Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7944

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
10/02643
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7944
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer(exces) en culpa in causa. HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN AU8087 en HR LJN BM7508. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich zonder noodzaak daartoe zichtbaar voor voorbijgangers bij zijn tuinpoort heeft opgesteld waaruit het Hof heeft afgeleid dat de verdachte zelf de confrontatie heeft gezocht, althans het op zijn minst daarop heeft laten aankomen, en dat het gelet hierop niet aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf of goed dan wel door een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Die feiten en omstandigheden sluiten op zichzelf niet uit dat ten aanzien van de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gedragingen sprake was van noodzakelijke verdediging in de zin van art. 41 Sr en vormen onvoldoende grond om aan te nemen dat hier sprake is van uitlokking door provocatie die aan de aanvaarding van het beroep op noodweer in de weg kan staan. De verwerping van het verweer is dus ontoereikend gemotiveerd. Het oordeel van het Hof dat de verdachte de confrontatie had kunnen en moeten vermijden door alsnog weg te gaan is, mede in het licht van hetgeen door de raadsman en de verdachte is aangevoerd, inhoudende dat de verdachte zijn huis niet binnen durfde te gaan omdat hij bang was dat X, Y en Z hem naar binnen zouden volgen terwijl zijn vrouw en kind daar lagen te slapen niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 262
VA 2013/26 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NJ 2012/380
RvdW 2012/869
NJB 2012/1536
mr. A.P. Verhaegh annotatie in NBSTRAF 2012/262
M.L.C.C. de Bruijn-Lückers annotatie in JIN 2012/146
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02643

Mr Jörg

Zitting: 17 april 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te 's-Gravenhage, heeft bij arrest van 3 juni 2010 verzoeker wegens zware mishandeling en poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 110 uren, subsidiair 55 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft tevens een stuk gereedschap verbeurd verklaard en de teruggave aan verdachte gelast van een aantal voorwerpen. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen. [betrokkene 1] en [betrokkene 2], niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Namens de benadeelde partijen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], heeft mr. dr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij twee afzonderlijke schrifturen één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het namens verzoeker voorgestelde middel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

5. Ten laste van verzoeker is onder respectievelijk 1 primair en 2 primair bewezen verklaard dat:

"hij op 29 december 2007 te [plaats], aan een persoon genaamd [betrokkene 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een scheur in de schedel en een gebroken rib), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen met een steel van een voorhamer tegen het hoofd en de romp te slaan;

hij op 29 december 2007 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [betrokkene 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [betrokkene 2] met een steel van een voorhamer met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

6. Ter zitting in hoger beroep heeft verzoeker, voor zover hier van belang, de volgende verklaring afgelegd:

"Op 29 december 2007 verliet ik rond 2.30 uur in [plaats], café [A]. Dit café is gevestigd aan [de a-straat]. Ik had daar ongeveer 10 fluitjes bier gedronken in een tijdbestek van 3 uur. Ik was helder voor mijn gevoel. Ik liep richting mijn huis aan [b-straat 1] in [plaats]. Mijn huis is gelegen op zo'n 300 tot 400 meter van dat café. Ik liep door het zogenoemde "[B]", een parkje. Ik hoorde herrie. Ik dacht aan herriemakende jeugd, waar ik wel vaker last van heb. Ook andere mensen hebben last van luidruchtige jeugd. Ze vernielen de boel, gebruiken drugs en dan komt de politie langs. Dat zorgt voor overlast gedurende de nachtelijke uren. Ik zag in "[B]" twee jongens, naar later bleek, [betrokkene 1] en [betrokkene 3], zich schuldig maken aan vandalisme. Ik zei tegen hen iets van "Hee, Hou op. Wat moet dat?" De afstand tussen mij en hen bedroeg toen zo'n 25 meter. Zij reageerden en riepen: "Waar bemoei je je mee? Je moet je bek houden". Ik vluchtte daarop naar huis, want de sfeer werd agressief. Ze liepen naar me toe en er ontstond een handgemeen tussen mij en hen. Het was wat duw-en-trek werk. Ik zag dat [betrokkene 1] wegrende. Daarna pakte ik [betrokkene 3] beet. Ik wilde hem meenemen naar huis om daar vervolgens de politie te bellen en hem aan de politie te overhandigen. Ik liep met [betrokkene 3] richting mijn huis. Halverwege zag ik dat [betrokkene 1] teruggekomen was met zijn broer [betrokkene 2]. [Betrokkene 2] bedreigde mij. Ik hoorde hem iets zeggen over een mes. Dat mes heb ik niet gezien. Ik heb [betrokkene 3] losgelaten en ik ben alleen naar huis gegaan. Ik rende naar huis, want ik voelde me bedreigd. Toen ik bij mijn huis aangekomen was, besloot ik om niet naar binnen te gaan, want ik hoorde mensen aankomen van wie ik vermoedde dat het [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 3] waren. Ik kon wel naar binnen gaan, maar ik heb dat niet gedaan. Ik pakte een steel van mijn voorhamer uit mijn schuur en ik wachtte hen op bij mijn tuinpoort. Ik durfde niet mijn huis binnen te gaan, omdat ik bang was dat ze mij naar binnen zouden volgen, terwijl mijn vrouw en mijn kind daar lagen te slapen. Ik voelde mij bedreigd door hetgeen kort daarvoor was gebeurd in "[B]". Ik had me aan een confrontatie kunnen onttrekken door via de zijdeur mijn woning binnen te gaan, maar dat heb ik niet gedaan. De tuinpoort kan deels gesloten worden. Ik stelde mij op in/voor de opening van de tuinpoort, zichtbaar voor voorbijgangers, met de steel van de voorhamer in mijn hand. Links voor de poort stond een bestelbus, maar die stond niet in de weg. [Betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 3] kwamen van rechts. Ze vielen mij aan. Ik weet niet meer of ze me één voor één aanvielen of met z'n drieën tegelijk. Er volgde een snelle vechtpartij. [Betrokkene 1] heb ik toen en daar opzettelijk meerdere malen met de steel van die voorhamer tegen het hoofd en de romp geslagen. [Betrokkene 2] heb ik met de steel van die voorhamer met kracht tegen het hoofd geslagen.

