Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7947

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
10/04425
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7947
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 261 Sr. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 261 Sr, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat X als journalist voor het Algemeen Dagblad werkzaam was, dat X in die hoedanigheid contact met hem had en aandacht had voor de kwestie waarover al was gepubliceerd en dat in hoger beroep niet is aangevoerd dat alle in zijn e-mail vermelde feiten, waarop de bewezenverklaring doelt, reeds in de pers waren geciteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/382
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04425

Mr. Vellinga

Zitting: 22 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 2. "poging tot een ander door bedreiging met smaadschrift te dwingen iets te doen" en 3. subsidiair "smaad" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast van een in beslaggenomen en nog niet teruggegeven computer, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. C.F. van Drumpt, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair voor zover inhoudende dat de verdachte heeft gehandeld met het kennelijke doel om aan de inhoud van de door hem verstuurde e-mail ruchtbaarheid te geven.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op een tijdstip in de periode van 22 januari 2009 tot en met 30 januari 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk de eer en de goede naam van [betrokkene 2] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel aan het Algemeen Dagblad en/of [betrokkene 1] - zakelijk weergegeven - medegedeeld dat hij, verdachte, een geschreven verklaring heeft, waarin uitvoerig de seksuele escapades van voornoemde [betrokkene 2] zijn omschreven over bijvoorbeeld het feit dat hij studenten chanteerde om in ruil voor seks goede cijfers te geven."

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van het onder 2 en 3 subsidiair bewezen verklaarde

1. Een geschrift, zijnde een uitdraai van een e-mailbericht, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

From: [Verdachte]

Sent: donderdag 22 januari 2009 1:14

To: [emailadres]

Subject: Uw verleden achterhaalt u wel

Beste Gerard,

Ik heb een geschreven verklaring van mijn wijlen schoonvader Professor en Emeritus Magnificus [betrokkene 3] waarin uw seksuele escapades uitvoerig omschreven zijn, waarin u bijv. studenten chanteerden in ruil voor seks en daarvoor goede cijfers gaf.

Deze brief gaat naar Geert Wilders indien u niet excuses maakt aan Geert Wilders en afziet van uw zaak tegen Geert Wilders.

Mocht u toch doorgaan met uw hetze tegen de vrijheid van meningsuiting dan zal deze brief naar alle media in Nederland en Suriname gaan omdat de waarheid uiteindelijk het altijd wint van onrecht en deze feiten eenmaal aan het licht het einde van uw carrière zullen zijn.

Met vriendelijke groeten en in afwachting van uw antwoord,

[Verdachte]

Levenspartner van [betrokkene 4] gedurende al 17 jaar.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 22 januari 2009 heb ik uit boosheid een e-mail aan [betrokkene 2] gestuurd. Mijn vrouw was al naar bed, toen ik (het hof begrijpt: vanuit mijn woning te [woonplaats]) om 01.00 uur de e-mail verstuurde.

Enkele dagen na het verzenden van mijn e-mail zag ik in de ochtendkrant een zin uit die e-mail staan. Voorts las ik in de krant dat [betrokkene 2] aangifte had gedaan.

Ik ben door [betrokkene 1] van het Algemeen Dagblad per e-mail benaderd. Hij gaf mij in die e-mail zijn mobiele telefoonnummer en vroeg mij om hem te bellen inzake [betrokkene 2]. Dat heb ik gedaan. Daarna belde hij mij, voor zover ik het mij kan herinneren, terug. Op vragen van [betrokkene 1] heb ik uitgelegd waarom ik de e-mail aan [betrokkene 2] heb verstuurd. Ik heb hem verteld over mijn boosheid en frustratie. Ook heb ik (het hof begrijpt: vanuit mijn woning te [woonplaats]) op verzoek van [betrokkene 1] de e-mail die ik op 22 januari 2009 aan [betrokkene 2] had gestuurd aan hem doorgestuurd.

Op 31 januari 2009 ben ik aangehouden en is mijn computer in beslag genomen.

3. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 2] van 14 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. J.E. Bruinsma, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 juni 2010 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

De e-mail van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) van 22 januari 2009 sprong eruit qua ernst van de bedreigingen en ook gelet op de aard van de beschuldigingen. Ik voelde mij door deze e-mail buitengewoon gegriefd en in mijn eer en integriteit aangetast. Deze e-mail bevat namelijk een verholen zinspeling op een beschuldiging uit het verleden dat ik in Paramaribo seksuele contacten met minderjarigen zou hebben gehad. Deze beschuldiging is volkomen onwaar. In mijn positie als strafrecht advocaat kan ik mij niet de geringste verdenking van een zodanig feit veroorloven. Het is juist dat ik in die periode een stroom van e-mail ontving (het hof begrijpt: op mijn kantoor te Amsterdam), waarin ik werd bedreigd met moord, doodslag, castratie en wat niet al. Van de meest ernstige van die bedreigingen heb ik ook aangifte gedaan. Maar déze e-mail zinspeelde op seksuele handelingen, dit zit in de privé-sfeer. Deze man probeert mij in mijn hart en in mijn integriteit te raken.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde

4. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] van 21 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. J.E. Bruinsma, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 juni 2010 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Tot augustus 2009 was ik als journalist in dienstbetrekking bij het Algemeen Dagblad. U laat mij de publicaties zien over de haatmails aan [betrokkene 2] in het Algemeen Dagblad van 29 en 30 januari 2009. De beide artikelen in het AD zijn van mijn hand. Ik heb lang telefonisch gesproken met [verdachte] (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte), hij was wel een prater. Hij kwam met dat hele verhaal over zijn schoonvader en de handgeschreven brief die deze zou hebben achtergelaten. Ik had sterk het gevoel dat hij zich aan het verdedigen was. Daarom kwam hij ook met dat hele verhaal over zijn schoonvader en de handgeschreven brief die deze zou hebben achtergelaten. Ik kan mij niet herinneren dat hij heeft gezegd dat hij niet wilde dat over deze kwestie werd gepubliceerd. Ik heb mij de inhoud van de e-mail laten vertellen door [verdachte], die dat uitvoerig heeft gedaan. Als [verdachte] zegt dat hij mij de e-mail heeft gestuurd, dan zou dat kunnen.

5. Een geschrift, zijnde een artikel, gepubliceerd op 30 januari 2009 op www.ad.nl (dossierpagina 23) voor zover van belangen zakelijk weergegeven:

In zijn mail aan [betrokkene 2] laat [verdachte] weten een 'geschreven verklaring' te hebben van zijn inmiddels overleden schoonvader hoogleraar [betrokkene 3], in de brief, zegt [verdachte] 'zijn uw seksuele escapades uitvoerig omschreven, waarin u bijvoorbeeld studenten chanteerde in ruil voor seks en daarvoor goede cijfers gaf. [Verdachte] dreigt in de mail de brief wereldkundig te maken als [betrokkene 2] geen excuses maakt aan Wilders en niet afziet van zijn zaak.

6. Een geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 2] gericht aan de hoofdofficier van justitie te Amsterdam, gedateerd 30 januari 2009, inhoudende de verzoeken om [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) te vervolgen wegens het misdrijf smaad althans poging daartoe en deze brief als de wettelijk vereiste klacht te beschouwen."

6. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof het volgende overwogen:

"Onduidelijk is gebleven op welke wijze de pers in eerste instantie de informatie heeft verkregen die ten grondslag heeft gelegen aan de publicaties in de Volkskrant van 28 januari 2009 en in de Telegraaf van 29 januari 2009. Wel is gebleken dat de verdachte de e-mail die hij op 22 januari 2009 aan [betrokkene 2] had gestuurd op enig moment vóór 31 januari 2009 heeft doorgestuurd aan [betrokkene 1] - al dan niet na door deze hier om te zijn gevraagd -, wetende dat deze [betrokkene 1] werkzaam was als journalist voor het Algemeen Dagblad en in die hoedanigheid contact had met de verdachte, en wetende dat deze journalist aandacht had voor deze kwestie nu er al over was gepubliceerd. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte hiermee het kennelijke doel had ruchtbaarheid te geven aan de in de e-mail genoemde feiten. Het hof acht daarom dit delictsbestanddeel wel bewezen ten aanzien van het Algemeen Dagblad en/of [betrokkene 1]."

7. Volgens de toelichting op het middel kan uit de nadere bewijsoverweging noch uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen dat de verdachte met de journalist van het Algemeen Dagblad sprak over de inhoud van het door hem aan [betrokkene 2] gezonden mailbericht met het kennelijke doel ruchtbaarheid te geven aan de in dat bericht gestelde belastende beweringen.

8. Onder "ruchtbaarheid geven" als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan "het ter kennis van het publiek brengen".(1) Met zodanig 'publiek' is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.(2) Ook beschuldigingen die niet publiekelijk zijn gedaan of slechts aan één persoon zijn geuit kunnen zijn gedaan met het kennelijke doel om daar ruchtbaarheid aan te geven, bijvoorbeeld wanneer een dergelijke uitlating slechts wordt gedaan aan één persoon, maar degene die deze uitlating doet bedoelt aan hetgeen hij mededeelt ruchtbaarheid te geven.(3) De enkele telastlegging van een bepaald feit aan een persoon met een publieke functie is daarentegen niet voldoende. Vereist is steeds dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de desbetreffende uitlating is gedaan met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven.(4)

9. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat ook al is eerder gepubliceerd over het gewraakte mailbericht aan [betrokkene 2] dit niet in de weg staat aan het oordeel dat de verdachte zich tegenover de journalist van het Algemeen Dagblad heeft uitgelaten over voornoemd bericht met het kennelijke doel aan de inhoud daarvan ruchtbaarheid te geven. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvattingen is niet onbegrijpelijk.

10. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft de verdachte, daartoe bij e-mail verzocht naar aanleiding van het door verdachte aan [betrokkene 2] gestuurde mailbericht, telefonisch contact gezocht met [betrokkene 1], die de verdachte - naar hem bekend was - sprak in zijn hoedanigheid van journalist bij een landelijk dagblad. In dat gesprek heeft de verdachte aan [betrokkene 1] uitvoerig de inhoud van het door hem aan [betrokkene 2] gestuurde mailbericht verteld en vervolgens het door hem aan [betrokkene 2] toegestuurde mailbericht aan [betrokkene 1] doorgezonden.

