van 24 november 2009 aan mr. Koster is gedaan, is niet gebleken. Indien die mededeling wel is gedaan, is het in elk geval niet doorgekomen. De oproeping voor de zitting van 19 januari 2010 heeft mr. Koster pas op 5 januari 2010 ontvangen, toen zij al in het buitenland zat. Namens [klager] is vervolgens op 11 januari 2010 ook een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend, waarbij opnieuw is gewezen op de verhinderdata van [klager] en mr. Koster. Hierop is geen acht geslagen en is de behandeling van het klaagschrift van [klager] gelijktijdig gepland met cle behandeling van het klaagschrift van ALR. Op 12 januari 2010 ontving ik van de rechtbank per fax het bericht van de voorzitter dat de behandeling van de zaak op 19 januari 2010 niet zal worden aangehouden, omdat mr. Koster reeds enige tijd op de hoogte was van de zittingsdatum. Daarbij merk ik op dat in het dossier zich geen aantekening over de zitting d.d. 19 januari 2010 bevond.

De strafzaak tegen [klager] en de belanghebbende [betrokkene 2] als verdachte lopen parallel. De in de strafzaken geplande regiezittingen (juni 2009, december 2009) zijn in overleg met de verdediging ingetrokken. Er staat nu een regiezitting in april 2010 gepland. Het onderzoek in de strafzaken is in volle gang. [Klager] moet nog nader worden gehoord. De zaak betreft een bijzonder complexe materie met inhoudelijke vragen die moeten worden behandeld en rechten van de verdediging die nog moeten worden uitgeoefend. Bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak zijn de criteria anders, maar die behandeling gebeurt wel op basis van hetzelfde dossier als dat van de klaagschriftprocedure. Eind augustus 2009 heeft de verdediging het strafdossier ontvangen. Gelet op de complexiteit van de zaak, kan deze niet zomaar van mr. Koster worden overgenomen. Bovendien wil [klager] specifiek door mr. Koster worden bijgestaan. Gelet op het onderzoek dat nog loopt, is er wel degelijk een strafvorderlijk belang voor handhaving van het beslag aanwezig. Vandaag kan het klaagschrift van [klager] niet worden behandeld. Indien niettemin tot de behandeling daarvan wordt facilities', verstoken blijven van de adequate rechtsbijstand van mr. Koster, die als enige goed thuis is in het gehele strafdossier.

De officier van justitie verklaart:

Op de behandeling van het klaagschrift op 24 november 2009 is gebleken dat mr. Koster te laat een oproeping voor de zitting heeft ontvangen, waarop de behandeling voor bepaalde tijd is geschorst. Op de zitting van 24 november 2009 is gelijk een nieuwe zittingsdatum gepland. Deze zittingsdatum is kort na de zitting aan mr. Koster bekendgemaakt. Aangezien mr. Koster ten aanzien van de behandeling op 24 november 2009 een verzoek tot aanhouding heeft gedaan, ligt het echter op de weg van de raadsvrouw om te informeren wat voor beslissing de rechtbank op het aanhoudingsverzoek heeft genomen. Indien mr. Koster dit had gedaan, had zij de tijd gehad om de zaak voor te bereiden. Bovendien is medio vorig jaar het strafdossier aan mr. Koster ter beschikking gesteld. De vraag die echter in raadkamer dient te worden beantwoord is wie redelijkerwijs als rechthebbende van de schilderijen kan worden aangemerkt, hetgeen een beperkte toetsing inhoudt. Het klopt dat de strafzaak tegen [klager] nog loopt, maar de onderhavige procedure is juist voor bedoeld om een beslissing omtrent de in beslag genomen schilderijen te nemen, alvorens een beslissing in de strafzaak wordt genomen. Het Openbaar Ministerie is van mening dat, nu de schilderijen reeds zijn onderzocht, het strafvorderlijk belang zich niet langer verzet tegen teruggave van de schilderijen. Om die reden stel ik mij op het standpunt dat het klaagschrift vandaag inhoudelijk kan worden behandeld.

De raadsman van de klager verklaart:

Ik beschik over de correspondentie die mr. Koster aan mij heeft gegeven. Op basis hiervan moet ik het doen. Het is best mogelijk dat de griffier van deze rechtbank, na de zitting van 24 november 2009, een mededeling met betrekking tot de nieuwe zittingsdatum aan mr. Koster heeft gedaan. Maar de officiële oproeping voor de zitting van vandaag - als belanghebbende in de zaak van ALR - is pas op 5 januari 2010 ontvangen en die in de zaak van [klager] zelf is op 12 januari 2010 binnengekomen.

