Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW8308

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
11/02416
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Onteigening; vaststelling omvang inkomensschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1115
JWB 2012/411
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 11/02416

mr. Wuisman

Roldatum: 8 juni 2012

CONCLUSIE inzake:

[Eiser],

eiser tot cassatie in het principale beroep,

verweerder in cassatie in het (gedeeltelijk voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.P. van den Berg;

tegen

Gemeente Utrecht,

verweerster in cassatie in het principaal cassatieberoep,

eiseres tot cassatie in het (gedeeltelijk voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk.

In de voorliggende onteigeningszaak is de onteigening zelf niet langer in discussie. De strijd gaat in het principaal en het incidenteel cassatieberoep nog alleen om de vraag of de schadeloosstelling voor wat betreft de inkomensschade correct is vastgesteld.

1. Voorgeschiedenis

1.1 Bij vonnis d.d. 4 april 2007 spreekt de Rechtbank Utrecht op vordering van de Gemeente bij vervroeging de onteigening uit van een gedeelte van het in eigendom aan [eiser] toebehorende perceel - groot 00.31.74 ha - gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Het onteigende - groot 00.15.66 ha - bestaat uit een nagenoeg rechthoekig gedeelte van een erf gelegen achter de bedrijfsopstal (een loods) en het woonhuis van [eiser]. [Eiser] gebruikte het onteigende voor de exploitatie van zijn loonbedrijf.((1))

1.2 In genoemd vonnis wordt verder een voorschot op de schadeloosstelling bepaald, een rechter-commissaris en drie deskundigen ter begroting van de schadeloosstelling benoemd en een opneming van het onteigende perceelsgedeelte op 16 mei 2007 gelast. Het vonnis wordt op 13 juli 2007 in de openbare registers ingeschreven. Deze laatste datum geldt als peildatum voor de vast te stellen schadeloosstelling.

1.3 Op 20 april 2008 brengen de deskundigen een concept-advies uit, waarin zij drie scenario's uitwerken en voor ieder van die scenario's een schadeloosstelling taxeren. Het betreft de volgende scenario's: (i) herinrichting van het overblijvende, (ii) verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten naar een vervangende locatie op een te verwerven perceel, dat gelegen is in de nabije omgeving van het onteigende en dat een gebruiksbestemming heeft die overeenkomt met de beperkte bedrijfsbestemming van het aan [eiser] toebehorend perceel; (iii) verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten naar een te verwerven perceel met een ruimere bedrijfsbestemming, bijvoorbeeld gelegen in het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn. Bij de berekening van de bedrijfsschade wordt vanuit het perspectief van bedrijfsvoering zowel aanpassing door herinrichting van het bestaande terrein als verplaatsing van het bedrijf redelijk geacht. Opgemerkt wordt dat bij verplaatsing van het bedrijf zich in ieder geval dit probleem voordoet dat door de ontwikkeling van Leidsche Rijn bedrijfspercelen met een eenvoudige bedrijfsbestemming zoals het huidige perceel van [eiser] moeilijk te verkrijgen zijn, zodat bij vervanging met een hogere grondprijs gerekend zal moeten worden.((2)) De deskundigen gaan ervan uit dat binnen een jaar in de nabijheid een geschikt vervangend terrein zal zijn gevonden en houden daarvoor een koopprijs van € 100,- per m2 aan.((3)) Zij kunnen echter een perceel als bedoeld niet aanwijzen en merken op dat er derhalve enige onzekerheid rest of een dergelijk perceel verkregen zou kunnen worden. Wel is zeker dat [eiser] ten tijde van de onteigening een perceel zou kunnen kopen of huren met een ruimere bedrijfsbestemming, bijvoorbeeld in het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn, waar de koopprijzen begin 2008 op ca. € 200,- per m² liggen.((4)) De deskundigen taxeren de inkomensschade zowel op basis van verwerving van een perceel in de nabije omgeving als op basis van de verwerving van een perceel in het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn.((5)) Verder wordt in de inleiding, sub G, nog vermeld dat de Gemeente bij brief van 2 juli 2007 aan [eiser] een aanbod gedaan heeft tot (i) voortgezet gebruik van het onteigende gedeelte en (ii) het om niet in bruikleen geven van een buitenterrein gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats].

