Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW8293

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
11/03967
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8293
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Familierecht. Echtscheiding. Vaststelling partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1080
JWB 2012/402
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 11/03967

Mr M.H. Wissink

Zitting: 8 juni 2012

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

In deze zaak staat centraal de wijze waarop het hof de partneralimentatie heeft vastgesteld.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 5 juni 1992 gehuwd. Zij hebben twee nog minderjarige kinderen, geboren op [geboortedatum] 1995 respectievelijk op [geboortedatum] 2001. Het huwelijk is duurzaam ontwricht.

1.2 De vrouw heeft op 31 augustus 2009 een verzoek tot echtscheiding ingediend met nevenvoorzieningen. De man heeft zich verweerd en tevens een zelfstandig verzoek ingediend, waartegen de vrouw zich heeft verweerd.

1.3 Bij beschikking van 3 juni 2010 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarbij is de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bepaald op € 250,- per maand per kind. Voorts is ten laste van de man aan de vrouw tot 1 september 2010 een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud toegekend van € 129,- per maand en vanaf 1 september 2010 € 500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.4 De man heeft in hoger beroep verzocht dat de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de partneralimentatie van € 500,- per maand vanaf 1 september 2010 wordt vernietigd en dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld. De man grieft onder meer dat de rechtbank het netto maandsalaris van de vrouw te laag heeft vastgesteld, omdat haar werkgever abusievelijk geen heffingskorting op de te betalen loonbelasting toepast.

De vrouw heeft zich verweerd en tevens incidenteel appel ingesteld, waartegen de man zich heeft verweerd. De vrouw stelt in het incidenteel appel dat haar behoefte opnieuw dient te worden vastgesteld aan de hand van haar behoefteberekening, en dat het hof zal bepalen dat de bijdrage die de man moet betalen aan de vrouw wordt vastgelegd op € 500,- per maand, rekening houdend met de behoefte van de vrouw, althans deze te bepalen op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren. Het hof verstaat het incidentele appel aldus, dat de vrouw in hoger beroep niet een hogere partneralimentatie beoogt te verkrijgen, maar dat zij aanvoert dat haar behoefte neerkomt op € 1.025,- bruto per maand, zodat zij ook aanspraak maakt op de door de rechtbank opgelegde bijdrage van € 500,- bruto per maand indien de grief van de man slaagt (rov. 6).

1.5 Het hof 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 1 juni 2011 het principale en incidentele hoger beroep in samenhang behandeld. Het hof overweegt dat het geschil ziet op de vaststelling van de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud (partneralimentatie) met ingang van 1 september 2010 op € 500,- per maand (rov. 1). Na de stellingen van partijen te hebben weergegeven, overweegt het hof:

"8. Het hof overweegt als volgt. De grief van de man slaagt ten dele voor wat betreft het verzuim van de toepassing van de heffingskorting op de te betalen loonbelasting van de vrouw door haar werkgever. Nu de grief van de man ten dele slaagt, leidt de devolutieve werking van het hoger beroep ertoe dat het hof de zaak opnieuw integraal zal behandelen.

9. In het licht van het slagen van de grief is het debat met betrekking tot de behoefte van de vrouw in appel opnieuw gevoerd. Het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen is aanzienlijk hoger gebleken dan het bedrag waar de rechtbank vanuit is gegaan, nu de man een auto van de zaak heeft waar de rechtbank bij de berekening van het netto gezinsinkomen geen rekening mee heeft gehouden. Ook de door de vrouw in het incidenteel appel opgegeven maandelijkse vaste lasten leiden tot een hogere behoefte dan waar de rechtbank van is uitgegaan. De door de vrouw genoemde woonlasten zijn naar het oordeel van het hof niet onredelijk gezien de financiële omstandigheden van partijen tijdens het huwelijk. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof de behoefte van de vrouw hoger dan het bedrag waar de rechtbank met toepassing van de zogenaamde "hofnorm" vanuit is gegaan en acht het hof, rekening houdend met het inkomen en de financiële positie van ieder der partijen, de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie van € 500,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het hof merkt daarbij op dat in hoger beroep niet in geschil is dat de draagkracht van de man voldoende is om dit bedrag aan partneralimentatie te voldoen."

Het hof overweegt vervolgens dat gelet op het voorgaande, hetgeen voor het overige naar voren is gebracht, geen bespreking meer behoeft en bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en wijst het meer of anders verzochte af.