Het gaat in deze om een omvangrijk onderzoek. Het doet er niet toe dat mr. Koster het dossier al kent. Het aangewezen forum om een beslissing over de schilderijen te nemen, is de rechtbank die over de strafzaak gaat beslissen. Op basis van de onderliggende stukken in het strafdossier zal nog door de feitenrechter moeten worden vastgesteld wie de houder, bezitter of eigenaar van de schilderijen is. [Klager] en de andere verdachten en/of getuigen zullen in dit kader (nader) moeten worden gehoord. Omdat mr. Koster degene is die [klager] van meet af aan heeft bijgestaan, weet ik op dit moment ook niet welke rechten door de verdediging zullen worden uitgeoefend. De echtheid van de schilderijen is ook van belang voor de vraag aan wie deze toebehoren. Het is best mogelijk dat er een contra-expertise wordt gevraagd. Derhalve meen ik dat er wel degelijk een strafvorderlijk belang aanwezig is. Nu het Openbaar Ministerie geen strafvorderlijk belang aanwezig acht, verzoek ik u, op grond van artikel 6 EVRM, de behandeling van het klaagschrift aan te houden. Er is geen spoedeisende belang om de zaak vandaag te behandelen. Het zijn schilderijen die al twintig jaar verdwenen zijn. De strafzaak is tevens zo nauw verbonden aan deze zaak.

De officier van justitie verklaart:

(...)

De raadsman van de belanghebbende ALR verklaart:

In reactie op het betoog dat zojuist door de raadsman van de klager is gevoerd, merk ik op dat bij brief d.d. 7 oktober 2009 aan mr. Koster, in antwoord op haar brief van 6 oktober 2009, de mededeling is gedaan dat zij een oproeping voor de zitting van 24 november 2009 zou ontvangen. Ondanks het feit dat mr. Koster reeds op 7 oktober 2009 met de datum van voornoemde zitting bekend was, kon de rechtbank op de zitting van 24 november 2009 niet uitsluiten dat een afschrift van de oproeping aan [klager] niet aan haar was verzonden. Mede gelet daarop is de behandeling van het klaagschrift aangehouden. Er is veel gezegd over het contact met mr. Koster na de zitting van 24 november 2009. De verdediging meent dat er voldoende vaststaat dat mr. Koster volstrekt op de hoogte is geweest van de zitting van 24 november 2009 alsmede die van 19 januari 2010. De raadsman van [klager] heeft subsidiair op grond van het EVRM een verzoek tot aanhouding van de zaak gedaan. Het EVRM is echter niet op deze procedure van toepassing. Daarbij verwijs ik naar het artikel van mr. Kuiper. Op de zitting van 24 november 2009 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat de beslissing die in deze zaak wordt genomen, de civielrechtelijke aanspraken op de schilderijen onverlet laat. Voor ALR is het buitengewoon schadelijk indien het aanhoudingsverzoek van [klager] wordt gehonoreerd. De schilderijen zijn zo besmet; zij hebben geen of nauwelijks waarde meer.

De raadsman van de klager verklaart:

Het EVRM is wel degelijk van toepassing op deze procedure. Ik verwijs daarbij naar pagina 128 van Tekst & Commentaar Strafvordering.

De voorzitter schorst het onderzoek in raadkamer voor beraad omtrent het gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift.

Na een korte onderbreking wordt het onderzoek in raadkamer hervat.

De voorzitter deelt mede dat de rechtbank als volgt heeft beslist:

Gelet op gang van zaken die grotendeels door de stukken in het raadkamerdossier wordt bevestigd, stelt de rechtbank zich op het standpunt dat mr. Koster ruim vóór de zitting van 24 november 2009 op de hoogte is geweest van de datum van behandeling van het klaagschrift van ALR. Desalniettemin is mr. Koster niet op de zitting van 24 november 2009 verschenen. Voorts is gebleken dat mr. Koster genoegzaam bekend was dat het klaagschrift van ALR alsmede dat van de klager vandaag behandeld zou worden. Na de zitting van 24 november 2009 is door mr. Koster naar de beslissing van de rechtbank geïnformeerd. Door een medewerker van de griffie is mr. Koster toen de nieuwe zittingsdatum medegedeeld. Kort na de zitting van 24 november 2009 heeft de voorzitter zelf contact met mr. Koster opgenomen waarbij haar nogmaals de nieuwe zittingdatum is medegedeeld. In zoverre was mr. Koster tijdig op de hoogte van de nieuwe zittingsdatum en had zij dan ook ruimschoots de gelegenheid gehad om de verdediging voor te bereiden. De gang van zaken en de aard van de onderhavige procedure in aanmerking nemende, worden thans geen termen voor aanhouding van de zaak aanwezig geacht. Het aanhoudingsverzoek van de zijde van de klager wordt derhalve niet gehonoreerd. De rechtbank zal tot de inhoudelijke behandeling van het klaagschrift overgaan.

