Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7960

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
11/00555
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7960
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geen beslissing op getuigenverzoek. Er is een verzoek gedaan a.b.i. art. 328 jo. art. 331 Sv en 415 Sv en de aan dat verzoek verbonden voorwaarde is vervuld zodat een uitdrukkelijke beslissing op dat verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het Hof in over het door de raadsman gedane verzoek, hetgeen ex art. 330 jo. art. 415 Sv leidt tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/879
NJB 2012/1534
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00555

Mr. Vellinga

Zitting: 10 april 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 28 januari 2011 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 10 november 2006, waarbij de verdachte wegens "verduistering" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

2. Namens verdachte heeft mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat 's Hofs beslissing de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, mede in het licht een door de verdediging gevoerd verweer, ontoereikend is gemotiveerd.

4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, onder het hoofdje "Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep" in:

"Uit de stukken van het dossier blijkt dat de verdachte in eerste aanleg is gedagvaard om op 10 november 2006 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte niet in persoon betekend. De verdachte is op 10 november 2006 bij verstek veroordeeld. Het vonnis is op 1 september 2008 aan de verdachte in persoon betekend. De verdachte is daartegen op 22 september 2008 in hoger beroep gekomen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verbalisant die de mededeling uitspraak aan de verdachte op 1 september 2008 heeft betekend, ten eerste heeft gezegd dat de beroepstermijn twee maanden zou bedragen en ten tweede dat op de akte van uitreiking geen termijn stond vermeld waarbinnen hoger beroep zou moeten worden ingesteld.

De verbalisant, [verbalisant 1], heeft als getuige op 17 december 2010 ter terechtzitting verklaard dat hij altijd iedere verdachte meedeelt dat de beroepstermijn twee weken bedraagt. Tevens heeft hij verklaard dat indien een verdachte ter uitreiking van een vonnis wordt meegenomen naar het bureau, zoals in dit geval ook het geval was, vanuit het systeem een bestand aan papieren, bestaande uit de mededeling uitspraak, met bijlage, en de aantekening mondeling vonnis, wordt uitgeprint dat in zijn geheel aan de verdachte wordt uitgereikt.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande dat de verdachte genoegzaam op de hoogte was dan wel had kunnen zijn van de geldende beroepstermijn.

Nu hij niet binnen die termijn in hoger beroep is gekomen moet hij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard."

5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de overwegingen van het Hof geen weerlegging inhouden van het verweer dat tegen verdachte is gezegd dat hij twee maanden de tijd had om hoger beroep in te stellen. Ook zou het Hof ten onrechte uit de mededelingen van de getuige hebben afgeleid dat tegen verdachte is gezegd dat de beroepstermijn twee weken betreft, nu de getuige slechts een standaardprocedure beschrijft. Voorts wordt aangevoerd dat 's Hofs overweging dat aan de verdachte 'een bestand aan papieren' is uitgereikt niet van belang is, nu het Hof niet heeft vastgesteld dat aan de verdachte een document is uitgereikt waar de beroepstermijn in vermeld was. Tenslotte wordt geklaagd dat het Hof de verklaring van de verbalisant heeft gedenatureerd, nu de verbalisant ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2010 niet heeft verklaard dat - zoals in het bestreden arrest is weergegeven - de uitgereikte stukken bestonden uit de mededeling uitspraak, met bijlage, en de aantekening mondeling vonnis.

6. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat aannemelijk moet worden dat aan verdachte de juiste termijn is medegedeeld. Deze opvatting is niet juist. Verdachte beroept zich ter verontschuldiging van de overschrijding van de termijn voor hoger beroep op het feit dat hem is medegedeeld dat die termijn twee maanden bedroeg. Derhalve dient voor het slagen van dit beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding aannemelijk te worden dat verdachte inderdaad is medegedeeld dat de beroepstermijn twee maanden bedroeg.