Geconcludeerd wordt dat verplaatsing van het bedrijf naar een vervangende locatie de meest redelijke keuze is en dat die kosten van verplaatsing aanvaardbaar zijn die begroot zijn voor de verwerving van een perceel dat, voor wat de gebruiksbestemming betreft, vergelijkbaar is met het perceel dat gedeeltelijk is onteigend. De deskundigen achten het onaannemelijk dat een redelijk handelend ondernemer met een bedrijf zoals dat van [eiser], indien hij om andere redenen dan onteigening het onteigende zou moeten verlaten, voor verplaatsing de kosten zou maken zoals in de rapportage begroot voor de verwerving van een perceel in het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn met een ruimere gebruiksbestemming. De deskundigen adviseren de rechtbank daarom, indien zij van oordeel is dat verplaatsing naar een ander perceel buiten het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn niet als uitgangspunt voor de schadeberekening mag worden genomen, de bijkomende schade te vergoeden op basis van reconstructie ter plaatse van het aan [eiser] nog toebehorende perceelgedeelte.((6)) De deskundigen stellen voor aan [eiser] een schadeloosstelling van € 270.000,- toe te kennen.

1.4 Na reacties op dat concept te hebben ontvangen van de zijde van de Gemeente en [eiser], hebben de deskundigen op 18 februari 2010 een definitief rapport uitgegeven. Zij gaan voor het taxeren van de schadeloosstelling wederom uit van de hiervoor sub 1.3 genoemde drie scenario's en houden daarbij nagenoeg dezelfde uitgangspunten aan als in hun conceptrapportage. Bij de begroting van de bijkomende schade met betrekking tot de herinrichting van het perceelsgedeelte dat aan [eiser] blijft toebehoren, merken de deskundigen het aanbod van de Gemeente om aan [eiser] hem een tijdelijk voortgezet gebruik te gunnen van het onteigende perceelsgedeelte alsmede het aanbod tot gebruik om niet van een perceel aan de [b-straat] aan als een aanbod waardoor de stagnatieschade van [eiser] in belangrijke mate wordt beperkt.((7)) De deskundigen trekken de conclusie dat [eiser] het voortgezet gebruik om niet daadwerkelijk heeft genoten en dat hij het bijkomend aanbod feitelijk heeft aanvaard.((8)) Ook in de definitieve rapportage zijn de deskundigen de mening toegedaan dat verplaatsing van het bedrijf naar een andere locatie de meest redelijke keuze is. Zij achten het nog steeds aannemelijk dat [eiser] binnen een jaar na de onteigening in de nabije omgeving een perceel zal kunnen verwerven, waarvan de gebruiksbestemming overeenkomt met die van het gedeeltelijk onteigende perceel. Zij kunnen echter nog immer niet een perceel als bedoeld aanwijzen, zodat er enige onzekerheid bestaat of een dergelijk perceel zal kunnen worden verkregen. Wel is zeker dat [eiser] ten tijde van de onteigening een perceel zou kunnen kopen of huren met een ruimere bedrijfsbestemming in het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn, maar ook nu achten de deskundigen het onaannemelijk dat een redelijk handelend ondernemer met een bedrijf als dat van [eiser] de veel hogere kosten, die aan een verplaatsing naar die locatie zijn verbonden, zou maken.((9)) De eindconclusie van de rapportage is gelijkluidend aan die in het concept deskundigenrapport d.d. 20 april 2008, met dien verstande dat de deskundigen bij heroverweging adviseren dat aan [eiser] een schadeloosstelling van € 274.000,- behoort te worden toegelegd.((10))

