Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7838

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11/01766
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7838
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Herroeping vonnis; begrip ‘stukken’ in de zin van art. 382 aanhef en onder b Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/828
JWB 2012/284
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/01766

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 13 april 2012

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerster]

In deze zaak betreffende een vordering tot herroeping van een vonnis, wordt onder meer de vraag aan de orde gesteld wat moet worden verstaan onder "stukken" in de zin van art. 382, aanhef en onder b Rv.

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Bij vonnis in kort geding van 26 februari 2002 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage eiser tot cassatie, [eiser], onder meer bevolen de verbouwing van (een deel van) de (toenmalige) echtelijke woning van hem en verweerster in cassatie, [verweerster], tot appartementen stop te zetten, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag (tot een maximum van € 100.000,-).

1.2 Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft dit vonnis bij arrest van 14 april 2004 bekrachtigd.

1.3 Bij vonnis van 24 oktober 2007 heeft de rechtbank 's-Gravenhage geoordeeld dat [eiser] wegens overtreding van het rechterlijk bevel dat is gegeven bij vonnis van 26 februari 2002, € 100.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, het volgende geoordeeld:

"4.26. [Verweerster] heeft gesteld (...) dat de gemeente Oegstgeest [eiser] halverwege 2001 - onder meer - een vergunning heeft verleend voor het aanbrengen van een wijziging in de voorgevel van de reeds bestaande uitbouw aan de oostzijde van de woning, bestaande uit de plaatsing van een nieuwe voordeur (met verplaatsing van een muur), en voor de plaatsing van een extra verdieping op die uitbouw. Het zijn deze werkzaamheden waarop haar bezwaren zich richten, aldus [verweerster]. (...)

4.27. (...) Meer in het bijzonder stelt [eiser] dat de gemeente Oegstgeest deze werkzaamheden al in 1997 aan [verweerster] en hem heeft toegestaan door daarvoor in dat jaar een bouwvergunning te verlenen."

1.4 Bij arrest van 14 juli 2009 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage de vordering van [eiser] tot herziening van het hiervoor onder 1.2 genoemde arrest van 14 april 2004, en tot gegrondverklaring van het hoger beroep, afgewezen. Het hof heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen:

"2. Uit een door de man overgelegde brief van de gemeente Oegstgeest van 8 juli 2008 blijkt duidelijk, dat er geen goedgekeurde wijziging van de bouwvergunning van november 1997 is, er geen aanvraag is voor een wijziging bouwvergunning om een voordeur, een extra verdieping of om een deel van de woning om te bouwen tot appartementen en er op verzoek van de welstandscommissie wijziging in detailleringen is aangebracht. (...)

4. (...) Met de vrouw is het hof van oordeel, dat gesteld al dat de feiten zouden komen vaststaan, zoals de man stelt, dit niet de conclusie wettigt dat sprake is van bedrog.

Immers: zo de vrouw in eerdere procedures heeft gesteld dat de man zonder haar instemming enige bouwvergunning had gekregen gaat het daarbij erom dat de man feitelijk zonder haar instemming en zonder de vrouw daarvan in kennis te stellen aan de woning ingrijpende verbouwingen heeft verricht, terwijl zij als mede-eigenares recht erop had om aan dergelijke werkzaamheden haar toestemming te verlenen dan wel te weigeren. Dat zij zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat de man die verbouwingen verrichtte op basis van een buiten haar om aangevraagde en verleende bouwvergunning, terwijl achteraf mogelijk kan worden vastgesteld, dat die stelling onjuist was omdat de bouwvergunning geschiedde op basis van een reeds verleende vergunning maakt niet dat de vrouw bij het innemen van genoemde stelling in de procedure zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog."

1.5 [Eiser] heeft [verweerster] bij dit geding inleidende dagvaarding van 18 september 2009, gevolgd door een herstelexploot van 17 december 2009, gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en heeft daarbij gevorderd dat de rechtbank het in 1.3 genoemde vonnis van 24 oktober 2007 herroept en bepaalt dat hij geen € 100.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd.

