Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7480

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11/01987
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Ontbinding huurovereenkomst woonruimte; gehuurde woning geen hoofdverblijf huurder; strijd met huurvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/974
JWB 2012/375
OGR-Updates.nl 2012-0063
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 11/01987

Mr M.H. Wissink

Zitting: 1 juni 2012

conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Stichting Woonbron

(hierna: Woonbron)

In deze zaak is aan de orde de vraag of een huurder van woonruimte in strijd met de toepasselijke huurvoorwaarden zijn hoofdverblijf elders heeft gehad.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:(1)

(i) Woonbron verhuurt sedert 10 juli 1998 (voor onbepaalde tijd) aan [eiser] de woning [a-straat 1] te Rotterdam (hierna: de woning). Partijen hebben bij overeenkomst van 16 september 2005 de bestaande overeenkomst bekrachtigd.

(ii) Op de overeenkomst van partijen zijn van toepassing de "Algemene huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte van WoonbronMaasoevers", een en ander zoals vastgesteld op 1 januari 2004.

(iii) In artikel 9 van genoemde voorwaarden, daar waar de verplichtingen van de huurder beschreven zijn, is onder meer het volgende bepaald:

"(...)

9.4 Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte gebruiken.

(...)

9.10 Huurder mag niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurster het gehuurde in zijn geheel of gedeeltelijk onderverhuren of in gebruik geven aan derden. Voor het onderverhuren of in gebruik geven van een gedeelte van het gehuurde zal verhuurster die toestemming geven mits huurder zelf het gehuurde als hoofdverblijf heeft en er geen sprake is van overbewoning waardoor verhuurster schade zou kunnen lijden.

(...)"

(iv) [Eiser] heeft zich op 15 februari 2008 bij de gemeentelijke basisadministratie Rotterdam uit laten schrijven en zich (daarna) laten inschrijven in het bevolkingsregister van de gemeente Antwerpen.

(v) [Eiser] heeft daadwerkelijk enige tijd in Antwerpen verbleven.

(vi) Bij een huisbezoek op 9 oktober 2008 troffen (een) medewerker(s) van "Samenwerking op Maat" van de deelgemeente Delfshaven in de woning niet [eiser] maar wel zijn zoon [de zoon] die zou hebben verklaard dat hij alleen in de woning woonde.

1.2 Woonbron heeft op 21 november 2008 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam en, voor zover in cassatie relevant, ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd, alsmede een veroordeling van [eiser] tot ontruiming van de woning. Woonbron heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd (kort gezegd) dat sprake is van een tekortkoming, omdat [eiser] in strijd met artikel 9 van de toepasselijke huurvoorwaarden langdurig zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde had maar de woning ten gebruike had afgestaan aan een derde zonder Woonbron daarover in te lichten dan wel toestemming te vragen.

[Eiser] heeft verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat aan zijn verblijf in België een psychisch-medische reden ten grondslag lag, dat van onderhuur of het in gebruik geven van het gehuurde aan een derde nooit sprake is geweest en dat hij op 10 juni 2009 per 9 april 2008 weer in de gemeentelijke basisadministratie van Rotterdam is ingeschreven op het adres van de van Woonbron gehuurde woning.

1.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 5 november 2009 de vorderingen afgewezen, aangezien - hoewel gezien de inschrijving in Antwerpen vaststaat dat [eiser] gedurende enige tijd niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en [eiser] daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, welke tekortkoming in principe ontbinding van die overeenkomst rechtvaardigt - [eiser] inmiddels weer het gehuurde als zijn hoofdverblijf heeft en Woonbron niet heeft betwist dat het verblijf elders op medische gronden geïndiceerd was.

1.4 Woonbron heeft tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij het hof 's-Gravenhage. [eiser] heeft verweer gevoerd.

1.5 Het hof stelt bij arrest van 23 november 2010 vast dat [eiser] vanaf datum uitschrijving in Rotterdam (gedurende enige tijd) zijn hoofdverblijf niet in de van Woonbron gehuurde woning gehad heeft (rov. 7, eerste alinea). Dit levert een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op, zeker nu [eiser] dit niet met Woonbron heeft afgestemd (rov. 7, tweede alinea).

In rov. 11 oordeelt het hof dat deze tekortkoming de door Woonbron gevorderde ontbinding (en ontruiming) rechtvaardigt. Dat oordeel berust op de overwegingen (i) dat Woonbron als verhuurder van woningen in de sociale sector er belang bij heeft dat haar woningen worden bewoond door haar doelgroep en dat dit met zich brengt dat het zich verplaatsen van het hoofdverblijf van de huurder in beginsel niet is aan te merken als een tekortkoming van weinig ernstige aard of geringe betekenis, en (ii) dat de door [eiser] aangevoerde medische redenen onvoldoende overtuigen (hetgeen het hof in rov. 10 nader motiveert).

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de huurovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen zeven dagen na betekening van het arrest alsmede zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.6 [Eiser] heeft bij dagvaarding van 23 februari 2011 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.(2) Tegen Woonbron is verstek verleend. [Eiser] heeft zijn standpunten schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel somt sub 0.1-0.13 allereerst enkele "algemene uitgangspunten" op en geeft vervolgens in onderdelen 1-15 de klachten weer.

2.2 Het middel richt zich blijkens onderdeel 1 (dat geen klacht bevat) tegen rov. 7 t/m 10 van het hof en tegen de slotsom in rov. 11. Ik lees in het middel de volgende (groepen van) klachten.

