Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7948

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
10/04478 M
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2010:BN7748
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7948
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Schuld in de zin van art. 307 Sr en art. 130 WMSr. Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van art. 307 Sr of art. 130 WMSr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het oordeel van het Hof dat wegens het ontbreken van voldoende verwijtbaarheid geen sprake is geweest van min of meer grove of aanmerkelijke schuld als in de tenlastelegging omschreven, geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 307 Sr of art. 130 WMSr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/876
NJB 2012/1532
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04478 M

Mr. Vellinga

Zitting: 27 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De Militaire Kamer van het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 21 september 2010 de verdachte vrijgesproken van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde.

2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte is het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken door mr. G.G.J. Knoops en mr. S.C. Post, beiden advocaat te Amsterdam.

3. Het middel klaagt dat het Hof niet op de grondslag van de tenlastelegging heeft onderzocht en beslist of sprake is van schuld in de zin van art. 307 Sr (en art. 130 Wetboek van Militair Strafrecht), althans dat 's Hofs motivering van de gegeven vrijspraak onbegrijpelijk is.

4. Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende. Op zaterdag 2 juni 2007 vond in Wezep op de Prinses Margriet Kazerne een open dag van de Koninklijke Landmacht plaats. Tijdens die open dag werd een demonstratie gehouden waarbij vier militairen van de Luchtmobiele Brigade vanuit een Lynx helikopter vanaf 30 meter hoogte aan een touw afdaalden. Toen de militairen waren afgedaald is de helikoper weggevlogen, terwijl de afdaallijn van één van de militairen niet van de helikopter en ook niet van de militair zelf was losgekomen. Door het wegvliegen van de helikopter werd deze militair 'gekatapulteerd', is hij vervolgens tegen de grond geslagen en daarna over een aanzienlijke afstand over de grond en tegen obstakels gesleurd. Daardoor is hij ernstig gewond geraakt en nadien aan zijn verwondingen overleden. Verdachte maakte deel uit van de personen die zich in de helikopter bevonden, en was als boordwerktuigkundige/loadmaster belast met het lossnijden van de afdaaltouwen in de helikopter.

5. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, tenlastegelegd dat:

"primair

hij op of omstreeks 02 juni 2007 te of nabij Wezep, gemeente Oldebroek, als boordwerktuigkundige/loadmaster in een helikopter welke op een hoogte van ongeveer 30 meter boven de grond hing, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig een aan die helikopter bevestigd afdaaltouw, waaraan een persoon (te weten [slachtoffer]) - bij gelegenheid van het zgn. abseilen vanuit die helikopter - was bevestigd, althans verbonden, niet op een zodanige plek en/of wijze heeft doorgesneden of losgemaakt dat dat touw los zou komen van de helikopter waardoor dat touw (waaraan voornoemde [slachtoffer]) aan de helikopter bleef bevestigd waarna hij, verdachte, zich er niet (voldoende) van heeft vergewist dat het afdaaltouw - waaraan [slachtoffer] was bevestigd niet meer aan de helikopter bevestigd was en/of zich er onvoldoende van heeft overtuigd of [slachtoffer] zich vrij van de afdaallijn bevond en/of (vervolgens) aan de (eerste) piloot van de helikopter het commando "vier touwen los, voorin overnemen", en/althans "we kunnen", althans in dergelijke bewoording, heeft gegeven, en/althans (daarmee) aan de (eerste) piloot van de helikopter heeft aangegeven dat deze (veilig) kon wegvliegen waarna de (eerste) piloot met die helikopter is weggevlogen waarbij/waarna [slachtoffer] over een afstand van ongeveer vierhonderd meter, althans over een aanzienlijke afstand (geheel of gedeeltelijk) over de grond is (mee)gesleurd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten uitgebreide bloeduitstorting(en) in de borst- en buikholte en schade aan de hersenen, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