1.6 Bij verzoekschrift van 31 augustus 2011 is de man tijdig in cassatie gekomen. De vrouw heeft zich verweerd.(2)

2. Bespreking van het middel

2.1 In cassatie wordt door de man één middel aangevoerd, dat uiteenvalt in acht klachten. Volgens klacht I is verzuimd de draagkracht van de man vast te stellen. De klachten II t/m VII zien op de behoefte. Klacht VIII klaagt over schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

2.2 Volgens klacht I bracht de devolutieve werking van het appel mee, dat het hof ook de draagkracht van de man bij de beoordeling had moeten betrekken, waarbij het middel verwijst naar HR 20 mei 2011, LJN BP4807, NJ 2011/239.

Daarbij had het hof zich volgens de klacht moeten baseren op de draagkrachtberekening die de man bij brief van 28 januari 2011 had overgelegd, omdat - volgens het middel nr. 1.7 - het overleggen daarvan bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een gemotiveerd beroep op het ontbreken van draagkracht.

2.3 De klacht is geïnspireerd door de genoemde beschikking van 20 mei 2011. In die zaak was in eerste aanleg geoordeeld dat de vrouw geen behoefte had, zodat de rechtbank aan het draagkrachtverweer van de man niet toekwam. In het door de vrouw ingestelde appel achtte het hof wel behoefte van de vrouw aanwezig. In dat geval brengt de devolutieve werking van het appel mee dat het hof het in eerste aanleg gevoerde draagkrachtverweer in zijn oordeel diende te betrekken.

In deze beschikking overwoog Uw Raad ten aanzien van de in die zaak in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening dat deze bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een gemotiveerd beroep op het ontbreken van draagkracht. Zie voor een en ander rov. 3.3 van de beschikking.

2.4 In eerste aanleg heeft de man aanvankelijk betoogd dat hij geen draagkracht had (verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 16 oktober 2009 nr. 8). Bij brief van 26 april 2010 heeft de man nadere gegevens overgelegd, waaronder een (nieuwe) draagkrachtberekening voor de situatie na 1 september 2010 waaruit bleek dat beschikbaar was voor partneralimentatie € 610,- (ofwel voor de man gebruteerd € 1.051,-). De rechtbank heeft de draagkracht van de man op p. 3 en 4 van zijn beschikking van 3 juni 2010 beoordeeld en geconcludeerd dat de man per 1 september 2010 in staat is een bijdrage van € 500,- per maand aan partneralimentatie te betalen.

In appel heeft de man zich in zijn beroepschrift gericht op de behoefte van de vrouw (zie met name nrs. 5, 8, 10, 12 en 15, welk betoog in rov. 5 door het hof wordt weergegeven). Bij brief van 28 januari 2011 heeft de man voorts een nieuwe draagkrachtberekening overgelegd. Volgens deze berekening was beschikbaar voor partneralimentatie € 374,- (gebruteerd € 644,-).

Het hof heeft in rov. 8 overwogen, dat de devolutieve werking van het appel meebrengt dat het hof de zaak opnieuw integraal zal behandelen. In rov. 9 onderzoekt het hof allereerst de behoefte. Daarover ging het partijdebat immers. Het hof concludeert dat de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie van € 500,- per maand in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het hof merkt dan aan slot van rov. 9 op, "dat in hoger beroep niet in geschil is dat de draagkracht van de man voldoende is om dit bedrag aan partneralimentatie te voldoen."

2.5 Het hof heeft aldus ook aandacht besteed aan de draagkracht van de man. Het hof heeft dus niet gemeend, dat het geen oordeel zou behoeven te geven over de draagkracht van de man. Het heeft daarover wel een oordeel gegeven, namelijk dat niet in geschil is dat deze voldoende is. Dat oordeel wordt niet door het middel wordt bestreden. Waar het middel klaagt over miskenning van de devolutieve werking respectievelijk miskenning van de strekking van de brief van de man van 28 januari 2011 faalt het daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.(3)

2.6 Ter zake van de vaststelling van de behoefte bevat het middel de volgende klachten.

- Het hof heeft ten onrechte het netto gezinsinkomen vermeerderd met de ingehouden loonbelasting ten aanzien van de auto van de zaak (klacht II).

- Het hof had dienen uit te gaan van de concrete behoeften van de vrouw als aangevoerd bij verweerschrift tevens incidenteel appel d.d. 15 oktober 2010, in plaats van een forfaitaire berekening op basis van de zogenaamde 'hofnorm' als aangedragen in de pleitnotities van de vrouw (klacht III).

- Het hof heeft ten onrechte geen korting toegepast wegens te hoge woonlasten van de vrouw (klacht IV).