1.6 [Eiser] heeft zijn vordering in de eerste plaats gebaseerd op art. 382, aanhef en onder b Rv.(2). Volgens [eiser] zijn de in rechtsoverweging 4.26 van het vonnis van 24 oktober 2007 vastgestelde feiten (dat hij in 2001 een nieuwe vergunning heeft aangevraagd en heeft gekregen om een extra verdieping boven de bestaande uitbouw, een nieuwe voordeur en muur te bouwen aan de woning te Oegstgeest) vals, nu het hof in zijn arrest van 14 juli 2009 heeft geoordeeld dat uit een door hem overgelegde brief van de gemeente Oegstgeest van 8 juli 2008 blijkt dat er geen aanvraag is voor een wijziging van de bouwvergunning van november 1997. Dit heeft, aldus [eiser], tot gevolg dat de grond voor het oordeel dat hij € 100.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd, onjuist is.

1.7 Daarnaast heeft [eiser] het bepaalde van art. 382, aanhef en onder c Rv. aan zijn vordering ten grondslag gelegd en daartoe aangevoerd dat de advocaat van [verweerster] tijdens het op 23 april 2007 gehouden pleidooi heeft achtergehouden dat [betrokkene 1], hoofd bouwzaken van de gemeente Oegstgeest, hem in een gesprek op 11 april 2007 heeft meegedeeld dat [eiser] in 2001 geen bouwvergunning heeft aangevraagd. Volgens [eiser] is de rechtbank door de advocaat onvolledig geïnformeerd over de inhoud van dit gesprek en heeft de advocaat van [verweerster] in strijd met de art. 21 en 22 Rv. gehandeld omdat hij de briefwisseling tussen hem en de gemeente van 17 april en l mei 2007 niet in de bodemprocedure heeft ingebracht.

1.8 [Verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.9 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 10 februari 2010 een comparitie bevolen, die is gehouden op 10 augustus 2010. Vervolgens heeft de rechtbank bij eindvonnis van 27 oktober 2010 de vordering van [eiser] afgewezen voor zover deze is gebaseerd op art. 382, aanhef en onder b Rv. en [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover deze is gebaseerd op art. 382, aanhef en onder c Rv.

1.10 [Eiser] heeft tegen dit vonnis - tijdig(3) - cassatieberoep(4) ingesteld.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

[Eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht(5).

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.4 en 4.8 (in samenhang met rov. 4.9 en de beslissing onder 5), waarin de rechtbank als volgt heeft overwogen:

"Artikel 382 aanhef en onder b Rv

(...)

4.4. [Eiser] verwijt de rechtbank in het vonnis van 24 oktober 2007 ten onrechte als feit te hebben aangenomen dat hij in 2001 bij de gemeente Oegstgeest een bouwvergunning heeft aangevraagd en gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze grond voor herroeping niet slagen. Het gaat in artikel 382 onder b Rv niet om "feiten" waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of vastgesteld, maar om "stukken" waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of vastgesteld. Met de stukken uit artikel 382 Rv zijn bedoeld de bewijsstukken, waarop een partij zich heeft beroepen, zoals brieven en akten. Processtukken, zoals een conclusie van antwoord, een conclusie van dupliek of een pleitnotitie waarin onjuiste feiten voorkomen, zijn geen valse stukken in de zin van artikel 382 aanhef en onder b Rv.

Artikel 382 aanhef en onder c Rv

(...)

4.8. De rechtbank volgt [eiser] niet in deze stelling. [Eiser] doelt kennelijk op de passage in Tekst en Commentaar waarin onder verwijzing naar artikel 384 Rv wordt gesteld dat de vordering tot herroeping wordt gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld, en dat de vordering wordt gebracht voor de rechtbank indien in laatste feitelijke instantie is beslist door de voorzieningenrechter in kort geding. De rechtbank kan aan deze passage echter niet de betekenis toekennen die [eiser] daaraan gehecht wenst te zien. De passage ziet immers niet op de bij de vordering tot herroeping in acht te nemen termijn, doch parafraseert slechts het bepaalde in artikel 384, eerste en derde lid, Rv. Ook uit artikel 384 Rv vloeit de juistheid van [eiser]'s gedachtegang niet voort. Ook overigens is er geen grond om [eiser] de overschrijding van de termijn van artikel 383, eerste lid, Rv niet tegen te werpen. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering voor zover deze is gegrond op artikel 382 aanhef en onder c Rv."

2.2 Het middel klaagt in paragraaf 1.1 dat deze overwegingen onjuist, althans onbegrijpelijk zijn. De klachten tegen rechtsoverweging 4.4 worden vervolgens uitgewerkt in de paragrafen 1.2 tot en met 1.7(6). Paragraaf 1.8 bevat een klacht tegen rechtsoverweging 4.8 en paragraaf 1.9 bouwt op de voorgaande paragrafen voort.