1.5 Op 16 maart 2011 spreekt de rechtbank het eindvonnis uit. Bij de berekening van de inkomensschade gaat de rechtbank uit van verplaatsing van het bedrijf van [eiser] en aankoop van een vervangend perceel voor € 100,- per m² (rov. 2.16 en 2.19). De rechtbank volgt niet het standpunt van [eiser] dat uitgegaan moet worden van een vervangend perceel in het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn, omdat het kopen van een vervangend perceel elders niet mogelijk is gebleken. Die mogelijkheid kan zich in de toekomst nog voordoen; het tegendeel is door [eiser] niet onderbouwd aangetoond. (rov. 2.17). Bovendien hoort het uitvoeren van een reconstructie op het eigen terrein nog tot de mogelijkheden. Tot die mogelijkheden hoort vanwege de kosten niet een verplaatsing van het bedrijf naar het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn (rov. 2.18). In afwijking van het advies van deskundigen gaat de rechtbank uit van aankoop van een vervangend perceel met een oppervlakte van 2.245 m², omdat de deskundigen naar het oordeel van de rechtbank een oppervlakte van 245 m² van het overblijvende gelegen achter de woning van [eiser] ten onrechte in mindering hebben gebracht op de aan te kopen perceelsoppervlakte (rov. 2.19). De rechtbank stelt de door de Gemeente verschuldigde schadeloosstelling vast op een bedrag van € 304.514,20, welk bedrag betrekking heeft op (i) waarde onteigende, (ii) vergoeding waardevermindering overblijvende, (iii) inkomensschade en (iv) overige schade. Van genoemd bedrag dient de Gemeente aan [eiser] nog een bedrag van € 44.296,30 te voldoen, te vermeerderen met een rentevergoeding over dit bedrag van 3,5% per jaar vanaf 13 juli 2007 tot 16 maart 2011 en vervolgens met de wettelijke rente. Verder veroordeelt de rechtbank de Gemeente in de proceskosten aan de zijde van [eiser] en in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen.

1.6 Na eerst op 30 maart 2011 ter griffie een verklaring tot instellen van cassatieberoep tegen het op 16 maart 2011 uitgesproken vonnis van de rechtbank te hebben doen deponeren heeft [eiser] vervolgens bij deurwaardersexploot van 11 mei 2011 aan de Gemeente aangezegd in cassatie te komen van genoemd vonnis onder gelijktijdige betekening van de op 30 maart 2011 afgelegde verklaring. Hiermee zijn de voorschriften uit artikel 52, leden 2 en 3, en artikel 53, lid 1, Ow in acht genomen.

1.7 De Gemeente heeft voor antwoord tot verwerping van het cassatieberoep van [eiser] geconcludeerd en zelf - gedeeltelijk voorwaardelijk - incidenteel cassatieberoep ingesteld. [Eiser] heeft voor antwoord tot verwerping van dat beroep geconcludeerd.

1.8 Partijen hebben hun standpunt in cassatie schriftelijk door hun advocaten doen toelichten, aan de zijde van de Gemeente mede door mr. J.F. de Groot. Er is tenslotte nog gere- en -dupliceerd.

2. Het principaal cassatieberoep

2.1 [Eiser] beoogt, mede gelet op de toelichting erop((11)), met het aangevoerde principale cassatiemiddel rov. 2.17 van het vonnis van 16 maart 2011 te bestrijden, in welke rechtsoverweging de rechtbank onder meer oordeelt:

"Van belang is de vraag wat een redelijk handelend ondernemer zou hebben gedaan indien geen sprake was geweest van onteigening. De eigen voorkeur van de onteigende is daarbij niet beslissend. Deskundigen hebben gemotiveerd aangegeven dat in de situatie van [eiser], gezien de beperkingen die zich bij reconstructie zullen voordoen, verplaatsing van het bedrijf de meest redelijke keuze is. Beide partijen kunnen zich daar in beginsel ook in vinden. De deskundigen hebben voorts toegelicht dat een redelijk handelend ondernemer, met het bedrijf zoals dat van [eiser], niet de kosten zou maken die een verplaatsing naar - het dure - bedrijfsterrein Oudenrijn met zich brengen. [Eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen dit advies. Hij heeft gesteld dat wel moet worden uitgegaan van verplaatsing naar Oudenrijn omdat het niet mogelijk is gebleken elders een perceel aan te kopen. Volgens [eiser] moet hij die kosten daarom wel maken. De rechtbank onderschrijft deze stelling niet. Juist is dat er een reële mogelijkheid moet bestaan om elders hetzelfde bedrijf te realiseren, doch een concreet alternatief hoeft nog niet bekend te zijn. Dat tot op heden nog geen alternatief door [eiser] is gevonden, betekent niet dat dit in de toekomst niet mogelijk is. De stelling dat het niet mogelijk is in de toekomst een vervangend perceel aan te kopen, is door [eiser] niet met stukken, zoals bijvoorbeeld een verklaring van een makelaar uit de regio, onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het advies van de deskundigen niet over te nemen."

De klachten die tegen deze overweging worden aangevoerd, komen hierop neer dat de rechtbank ten onrechte, althans zonder nadere motivering niet voldoende begrijpelijk aanneemt dat er voor [eiser] in de toekomst de mogelijkheid moet bestaan om buiten het Bedrijfsterrein Oudenrijn voor een prijs van € 100,- per m2 een vervangend perceel aan te kopen, terwijl [eiser] met name bij gelegenheid van de op 20 september 2010 gehouden pleidooien gemotiveerd heeft aangevoerd dat die aankoop niet tot de mogelijkheden hoort, hetgeen door de gemeente en de deskundigen toen ook niet is betwist. Een en ander brengt mee dat het oordeel van de rechtbank, dat bij de berekening van de schadeloosstelling voor [eiser] van de aankoop van een vervangend perceel (niet liggend in het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn) voor een prijs van € 100,- per m2 dient te worden uitgegaan, van een onvoldoende motivering is voorzien. Het bestreden oordeel van de rechtbank strekt, zo blijkt uit bovenstaand citaat, tot verwerping van de stelling van [eiser] dat wel moet worden uitgegaan van verplaatsing naar het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn, omdat het niet mogelijk gebleken is elders een perceel aan te kopen. Gezien dit laatste, kan worden aangenomen dat achter de aangevoerde klachten het oogmerk steekt dat alsnog een schadeloosstelling wordt toegekend op de voet van verplaatsing van het bedrijf van [eiser] naar het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn.

2.2 Bij gelegenheid van de op 20 september 2010 gehouden pleidooien heeft [eiser] inderdaad een en ander aangevoerd ten betoge dat het hem sedert het bij vervroeging uitspreken van de onteigening op 4 april 2007 niet gelukt is om buiten het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn een betaalbaar passend perceel te verwerven waarnaar hij zijn bedrijf zou kunnen verplaatsen en dat derhalve van de onmogelijkheid van het verwerven van een dergelijk perceel moet worden uitgegaan. In dit laatste heeft de rechtbank hem in zoverre niet willen volgen dat de rechtbank niet aangetoond acht dat het alsnog kunnen verwerven van een dergelijk perceel in de toekomst niet mogelijk is. Dit oordeel van feitelijke aard is op zichzelf niet onbegrijpelijk. De aangevoerde stellingen inzake de verrichte inspanningen zijn niet erg uitgewerkt. Er wordt wel opgemerkt dat [eiser] "in de afgelopen jaren op allerlei manieren getracht (heeft) een vervangende locatie aan te kopen", maar er wordt vervolgens volstaan met het noemen van twee locaties. De tijdstippen van de pogingen tot verkrijging van een perceel en de grootte en prijs per m2 van de betrokken percelen worden niet genoemd.((12)) Terecht wijst de rechtbank erop dat voor de gestelde onmogelijkheid, ook voor wat de toekomst betreft, geen onderbouwing is gegeven met stukken zoals bijvoorbeeld een verklaring van een makelaar.