- Het hof is ten onrechte voorbij gegaan aan het verweer van de man tegen de opgegeven vaste lasten van de vrouw (klacht V).

- Het hof gaat ten onrechte aan de stelling van de man voorbij dat het besteedbaar netto inkomen van de vrouw zo hoog is dat geen sprake is van behoefte (klacht VI).

- Uit rov. 9 wordt onvoldoende duidelijk van welke gegevens het hof gebruik heeft gemaakt bij het bepalen van de behoefte van de vrouw (klacht VII).

2.7 Ik bespreek eerst klacht III. Deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet miskend dat de rechter bij de bepaling van de behoefte rekening moet houden met alle relevante omstandigheden. (4) Het hof heeft eerst vastgesteld dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen hoger ligt dan in eerste aanleg is aangenomen (rov. 9, tweede volzin). Hiermee doelt het hof op de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Vervolgens geeft het hof aan dat de door de vrouw opgegeven vaste lasten tot een hogere behoefte leiden dan waar de rechtbank vanuit is gegaan, terwijl de woonlasten niet onredelijk zijn, gelet op de financiële omstandigheden van partijen tijdens het huwelijk (rov. 9, derde en vierde volzin). Hieruit blijkt dat het hof zijn onderzoek niet heeft beperkt tot een forfaitaire berekening op basis van de zogenaamde 'hofnorm'.

2.8 Klacht II ziet in het bijzonder op rov. 9, tweede volzin. Volgens de klacht heeft het hof het netto gezinsinkomen kennelijk vermeerderd met de ingehouden loonbelasting terzake de auto van de zaak. Dat is volgens de klacht niet in overeenstemming met het Rapport Werkgroep Alimentatienormen, waar zou zijn geregeld dat bij het bepalen van het gezinsinkomen geen rekening gehouden moet worden met een auto van de zaak.

2.9 Voor zover de klacht een rechtsklacht inhoudt over verkeerde toepassing van het Rapport Alimentatienormen, faalt de klacht omdat dit rapport geen recht is in de zin van art. 79 RO en daarover dus niet in cassatie kan worden geklaagd. De rechter is vrij de aanbevelingen van dit rapport te volgen dan wel daarvan af te wijken.

2.10 Voor zover de klacht een motiveringsklacht inhoudt, faalt zij omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Over de auto van de zaak is bij de mondelinge behandeling enig debat geweest. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof beantwoordt de man op de vraag van het hof of de man een auto van de zaak heeft, bevestigend (p. 2). De advocaat van de man merkt verder op dat naar zijn mening de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met het netto inkomen van de man zoals vermeld op zijn salarisspecificatie. De advocaat van de vrouw merkt op: "Ten aanzien van de auto: aan de bruto zijde dient er wel rekening mee te worden gehouden maar aan de netto zijde niet want de man heeft geen kosten met betrekking tot onderhoud en dergelijke aan de auto" (p. 3).

Het Rapport Alimentatienormen beveelt aan om bij de bepaling van de draagkracht geen rekening te houden met de daling van het inkomen als gevolg van de fiscale effecten, omdat daartegenover kostenbesparingen voor een eigen auto staan.(5) Een vergelijkbare redenering is denkbaar bij het bepalen van het gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan met het oog op de behoefte. Het gezinsinkomen kan immers in die zin worden beïnvloed door de auto van de zaak, dat daarmee kosten voor een eigen auto worden bespaard (waartegenover dan weer wel bepaalde fiscale effecten staan).

2.11 Klacht IV ziet in het bijzonder op rov. 9. Aangevoerd wordt dat de hoogte van de door de vrouw opgegeven woonlasten onredelijk is en dat derhalve een korting dient te worden toegepast.

2.12 In haar verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appèl heeft de vrouw gesteld dat haar huur € 775,68 per maand bedraagt. De man heeft in het verweerschrift incidenteel appèl sub 3 hiertegen aangevoerd dat de vrouw, blijkens haar eigen stellingen, een inkomen heeft van € 751,- en dat derhalve een maandhuur van € 775,68 te hoog is en dat een redelijke woonlast gewoonlijk ligt rond 1/3 van het netto besteedbaar inkomen. De man verzoekt het hof daarom een korting toe te passen van € 526,-.

Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 21 april 2011 blijkt dat de advocaat van de man aanvoert dat de te dure woning van de vrouw niet in aanmerking genomen dient te worden bij de berekening van haar behoefte en dat het de eigen keuze van de vrouw is om in de vrije sector te gaan huren (blad 2-3). De vrouw merkt hiertegen op dat zij binnen zes maanden uit de woning moest vertrekken en niets te vinden was in de sociale sector (blad 3).