7.3. Aanhoudingsverzoeken die in een raadkamerprocedure worden gedaan, vallen onder een ander wettelijk regime dan aanhoudingsverzoeken die betrekking hebben op de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Dat betekent onder meer dat het verzuim om te beslissen op een verzoek om aanhouding in een raadkamerprocedure niet zonder meer tot nietigheid leidt. Dat is eerst het geval als het verzuim is begaan onder omstandigheden dat het geacht moet worden zodanig met een goede procesorde in strijd te zijn dat het de nietigheid van het onderzoek tengevolge moet hebben.(1) Het komt mij voor dat met eventuele motiveringsgebreken die de afwijzing van een dergelijk verzoek aankleven, op dezelfde wijze dient te worden omgegaan. Voor het overige geldt dat wel in zoverre aansluiting kan worden gezocht bij de jurisprudentie die betrekking heeft op aanhoudingsverzoeken met betrekking tot de berechting, dat van de rechter een belangenafweging wordt geëist, waarin de belangen van enerzijds de klager, mede gelet op hetgeen voor hem op het spel staat, en anderzijds die van een doelmatige rechtspleging worden afgewogen. Ook de verhindering van de (gemachtigde) raadsman van klager kan daarbij een reden voor aanhouding opleveren.(2) Wel zij daarbij aangetekend dat art. 6 EVRM op de raadkamerprocedure niet van toepassing is en dat in verband daarmee aan het recht op rechtsbijstand een nader gewicht toekomt.

7.4. De Rechtbank heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd beslist op het aanhoudingsverzoek. In de overwegingen van de Rechtbank kan een belangenafweging als hiervoor bedoeld worden gelezen. Die belangenafweging komt mij niet onbegrijpelijk voor, waarbij ik in aanmerking neem dat de Rechtbank ook rekening had te houden met het belang van de verzekeringsmaatschappij (ALR) bij een voortvarende behandeling, dat de behandeling van haar klaagschrift reeds eerder in het belang van klager is aangehouden en dat een gelijktijdige behandeling van beide klaagschriften ook in het belang van klager is. Ik neem ook in aanmerking dat een kantoorgenoot van de raadsvrouw als raadsman van klager optrad.

7.5. In het middel wordt nog opgemerkt dat niet gebleken is van de mededelingen die volgens de Rechtbank door de griffie en de voorzitter kort na de raadkamerbehandeling van 24 november 2009 aan de raadsvrouw van de verdachte zijn gedaan. Dat heeft de Rechtbank echter kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid uit een brief van 12 januari 2010 van J.I. Buchner, voorzitter meervoudige raadkamer voor strafzaken, aan mr. S. Koster en/of [betrokkene 3] die zich in het dossier bevindt. In deze brief van de voorzitter wordt in antwoord op een bij brief van 7 januari 2010 door [betrokkene 3] gedaan verzoek om aanhouding, onder meer opgemerkt dat de voorzitter op die datum telefonisch aan een collega van mr. Koster en/of [betrokkene 3] heeft medegedeeld kort na de raadkamerzitting op 24 november 2009 telefonisch contact met mr. Koster te hebben opgenomen en haar bij die gelegenheid te hebben laten weten dat de behandeling van het klaagschrift zou worden voortgezet op 19 januari 2009. Voorts merkt de voorzitter in deze brief op later van de zijde van de administratie te hebben vernomen dat op 24 november 2009 eveneens aan mr. Koster is meegedeeld dat het klaagschrift weer op 19 januari 2010 zou worden behandeld.

7.6. Het middel faalt.

8. Het eerste middel

8.1. Het middel komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat klager rechtsgeldig afstand heeft gedaan van de twee onder hem inbeslaggenomen schilderijen. De Rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de door klager ondertekende afstandsverklaring rechtsgeldig tot stand is gekomen en heeft ten onrechte niet gerespondeerd op het verweer dat die afstandsverklaring in strijd met artikel 6 EVRM en de jurisprudentie van het EHRM inzake onder meer Salduz en Panovits tot stand is gekomen, aldus de steller van het middel.