subsidiair

hij als militair, in de rang/stand van Sergeant-Majoor, op of omstreeks 02 juni 2007 te of nabij Wezep, gemeente Oldebroek, nadat verdachtes meerdere, Luitenant ter Zee der 2e klasse [betrokkene 1], vooraf te weten op of omstreeks 31 mei 2007 te of nabij Wezep in ieder geval in de periode van 31 mei 2007 t/m 02 juni 2007, het bevel had gegeven om de afdaaltouwen te snijden in plaats van los te koppelen, in ernstige mate nalatig dat dienstbevel niet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij één van de afdaaltouwen, te weten het afdaaltouw waaraan een persoon ([slachtoffer]) was bevestigd, niet op een zodanige plek en/of wijze heeft doorgesneden dat dat touw los komt van de helikopter, waardoor dat touw aan de helikopter bleef bevestigd waarna hij, verdachte, aan de (eerste) piloot van de helikopter het commando 'vier touwen los, voorin overnemen' en/of 'go' en/of 'gaan'(1) althans in dergelijke bewoordingen, heeft aangegeven dat deze (veilig) kon wegvliegen waarna de piloot met die helikopter is weggevlogen waarbij voornoemde [slachtoffer] over een aanzienlijke afstand (geheel of gedeeltelijk) over de grond is (mee)gesleurd en zodanig letsel heeft bekomen dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden."

6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"Vrijspraak

Het primair tenlastegelegde

Bij de beoordeling van het (na wijziging van de tenlastelegging: primair) tenlastegelegde misdrijf "dood door schuld" dienen de volgende vragen onder ogen te worden gezien:

a. heeft verdachte een fout gemaakt;

b. is er voldoende oorzakelijk verband ("causaliteit") tussen de gemaakte fout en de dood van het slachtoffer;

c. is er sprake van schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht, dat wil zeggen: is er sprake van min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid?

Ad a.

Het is niet in geschil dat verdachte een fout heeft gemaakt door de afdaallijn van de sgt-I [slachtoffer] op de verkeerde plaats - namelijk tussen de beide bevestigingspunten in de helikopter en niet aan de buitenzijde van die bevestigingspunten - door te snijden.

Ad b.

Bij het fatale incident zijn naar het oordeel van het hof drie bepalende factoren in aanmerking te nemen.

De eerste factor is dat de afdaler niet los is kunnen komen van de afdaallijn. Mogelijk heeft de korte tijd, die deze afdaler had om los te komen, in combinatie met onvoldoende of zelfs geen getraindheid met het recent daarvoor geïntroduceerde gemodificeerde mechaniek, waarmee hij aan de afdaallijn was verbonden (het PES - Personal Escape System -), hierbij een rol gespeeld. Ondanks onderzoek is niet met voldoende zekerheid vastgesteld kunnen worden wat de oorzaak was van het niet loskomen van de afdaler van zijn afdaallijn.

De tweede factor is de door verdachte gemaakte fout bij het snijden van de afdaallijn in de helikopter. Daardoor is de lijn niet van de helikopter losgekomen. Verdachte heeft dit niet onderkend en aan de vliegers aangegeven, dat de helikopter weg kon vliegen. Verdachte heeft - volgens zijn eigen verklaring - gezegd: "Touwen zijn door" en "Go" of "Gaan".

De derde factor is dat de helikopter laag, met de neus naar beneden en met grote snelheid is weggevlogen. Daardoor is het slachtoffer met grote snelheid de lucht in 'gekatapulteerd', vervolgens tegen de grond geslagen en daarna over een aanzienlijke afstand en met grote kracht over de grond en tegen obstakels gesleurd. Voorts is daardoor pas toen het te laat was gezien, dat er nog een lijn en een persoon aan de helikopter vastzaten.

Naar het oordeel van het hof geldt voor de beide eerstgenoemde factoren dat zij, in hun combinatie, de directe oorzaak van het ongeval vormen. Bij de derde factor blijven een aantal "Wat als?"-vragen onbeantwoord. Zoals de vraag wat er gebeurd zou zijn als de helikopter eerst alleen hoogte had gemaakt en verdachte dan -zoals hij nu heeft gedaan, in een reflex - alsnog de lijn van de helikopter had losgesneden.

Naar het oordeel van het hof is er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, voldoende causaal verband tussen de door verdachte gemaakte fout en de dood van het slachtoffer. Aan dat directe causale verband doet niet af dat ook andere factoren hebben bijgedragen aan het overlijden van het slachtoffer.

Ad c.

Bij de beoordeling van de mate van schuld dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waarbij echter de ernst van het gevolg niet redengevend is voor de mate van schuld.