2.13 Het hof heeft ten aanzien van deze stellingen overwogen dat de door de vrouw genoemde woonlasten naar het oordeel van het hof niet onredelijk zijn gezien de financiële omstandigheden van partijen tijdens het huwelijk (rov. 9, vierde volzin).

De man bestrijdt dit oordeel in cassatie slechts door erop te wijzen dat de netto woonlasten aan het huidig inkomen van partijen dient te worden gerelateerd en niet aan de financiële omstandigheden van partijen tijdens het huwelijk (sub 4.4) en het gegeven dat de vrouw een bescheiden loon uit arbeid geniet, terwijl de woningmarkt ter plaatse gekenmerkt wordt door een voldoende aanbod van huizen (met huurtoeslag) (sub 4.6).

Deze klacht miskent echter dat voor het bepalen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde mede de welstand van partijen gedurende het huwelijk van belang is en niet slechts de actuele situatie of de mogelijkheid voor de vrouw om een huis te huren met een lagere huur. Voor het overige berust het oordeel van het hof op een waardering van de feiten, die niet onbegrijpelijk is en die in cassatie niet kan worden overgedaan. Voor zover ook deze klacht ziet op miskenning van het Rapport Alimentatienormen (ziet het cassatierequest onder 4.5), faalt zij om de eerder gegeven reden.

2.14 In klacht V voert de man aan dat het hof bij het bepalen van de behoefte van de vrouw voorbij is gegaan aan de betwisting door de man van de stellingen van de vrouw ten aanzien van de door haar opgegeven lasten (anders dan de woonlasten). De beschikking van het hof is daarmee onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd.

2.15 De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appel, sub 5, een aantal vaste kosten per maand opgesomd. Blijkens de bij dit verweerschrift in productie 3 opgenomen behoefteberekening moet haar netto behoefte volgens de vrouw worden gesteld op € 1.729,-.

De man bestrijdt de hoogte van deze behoefte door in zijn verweerschrift incidenteel appel, sub 2 t/m 8, de noodzaak van bepaalde vaste lasten te betwisten. De man neemt daarbij de door de vrouw gestelde behoefte (€ 1729,-) tot uitgangspunt en trekt daarvan een aantal bedragen af:

- de man betwist de hoogte van de huur van het huis (korten met € 526,-);

- de man voert aan dat de vrouw recht zou hebben op huurtoeslag van € 150,- indien zij niet in de vrije sector zou wonen met welk bedrag de behoefte moet worden verminderd;

- de man voert aan dat een tweede telefoonabonnement niet noodzakelijk is en daarom niet in de behoefte moet worden meegenomen (€ 48,22);

- de man betwist de kosten van openbaar vervoer (€ 30,-) bij gebrek aan wetenschap;

- de man betwist de kosten m.b.t. vervanging inboedel (€ 50,-) omdat de vrouw in het kader van de boedelscheiding nagenoeg de hele inboedel van partijen is toegescheiden.

De man komt daarmee op een behoefte van € 925,-.

2.16.1 De door de man betwiste lasten zien onder meer op de huur van het huis. Dat punt is hiervoor bij 2.13 behandeld. Het hof kon tot het oordeel komen dat de door de vrouw genoemde woonlasten niet onredelijk zijn. Daarmee is tevens gegeven dat de vrouw niet in aanmerking komt voor huurtoeslag. De vrouw heeft immers aangevoerd dat de hoogte van de huur de toeslaggrens overschrijdt.(6) Dit heeft de man niet betwist.(7) De betwisting van de lasten van de vrouw tot een bedrag van (526 + 150 =) € 676,- kon het hof dus als onvoldoende aanmerken.

2.16.2 De overige lasten ad € 48,22 (tweede telefoon), € 30,- (vervoer) en € 50,- (inboedel) heeft het hof blijkens rov. 7 in zijn oordeelsvorming betrokken. De man heeft ten aanzien van deze lasten volstaan met een min of meer blote betwisting van de stellingen van de vrouw. Daarom kon het hof volstaan met het oordeel dat de door de vrouw in het incidenteel appel opgegeven maandelijkse vaste lasten leiden tot een hogere behoefte dan waarvan de rechtbank is uitgegaan (rov. 9, derde volzin). Het hof was niet gehouden om dit oordeel nader te motiveren, omdat de stellingen van de vrouw onvoldoende waren betwist.