8.2. De bestreden beschikking houdt - voor zover relevant voor de beoordeling van het middel - in:

"5.3 Vooropgesteld wordt dat op grond van het bepaalde in artikel116 Sv de afstandsverklaring van [klager], indien deze rechtsgeldig zou worden bevonden, alleen maar betrekking kan hebben op de twee schilderijen die bij [klager] zelf in beslag zijn genomen, te weten de schilderijen van Trouillebert en Teniers.

5.4 Voor de beoordeling van de wijze waarop de afstandsverklaring tot stand is gekomen, is een proces-verbaal van bevindingen overbrengen verdachte [klager], nr. 28836811 d.d. 9 maart 2009 (pagina's ZD1 452 en ZD1 453), opgemaakt en ondertekend door de verbalisant [verbalisant 1], van belang.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang, als verklaring van de verbalisant in: Op vrijdag 6 maart 2009 omstreeks 11.00 uur heb ik de verdachte [klager] overgebracht van politiebureau Heerlen naar het cellencomplex Zuid-Oost te Amsterdam. Tijdens het instappen heb ik [klager] medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Ik heb hem vervolgens verteld dat als hij met mij over de zaak zou praten, ik hier een procesverbaal van zou opmaken. Tijdens de rit van Heerlen naar Amsterdam hebben [klager] en ik gesproken over allerlei zaken maar niet over de zaak. Op een gegeven moment hoorde ik dat [klager] diep zuchtte. Ik zal zoveel mogelijk in de letterlijke bewoordingen omschrijven hoe het gesprek verder ging. Als ik de exacte bewoordingen niet meer weet zal ik woorden van gelijke strekking gebruiken.

[Verbalisant 1]: "Ja, ja, [klager] het is me wat."

[Klager]: "lk had ze gewoon in die kist moeten laten liggen, dan was er niets aan de hand geweest."

[Verbalisant 1]: "Oo"

[Klager]: "Ben jij bij me binnen geweest?"

[Verbalisant 1]: "Ja, we hebben in jou huis gezocht."

[Klager]: "Heb je op zolder die houten kist zien staan?"

[Verbalisant 1]: "Ja, ".

[Klager]: "Ja, daar hebben ze al die jaren in gelegen".

[Verbalisant 1]: "Dus die schilderijen hebben al die tijd bij jou op zolder gelegen?"

[Klager]: "Ja, maar goed. Ik wil eerst met mijn advocaat overleggen voor ik een verklaring ga afleggen. Maar ik wil wel een verklaring afleggen."

5.5 Uit het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [klager] d.d. 6 maart 2009 (doorgenummerde pagina's 150 tot en met 152 / ZD 1 454 tot en met ZD1 456) blijkt dat de verdachte bij aanvang van het verhoor heeft verklaard dat hij eerst zijn advocaat wilde spreken en dat hij anders geen verklaring wilde afleggen. Hierop is telefonisch contact opgenomen met de piketadvocaat en is, toen deze niet bereikbaar bleek te zijn, aan een kantoorgenoot meegedeeld dat, indien niet binnen 15 à 20 minuten was teruggebeld, met het verhoor begonnen zou worden.

Blijkens een proces-verbaal van dezelfde datum (doorgenummerde pagina's 153 en 154 / ZD1 457 en ZD1 458) heeft [klager] daarna op vragen van de verbalisanten verklaard dat hij afstand deed van de in het proces-verbaal nader aangeduide schilderijen ten behoeve van de rechtmatige eigenaar en heeft hij deze verklaring ondertekend.

[Klager] is op 6 maart 2009 bij zijn overbrenging van Heerlen naar Amsterdam Zuid-Oost en bij aanvang van de op die datum gevolgde verhoren telkens op zijn zwijgrecht gewezen.

5.6 Uit de beschreven gang van zaken leidt de rechtbank af dat [klager] zich ten volle bewust was van zijn recht op rechtsbijstand. Nu hij met die wetenschap én de wetenschap dat hij geen verklaring behoefde af te leggen, niettemin afstand heeft gedaan van de schilderijen voordat zijn advocaat hem op 6 maart 2009 had bezocht, kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet gezegd worden dat getwijfeld dient te worden aan de vrijwilligheid van de verklaring waarbij [klager] op 6 maart 2009 afstand heeft gedaan van de schilderijen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de afstandsverklaring rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dat [klager] later, bij monde van zijn raadsvrouw, aan die afstandsverklaring is gaan tornen doet hieraan niet af en is voor de rechtbank geen grond om [klager] niet aan die bewuste verklaring te houden.