Over het ongeval en de daaraan ten grondslag liggende factoren is door verschillende instanties gerapporteerd. Een integrale beoordeling is gegeven door:

- de door de Commandant der Strijdkrachten ingestelde Commissie van Onderzoek (rapport van 30 januari 2008);

- de Onderzoeksraad voor Veiligheid (rapport van april 2008);

- dr. W.F. Schmidt en zijn mede-onderzoekers, verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie (Rapportage van een Human Factors analyse naar het luchtvaartongeval tijdens de Landmachtdagen te Wezep op 2 juni 2007; september 2008).

Voor de goede orde merkt het hof op, dat op grond van het bepaalde in artikel 69 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid het rapport van de Onderzoeksraad niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Het hof maakt uit deze rapporten op, dat er in het algemeen onvoldoende aandacht is geweest voor het aspect veiligheid. Dit ondanks het gegeven, dat het slechts ging om een demonstratie en niet om werken onder operationele- of noodomstandigheden. De wens om aan de demonstratie een flitsend ("peppie") karakter te geven is, zo moet helaas worden geconstateerd, ten koste gegaan van de veiligheid.

Zo is onvoldoende onderkend, dat de afdaalprocedures bij de Marine (die de helikopter met boordpersoneel leverde) anders waren dan bij de Landmacht (waartoe de afdalers behoorden) en dat het vooraf maken van eenduidige afspraken over controlemomenten en procedures en het nauwgezet achteraf evalueren van de oefen-en demonstratievluchten juist dan van groot belang is. Dit uitte zich onder meer in het wisselend wel of niet geven van een signaal door de afdalers op het moment dat zij aan de grond stonden en losgekoppeld waren van het touw. Sommige afdalers gaven het volgens de landmachtprocedure voorgeschreven 'thumbs-up' signaal, anderen deden dat niet. Na het vóóroefenen op 31 mei 2007, waarbij bleek dat enkelen wel een signaal gaven, maar anderen niet, werd dit niet besproken. Evenmin was tussen de Landmacht afdaaleenheid en de Marine helikoptercrew besproken dat het PES van één van de afdalers tijdens de oefenvlucht op donderdag 31 mei 2007 haperde. Ook binnen de helikoptercrew zelf is weinig aandacht besteed aan de toepassing van de regelgeving, het op correcte wijze communiceren tijdens de vlucht, het inbouwen van en toezien op controlemomenten met het oog op de juiste uitvoering van handelingen en het nauwgezet evalueren van iedere vlucht. In het kader van het zogenaamde 'crew-concept' had daar bij deze specifieke, niet gangbare procedure, naar het oordeel van het hof meer aandacht aan moeten worden besteed.

Ernstiger lijkt de keuze voor de methode van loskoppelen van de afdaallijnen van de helikopter. Bij de - bij de Marine - gebruikelijke methode maakt de boordwerktuigkundige de lijn met de hand uit beide carabiners los en werpt de lijn naar buiten. Vergissingen als de onderhavige laten zich hierbij moeilijk denken. De gekozen methode (doorsnijden van de lijn) is niet eenduidig geregeld. Bij de Landmacht wordt deze procedure zowel in noodgevallen als bij normaal operationeel optreden toegepast. Bij de Marine wordt de procedure alleen in noodgevallen toegepast en wordt zij wel onderwezen, maar niet geoefend, althans niet door verdachte; hij had deze procedure nooit eerder daadwerkelijk uitgevoerd. Bij deze procedure worden de lijnen in het midden, op de lengteas van de helikopter, doorgesneden. Voor de afdaaloefening bij de Landmachtdagen was echter bepaald dat 'zuinig zou worden gesneden', hetgeen betekende dat niet in het midden van de helikopter, maar zo dicht mogelijk bij het eerste bevestigingspunt van het touw werd gesneden. Hierbij bestaat het gevaar dat de lijn op een verkeerde plaats - tussen het primaire en het secundaire bevestigingspunt - wordt doorgesneden. Dit gevaar is extra groot bij de gebruikte configuratie, waarbij de beide bevestgingspunten in de toch al beperkte ruimte van de Lynxhelikopter in één lijn liggen met de afdaallijn.