2.3 Volgens de paragrafen 1.3 en 1.4 heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste taak- dan wel rechtsopvatting door niet zelf "de valsheid" te onderzoeken en vast te stellen. Volgens [eiser] had de rechtbank "de feitelijkheid" dienen te onderzoeken van zijn stelling dat de rechtbank in haar vonnis van 24 oktober 2007 als feit heeft aangenomen dat [eiser] in 2001 een nieuwe vergunning heeft aangevraagd, terwijl het hof nadien in zijn arrest van 14 juli 2009 heeft geoordeeld dat uit de brief van de gemeente van 8 juli 2008 is gebleken dat er in het geheel geen nieuwe vergunning is aangevraagd. Daarnaast wordt geklaagd dat "de rechtbank voorts ten onrechte oordeelt als in rechtsoverweging 4.4 is vervat".

Paragraaf 1.6 klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het "stuk" waarin de valsheid tot uitdrukking komt, ook "het betrokken hof-arrest" kan zijn waarin wordt aangegeven dat de werkelijke situatie een andere is geweest dan de door [verweerster] aan haar stellingen ten grondslag gelegde feiten. Althans, zo wordt betoogd in paragraaf 1.7, dienen "een hof-arrest" en processtukken waarin onjuiste feiten voorkomen te worden aangemerkt als 'stukken' zoals bedoeld in art. 382 aanhef en onder b Rv.

2.4 De klachten falen.

Volgens Ten Kate en Korsten-Krijnen begrijpt men in het algemeen onder het begrip 'stukken' alle schriftelijke bescheiden die in de procedure ter onderbouwing van de stellingen van partijen en ter overtuiging van de rechter en de wederpartij zijn overgelegd. De te herroepen uitspraak moet voorts op de van valsheid betichte stukken berusten en voor de beslissing van belang zijn geweest(7).

In deze zaak berust het vonnis waarvan [eiser] herroeping heeft gevorderd (logischerwijs) niet op de van latere datum daterende brief van de gemeente Oegstgeest van 8 juli 2008 en het van weer latere datum daterende arrest van het hof te 's-Gravenhage van 14 juli 2009.

2.5 Daarnaast vallen de tussen partijen in het geding gewisselde processtukken zelf niet onder het in art. 382, aanhef en onder b Rv. bedoelde begrip 'stukken'. Ten Kate en Korsten-Krijnen schrijven hierover het volgende(8):

"Hetgeen partijen in zulke stukken opschrijven, geeft hun stellingen en meningen betreffende hun geschil weer. Deze stellingen en meningen vormen tezamen het onderwerp en de grenzen van de rechtsstrijd. Uitsluitend daaraan ontlenen de hier bedoelde processtukken hun betekenis. De rechter beslist het geschil in beginsel binnen die grenzen en op basis van die stellingen en meningen. Ook als de inhoud van deze stukken onjuistheden zou bevatten of zelfs bedrieglijk zou zijn, berust het vonnis op die inhoud en niet op die stukken als zodanig. Voor de waardering op aannemelijkheid van bedoelde stellingen en meningen speelt het feit dat zij in een processtuk zijn opgenomen, ook geen rol (...)."

2.6 Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, gaat het in art. 382 aanhef en onder b Rv. niet om feiten maar om stukken waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of vastgesteld. Het is dan ook niet aan de rechter om de onjuistheid of bedrieglijkheid van de feiten te onderzoeken.

2.7 Overigens heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage in zijn hiervoor onder 1.4 geciteerde arrest van 14 juli 2009 in rechtsoverweging 4 geoordeeld dat, gesteld al dat de door [eiser] gestelde feiten zouden komen vast te staan, dit niet de conclusie wettigt dat sprake is van bedrog aan de zijde van [verweerster]. [eiser] heeft tegen dit arrest geen beroep in cassatie ingesteld.

2.8 Paragraaf 1.8 klaagt dat [eiser] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. Betoogd wordt dat een vordering tot herroeping moet worden ingediend bij de rechter die in laatste feitelijke instantie heeft geoordeeld, zodat [eiser] gehouden was om zijn vordering tot herroeping eerst bij het gerechtshof in te dienen, alvorens hij de zaak bij de rechtbank kon indienen. [eiser] heeft, zo wordt verder betoogd, op basis van de brief van de gemeente van 8 juli 2008 tijdig de vordering tot herroeping van het "hof-arrest" van 14 april 2004 gevorderd door daartoe op 24 juli 2008 een exploot te laten uitgaan, en stond het [eiser] vervolgens vrij op basis van het arrest van het hof van 14 juli 2009 binnen drie maanden de herroeping van het vonnis van de rechtbank van 24 oktober 2007 te vorderen.