Het voorgaande brengt met zich dat [klager] ten aanzien van de twee bij hem in beslag genomen schilderijen van Trouillebert en Teniers niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. In zoverre zal hij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag."

8.3. Artikel 6 EVRM is in beginsel niet van toepassing op de beklagprocedure van art. 552a Sv aangezien in deze procedure geen rechten of verplichtingen van burgerrechtelijke aard worden vastgesteld. Van bijzondere omstandigheden waarin dat anders kan zijn, is hier niet gebleken. Anders zou het misschien zijn als in de strafzaak het feit dat klager bij de politie heeft verklaard afstand te doen van de bij hem aangetroffen schilderijen als een soort bekentenis tegen hem zou worden gebruikt. Die situatie doet zich hier niet voor. Het beroep op de beslissingen van het EHRM in Salduz en Panovits gaat dus niet op(3). Het oordeel van de Rechtbank dat klager rechtsgeldig afstand heeft gedaan getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is toereikend gemotiveerd en is niet onbegrijpelijk.

8.4. Het middel faalt.

9. Het derde middel

9.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank op onjuiste, ontoereikend gemotiveerde althans onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat klager niet door verjaring eigenaar is geworden van de schilderijen. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de Rechtbank heeft miskend dat sprake was van een "res nullius".

9.2. De bestreden beschikking houdt hieromtrent in:

"5.12 [Klager] heeft het standpunt ingenomen dat hij, gezien de artikelen 3:105 en 3:106 BW, eigenaar is van de in beslag genomen schilderijen, nu hij deze meer dan 20 jaar onafgebroken in zijn bezit heeft gehad.

5.13 Krachtens de artikelen 73 en 93 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek is op de vraag of [klager] door verjaring eigenaar van de schilderijen is geworden het sinds 1 januari 1992 geldende Burgerlijk Wetboek van toepassing.

het eerste lid van artikel 3:105 BW bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Krachtens artikel 3:306 BW bedraagt de verjaringstermijn twintig jaren.

5.14 Uit de verklaringen zoals deze tot nog toe in de strafzaak zijn afgelegd, kan worden afgeleid dat [klager] gedurende meer dan 20 jaren de houder van de schilderijen is geweest. Het enkele houderschap is echter onvoldoende om van bezit als bedoeld in artikel 3:105 BW te spreken. Er is krachtens artikel 3:107 lid 1 BW pas sprake van bezit indien iemand het goed houdt voor zichzelf en niet voor een ander. Uit bedoelde verklaringen kan worden afgeleid dat [klager] en/of zijn echtgenote de schilderijen is/zijn gaan houden voor [betrokkene 4] om deze in zijn opdracht te verbranden. Krachtens artikel 3:111 BW kan een aangevangen houderschap voor een ander overgaan in bezit hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht. Uit geen van de verklaringen kan worden afgeleid dat hiervan sprake is geweest en, nu [betrokkene 4] in de veronderstelling was dat de schilderijen

daadwerkelijk waren verbrand, is dit ook niet aannemelijk. [Klager] heeft dit ook niet gesteld. Ook overigens kan niet gezegd worden dat [klager] is gaan houden voor zichzelf. Hiertoe dient het bezit voor derden kenbaar te zijn. Wie een zaak verborgen houdt voor degenen die er belang bij hebben te weten wie de zaak in zijn macht heeft, is geen bezitter van die zaak. Van hem kan immers niet gezegd worden dat hij geen beter recht op het goed erkent.

Uit de hiervoor bedoelde verklaringen kan worden afgeleid dat [klager] de schilderijen gedurende meer dan 20 jaren in zijn woning verborgen heeft gehouden, kennelijk omdat hij het betere recht van [betrokkene 4] dan wel de verzekeraars op de schilderijen erkende.

5.15 Uit het voorgaande volgt dat in de onderhavige procedure niet geoordeeld kan worden dat [klager] eigenaar is van de in beslag genomen schilderijen."

9.3. Het argument dat sprake is van een res nullius gaat mijns inziens niet op. Het gaat hier om een argument dat voor het eerst in cassatie wordt aangedragen. In hetgeen in feitelijke aanleg namens klager is aangevoerd, ligt geenszins besloten dat de oorspronkelijke eigenaar (galeriehouder) [betrokkene 4] afstand van de schilderijen heeft gedaan zodat klager daarover wat hem betrof vrijelijk kon beschikken. De galeriehouder behield zolang klager de schilderijen onder zich had jegens klager aanspraak op en belang bij verbranding van de schilderijen. Het oordeel van de Rechtbank dat klager de schilderijen als houder onder zich had, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting, is toereikend gemotiveerd en is niet onbegrijpelijk.