Naar het oordeel van het hof is het risico van verkeerd snijden in aanzienlijke mate vergroot door te besluiten tot "zuinig snijden", vanuit de louter budgettair gemotiveerde gedachte, dat daardoor méér afdalingen met dezelfde afdaallijn konden worden gemaakt

Naar het oordeel van het hof treft verdachte niet het verwijt, dat hij zich niet heeft verzet tegen deze wijze van snijden. De procedure is op de woensdag voor de Landmachtdagen buiten zijn aanwezigheid afgesproken en hem eerst op de volgende dag tijdens de briefing voor het vóóroefenen opgedragen door de eerste vlieger, zijn militaire meerdere. Daarna - kort voor de uitvoering van de oefenvlucht - werd de opdracht aangevuld met de mededeling van de toegevoegd Heli Abseil Instructeur dat de touwen kort bij het primaire bevestigingspunt moesten worden doorgesneden. Niet is in te zien waarom nu juist verdachte op voorhand het gevaar van deze methode had moeten inzien, waar zovele anderen dat niet deden. Opgemerkt kan worden dat zowel bij de oefenvlucht (met twee afdalers) als bij twee voorafgaande demonstratievluchten (elk met vier afdalers) zich op dit punt geen problemen hebben voorgedaan.

De fout van verdachte ligt hierin, dat hij de afdaallijn op een verkeerd punt heeft doorgesneden en dat hij aan de vliegers heeft doen weten, dat zij weg konden vliegen, zonder dat hij zich er voldoende van had vergewist, dat de lijnen inderdaad los waren van de helikopter. Dat laatste werd mede in de hand gewerkt door de ongebruikelijke methode van losmaken, waarbij het hierboven beschreven controlemoment bij het uitwerpen van de lijn ontbreekt. In de procedure waarbij de touwen worden doorgesneden en die met het oog op gevaarlijke (nood)situaties of - in elk geval bij de Landmacht - ook bij operationeel optreden inherent een snelle ontkoppeling van touw en helikopter beoogt, is geen specifiek controlemoment voorgeschreven. Daar komt bij dat verdachte juist bij deze vlucht technische problemen had bij zijn communicatie met de cockpit, waardoor hij, in afwijking van de voorgaande oefen- en demonstratievluchten besloot niet van vóór naar achteren te werken, maar éérst de achterste twee lijnen te snijden en daarna de twee voorste. Daarna zou hij, immers voorin de cabine gezeten, op directe wijze met de vliegers kunnen communiceren. Door deze - mogelijk mede door een onterecht gevoel van tijdsdruk veroorzaakte - keuze ontnam hij zichzelf echter het overzicht over de gehele cabinevloer, dat hij wel gehad zou hebben bij van voren naar achteren werken. Daardoor zag hij niet dat een van de achterste lijnen, hoewel hij die had doorgesneden, toch nog aan de helikopter vastzat.

Als het hiervoor genoemde complex van factoren in aanmerking wordt genomen is, naar het oordeel van het hof, de door verdachte gemaakte fout in belangrijke mate mede in de hand gewerkt door de organisatorische omgeving, waarin hij zijn werkzaamheden moest verrichten.

Naar het oordeel van het hof gaat het in die omstandigheden te ver om verdachte de door hem gemaakte fout in strafrechtelijke zin aan te rekenen als grof of aanmerkelijk onachtzaam of nalatig.

Dit leidt het hof tot het oordeel, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Het subsidiair tenlastegelegde

Het bestanddeel "schuld" in artikel 130 van het Wetboek van Militair Strafrecht dient in dezelfde zin beoordeeld te worden als het overeenkomstige begrip in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen dient verdachte dan ook van het subsidiair tenlastegelegde eveneens te worden vrijgesproken."

7. In de toelichting op het middel wordt allereerst aangevoerd dat in de tenlastelegging van het primaire feit een tweetal gedragingen van de verdachte zijn te onderscheiden, te weten enerzijds dat de verdachte een aan de helikopter bevestigd afdaaltouw, waaraan het slachtoffer was bevestigd c.q. verbonden, niet op een zodanige plek c.q. wijze heeft doorgesneden dat dit touw van de helikopter is losgekomen, en verdachte zich er niet (voldoende) van heeft vergewist dat het afdaaltouw niet meer aan de helikopter bevestigd was (eerste fout), en anderzijds dat de verdachte zich er onvoldoende van heeft overtuigd of het slachtoffer zich vrij van de afdaallijn bevond, en het door de verdachte aan de helikopterpiloot geven van het commando dat deze veilig kon wegvliegen (tweede fout). Volgens de toelichting op het middel blijkt uit het bestreden arrest niet, althans onvoldoende duidelijk, of het Hof overeenkomstig de tenlastelegging heeft onderzocht en beslist of genoemde fouten elk afzonderlijk dan wel in combinatie met elkaar schuld in de zin van art. 307 Sr (en art. 130 Wetboek van Militair Strafrecht) opleveren, nu onduidelijk blijft welke "door verdachte gemaakte fout" het Hof bij zijn eindoordeel voor ogen heeft gestaan. Daarbij wordt erop gewezen dat juist de gedraging van het geven van genoemd commando door de verdachte zonder dat hij zich ervan had vergewist dat de lijnen inderdaad los waren van de helikopter, voor de schuldvraag van groter belang zijn dan de andere gedragingen, nu het juist die gedraging is geweest die direct daarop tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.