2.9 Ook deze klacht faalt.

Het gaat in deze zaak om de vordering tot herroeping van het vonnis van 24 oktober 2007 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] wegens overtreding van het rechterlijk bevel gegeven bij vonnis van 26 februari 2002 € 100.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd. Van dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld, zodat het vonnis op 25 januari 2008 in kracht van gewijsde is gegaan en de rechtbank de laatste feitelijke instantie is als bedoeld in art. 384 lid 1 Rv.

2.10 Art. 383 lid 1, eerste volzin, Rv. bepaalt dat het (buitengewoon) rechtsmiddel herroeping moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. Op grond van de tweede volzin vangt de termijn niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

[Eiser] heeft aangevoerd dat de advocaat van [verweerster] tijdens een pleidooi op 23 april 2007 informatie heeft achtergehouden over een gesprek dat hij op 1 april 2007 heeft gevoerd met het hoofd bouwzaken van de gemeente Oegstgeest. [Verweerster] heeft de briefwisseling met de gemeente op 11 november 2008 bij memorie van antwoord in het herroepingsgeding bij het hof overgelegd. Voor zover [eiser] met die stukken niet al daarvoor bekend was, is hij daarmee in ieder geval op dat moment bekend geworden. De in het eerste lid van art. 383 Rv. genoemde termijn van drie maanden is derhalve uiterlijk op dat moment aangevangen. De inleidende dagvaarding is echter eerst op 18 september 2009 en dus na het verstrijken van de termijn van drie maanden van art. 383 lid 1 tweede volzin Rv., uitgebracht.

Dat op het moment waarop de termijn is gaan lopen een andere herroepingsprocedure aanhangig was, doet m.i. niet ter zake. Bovendien betrof die procedure een andere uitspraak.

2.11 De klacht in paragraaf 1.9 mist zelfstandige betekenis.

2.12 Nu de klachten falen dient het cassatieberoep te worden verworpen. Dit kan m.i. met toepassing van art. 81 RO.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voor de vaststaande feiten het vonnis van de rb. Den Haag van 27 oktober 2010, rov. 2.1-2.4 en voor het procesverloop rov. 1 van dat vonnis.

2 Zie rov. 3.2 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2010, als zodanig in cassatie niet bestreden.

3 De cassatiedagvaarding is op 27 januari 2011 uitgebracht.

4 Art. 388 lid 2 Rv. bepaalt dat de beslissing inzake de heropening van het geding niet vatbaar is voor hoger beroep en dat een vordering tot herroeping daartegen evenmin kan worden ingesteld. Met "de beslissing" wordt ofwel de tussenuitspraak bedoeld die de oorspronkelijke procedure heropent na gegrondbevinding van de daartoe aangevoerde gronden, ofwel de einduitspraak die de aangevoerde gronden afwijst en daarmee meteen de vordering of het verzoek tot herroeping. Omdat in het laatste geval de heropening van het geding tevens achterwege blijft, is ook deze beslissing een beslissing inzake de heropening van het geding. Zie hierover Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechterlijke uitspraken, 2005, p. 145. Cassatieberoep is wel toegelaten, zie HR 19 december 2003, LJN AN7890 (NJ 2005, 181 m.nt. HJS) en Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 146.

5 Op 13 januari 2012 heeft de advocaat die namens [eiser] cassatieberoep heeft ingesteld, zijn hoedanigheid van advocaat verloren. Als gevolg daarvan is het geding in cassatie per die datum van rechtswege geschorst (art. 226 lid 1 in verbinding met art. 418a Rv.). De schorsing heeft geduurd tot 30 maart 2012. Op die dag heeft mr. Aantjes zich ter rolle gesteld voor [eiser]. Vervolgens is de conclusie bepaald op heden.

6 De paragrafen 1.2 en 1.5 bevatten geen (duidelijke) klacht.

7 Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 76, onder verwijzing naar Th. B. ten Kate, Het request-civiel, 1962, p. 266.

8 Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 77, onder verwijzing naar HR 3 februari 1950, NJ 1950, 703 m.nt. DJV.