Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW8681

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
10/04435
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8681
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/902
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04435

Mr. Silvis

Zitting: 17 april 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 27 september 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de in het arrest nader omschreven inbeslaggenomen voorwerpen. Tot slot heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1750,=, met oplegging van een betalingsverplichting voor datzelfde bedrag.

2. Namens verdachte heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat verdachte in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, althans dat de bewezenverklaring van het hof aangaande de bijdrage van verdachte in het geweld ontoereikend is gemotiveerd.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

"hij op 05 maart 2009 te Nieuwegein, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [a-straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, welk geweld bestond uit het met een stoeptegel ingooien van een ruit van een woning."

5. Het hof heeft bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0960/09-066203, gesloten en getekend op 5 maart 2009 te Vianen, als bijlage gevoegd bij het stamproces-verbaal (p. 10 t/m p. 12), voor zover inhoudende de aangifte van [betrokkene 1], - zakelijk weergegeven -:

Ik doe aangifte van vernieling. De vernieling vond als volgt plaats. Samen met mijn vrouw en kinderen woon ik in een tussenwoning op de [a-straat 1] te Nieuwegein. Op donderdag 5 maart 2009, omstreeks 2:40 uur, zat ik in mijn woonkamer televisie te kijken. Ik hoorde een harde klap, gevolgd door glasgerinkel. Ik stond op en keek naar de keuken. Ik zag dat het keukenraam vernield was. Vervolgens ben ik naar buiten gerend. Toen ik buiten stond hoorde ik een autodeur. Toen ik dat hoorde ben ik weer naar binnen gerend, en heb mijn autosleutels gepakt. Vervolgens ben ik weer naar buiten gerend. Ik ben door de voordeur gelopen en linksaf geslagen. Op de hoek ben ik weer linksaf geslagen, dit is de Jan Engelmanhove. Aan het einde van deze straat zag ik aan de linkerkant een Volkswagen Golf staan. Deze stond met de voorzijde in de richting van de Galecopperlaan. Ik zag dat deze auto met gedoofde lichten en met hoge snelheid reed en rechtsaf de Galecopperlaan opsloeg. Dit was een Volkswagen Golf, volgens mij blauw van kleur. Vervolgens heb ik het alarmnummer gebeld. Daarna ben ik weer naar huis gegaan. Ik zag dat er gedeelte van een stoeptegel op de stoel op de eettafel lag. Ik zag dat er eveneens onder het aanrecht een stuk stoeptegel lag.

2. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 2], hoofdagent van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL09060/09-066203, gesloten en getekend op 5 maart 2009 te Vianen, als bijlage gevoegd bij het stamproces-verbaal (p. 5 t/m p. 7), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant, - zakelijk weergegeven -:

Op donderdag 5maart 2009 was ik, verbalisant, belast met algemene surveillance. Ik reed in een onopvallend politievoertuig en was niet herkenbaar als zijnde politieagent. Op donderdag 5 maart 2009, omstreeks 02.45 uur, reed ik over de A.C. Verhoefweg te Nieuwegein, gaande in de richting van de Galecopperlaan. Ik zag vanuit de wijk Galecop Noord een personenauto met hoge snelheid rijden. Ik zag dat deze auto reed over de Galecopperlaan, gaande in de richting van de A.C. Verhoefweg. Hierop ben ik direct achter deze personenauto aan gereden. Ik zag dat de personenauto een donkerblauwe Volkswagen Golf betrof. Ik zag dat de bestuurder van de Golf zijn snelheid op de A.C. Verhoefweg nog meer vermeerderde en zag dat hij door bleef rijden met een snelheid van 140 km/h, waar maximaal 70 km/h is toegestaan.

Het is mij ambtshalve bekend dat er veel wordt ingebroken in Nieuwegein Noord. Derhalve wilde ik er een opvallend politievoertuig bij hebben om dit voertuig en zijn inzittenden te laten controleren. Hierop riep ik de centralist van de politiemeldkamer. Ik hoorde direct van de centralist dat er zojuist op de [a-straat] te Nieuwegein een ruit van een woning was vernield. Hierbij zou de melder hebben gezien dat er een blauwe Volkswagen Golf was weggereden met gedoofde verlichting. Deze zou tevens zijn weggereden in de richting van Kanaleneiland. Ik heb direct de centralist mijn bevindingen medegedeeld. Ik had sterk het vermoeden dat de inzittenden van de Golf betrokken zouden zijn met de vernieling van de ruit, dan wel van een poging inbraak in een woning.