7. In het oordeel van het Hof dat de verdachte genoegzaam op de hoogte was dan wel had kunnen zijn van de geldende beroepstermijn ligt besloten dat het Hof geoordeeld heeft dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte is medegedeeld dat de termijn voor hoger beroep twee maanden bedroeg. Aan dat oordeel legt het Hof ten grondslag dat de verbalisant [verbalisant 1](1), die de mededeling uitspraak op 1 september 2008 aan de verdachte in persoon heeft betekend, ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2010 als getuige heeft verklaard dat hij altijd iedere verdachte meedeelt dat de beroepstermijn twee weken bedraagt, en dat in de situatie dat een verdachte ter uitreiking van een vonnis wordt meegenomen naar het bureau, zoals in de onderhavige zaak is geschied, vanuit het systeem een bestand aan papieren - bestaande uit de mededeling uitspraak, met bijlage, en de aantekening mondeling vonnis - wordt uitgeprint dat in zijn geheel aan de verdachte wordt uitgereikt. In aanmerking genomen dat het Wetboek van Strafvordering niet een beroepstermijn van twee maanden kent en het derhalve - naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld - allesbehalve voor de hand ligt dat de verbalisant zich bij de mededeling van de beroepstermijn heeft vergist in de door de verdachte bedoelde zin zoals het daarom evenzeer allesbehalve voor de hand ligt dat in de aan de verdachte uitgereikte papieren - welke dat ook mogen zijn geweest - een beroepstermijn van twee maanden is genoemd, is dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

8. Terzijde wijs ik erop dat zich bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevinden een mededeling uitspraak met daaraan gehecht een bijsluiter (met daarin opgenomen de beroepstermijn van 14 dagen), de akte van uitreiking behorende bij de uitreiking van genoemde mededeling, de aantekening mondeling vonnis en tevens het op de datum van uitreiking door de verbalisant opgemaakte AA [MM121] formulier, over welk formulier de verbalisant ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2010 heeft verklaard en op welk formulier is aangekruist "verwezen voor beroep binnen 14 dagen".

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een door de verdediging voorwaardelijk gedaan verzoek, terwijl de aan het verzoek verbonden voorwaarde was vervuld.

11. De door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2011 overgelegde pleitnotities, welke aan het proces-verbaal van genoemde terechtzitting zijn gehecht en waarvan de inhoud als ingevoegd in genoemd proces-verbaal geldt, houden, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"Voor zover U cliënt niet-ontvankelijk acht in zijn hoger beroep verzoek ik U [verbalisant 1] op te roepen teneinde hem te horen in aanwezigheid van mijn cliënt. Op de zitting van 17 december 2010 kon mijn cliënt vanwege de slechte weersomstandigheden niet aanwezig zijn. Ook ikzelf, zijn raadsvrouwe, kon wegens werkzaamheden niet ter zitting aanwezig zijn en heb mij noodgedwongen moeten laten vervangen door een kantoorgenoot."

12. Bij de beoordeling van het middel dient vooropgesteld te worden dat een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv stellig, duidelijk en (voldoende) onderbouwd dient te zijn(2), alsmede dat het verzuim uitdrukkelijk te beslissen op een dergelijk (voorwaardelijk gedaan) verzoek (bij vervulling van de voorwaarde) ingevolge het bepaalde in art. 330 Sv nietigheid tot gevolg heeft.(3)

13. Het Hof heeft kennelijk, nu noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2011, noch het bestreden arrest een beslissing op het verzoek van de raadsvrouw om hoofdagent [verbalisant 1] op te roepen inhoudt, geoordeeld dat het verzoek van de raadsvrouw om toepassing te geven aan art. 315 Sv bij gebreke van toereikende onderbouwing geen beslissing behoefde. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verbalisant [verbalisant 1] reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2010 in aanwezigheid van verdachtes raadsman is gehoord omtrent de uitreiking van het verstekvonnis aan de verdachte, en het verzoek niet inhoudt waarom het niettemin noodzakelijk is dat de getuige opnieuw wordt gehoord.(4) Van een met nietigheid bedreigd verzuim is mitsdien geen sprake.

14. Het middel faalt.

15. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het Hof spreekt - gelet op de zich bij de stukken bevindende akte van uitreiking behorende bij de mededeling uitspraak - kennelijk per abuis over [verbalisant 1] in plaats van [verbalisant 1].

2 Vgl. HR 14 februari 2012, LJN BU2903, waarbij het voorwaardelijk gedane verzoek strekte tot het verrichten van nader onderzoek.

3 Zie bijv. HR 3 januari 2012, LJN BU2901, HR 27 september 2011, LJN BQ5720, HR 5 juli 2011, LJN BQ7975 en HR 9 juni 2009, LJN BI0505.

4 Vgl. HR 14 februari 2012, LJN BU2903.