8. Het Hof heeft de tenlastelegging voor wat betreft het primair tenlastegelegde kennelijk aldus verstaan dat de daarin voorkomende gedragingen van het niet op een zodanige plek c.q. wijze doorsnijden of losmaken van het touw - waardoor het touw aan de helikopter bleef bevestigd -, het niet voldoende vergewissen dat het afdaaltouw niet meer aan de helikopter bevestigd was, het zich er onvoldoende van overtuigen of de afdaler zich vrij van de afdaallijn bevond en het vervolgens geven van bedoeld commando, als één verwijt moeten worden gezien. Die uitleg van de tenlastelegging is niet onbegrijpelijk, en met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar.(2) Het aan de verdachte primair tenlastegelegde verwijt komt er immers op neer dat hij alvorens bedoeld commando te geven de controle op het veilig kunnen wegvliegen, dat wil zeggen de controle op het verbroken zijn van de verbinding tussen de afdaler en de helikopter, achterwege heeft gelaten. Die controle zich kon beperken tot de vraag of het afdaaltouw los was van de helikopter of tot het controleren of de afdaler vrij van het touw was gekomen. Bleek bij één van deze controles dat de verbinding tussen de afdaler en de helikopter verbroken was, dan werd de afdaler immers niet meegesleept. Van grondslagverlating in de in het middel bedoelde zin, is derhalve geen sprake.

9. Voorts wordt geklaagd dat het Hof bij de beoordeling van de schuldvraag een disproportioneel gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van een specifiek controlemoment. Volgens de toelichting op het middel levert het enkele verzuim van het zich niet vergewissen dat de afdaallijnen van de helikopter zijn losgekomen reeds een grove nalatigheid op. Tevens wordt geklaagd dat het Hof heeft nagelaten toe te lichten waarom de door de verdachte gehanteerde procedure bij het doorsnijden van de touwen niet is aangemerkt als een onverantwoorde keuze die kan bijdragen aan het bewijs van schuld in de zin van art. 307 Sr (en art. 130 Wetboek van Militair Strafrecht).

10. Wat betreft laatstgenoemde klacht springt voor alles in het oog dat de omstandigheid dat de verdachte bij het doorsnijden van de afdaallijnen een afwijkende procedure heeft gevolgd, eruit bestaande dat hij van achteren naar voren heeft gewerkt in plaats van andersom, niet als een zelfstandig verwijt aan de verdachte is tenlastegelegd.

11. Bij de beoordeling van genoemde klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Onder schuld als delictbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van art. 307 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.(3)

12. Het Hof heeft blijkens het bestreden arrest ten aanzien van de vraag of sprake is van schuld in de zin van art. 307 Sr geoordeeld dat de door de verdachte gemaakte fout - bestaande uit het op een verkeerd punt doorsnijden van de afdaallijn én het aan de vliegers doen weten dat zij weg konden vliegen, zonder zich er voldoende van te hebben vergewist dat de lijnen inderdaad los waren van de helikopter - in belangrijke mate mede in de hand is gewerkt door de organisatorische omgeving waarin de verdachte zijn werkzaamheden moest verrichten, en het in die omstandigheden te ver gaat hem zijn gemaakte fout aan te rekenen als grof of aanmerkelijk onachtzaam of nalatig.