2.17 In klacht VI voert de man aan dat de vrouw een zodanig besteedbaar inkomen heeft, dat geen sprake is van behoefte. Het hof is aan dit verweer van de man voorbij gegaan. De beschikking is daarmee onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het cassatierequest verwijst naar het Rapport Alimentatienormen, naar het beroepschrift van de man sub 15 en naar de berekening van de man vermeld in zijn brief d.d. 28 januari 2011 met bijlagen aan het hof.

2.18 Voor zover het cassatierequest sub 6.3 en 6.5 in dit verband verwijst naar het Rapport Alimentatienormen, kan dat de man niet baten nu dit rapport geen recht is in de zin van art. 79 RO en daarover dus niet in cassatie kan worden geklaagd.(8)

2.19 De man heeft gesteld dat de vrouw in haar behoefte kan voorzien (zie met name het beroepschrift nrs. 5, 8, 10, 12 en 15, welk betoog in rov. 5 door het hof wordt weergegeven).

In de eerste plaats heeft de man aangevoerd, dat het inkomen van de vrouw hoger is dan door de rechtbank was aangenomen omdat geen rekening gehouden was met de heffingskorting op de te betalen loonbelasting. In plaats van een bedrag van € 751,- per maand, dient dit volgens de man € 1.345 netto per maand te zijn. Bij dit bedrag zijn niet alleen de diverse heffingskortingen (zie het beroepschrift nr. 10 en de daarbij gevoegde bijlage 2) meegewogen, maar ook de vakantietoeslag (zie het beroepschrift nr. 12). Dit is voldoende om het bedrag van € 1.080,- te dekken, zoals dat door de rechtbank was berekend, aldus de man.

In de tweede plaats heeft de man aangevoerd (zie het beroepschrift nr. 15), dat het inkomen van de vrouw hoger is dan € 1.345,- netto per maand, indien daarbij wordt opgeteld de kinderalimentatie (€ 500,-), de zorgtoeslag (€ 50,-), de huurtoeslag (€ 150,-) en de kinderbijslag (€ 170,-). In dat geval wordt uitgekomen op een maandinkomen van € 2.215,-.

In de derde plaats heeft de man in de bijlagen bij zijn brief d.d. 18 januari 2011 het netto maandinkomen van de vrouw begroot op € 2.728,- plus rendement op kapitaal (zie het overzicht op het laatste blad van de bijlagen).

2.20 Uit rov. 8 blijkt, dat het hof de heffingskortingen heeft verdisconteerd. De klacht ziet op hetgeen de man ten tweede en ten derde heeft aangevoerd.

Aan het overzicht bij de brief van de man d.d. 18 januari 2011 heeft het hof kennelijk - en niet onbegrijpelijk - geen afzonderlijke waarde gehecht. Deze opstelling door de man van het inkomen van de vrouw wijkt deels af van de berekening in het beroepschrift. Zo wordt over het inkomen van € 1.345,- per maand, dat volgens het beroepschrift sub 12 inclusief vakantiegeld is, in het overzicht nogmaals vakantiegeld berekend. Voorts wordt in dat overzicht voor het eerst een post "kindgebonden budget" opgenomen en wordt, kennelijk pro memorie, gewezen op (de mogelijkheid van) rendement op kapitaal. Het p.-v. van de zitting bij het hof geeft niet aan, dat de discussie over het inkomen van de vrouw verder aan de hand van dit overzicht is gevoerd. Op blad 3 van dit p.-v. lijkt de advocaat van de man wel naar dit overzicht te verwijzen.

Tegen deze achtergrond gaat het m.i. om de vraag of het hof nader had moeten ingaan op de inkomenselementen die de vrouw volgens het bij beroepschrift ingenomen standpunt van de man zou hebben genoten, te weten de kinderalimentatie en kinderbijslag alsmede de huur- en de zorgtoeslagen.

2.21 De kinderalimentatie ziet op de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en dient daarom niet meegenomen te worden bij de vraag of de alimentatiegerechtigde voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft (1:157 BW). Hetzelfde geldt voor de kinderbijslag die een tegemoetkoming in de kosten voor de opvoeding en verzorging van kinderen tot 18 jaar is van overheidswege. De kinderbijslag is dus niet bedoeld voor het levensonderhoud van de vrouw.(9)

2.22 Ten aanzien van de huurtoeslag kan worden verwezen naar 2.16.1. HR 27 januari 1995, LJN ZC1632, NJ 1995/291, rov. 3.2, oordeelde overigens reeds dat de behoefte moet worden vastgesteld los van de bijdrage op grond van de Wet individuele huursubsidie.