Ik ben ook gewond geraakt. Ik heb letsel aan mijn knie en een bloedneus opgelopen. De vechtpartij vond plaats zo'n dertig centimeter buiten mijn tuinpoort."

7. Omdat verzoeker aldus de primair aan hem tenlastegelegde feiten heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit, heeft het hof in de bijlage bij het bestreden arrest volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Onderaan die opgave heeft het hof nog wel een nadere bewijsoverweging opgenomen. Die bewijsoverweging luidt als volgt:

"Het hof acht voor de bewezenverklaring voorts redengevend dat de verdachte zich tijdig aan de confrontatie met de aangevers had kunnen onttrekken door via de zijdeur zijn woning binnen te gaan, zoals door hem ter terechtzitting in hoger beroep verklaard."

8. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van verzoeker aldaar betoogd dat zijn cliënt moest worden ontslagen van alle rechtsvervolging; primair wegens noodweer, subsidiair wegens noodweerexces en meer subsidiair wegens putatief noodweer(exces). Het hof heeft in het bestreden arrest als volgt op dit verweer gerespondeerd:

"Het hof gaat - gelet op de gebezigde bewijsmiddelen - uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is na een fysieke confrontatie tussen hem en [betrokkene 3] en [betrokkene 1] in het zogenoemde [B] in [plaats] richting zijn huis aan [de b-straat 1] gerend. Bij zijn huis aangekomen heeft de verdachte een steel van een voorhamer uit de schuur gepakt en deze ter hand genomen, waarna hij zich in of voor de opening van de tuinpoort voor zijn huis heeft opgesteld in afwachting van de eventuele komst van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] met wie hij eerder bedoelde confrontatie had gehad in "[B]", en van wie verdachte vermoedde dat zij hem achtervolgden. De verdachte heeft [betrokkene 1] en [betrokkene 2], die tevoren niet bekend waren met verdachtes adres, met de steel van bedoelde voorhamer geslagen toen zij zich vergezeld van [betrokkene 3], even later in/voor bedoelde tuinpoort vertoonden.

Het hof stelt - mede gelet op de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring vast dat deze confrontatie in/voor bedoelde tuinpoort door de verdachte vermeden had kunnen en moeten worden. De verdachte heeft zich immers, zichtbaar voor voorbijgangers, bij zijn tuinpoort opgesteld terwijl daartoe geen noodzaak bestond. Hij heeft zodoende de confrontatie gezocht, althans het op zijn minst daarop laten aankomen, terwijl hij nu juist kort daarvoor in "[B]" reeds een handgemeen had voor de verdachte reden had moeten zijn geweest om een tweede confrontatie niet te zoeken of het daarop te laten aankomen.

Het hof acht het, gelet op het vorenoverwogene, niet aannemelijk geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf of goed dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Van putatief noodweer(exces) is evenmin sprake. De verdachte kon en behoorde in te zien dat zich geen situatie voordeed waarin hij genoodzaakt was met de hamersteel - een geducht wapen - op de jongens in te slaan. Dat handelen is verwijtbaar.

Het hof verwerpt derhalve het beroep in al zijn onderdelen."

