Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW8671

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
11/01562 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8671
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WOTS-zaak. Afwijzing aanhoudingsverzoek. De Rb heeft bij de afwijzing van het verzoek a.b.i. 328 jo. 331 jo. 315 Sv (o.g.v. art. 28.4 WOTS van overeenkomstige toepassing) een onjuiste maatstaf aangelegd. Het middel behoeft nochtans niet tot cassatie te leiden, nu inwilliging van het verzoek een reclasseringsrapportage op te laten maken om de mogelijkheid van elektronische detentie te onderzoeken niet tot het daarmee beoogde doel had kunnen leiden, nu t.t.v. de behandeling van de zaak door de Rb de mogelijkheid van elektronische detentie vervallen was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/907
NJB 2012/1622
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01562 W

Mr. Vegter

Zitting: 17 april 2012

Conclusie inzake:

[Veroordeelde]

1. De Rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 maart 2011 toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Landgericht te Trier (Duitsland) van 8 februari 2010, waarbij veroordeelde was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en drie maanden. De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van genoemde beslissing en verdachte wegens "Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" en "feitelijke aanranding" een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 10 (tien) maanden, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd dat veroordeelde in Nederland in overleveringsdetentie en in Duitsland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

2. Namens veroordeelde heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof het namens veroordeelde gedane verzoek om aanhouding voor het opmaken van een reclasseringsrapportage ten onrechte, zonder toepassing van een maatstaf c.q. met toepassing van een verkeerde maatstaf, heeft afgewezen, althans dat het Hof het verzoek heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen, althans dat de beslissing van het Hof onbegrijpelijk is.

4. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van veroordeelde het woord gevoerd en daarbij onder meer een (voorwaardelijk) verzoek gedaan:

"Indien u een onvoorwaardelijke straf overweegt, dan verzoek ik u subsidiair aanhouding om rapportage door de reclassering op te laten maken."

De aan het proces-verbaal terechtzitting gehechte pleitnota van de raadsvrouw houdt onder meer in:

"Gelet op de gevolgen van een detentie voor cliënt en zijn zoon verzoek ik u geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Ik stel voor dat u cliënt een werkstraf oplegt, waarbij u het aantal uren bepaalt, alsmede en voor zover aangewezen een voorwaardelijke straf. Subsidiair: mocht u een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overwegen, dan verzoek ik u de zaak aan te houden voor reclasseringsrapportage waarbij de mogelijkheden voor elektronische detentie worden onderzocht."

5. De Rechtbank heeft omtrent dit verzoek het volgende overwogen:

"De rechtbank wijst het verzoek van de raadsvrouw om aanhouding af. Zij ziet geen aanleiding de reclassering vooraf om rapportage te vragen. Tijdens zijn detentie zal de reclassering betrokken kunnen worden bij de fasering van de straf en kunnen de mogelijkheden van veroordeelde om weer terug te keren in de samenleving, worden beoordeeld."

6. De toelichting bij het middel houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"In artikel 28 lid 4 WOTS zijn onder meer de artikelen 315, 328 en 330 Sv van toepassing verklaard op het onderzoek ter zitting. Het namens rekwirant gedane verzoek om aanhouding is een verzoek dat op de in artikel 328 Sv aan de verdediging toegekende bevoegdheid is gestoeld en waarop de rechtbank ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid een beslissing moet geven. De maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is ingevolge artikel 315 Sv of de noodzaak van hetgeen is verzocht is gebleken. De rechtbank heeft deze maatstaf ten onrechte niet toegepast. Het heeft slechts overwogen dat het verzoek wordt afgewezen omdat het 'geen aanleiding (ziet) de reclassering vooraf om rapportage te verzoeken'. Waarom zij geen aanleiding ziet om die rapportage vooraf te verzoeken wordt niet nader gemotiveerd."

7. De opvatting van de steller van het middel dat - met het oog op de schakelbepaling van art. 28, vierde lid, WOTS - de maatstaf waarnaar verzoeken op grond van art. 315, eerste lid, Sv jo. art. 328 Sv jo. art. 331 Sv moeten worden beoordeeld het noodzaakcriterium is, is juist.(1) Het bij de beoordeling van zo'n verzoek niet toepassen van deze maatstaf heeft ingevolge art. 330 Sv nietigheid tot gevolg.(2)

8. De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen wegens het ontbreken van een 'aanleiding' om het in te willigen. Het gaat mij te ver te concluderen dat in het ontbreken van een aanleiding besloten ligt dat de Rechtbank geen noodzaak aanwezig achtte. Aanleiding en noodzaak zijn niet op één lijn te stellen. Er kan een aanleiding zijn tot rapportage, terwijl de noodzaak ontbreekt en andersom kan er noodzaak zijn zonder concrete aanleiding. De Rechtbank heeft daarmee dus een onjuist criterium gebezigd. Daar komt nog bij dat ook de toevoeging van de Rechtbank inzake de mogelijkheden tijdens de detentie de strekking van het verzoek en het daarop toe te passen criterium miskennen. Ook als gemeend zou worden dat aanleiding en noodzaak hier op één lijn zijn te stellen, is de wijze waarop de Rechtbank aan het criterium invulling heeft gegeven onbegrijpelijk. Immers het verzoek strekt er nu juist toe detentie te voorkomen.

9. De vraag is of aan het voorgaande afdoet dat ten tijde van het verzoek de circulaire inzake de mogelijkheid van Elektronische Detentie inmiddels per 1 juli 2010 was ingetrokken.(3) De Rechtbank had het verzoek eenvoudigweg kunnen afwijzen door te overwegen dat de noodzaak voor rapportage door de reclassering ontbreekt nu de praktijk van de Elektronische Detentie heeft opgehouden te bestaan. Het gaat (in cassatie) te ver deze hersteloperatie uit te voeren. Het middel is aldus terecht voorgesteld.

10. Het middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar de Rechtbank te Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 19 juni 2007, LJN BA5856, RvdW 2007/673 en HR 24 mei 2005, LJN AT2971, JOL 2005/33.

2 Vgl. HR 3 april 2007, LJN AZ8395, NJ 2007/212.

3 Stcrt. 28 juni 2010, nr. 10014.