Daartoe werd allereerst overwogen dat een alimentatie die een ex-echtgeno(o)t(e) ontvangt, krachtens deze wet wordt gerekend tot het belastbaar inkomen op basis waarvan de aanspraak op een huurbijdrage wordt beoordeeld. Onder de huidige Wet op de huurtoeslag geldt dat ook. (10)

Voorts werd erop gewezen dat een andere opvatting zou leiden tot het onaanvaardbare resultaat dat de alimentatieplichtige een deel van zijn verplichting zou kunnen afwentelen op de gemeenschap.

Beide argumenten gelden ook ten aanzien van de zorgtoeslag. Ten aanzien van de huurtoeslag en de zorgtoeslag kan worden opgemerkt dat deze een subsidiair, aanvullend karakter hebben en worden vastgesteld op basis van het inkomen van de aanvrager. De toeslagen worden daarom vastgesteld op basis van het inkomen, waaronder alimentatie,(11) terwijl de redenering niet andersom geldt dat de alimentatie wordt vastgesteld met inachtneming van de toeslagen.(12) Daarmee faalt de klacht.

2.23 Klacht VII richt zich in het bijzonder op rov. 9, vijfde volzin. Volgens de klacht blijkt uit deze overweging onvoldoende van welke gegevens de rechter bij het bepalen van de behoefte gebruik heeft gemaakt, zodat de beslissing op dit punt onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.

2.24.1 Het hof heeft inderdaad de gebruikte gegevens in rov. 9 niet gespecificeerd. De klacht moet desalniettemin falen, omdat het oordeel van het hof voldoende inzichtelijk is. (13)

2.24.2 Het netto inkomen van de vrouw is hoger dan in eerste aanleg werd aangenomen (€ 751,-). De grief van de man slaagt immers (rov. 8). Volgens de man was het inkomen van de vrouw € 1.345,- netto per maand, inclusief vakantietoeslag en heffingskortingen (zie rov. 5). Volgens de vrouw is haar inkomen € 1.065,- per maand, inclusief vakantietoeslag en heffingskortingen (zie rov. 6).(14) Ik ga verder uit van het voor de vrouw meest ongunstige, dus hoogste bedrag, dat is € 1.345,- netto per maand.

2.24.3 Dit inkomen moet worden afgezet tegen de door het hof bepaalde behoefte van de vrouw, om haar resulterende behoefte aan alimentatie (behoeftigheid) te bepalen.

Blijkens rov. 9, tweede en derde volzin, is de behoefte van de vrouw (zowel gezien de welstand tijdens het uiteengaan van partijen als gezien haar actuele uitgaven) hoger dan het door de rechtbank aangenomen bedrag van € 1080,-.

Bij de mondelinge behandeling heeft de vrouw over haar behoefte het volgende aangevoerd.

Ten eerste: volgens een berekening die volgens de vrouw uitgaat van de 'hofregel' is haar behoefte € 760,- netto per maand ofwel € 1025,- bruto per maand. Volgens de vrouw heeft de man (met buiten beschouwing laten van de auto)(15) een netto inkomen van € 3390,- inclusief vakantietoeslag. De vrouw voerde aan dat zij een inkomen had van € 1.065,- netto, inclusief vakantietoeslag, algemene heffingskorting en arbeidskorting. Toepassing van de hofnorm brengt dan, volgens de vrouw, mee dat haar netto behoefte (3390 - 1065 =) € 2.325,- bedraagt. Daarop dient in mindering te worden gebracht € 500,- (kinderalimentatie) en € 1.065,- (inkomsten vrouw), hetgeen resulteert in € 760,- netto per maand ofwel € 1025,- bruto per maand.

Ten tweede: de vrouw heeft ter zitting ook gesteld dat zij behoefte heeft aan de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie wanneer de behoefteberekening op basis van haar actuele uitgaven wordt gevolgd. Zie hiervoor het verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appel, p. 2 en de als productie 3 daarbij gevoegde behoefteberekening. Volgens deze berekening is de nettobehoefte van de vrouw € 1.729,- per maand en de brutobehoefte € 2.636,- per maand. Het gaat daarbij om kosten van de huur van de woning (€ 755,68) en een aantal vaste kosten. Zoals hierboven is besproken, heeft de man wel bepaalde lasten van de vrouw betwist, maar heeft het hof de man daarin niet gevolgd en falen de daartegen gerichte cassatieklachten.

De vrouw heeft dus twee bedragen genoemd ter zake van haar netto maandelijkse behoefte: € 2.325,- en € 1.729,-. Ik ga verder uit van het voor de vrouw meest ongunstige, dus laagste bedrag, dat is € 1.729,- netto per maand.