9.4. Het middel faalt.

10. Het tweede middel

10.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank aan de beschikking mede ten grondslag heeft gelegd door de verzekeringsmaatschappij (belanghebbende ALR) overgelegde stukken waar klager en raadsman geen kennis van hebben kunnen nemen, alsmede over het uitblijven van een beslissing op een voorwaardelijk verzoek om inzage in die stukken.

10.2. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 19 januari 2010 houdt in dit verband in:

"De verdediging stelt zich op het standpunt dat [klager] ontvankelijk is in zijn beklag en dat hij een beter recht dan de andere belanghebbenden in deze heeft.

Primair verzoek ik u het klaagschrift gegrond te verklaren en op grond van artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering de teruggave van de schilderijen aan de klager te gelasten. De verdediging merkt op dat zij niet beschikt over de stukken die door de raadsman van ALR in zijn pleitaantekeningen zijn aangehaald, namelijk de volmacht van de gezamenlijke verzekeringsmaatschappijen, de Legal Opinion, de verzekeringsovereenkomst naar Engels recht en de rapporten van Graham Miller. Deze stukken zijn van belang voor de positie van [klager] bij de beoordeling van het klaagschrift.

Kan ALR wel als belanghebbende worden aangemerkt? De raadsman van ALR heeft een aantal rechtspersonen/ verzekeringsmaatschappijen opgenoemd die zij zou vertegenwoordigen. De wet kent echter niet dat een rechtspersoon een ander rechtspersoon vertegenwoordigt. Alleen een advocaat kan een rechtspersoon in deze procedure vertegenwoordigen.

Subsidiair verzoek ik u (voorwaardelijk) de behandeling van het klaagschrift aan te houden, teneinde de adequate verdediging van [klager] voor te bereiden en daarbij te bepalen dat de aan de rechtbank namens ALR overgelegde stukken in de Nederlandse taal worden vertaald alsmede aan de klager worden verstrekt. Indien tot aanhouding van de zaak wordt overgegaan, verzoek ik u tevens de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 1], [klager] en [betrokkene 2] omtrent de door hen reeds afgelegde verklaringen te horen."

10.3. Noch het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer noch de bestreden beschikking houdt een beslissing in op het voorwaardelijk verzoek de door ALR overgelegde stukken aan klager te verstrekken. De op de raadkamerprocedure van toepassing zijnde artikelen 21 tot en met 25 Sv stellen geen nietigheid op een verzuim om te beslissen op een verzoek als het onderhavige. Het verzuim is ook niet begaan onder omstandigheden dat het geacht moet worden zodanig met een goede procesorde in strijd te zijn dat het de nietigheid van het onderzoek door de Rechtbank in raadkamer ten gevolge zou moeten hebben. (4) De in het middel bedoelde stukken zien op de vraag of de verzekeringsmaatschappij als rechthebbende kan worden aangemerkt. In dat kader zijn deze stukken door de Rechtbank in de beoordeling betrokken. De stukken hebben geen rol gespeeld in het oordeel van de Rechtbank dat klager afstand heeft gedaan van de twee onder hem inbeslaggenomen schilderijen en dat klager de andere zes schilderijen niet door verjaring heeft verkregen, op grond waarvan de Rechtbank klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in het beklag voor zover dat betrekking heeft op de schilderijen van Trouillebert en Teniers en het beklag overigens ongegrond heeft verklaard. Het uitblijven van een beslissing op en het niet voldoen aan het verzoek om verstrekking van de desbetreffende stukken kan onder die omstandigheden niet tot nietigheid leiden. De vraag is zelfs of een dergelijke beslissing onder deze omstandigheden wel was vereist.

10.4. Het middel faalt.

11. Alle middelen falen. Indien de Hoge Raad aan de bespreking ervan toekomt, kunnen zij worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt primair tot de niet-ontvankelijk verklaring van klager in het door hem ingestelde cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. HR 7 juli 2009, LJN BI0539, NJ 2009,404

2 Vgl. HR 11 oktober 2005, LJN AT5663, NJ 2007,454

3 Vgl. HR 6 september 2011, LJN BQ8028, NJ 2011,417

4 Vgl. HR 7 juli 2009, LJN BI0539, NJ 2009,404