13. Het Hof heeft bij genoemd oordeel in het bijzonder acht geslagen op de voor de demonstratie - door verdachtes meerderen - gekozen methode voor het losmaken van de afdaallijnen. De vaststellingen van het Hof dienaangaande houden in dat:

- voor het loskoppelen van de afdaallijnen van de helikopter door verdachtes meerderen is gekozen voor de methode van het doorsnijden van de lijnen(4);

- deze methode niet eenduidig is geregeld;

- deze methode bij de Marine, waartoe de helikoptercrew - waaronder de verdachte - behoorde, slechts in noodgevallen wordt toegepast, de methode wel wordt onderwezen, maar niet wordt geoefend, althans niet door de verdachte die deze procedure nooit eerder daadwerkelijk had uitgevoerd;

- bij de methode van het lossnijden van de afdaallijnen de lijnen in het midden, op de lengteas van de helikopter worden doorgesneden(5);

- voor de afdaaloefening bij de Landmachtdagen was bepaald dat 'zuinig zou worden gesneden', hetgeen betekent dat niet in het midden van de helikopter, maar zo dicht mogelijk bij het eerste bevestigingspunt van het touw werd gesneden;

- een dergelijke wijze van zuinig snijden het gevaar in zich bergt dat de lijn op een verkeerde plaats - te weten tussen het primaire en secundaire bevestigingspunt (waar geen spanning op de lijn staat) - wordt doorgesneden;

- bij de gebruikte configuratie, waarbij de beide bevestigingspunten in de beperkte ruimte van de Lynxhelikopter in één lijn liggen met de afdaallijn, genoemd gevaar van verkeerd snijden extra groot is.

14. Voorts heeft het Hof overwogen:

- dat het onvoldoende controleren door verdachte of de afdaallijnen van de helikopter waren losgekomen mede in de hand is gewerkt door de voor verdachte ongebruikelijke methode van losmaken, waarbij geen specifiek controlemoment is voorgeschreven,

- dat het risico van verkeerd snijden in aanzienlijke mate is vergroot door te besluiten tot "zuinig snijden", vanuit de louter budgettair gemotiveerde gedachte, dat daardoor méér afdalingen met dezelfde afdaallijn konden worden gemaakt,

- dat de procedure de afdaallijnen los te snijden op de woensdag voor de Landmachtdagen buiten verdachtes aanwezigheid is afgesproken en hem eerst op de volgende dag tijdens de briefing voor het vóóroefenen is medegedeeld door verdachtes militaire meerdere, te weten de eerste vlieger,

- dat de opdracht later is aangevuld met de mededeling van de toegevoegd Heli Abseil Instructeur dat de touwen kort bij het primaire bevestigingspunt moesten worden doorgesneden,

- dat niet valt in te zien waarom nu juist de verdachte op voorhand het gevaar van de gekozen methode had moeten inzien, waar zovele anderen dat niet deden(6), terwijl zich bij de oefenvlucht als ook bij twee voorafgaande demonstratievluchten zich op dit punt geen problemen hadden voorgedaan;

- dat derhalve de verdachte geen verwijt treft dat hij zich niet heeft verzet tegen deze wijze van snijden, en

- dat de controle of de afdaallijnen van de helikopter waren losgekomen - welke controle bij de gekozen methode niet was voorgeschreven - extra werd bemoeilijkt door de technische problemen die de verdachte had bij zijn communicatie met de cockpit.

15. In het licht van genoemde omstandigheden en overwegingen geeft 's Hos oordeel dat de verdachte zich niet - zoals tenlastegelegd - grovelijk of aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gedragen en de dood van [slachtoffer] dus niet aan zijn schuld als bedoeld in art. 307 Sr is te wijten geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is dit oordeel niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd.

16. In de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat 's Hofs oordeel, voor zover inhoudende dat bij de beoordeling van de mate van schuld de ernst van het gevolg niet redengevend is voor de mate van schuld, onbegrijpelijk is, nu aan de omstandigheid dat het voor de verdachte was te voorzien dat het wegvliegen van de helikopter, zonder dat de lijnen los waren, zonder meer tot de dood van een of meer afdalers zou leiden en daaraan bij de beoordeling van de mate van schuld wel degelijk betekenis mag worden gehecht.