2.24.4 Indien het voor de vrouw meest ongunstige geval wordt genomen (waarin haar behoefte zo laag mogelijk is en haar inkomen zo hoog mogelijk), dan heeft de vrouw een behoefte van € 1729,- waartegenover staat een inkomen van € 1345,-. De resterende behoefte aan alimentatie bedraagt dan € 384,- netto per maand. Dit bedrag ligt hoger dan het bedrag waartoe de rechtbank kwam in eerste aanleg (namelijk € 329,- netto ofwel € 500,- bruto). Gelet op het voorgaande, acht ik het oordeel van het hof dat een door de rechtbank opgelegde partneralimentatie van € 500,- per maand in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, niet onbegrijpelijk.(16)

2.25 In klacht VIII wordt erover geklaagd dat de vrouw pas tijdens de mondelinge behandeling op de zitting heeft aangevoerd dat het netto gezinsinkomen hoger uitvalt in verband met het gegeven dat de rechtbank hierbij niet heeft meegewogen dat de man een auto van de zaak heeft. Doordat deze kwestie pas bij pleidooi is aangebracht heeft de man geen tijd gehad om hierop adequaat te reageren en is sprake van een schending van hoor en wederhoor (artikel 19 Rv). Het hof had daarom de stelling van de vrouw op dit punt dienen te passeren.

2.26 In beginsel mag de appelrechter bij alimentatiegeschillen rekening houden met feiten die voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep worden aangevoerd. Wel brengen de eisen van een goede procesorde met zich mee dat de wederpartij genoegzaam gelegenheid geboden wordt haar verweer en de stellingen naar aanleiding daarvan aan te vullen en, voor zover nodig, ook overigens haar standpunt te herzien.(17)

In de onderhavige zaak heeft de man erkend een auto van de zaak te hebben.(18) Beide partijen hebben hun standpunt naar voren kunnen brengen ten aanzien van de vraag of de auto van de zaak invloed heeft op het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, zulks met het oog op de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte. De stelling in het cassatierequest sub 8.3 dat de aard en de omvang van de materie de man belette daarop adequaat te reageren lijkt mij wat zwaar aangezet. Uit het p.-v. van de zitting blijkt in ieder geval niet dat dit bezwaar toen is opgeworpen (hetgeen het cassatierequest ook niet aanvoert). Bij deze stand van zaken kan er m.i. van worden uitgegaan, dat de (advocaat van de) man voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren op dit punt. Van strijd met een goede procesorde of het beginsel van hoor en wederhoor is daarmee geen sprake. Daarmee faalt de klacht.

Ten overvloede merk ik op dat de klacht eveneens faalt wegens gebrek aan belang. Zoals blijkt uit rov. 9 heeft het hof de auto van de zaak in verband gebracht met het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. Het hof heeft de behoefte van de vrouw echter (ook) gebaseerd op haar actuele uitgavenpatroon. Blijkens het bij 2.24.3 samengevatte betoog van de vrouw leidt de laatstgenoemde benadering tot een lager bedrag aan behoefte, dan de eerst genoemde benadering, terwijl ook bij de laatst genoemde benadering het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk kan worden genoemd (zie bij 2.24.4).

2.27 Uit het voorgaande volgt dat alle klachten naar mijn mening dienen te falen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die de rechtbank Rotterdam aan haar beschikking van 3 juni 2010 ten grondslag heeft gelegd (p. 1-2 van de beschikking). Het hof 's-Gravenhage is in zijn beschikking van 1 juni 2011 van dezelfde feiten uitgegaan (p. 2 van de beschikking).

2 In het dossier van de vrouw ontbreken de (door haar cassatie-advocaat wel opgevraagde) brieven met bijlagen van mr. Van Galen (advocaat van de man) d.d. 17 december 2010 en 28 januari 2011, alsmede de pleitaantekeningen van mr. J.A. Holsbeek (advocaat van de vrouw) bij de mondelinge behandeling bij het hof op 21 april 2011 en het proces-verbaal van die mondelinge behandeling. In het dossier van de man bevinden deze stukken zich wel, behalve de brief met bijlagen van mr. Van Galen d.d. 17 december 2010. Voor de behandeling van het middel is het ontbreken van die brief niet problematisch.