2.3 Intussen kan men zich afvragen of wel aanvaardbaar is een schadeloosstelling, waarbij wordt uitgegaan enerzijds van verplaatsing van een lopend en voort te zetten bedrijf naar een ander tegen een bepaalde koopprijs te verwerven perceel en anderzijds van de heel algemeen luidende verwachting dat het vinden van dat perceel 'in de toekomst niet onmogelijk is'. Dan wordt een schadeloosstelling op een wel erg speculatieve basis vastgesteld en komt het risico van het niet kunnen vinden van een ander perceel voor de prijs, waarvan in de schadeloosstelling wordt uitgegaan, en het moeten doen van hogere uitgaven voor het verwerven van een ander perceel in hoge mate te liggen bij degene die tegen zijn wil eigendom verliest. Dan is er, zo schijnt het toe, geen sprake van een passende schadeloosstelling. Om dat te vermijden dient het toekennen van een schadeloosstelling in een geval als zojuist vermeld slechts te geschieden wanneer er een vrij concreet en reëel uitzicht op het kunnen verkrijgen van het benodigde perceel tegen de aangehouden prijs bestaat. Wanneer dat vrij concrete en reële uitzicht er niet is, dan dient geconcludeerd te worden dat het verkrijgen van het benodigde perceel tegen de prijs die men wil aanhouden, niet tot de mogelijkheden behoort en dat het toekennen van een schadeloosstelling uitgaande van die prijs niet in aanmerking komt.

2.4 Het principaal cassatiemiddel stoelt wellicht op de hiervoor in 2.3. verwoorde gedachtengang. Maar ook indien dat inderdaad het geval zou zijn, dan treft het middel toch geen doel. Zoals hiervoor aan het slot van 2.1 opgemerkt, steekt achter het principaal cassatiemiddel het oogmerk dat alsnog een schadeloosstelling wordt toegekend op de voet van verplaatsing van het bedrijf van [eiser] naar het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn. Voor het toekennen van een schadeloosstelling op die voet is echter geen ruimte. In rov. 2.18 voegt de rechtbank aan rov. 2.17 nog toe:

"...... dat bedrijfsverplaatsing, als zijnde de meest redelijke keuze, slechts als uitgangspunt dient voor de schadeberekening. Het staat [eiser] vrij de op deze basis bepaalde schadeloosstelling naar eigen goeddunken te besteden. Ook reconstructie van het bedrijf op het eigen terrein hoort tot de mogelijkheden, waarbij de rechtbank opmerkt dat de gemeente ter zitting heeft verklaard dat bestaande milieuwetgeving niet in de weg staat aan reconstructie van de loods op het terrein van [eiser]. De rechtbank merkt hierbij voorts op - in de lijn van hetgeen hiervoor in 2.17 is overwogen - dat een redelijk handelend ondernemer voor reconstructie ter plaatse zal kiezen indien niet een betaalbaar perceel zal worden gevonden, en in elk geval niet naar het dure bedrijfsterrein zal gaan."

Hier geeft de rechtbank als zijn oordeel dat, voor het geval dat het vinden van een perceel tegen een prijs als waarvan wordt uitgegaan in de toegekende schadeloosstelling niet tot de mogelijkheden behoort, dan het alternatief is reconstructie op het eigen overgebleven terrein van [eiser] en niet het overplaatsen van het bedrijf naar het dure plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn. Weliswaar overweegt de rechtbank een en ander 'ten overvloede', maar daarmee is nog niet gegeven dat rov. 2.18 niet mede de beslissing in rov. 2.17 draagt dat de rechtbank niet de stelling van [eiser] onderschrijft dat, nu het verwerven buiten het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn van een perceel niet tot de mogelijkheden behoort, de kosten moeten worden gemaakt verbonden aan de aankoop van een perceel op het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn en dus een schadeloosstelling op die basis dient te worden vastgesteld.((13)) Die stelling onderschrijft de rechtbank in de eerste plaats niet, omdat zij het vinden van een perceel tegen een prijs van € 100,- per m2 in de toekomst niet onmogelijk acht. Maar ook indien dit laatste anders zou zijn, dan, zo is rov. 2.18 te verstaan, kan niet worden uitgegaan van een verplaatsen van het bedrijf door [eiser] naar het plangebied Bedrijfsterrein Oudenrijn. Een redelijk handelend ondernemer zou die stap immers niet doen. Tegen dit oordeel is in cassatie niet opgekomen, zodat het te dezen tot uitgangspunt strekt.