Ik zag dat de bestuurder zijn weg vervolgde met onverminderde snelheid over de Papendorpseweg. Ik zag dat deze bij de verkeerslichten linksaf sloeg en zag dat hij de Parallelweg van de Rijksweg A12 opreed. Hierna zag ik dat de bestuurder vanaf de Rijksweg A12 de Rijksweg A2 opreed, gaande in de richting van Amsterdam. Ik zag dat de bestuurder zijn snelheid vermeerderde en zag dat hij vervolgens een gecorrigeerde snelheid reed van 157 km/h, alwaar ik zag dat er maximaal 100km/h was toegestaan. Ik zag vervolgens dat er voorbij de afrit Maarssen een opvallend politievoertuig de Rijksweg A2 opreed en zag ik dat deze voor de Golf ging rijden. Hierna zag ik dat het opvallende politievoertuig een stopteken gaf middels het transparant aan de achterzijde en ik zag dat de bestuurder van de Golf hieraan voldeed.

AANHOUDING

Op donderdag 5 maart 2009, omstreeks 02.53 uur, hield ik samen met collega [verbalisant 3], de twee inzittenden van de Golf aan op verdenking van poging inbraak, dan wel van vernieling.

PERSONALIA

Aan het bureau van politie bleek de bestuurder te zijn genaamd:

[Verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]

wonende op [b-straat 1] te [woonplaats]

Tevens bleek de bijrijder te zijn genaamd:

[Betrokkene 2]

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats]

wonende op [c-straat 1] te [woonplaats].

ONDERZOEK GOLF

Op het politiebureau te Maarssen bekeek ik de inhoud van de Golf. Onder de stoel van de bijrijder zag ik een afgebroken brok van een grijze stoeptegel liggen. Deze brok werd door mij veilig gesteld.

3. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 4], respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt procesverbaal, genummerd PL0960/09-066203, gesloten en getekend op 5 maart 2009 te Nieuwegein, als bijlage gevoegd bij het stamproces-verbaal (p. 8), voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisanten, -zakelijk weergegeven -:

Op donderdag 5 maart 2009, omstreeks 3:00 uur, waren wij, verbalisanten, ter plaatse in de woning op de [a-straat 1] te Nieuwegein. Wij waren daar in verband met het opnemen van een aangifte van vernieling. Aldaar was het keukenraam ingegooid door middel van twee stukken steengedeelte van een stoeptegel (30 x 30 centimeter). Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat er op de stoel op de keukentafel een gedeelte van die stoeptegel lag. Eveneens zag ik dat er op de grond, onder een keukenkastje een ander stuk van een stoeptegel lag.

Wij, verbalisanten, hebben deze twee stukken stoeptegel veiliggesteld voor verder onderzoek. Hoofdagent van politie, [verbalisant 2], had eveneens een stuk stoeptegel aangetroffen in de auto van de door hem twee aangehouden verdachten. Aan het politiebureau Nieuwegein zagen wij, verbalisanten, dat deze drie aangetroffen stukken steen in elkaar pasten.

4. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 5], hoofdagent van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0960/09-066203, gesloten en getekend op 6 maart 2009 te Nieuwegein, als bijlage gevoegd bij het stamproces-verbaal (p. 9), voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant, - zakelijk weergegeven -:

Naar aanleiding van een vernieling van een woning werden drie stukken steen aangetroffen. Twee van deze stukken werden aangetroffen in de woning, gelegen aan de [a-straat]. Een (1) stuk werd aangetroffen in het voertuig van de verdachte.

Van deze stukken werden drie foto's gemaakt. Deze foto's zijn opgenomen in dit dossier. Op een (1) foto zijn de stukken steen genummerd. Nummer 1 en 2 zijn de stukken steen die in de woning zijn aangetroffen. Nummer 3 is het stuk steen die in het voertuig is aangetroffen."

6. Het bestreden arrest houdt als nadere bewijsoverweging van het hof in, voor zover relevant:

"Uit de bewijsmiddelen volgt dat op donderdag 5 maart 2009 om ongeveer 02.40 uur een stoeptegel door het keukenraam van de woning op het adres [a-straat 1] te Nieuwegein naar binnen is gegooid. Vrijwel direct daarna werd door de bewoner/aangever [betrokkene 1] gezien dat een Volkswagen Golf, mogelijk blauw van kleur, met gedoofde lichten en met hoge snelheid wegreed.

