Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7955

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
11/03119 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7955
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. HR stelt HR NJ 1994/689 voorop. De Rechtbank heeft het klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaard omdat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen verzet. Het middel faalt nu de klager door zodanig (eventueel) verzuim niet in enig rechtens te respecteren belang kan zijn geschaad (vgl. HR LJN ZD0305). Hier doet zich niet het geval voor dat het klaagschrift geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/874
NJ 2012/385
NJB 2012/1537
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03119 B

Mr. Vellinga

Zitting: 22 mei 2012

Conclusie inzake:

[Klager]

1. Bij beschikking van 26 april 2011 heeft de Rechtbank te Haarlem het beklag van klager, strekkende tot teruggave aan klager van inbeslaggenomen geldbedragen, ongegrond verklaard.

2. Namens verdachte heeft mr. H.C. Meijer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Ambtshalve merk ik het volgende op.

4. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, in:

"Uit het dossier en het verhandelde in raadkamer blijkt - voor zover voor de beoordeling van het klaagschrift van belang - het volgende.

Klager is op 13 februari 2011 op de luchthaven Schiphol bij een passagierscontrolepunt gecontroleerd. Hij was op doorreis vanuit Nigeria naar Indonesië. Klager verklaarde desgevraagd tegen de beveiligingsmedewerker dat hij in het bezit was van twee pakketten met in beide een geldbedrag van USD 34.000,- en werd voor verdere controle overgedragen aan twee verbalisanten van de KMar. Klager verklaarde aan hen desgevraagd dat hij een eigen bedrijf heeft dat zich bezighoudt met de handel in kleding. Eerst wist hij de naam van zijn bedrijf niet te noemen, maar even later vertelde hij dat het bedrijf [A] heet. In de koffer van klager werden pakketjes met daarin geld aangetroffen, met onder meer een bedrag van 323.400 USD. Het bleek te gaan om 3234 coupures van 100 USD, 2 coupures van 1 USD, 32 coupures van 100.000,-Roepia, 15 coupures van 50.000,-Roepia, 4 coupures van 10.000,- Roepia, 5 coupures van 5.000,- Roepia, 3 coupures van 2.000,- Roepia, 3 coupures van 1.000,- Roepia, 1 coupure van 10,- Dirham, 3 coupures van 5,- Dirham, 4 coupures van 100,- Yuan, 3 coupures van 10,0 Yuan, 6 coupures van 5,- Yuan, 14 coupures van 1,- Yuan en 100 coupures van 500,- Naira.

Op 14 februari 2011 heeft klager een verklaring afgelegd ten overstaan van de KMar. Klager verklaarde dat hij in Nigeria bij een geldwisselkantoor Naira heeft omgewisseld in US dollars. Hij bewaart al het geld in zijn shop en na een paar dagen wisselt hij zijn verdiende Naira om in US dollars.

Op 15 februari 2011 verklaarde klager dat het geld dat hij bij zich had niet alleen van hem is. Een bedrag van 69.400 USD is van een vriend van hem. Hij moest dat aan een klant in Indonesië geven."

5. Vooropgesteld moet worden dat het wettelijk systeem meebrengt dat op de rechter de plicht rust, alvorens op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv te beslissen, aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens na te gaan of een ander dan de klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. In dat geval mag de rechter niet treden in de beoordeling van het klaagschrift zonder dat die belanghebbende - indien deze bekend of gemakkelijk traceerbaar is - in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010, 654).(1)

6. Blijkens het op de voet van artikel 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee van 15 februari 2011 heeft klager verklaard dat het geld dat klager bij zich had niet alleen van hem was, maar dat een bedrag van 69.400 USD aan een Nigeriaanse vriend van hem, [betrokkene 1], toebehoorde en dat hij bereid was het telefoonnummer van die vriend te verstrekken.(2)

7. De Rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de geloofwaardigheid van verdachtes verklaring dat het onder hem aangetroffen geldbedrag in hoofdzaak van [betrokkene 1] was noch - met aanhouding van de behandeling van het door de klager ingediende klaagschrift - [betrokkene 1] in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen.(3) Gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is vooropgesteld betekent dit dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.(4)

8. Het voorgaande brengt mee dat het middel buiten bespreking kan blijven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie tevens HR 6 januari 2009, LJN BG4193, HR 8 juli 2008, LJN BC8667, NJ 2008, 629, m.nt. J.M. Reijntjes.

2 Zo ook tegenover de politie: proces-verbaal PL27RR/11-011387, p. 25.

3 Vgl. HR 8 juli 2008, LJN BC8667.

4 Vgl. HR 6 januari 2009, LJN BG4193 waar de Hoge Raad ook ambtshalve tot dit oordeel kwam in een zaak waarin de beslagene een klaagschrift had ingediend strekkende tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp en deze tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift in cassatie was gegaan.