11. In aanmerking genomen dat door de verdachte niet is gesteld en het Hof ook niet heeft vastgesteld dat de inhoud van dat mailbericht publiekelijk geheel bekend was, dat hetgeen [betrokkene 1] over zijn gesprek met verdachte verklaart op het tegendeel wijst en de verdachte, in plaats van het bij e-mail gedane verzoek contact op te nemen met de journalist [betrokkene 1] over het onderhavige mailbericht te negeren, op dat verzoek is ingegaan en zich daarbij niet heeft beperkt tot bevestiging van hetgeen [betrokkene 1] reeds bekend was uit publicaties in dagbladen doch uitvoerig de inhoud van het mailbericht aan [betrokkene 1] heeft verteld, geen afstand van de inhoud van dat mailbericht heeft genomen doch heeft verteld dat hij zich ter verdediging van het zenden van het onderhavige mailbericht aan [betrokkene 2] beriep op een handgeschreven brief van zijn schoonvader en in zijn gesprek met [betrokkene 1] uiting heeft gegeven aan zijn boosheid en frustratie, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte aan [betrokkene 1] over de inhoud van bedoeld mailbericht heeft verteld met het kennelijk doel (uitgebreider) ruchtbaarheid te geven aan de door hem aan het adres van [betrokkene 2] gedane beschuldiging.

12. Aan het voorgaande doet niet af dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat het doorsturen van de aan [betrokkene 2] gestuurde e-mail geen kwaad kon omdat deze daarvóór al in de pers werd geciteerd. Uit die omstandigheid volgt immers niet dat de inhoud van het gehele bericht publiekelijk bekend was. Dat de inhoud van het gehele bericht niet publiekelijk bekend was ligt ook besloten in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] dat hij verdachte de inhoud van de e-mail heeft laten vertellen.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt dat de artikelen 8 en 10 EVRM zijn geschonden, nu uit het arrest niet valt af te leiden dat het Hof de in die artikelen voorgeschreven noodzakelijkheidstoets met betrekking tot de beperking van de vrijheid van meningsuiting c.q. de inmenging van de persoonlijke levenssfeer heeft uitgevoerd.

15. Primair wordt in de toelichting op het middel de opvatting gehuldigd dat de aard van het tenlastegelegde uitingsdelict (smaad) de rechter verplicht in zijn uitspraak rekenschap af te leggen van toetsing aan de voorwaarden voor inperking van de in de artikelen 8 en 10 EVRM genoemde grondrechten. Die opvatting vindt evenwel geen steun in het recht.

16. Subsidiair klaagt het middel dat het Hof ten onrechte heeft verzuimd te reageren op hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2010, houdt als verklaring van de verdachte, voor zover van belang, in:

"Ik ben ten onrechte veroordeeld. Ik ben slechts opgekomen voor de vrijheid van meningsuiting van anderen. Ik ben op de hoogte van strafbare feiten die door [betrokkene 2] in het verleden zijn begaan. Door het openbaren daarvan via de e-mail heb ik slechts mijn vrije mening geuit aan [betrokkene 2]. Ik heb geen reactie van [betrokkene 2] ontvangen. Ik heb gebruik gemaakt van mijn recht op vrije meningsuiting om datzelfde recht te verdedigen. [Betrokkene 2] geeft zelf zwart op wit toe dat hij de strafbare feiten heeft gepleegd. Ik heb daarvan bewijzen."

17. Volgens de toelichting op het middel had het Hof bovenstaand verweer van de verdachte moeten opvatten als een beroep op art. 10 EVRM, met name omdat de raadsman van de verdachte in eerste aanleg ook al verweer had gevoerd met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting, en had het Hof op dat verweer ingevolge art. 358 lid 3 jo. 359 lid 2 Sv gemotiveerd moeten reageren.

18. In aanmerking genomen dat door de verdachte niet is gesteld dat het bepaalde in art. 261 Sr een ongeoorloofde inbreuk vormt op de in art. 10 lid 1 EVRM verwoorde vrijheid van meningsuiting, alsmede dat de verdachte in hoger beroep werd bijgestaan door een raadsman, dezelfde als in eerste aanleg, en die raadsman kennelijk geen aanleiding heeft gezien om hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht nader te onderbouwen of uit te werken,(5) heeft het Hof hetgeen door de verdachte naar voren werd gebracht niet behoeven op te vatten als een verweer als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv.

19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 22 januari 1965, LJN AC4535, NJ 1965, 131 en HR 8 juli 2008, LJN BC9186, NJ 2008, 430.

2 HR 8 juli 2008, LJN BC9186, NJ 2008, 430.

3 Vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 261, aant. 2 (suppl. 132. augustus 2005).

4 Vgl. HR 30 januari 2001, NJ 2001, 183 en HR 2 november 2004, NJ 2004, 691.

5 Vgl. HR 20 februari 2007, LJN AZ5717, NJ 2007, 146.