2.5 Het vorenstaande brengt mee dat het principaal cassatiemiddel in ieder geval geen doel treft bij gebrek aan belang.

3 Het incidenteel cassatieberoep

3.1 In het incidenteel beroep is een uit twee onderdelen bestaand cassatiemiddel voorgedragen. Aan het tweede onderdeel is de voorwaarde verbonden dat het principaal cassatiemiddel geheel of gedeeltelijk doel treft.

Onderdeel 1

3.2 Onderdeel 1 van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep keert zich tegen de beslissing van de rechtbank in rov. 2.19 van het eindvonnis d.d. 16 maart 2011, kort gezegd, om de oppervlakte van 2000 m2, die de deskundigen voor het door [eiser] nieuw te verwerven perceel aanhouden, te verhogen met 245 m2. Gesteld wordt dat de beslissing onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, een verboden aanvulling van de feiten oplevert of buiten de grenzen van de rechtsstrijd ligt. Ter onderbouwing van een en ander wordt met name aangevoerd dat [eiser] niet heeft gesteld dat hij de 245 m2 benutte voor opslag, hij ook niet is opgekomen tegen het buiten aanmerking laten van de 245 m2 door de deskundigen in hun ontwerpadvies en, anders dan de rechtbank overweegt, dit gedeelte van het terrein niet op foto nr. 7 bij het ontwerpadvies is te zien.

3.3 De klachten van onderdeel 1 vinden hun weerlegging in het navolgende. [Eiser] heeft bij gelegenheid van de descente gesteld dat hij zijn loods en bedrijfsterrein voor de opslag van werkmaterieel en andere benodigdheden voor het verrichten van werkzaamheden op het gebied van groenvoorzieningen gebruikt en dat het bedrijfsterrein ook dient voor de opslag van afval, hetgeen varieert van onder meer boomstammen en bestrating tot pvc-leidingen.((14)) De deskundigen hebben in het concept-advies d.d. 20 juni 2008 sub 25 onder verwijzing naar bijlage 1 overwogen dat "het deel van perceel [A001], direct achter het woonhuis en naast het buurpand (huisnummer [1]), met een oppervlakte van 245 m² feitelijk niet betrokken is en moeilijk te betrekken is bij de bedrijfsactiviteiten. (.....) Voor vervanging kan worden volstaan met een terrein van circa 2.000 m²."((15)) In de reactie op het concept-advies van deskundigen merkt [eiser] hieromtrent op: "Onder 25 lijkt het uitgangspunt te zijn dat het bedrijf in een verkleinde vorm wordt teruggezet. Het is naar de mening van [eiser] in strijd met de Onteigeningswet om op deze manier het bedrijf van [eiser] te verkleinen, in plaats van op dezelfde grootte te kunnen voortzetten. De ruimte voor de schuur - (de 245 m2) - werd zeker ook ten behoeve van het bedrijf gebruikt, al was het alleen maar voor stalling, onderhoud en andere activiteiten. [eiser] kan er dus niet mee akkoord gaan dat deskundigen deze ruimte aftrekken van de bruikbare oppervlakte."((16)) In de definitieve rapportage hebben de deskundigen de hiervoor geciteerde passage niet aangepast.((17)) Bij gelegenheid van het pleidooi op 20 september 2010 heeft [eiser] doen opmerken: "(...) De oppervlakte voor de schuur wordt vervolgens ook door deskundigen afgetrokken, waarna een bruikbare oppervlakte van 2.813 m² overblijft, die dan vervolgens weer om onduidelijke redenen wordt verkleind naar 2.000 m². Een verkleining van de oppervlakte naar 2.800 m² is aannemelijk, hoewel de oppervlakte voor de schuur absoluut en intensief gebruikt wordt voor de bedrijfsvoering, al is het maar vanwege de stalling van de kleine machines (...)."((18)) Bijlage 4 bij het concept-advies betreft foto-opnamen die deskundigen van het bedrijfsperceel hebben gemaakt. Op foto 7 is te zien dat het betreffende perceelgedeelte als opslag voor materialen en voertuigen wordt gebruikt. De foto-opnamen zijn ook als bijlage 4 aan de definitieve rapportage gehecht.