17. Bedoelde overweging dient klaarblijkelijk aldus te worden verstaan dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van bepaald gedrag kan worden afgeleid dat sprake is van merkelijke schuld als bedoeld in art. 307 Sr. Derhalve geeft deze overweging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(7) Voorts ziet de klacht eraan voorbij dat de voorzienbaarheid van het gevolg van een bepaalde gedraging een omstandigheid is die van belang is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of onoplettendheid, maar dat voor de mate van schuld geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van bepaald gedrag kan worden afgeleid dat sprake is van merkelijke schuld als bedoeld in art. 307 Sr en in zoverre aan de ernst van het gevolg geen redengevende kracht voor het bewijs van de aanmerkelijkheid van de schuld toekomt. Een kleine fout kan immers grote gevolgen hebben. Vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252, m.nt. Kn., rov. 3.5, HR 29 april 2008, LJN BD0544, NJ 2008, 440, HR 27 mei 2008, LJN BC7860, NJ 2008, 441, HR 28 oktober 2008, LJN BE9800, HR 29 juni 2010, LJN BL5630, NJ 2010, 674, m.nt. P.A.M. Mevis.

18. Overigens merk ik nog op dat 's Hofs oordeel met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde, inhoudende dat het begrip "schuld" in art. 130 Wetboek van Militair Strafrecht - in de tenlastelegging kennelijk nader omschreven als "in ernstige mate nalatig" - in dezelfde zin dient te worden beoordeeld als het overeenkomstige begrip in art. 307 Sr, gelet op het bepaalde in art. 1 Wetboek van Militair Strafrecht alsmede op de omstandigheid dat de formulering van genoemd art. 130 ten dele is ontleend aan art. 175b Sr juist is(8), met dien verstande dat de culpa in artikel 130 sub 3 Militair Wetboek van Strafrecht betrekking heeft op het niet opvolgen van een ambtsbevel, en niet ook op de dood van een ander.

19. Het middel faalt.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Anders dan in de weergegeven tekst, heeft het Hof in zijn arrest op dit punt de wijziging tenlastelegging niet correct verwerkt.

2 Ik wijs hier terzijde op punt 4.3 van de schriftuur waar de in de schriftuur genoemde eerste en tweede fout toch weer bijeen worden genomen.

3 Vgl. HR 29 juni 2010, LJN BL5630, NJ 2010, 674, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4 (t.a.v. schuld in de zin van art. 308 Sr)

4 De methode van het loskoppelen van de afdaallijnen komt erop neer dat twee musketons moeten worden losgedraaid en de lijn uit de musketon moet worden verwijderd, de lijn vervolgens buiten de helikopter moet worden gehouden om hem te laten vallen om te voorkomen dat de nog in de lijn aanwezig knopen ergens achter blijven haken. De methode van het lossnijden van de afdaallijnen, komt neer op één korte handeling, een snijbeweging, waarna de lijn door zijn eigen gewicht en de downwash van de helikopterrotor zeer snel uit de helikopter wegglijdt (ontleend aan het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid van april 2008, p.32).

5 Voor een goed begrip volgt hier een korte beschrijving - ontleend aan het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid van april 2008, p. 28 - over de wijze waarop de afdaallijnen in de helikopter bevestigd waren. Aan beide zijden van de helikopter was een afdaalsteun gemonteerd, een zogenaamde skygenieplank. Tussen deze skygenieplanken waren twee afdaalbanden, elk met twee paar bevestigingsogen gemonteerd. Aan de bevestigingsogen waren vier afdaallijnen bevestigd, twee aan elke kant van de cabine. Elke afdaallijn bestond uit één stuk en was met musketons dubbel bevestigd aan een afdaalband. De dubbele bevestiging dient ter beveiliging tegen het losschieten van een knoop, waarmee de afdaallijn aan een musketon is bevestigd en als beveiliging tegen het falen van een musketon of een bevestigingsoog. De afdaallijnen waren tegengesteld bevestigd ten opzichte van de afdaalopening, waarbij het primaire bevestigingspunt het punt is dat het verst in de helikopter is gelegen. Op de afdaallijn tussen het primaire en secundaire bevestigingspunt staat geen spanning. De afdaallijn gaat vanaf het primaire bevestigingspunt naar de tegenovergestelde zijde van de cabine waar de abseiler zich bevindt, voordat de afdaling begint.

6 Vgl. HR 29 juni 2010, LJN BL5630, NJ 2010, 674, m.nt. P.A.M. Mevis.

7 Vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252, m.nt. Kn., rov. 3.5 (t.a.v. schuld in de zin van art. 6 WVW 1994).

8 Zie Th. W. van den Bosch, Militair straf-en tuchtrecht, Arnhem: Gouda Quint 1990, aant. 2 op art. 1 WMSr (suppl. 50, januari 2010).