9. Het middel valt in het bijzonder over de overweging van het hof dat verzoeker de confrontatie bij zijn tuinpoort zelf heeft opgezocht, terwijl hij die (tweede) confrontatie gelet op de vechtpartij die daarvoor in "[B]" had plaatsgevonden beter uit de weg had kunnen gaan, door bijvoorbeeld - zo leid ik af uit de nadere bewijsoverweging - de zijdeur van zijn woning binnen te gaan. Daarmee miskent het hof - aldus het middel - dat ook iemand die de confrontatie niet uit de weg gaat, in een situatie terecht kan komen waarin hij genoodzaakt is zich te verdedigen tegen het geweld waarmee hij wordt geconfronteerd.

10. Het middel heeft een punt. Indien het hof heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het beroep op noodweer wordt verworpen wegens het ontbreken van de noodzaak tot verdediging omdat verzoeker bewust de confrontatie heeft gezocht, althans het daarop heeft laten aankomen, getuigt 's hofs oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat iemand zich willens en wetens in een situatie begeeft waarin een tegenreactie van het latere slachtoffer te verwachten was, staat aan het slagen van het beroep op noodweer niet in de weg.(1) De overwegingen van het hof kunnen echter - in het licht van de nadere bewijsoverweging - ook aldus worden gelezen dat van een noodweersituatie geen sprake is, omdat verzoeker de confrontatie uit de weg had moeten gaan. Die redenering kan de verwerping van het verweer mijns inziens evenmin dragen. Verzoeker heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij na het handgemeen in "[B]" [betrokkene 3] mee naar huis wilde nemen om aldaar de politie te bellen, maar dat hij - nadat hij de gebroeders [betrokkene 1 en 2] terug zag komen - naar huis is gerend, omdat hij zich bedreigd voelde. Eenmaal bij zijn huis aangekomen is hij niet naar binnen gegaan, omdat hij vermoedde dat hij door de gebroeders [betrokkene 1 en 2] en [betrokkene 3] werd achtervolgd en zijn vrouw en kind binnen lagen te slapen. Onder die omstandigheden kan een beroep op noodweer niet worden verworpen op de grond dat verzoeker zich aan de confrontatie met de aangevers had kunnen onttrekken door via de zijdeur zijn huis binnen te gaan.(2)

Het beeld zou kantelen als verzoeker [betrokkene 3] en de gebroeders [betrokkene 1 en 2] had uitgelokt hem achterna te komen ten einde hen daar te provoceren tot een aanval waartegen hij zich dan zou verdedigen. Dit valt echter in de overwegingen van het hof niet te lezen en evenmin in de verklaring van verzoeker ter terechtzitting, waar hij verklaart dat de drie personen van rechts kwamen en verzoeker aanvielen; er volgde een snelle vechtpartij. Hoe verstandig het misschien ook is om een mogelijke conflictsituatie uit de weg te gaan, verzoeker was gerechtigd zich met een houten steel bij zijn eigen tuinpoort op te stellen, in afwachting van wat er zou gebeuren.

11. Het middel slaagt; terugwijzing moet volgen.

12. De namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen behelzen de klacht dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd de benadeelde partijen, [betrokkene 2] en [betrokkene 1], niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun vordering omdat deze niet van zodanige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

13. Aangezien na terugwijzing bij gegrond bevinding van het beroep op noodweer geen straf of maatregel wordt opgelegd zodat de vorderingen op een andere grond niet-ontvankelijk zullen zijn, dan wel bij verwerping van dat beroep gevolgd door strafoplegging inmiddels een ander, strenger, wettelijk criterium voor de beoordeling van de vordering van de benadeelde partijen geldt,(3) lijkt het mij aangewezen om het middel van de benadeelde partijen niet te bespreken.

14. Het middel van verzoeker slaagt. De namens de benadeelde partijen ingediende middelen blijven onbesproken. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te 's-Gravenhage, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vgl. HR 7 december 2010, LJN BO1267 en HR 28 maart 2006, LJN AU8087, NJ 2006, 509, m.nt. Y. Buruma. Zie in dit verband ook: T. Bertens, Eigen schuld en noodweer, in Welberaden. Beschouwingen over de rechtsontwikkeling in de rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden, onder redactie van M.J.A. Duker, L.J.A. Pieterse en A.J.P. Schild, Nijmegen, 2009, p. 1-13.

2 Vgl. HR 22 november 2011, LJN BT6449; HR 15 november 2011, LJN BQ6110 en HR 12 juli 2011, LJN BQ6720.

3 Art 1, onderdeel I onder 3 van de Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Stb. 2010, 1, in werking getreden op 1 januari 2011, Stb. 2010, 291) bepaalt als volgt:

"Artikel 361 wordt als volgt gewijzigd:

...

Het derde lid, komt als volgt te luiden:

3. Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van dit onderdeel is niet in een afwijkende overgangsregel voorzien, zodat de grondregel toepassing vindt dat processuele wijzigingen onmiddellijke werking hebben.