Onderdeel 2

3.4 In onderdeel 2 wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in de rov. 2.26 en 2.27 van het eindvonnis, dat de onteigeningswet geen grondslag biedt om het voortgezette gebruik door [eiser] van de door de Gemeente aangeboden locatie aan de [b-straat] en van de doorgang achter de schuur als schadevergoeding in natura bij de bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling in aanmerking te nemen. Zoals al opgemerkt, is aan onderdeel 2 de voorwaarde verbonden dat het principaal cassatiemiddel geheel of gedeeltelijk gegrond wordt bevonden. Hierboven is uiteengezet dat en waarom dat niet het geval is. Dat brengt mee dat het onderdeel 2 onbesproken kan blijven.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep en ook van het incidenteel cassatieberoep, voor zover het voor behandeling in aanmerking komt.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Eindvonnis d.d. 16 maart 2011, rov. 2.3.

2. Concept-advies d.d. 20 april 2008, blz. 15 en 16, sub 27.

3. Concept-advies d.d. 20 april 2008, blz. 19-20, sub 31 en 32.

4. Concept-advies d.d. 20 april 2008, blz. 21, sub 35.

5. Concept-advies d.d. 20 april 2008, blz. 20-21, sub 32 t/m 34 resp. blz. 21-22, sub 35 t/m 37.

6. Concept-deskundigenrapport d.d. 20 april 2008, blz. 22 en 23 sub 38.

7. Deskundigenrapport d.d. 18 februari 2010, blz. 20 en 21, sub 29 (herinrichting overblijvende).

8. Deskundigenrapport d.d. 18 februari 2010, blz. 22, bovenaan.

9. Deskundigenrapport d.d. 18 februari 2010, blz. 22, sub 31, resp. blz. 25, sub 35.

10. Deskundigenrapport d.d. 18 februari 2010, sub 38 en onder 'Samenvatting'.

11. Zie de schriftelijke toelichting aan de zijde van [eiser], sub 2.1.

12. Zie Pleitnota van mr. Deveer/Doelman

13. In rov. 3.5 van zijn arrest d.d. 29 april 2011, LJN BQ0713, NJ 2011, 190 overweegt de Hoge Raad naar aanleiding van het buiten aanmerking laten door het hof van een 'overweging ten overvloede' van de rechtbank: "Mocht het hof in dit verband zich hebben laten leiden door de opvatting dat de enkele omstandigheid dat de rechtbank die overweging als 'ten overvloede' heeft geduid, meebrengt dat die overweging de beslissing niet kan dragen, dan is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, omdat op dit punt niet de aanduiding 'ten overvloede' beslissend is maar hoe die overweging, naar haar inhoud genomen, zich verhoudt tot de beslissing in het dictum. Maar ook afgezien van het voorgaande is het oordeel van het hof dat de hier aan de orde zijnde overweging van de rechtbank haar beslissing niet draagt, onbegrijpelijk, omdat die overweging geen andere conclusie toelaat dan dat zij een subsidiair dragende grond voor de beslissing oplevert."

14. Proces-verbaal van descente d.d. 16 mei 2007, blz. 2.

15. Concept-advies van deskundigenrapport d.d. 20 juni 2008, blz. 15, sub 25.

16. Reactie op concept-advies van deskundigen d.d. 29 december 2008, sub 4.6.

17. Deskundigenadvies d.d. 18 februari 2010, blz. 17, sub 25.

18. Pleitnota mr. J.M. Deveer/N. Doelman d.d. 20 september 2010, sub 4.2.