Een in de buurt surveillerende politieagent heeft omstreeks 02.45 uur die nacht een donkerblauwe Volkswagen golf opgemerkt die veel te hard reed. Na informatie bij de centrale werd hem meegedeeld dat de inzittenden mogelijk betrokken waren bij de vernieling van een ruit. Om 02.53 is na een achtervolging de auto door de politie aangehouden en werd bij een onderzoek in de auto een stuk steen aangetroffen dat naadloos paste aan de in de woning van de aangever aangetroffen stenen. Verdachte en de medeverdachte hebben geen (aannemelijke) verklaring voor de aanwezigheid van de steen in de auto gegeven. Hieruit leidt het hof af dat verdachte en de mede-inzittende degenen zijn geweest die zich schuldig hebben gemaakt aan het gooien vanaf de openbare weg van een stoeptegel in de woning van aangever [betrokkene 1]."

7. Voor de interpretatie van het bestanddeel 'in vereniging' uit de delictsomschrijving van art. 141, eerste lid, Sr. geldt het medeplegen in de zin van art. 47 Sr. als richtinggevend. Van belang is in dit verband dat, om tot bewezenverklaring te komen van het bestanddeel 'in vereniging', de verdachte zelf geen gewelddadige handeling hoeft te hebben verricht. Van het 'in vereniging' plegen van openlijk geweld is sprake als de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld.(1)

8. Uit de jurisprudentie ter zake komt het beeld naar voren dat, hoewel de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat een verdachte een geweldplegende groep getalsmatig had versterkt onvoldoende achtte,(2) aan het vereiste van een 'significante of wezenlijke bijdrage' al snel voldaan kan zijn, wanneer de verdachte gedurende de geweldshandelingen steeds deel is blijven uitmaken van de groep. Zo achtte de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 2006 (LJN AV7268) sprake van een significante bijdrage aan een openlijke geweldpleging in een geval waarin de verdachte deel bleef uitmaken van een groep, terwijl een op de grond gelegen slachtoffer door iemand uit de groep voor ieder groepslid zichtbaar werd getrapt en de verdachte zich niet op enig moment van de betreffende groep distantieerde.

9. In de onderhavige zaak kan redelijkerwijs uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte samen met een andere persoon op donderdag 5 maart 2009 in de buurt van de [a-straat] te Nieuwegein is geweest, dat aldaar door ten minste één van de medeverdachten een gedeelte van een stoeptegel door het keukenraam van een woning is gegooid, en dat de verdachte korte tijd na dit incident als bestuurder van een Volkswagen Golf samen met zijn bijrijder door de politie is aangehouden en dat bij doorzoeking van deze auto een stuk steen werd aangetroffen dat afkomstig was van dezelfde stoeptegel als de stukken steen die in de woning van het slachtoffer zijn aangetroffen. Het lijkt er aldus niet op dat indien verdachte zelf al geen steen heeft geworpen, hij zich op enig moment van die, in dat geval door een medeverdachte gepleegde handeling heeft gedistantieerd.

10. Het middel is gebaseerd op de rechtsopvatting dat het hof gehouden is de rol (lees: bijdrage) van verdachte "in het geweld" te concretiseren middels een nadere motivering. Daarin wordt, meen ik, gezien de gekozen bewoordingen, miskend dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. Maar mogelijk is deze lezing van het middel te onwelwillend. Wanneer het middel bedoelt te klagen dat van "in vereniging" plegen van geweld slechts sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert "aan het geweld" is de aan het middel ten grondslag gelegde rechtsopvatting in zoverre niet onjuist. Maar dan stuit het middel in mijn ogen af op de daaraan ten grondslag gelegde opvatting dat het hof gehouden is de bijdrage van een medepleger specifieker vast te stellen dan is geschied. Uit 's Hofs overweging vloeit voort dat het Hof bewezen acht dat de verdachte en zijn mededader zo nauw en volledig hebben samengewerkt, dat ieder aansprakelijk is ook voor de daden die hij niet zelf, maar zijn mededader heeft verricht. In een bewezenverklaring naar aanleiding van een op medeplegen toegespitste tenlastelegging, waarin is gesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen het feit heeft gepleegd, hoeft niet te worden vermeld of en zo ja welke feitelijke handelingen de verdachte zelf dan wel zijn mededader of mededaders hebben verricht.(3) Die specificatie van een onderlinge taakverdeling hoeft ook niet uit de bewijsmiddelen te blijken. Het optreden van verdachte als bestuurder van de vluchtauto waarmee hij zich met een medeverdachte onmiddellijk na het gepleegde feit met hoge snelheid met gedoofde lichten in de duisternis van de plaats delict verwijdert, levert voor verdachte in ieder geval al een sterkere betrokkenheid op dan de passieve aanwezigheid bij een geweldpleging.