3 In casu heeft de man geappelleerd, zodat het punt van de draagkracht niet via de devolutieve werking in beeld komt (vgl. het verweerschrift in cassatie nr. 4). Het hof heeft in de brief van 28 januari 2011 mogelijk een nieuwe grief gelezen, namelijk ten aanzien van de draagkracht. Daarmee kon het hof rekening houden, uiteraard binnen de grenzen van de goede procesorde, omdat in gedingen als de onderhavige een uitzondering geldt op de zogenaamde 'in beginsel strakke'-regel, die meebrengt dat de grieven in beginsel meteen voorgedragen moeten worden. Zie Asser/Bakels, Hammerstein, Wesseling-Van Gent 2009, nrs. 114, 142. Voor het lot van de klacht maakt dit overigens niet uit.

4 HR 3 september 2010, LJN BM7050, NJ 2010/473, rov. 3.4.

5 Rapport Werkgroep Alimentatienormen (2010), par. 6.2, sub 16, onder d.

6 Pleitaantekeningen vrouw, p. 3.

7 De man betwist immers niet dat de vrouw op het ogenblik niet in aanmerking komt voor huurtoeslag, maar dat de vrouw een huis diende te zoeken in de sociale huursector en dan wel recht zou hebben op huurtoeslag. Vgl. het verweerschrift incidenteel appèl nr. 4 en het proces-verbaal van de zitting bij het hof, p. 2 en 3.

8 De passages uit het rapport waarnaar wordt verwezen, zien overigens niet op het vaststellen van de behoefte. De verwijzingen hebben betrekking op de berekening van de draagkracht.

9 Vgl. het Rapport Werkgroep Alimentatienormen (2010), par. 6.2, nr. 7, onder e en f.

10 J. Sengers en P. van der Sanden (eindred.), Huurrecht Woonruimte, 2011, p. 353-354; Rapport Werkgroep Alimentatienormen (2010), par. 3.1; M.J.A. van Mourik & L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, 2006, par. 19.6.6 (onder het kopje 'woonlasten').

11 De Wet op de Zorgtoeslag en de Wet op de Huurtoeslag vallen onder het bereik van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir; Stb. 2005, 345, zoals nadien gewijzigd). Artikel 8, lid 1, Awir hanteert het begrip 'toetsingsinkomen', welk begrip thans is omschreven als 'het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven'. Hieronder moet volgens artikel 2, lid 1 sub o, Awir worden verstaan het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 21 Algemene Wet inzake rijksbelastingen verwijst (voor het geval over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld) naar het begrip verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Onder dit verzamelinkomen vallen ook periodieke uitkeringen zoals ontvangen partneralimentatie (zie art. 3.1, lid 2 sub 2, jo 3.100, lid 1 sub a, jo 3.101, lid 1 sub b, Wet IB 2001). Ik merk nog op dat voor het geval geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, artikel 21 Algemene Wet inzake rijksbelastingen verwijst naar het belastbare loon. Deze variant lijkt mij voor de waardering van de bedoelde toeslagen in het kader van de vaststelling van de behoefte niet maatgevend te zijn.

12 Dat neemt niet weg dat indien in een verzoekschriftprocedure de behoefte of draagkracht van een belanghebbende wordt betwist het hof zal verzoeken tot het overleggen van een bewijsstuk van eventuele huurtoeslag en zorgtoeslag. Zie het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, artikel 2.1.1, onder d en f.

13 Vgl. HR 22 september 2006, LJN AX8848, NJ 2006/520, rov. 3.5 en HR 17 maart 2000, LJN AA5167, NJ 2000/313, rov. 3.4 waarin is overwogen dat de rechter niet gehouden is alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt.

14 De man rekent blijkens het beroepschrift sub 12 met meer kortingen dan de vrouw doet blijkens de pleitaantekeningen p. 4.

15 Bij de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangevoerd dat de auto van de man buiten beschouwing dient te worden gelaten. Zie de pleitaantekeningen van mr. J.A. Holsbeek voor de zitting van het hof van 21 april 2011, p. 4.

16 Hieruit blijkt tevens dat nog enige marge aanwezig was ten aanzien van de aanwezigheid van de bij 2.16.2 bedoelde lasten.

17 HR 26 april 1991, LJN ZC0225, NJ 1992/407 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.5; HR 22 februari 2008, LJN BB9670, NJ 2008/124, rov. 3.2; HR 20 maart 2009, LJN BG9917, NJ 2010/153 m.nt. H.J. Snijders, rov. 5.2.3; Groene Serie Personen- en Familierecht (S.F.M. Wortmann), art. 1:397 BW, aant. 2; Asser/De Boer I* (2010), nr. 1027.

18 Zie het proces-verbaal bij het hof, p. 2 (naar aanleiding van een vraag van het hof).