11. De waardering van het bewijs is aan de feitenrechter voorbehouden. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat er sprake was van gezamenlijk optreden van de medeverdachten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en geeft ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in vereniging plegen van geweld. Inhoudelijk gezien heeft het Hof de waardering van de bewijsmiddelen mede kunnen baseren op het feit dat noch de verdachte noch zijn medeverdachte geconfronteerd met de belastende omstandigheden geen aannemelijke verklaring hebben gegeven voor de aanwezigheid van het stuk steen in de auto dat in aantoonbaar verband stond met de kort daarvoor door de keukenruit geworpen steen. Het Hof heeft in samenhang met die bewijsmiddelen de niet onbegrijpelijke gevolgtrekking kunnen maken dat verdachte en de mede-inzittende degenen zijn geweest die zich schuldig hebben gemaakt aan het gooien vanaf de openbare weg van een stoeptegel in de woning. Daaraan doet niet af dat een andere, op grond van de voorhanden gegevens niet waarschijnlijke, toedracht denkbaar is.

12. Het eerste middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat het Hof in zijn bewijsoverweging ten onrechte, althans in strijd met artikel 6 EVRM en/of 14 lid onder g IVBPR, heeft laten meewegen dat rekwirant geen (aannemelijke) verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van de steen in de auto.

14. Het toekennen van redengevende kracht aan het zwijgen of aan het niet beantwoorden van een vraag, of aan het niet kunnen geven van een redelijke verklaring, is volgens het Europees Hof voor de rechten van de mens in zijn Murray-uitspraak (EHRM 8 februari 1996 Appl. no. 18731/91) niet ongeoorloofd. Het verbinden van redelijke gevolgtrekkingen aan zwijgzaamheid bij de confrontatie van belastend materiaal hoeft geen afbreuk te doen aan het beginsel van onschuld (rov 54, Murray) noch aan het recht van verdachte niet te antwoorden op vragen. Op deze wijze wordt aan de rechter ruimte gegeven voor 'common sense inferences' in de bewijsvoering. In de toelichting op het middel wordt de stelling betrokken dat het uitblijven van een aannemelijke verklaring van verdachte voor het aantreffen van de steen in de auto door het Hof niet slechts wordt gebruikt ter ondersteuning van de bewijsconstructie maar als een zelfstandig bewijsmiddel. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat het Hof het uitblijven van een aannemelijke verklaring alleen in een bewijsoverweging heeft opgenomen en niet in de bewijsmiddelen. Materieel is wel van belang dat een veroordeling niet uitsluitend of voornamelijk mag worden gebaseerd op de zwijgzaamheid van een verdachte, zoals het EHRM recentelijk nog heeft bevestigd:

"138. The Court further notes in this regard that, in the context of the drawing of adverse inferences from a defendant's silence, the Court has applied the rule that it would be incompatible with the right to silence to base a conviction solely or mainly on the accused's silence or on a refusal to answer questions or to give evidence himself (see John Murray v. the United Kingdom, 8 February 1996, § 47, Reports of Judgments and Decisions 1996-I; Condron v. the United Kingdom, no. 35718/97, § 56, ECHR 2000-V)."(4)

De wijze waarop het Hof het uitblijven van een aannemelijke verklaring van verdachte voor de aanwezigheid van het stuk steen in zijn auto in de bewijsvoering heeft betrokken, is in mijn ogen binnen de grens van de door het EHRM geformuleerde norm. Het middel faalt.

15. De middelen falen.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Ten Voorde in T&C Sr, 8e druk, aant. 10b bij art. 141 Sr. Vgl. voorts HR 11 november 2003, LJN AL6209, HR 9 december 2003/ NJ 2004, 144, HR 13 september 2005, NJ 2006/ 449 en HR 20 juni 2006, LJN AV7268.

2 Zie HR 7 juli 2009, NJ 2009/400.

3 HR 06 juli 2004, LJN AO9905, NJ 2004/ 443 (rov. 3.4).

4 EHRM (GC)15 december 2011, Al-Khawaja and Tahery vs. UK, Appl. nos. 26766/05 en 22228/06.