2.3 In de eerste plaats wordt in (met name) de onderdelen 2, 10 en 14 geklaagd dat het hof niet kon oordelen dat sprake was van een tekortkoming, althans van een tekortkoming die ontbinding (en ontruiming) rechtvaardigt, omdat het hof heeft nagelaten (ambtshalve) te onderzoeken:

(i) Wat naar EU-recht onder hoofdverblijf moet worden verstaan; onderdeel 3 verwijst in dit verband naar "hetgeen is vervat in het rapport Virgos/Schmit zoals daar ter zake van de Insolventieprocedure is gesteld, in de Franse taal "residence habituel"". (3)

(ii) Wanneer sprake is van verplaatsing van dat hoofdverblijf, indien die verplaatsing samenhangt met medische behandeling (of een andere dienst) in een andere EU-lidstaat. Het middel werkt dit uit in het betoog van (in het bijzonder) de onderdelen 4 t/m 6 en 9 t/m 14.

Daarin betoogt het middel (kort gezegd) dat gezien de stellingen van [eiser] niet aangenomen kan worden dat naar EU-recht sprake is geweest van verplaatsing van zijn hoofdverblijf en dat een andersluidend oordeel in strijd is met "de in het EU-Verdrag verankerde vrijheid van personen en diensten." Deze stellingen betreffen het gegeven dat hij enkel ten behoeve van medische behandelingen in een andere EU-lidstaat (België) en om administratieve redenen kortstondig en tijdelijk uitgeschreven is geweest en nadien (met terugwerkende kracht) weer in Rotterdam is ingeschreven. In onderdeel 12 verwijst het middel naar de door [eiser] bij MvA aangevoerde omstandigheden dat hij in persoon op de zitting van de kantonrechter is verschenen, dat hij via zijn familie zijn post in België ontving, dat hij in België was om zijn dochter te helpen en dat zijn kinderen niet in België waren ingeschreven en evenmin daar waren gevestigd. In onderdeel 13 acht het middel, anders dan het hof, wel degelijk relevant de stelling van [eiser] dat hij zich meer in Rotterdam dan in Antwerpen bevond.

2.4 Deze klachten dienen te falen. Het hof heeft bij zijn oordeel de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde huurvoorwaarden tot uitgangspunt genomen. Ingevolge artikel 9.10 van de huurvoorwaarden dient de huurder zelf het gehuurde als hoofdverblijf te hebben. Het hof heeft op grond van de feiten geoordeeld dat [eiser] gedurende enige tijd zijn hoofdverblijf in de zin van die huurvoorwaarden niet in de door hem van Woonbron gehuurde woning heeft gehad. Daaraan heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat dit een schending oplevert van artikel 9 van de toepasselijke huurvoorwaarden, dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en dat dit de door Woonbron gevorderde ontbinding en ontruiming rechtvaardigt.

2.5 Het beroep van het middel op het EU-recht doet daaraan niet af.

(i) Het in onderdeel 3 aangehaalde rapport Virgos-Schmit ziet op het insolventierecht en is dus niet relevant voor de beoordeling van de vraag of [eiser] had voldaan aan de ingevolge de toepasselijke huurvoorwaarden op hem als huurder rustende verplichting om de van Woonbron gehuurde woning als hoofdverblijf te hebben. Het voorgaande heeft tevens te gelden voor het in de s.t. aangehaalde begrip 'woonplaats' in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.

(ii) Niet valt in te zien waarom sprake zou zijn van strijd met de vrijheid van personen en diensten respectievelijk dat [eiser] zou worden beperkt in zijn recht om elders een medische behandeling te ondergaan. Het elders ondergaan van een medische behandeling behoeft immers in het algemeen niet gepaard te gaan met een verplaatsing van het hoofdverblijf.

Het middel mist overigens feitelijke grondslag waar het veronderstelt dat [eiser] "enkel ten behoeve van medische behandelingen in België kortstondig is uitgeschreven geweest" (onderdeel 4) respectievelijk dat [eiser] "om administratieve redenen (tijdelijk) woonplaats kiest (of moest kiezen) in die andere EU-LidStaat" (onderdeel 5). Het hof heeft immers in rov. 10 de door [eiser] aangevoerde medische redenen als onvoldoende overtuigend aangemerkt. Het hof heeft in dat verband, niet onbegrijpelijk, overwogen dat (a) niet valt in te zien dat een "verblijf van enige tijd bij familie in België" gepaard zou moeten gaan met een uitschrijving uit het GBA en verplaatsing van het hoofdverblijf en dat (b) het niet gebruikelijk of voorgeschreven is om een tijdelijk logeeradres bij het GBA te melden.

2.6 In de tweede plaats wordt geklaagd - in met name onderdeel 8 (en in de onderdelen 10, 11 en 13) - dat het hof heeft miskend dat "de woning voortgezet in gebruik [is] gebleven ten behoeve van [eiser] en zijn gezinsleden." Het middel wijst daartoe op het gegeven dat de huurovereenkomst tevens op de gezinsleden van [eiser] (waaronder zijn zoon) betrekking had, dat zijn zoon in de woning is blijven wonen en dat de huurpenningen steeds zijn voldaan. In dit verband wijst onderdeel 0.1 erop, dat de kantonrechter onbestreden heeft overwogen overweegt dat in de huurovereenkomst van 16 september 2005 is bepaald dat het gehuurde uitsluitend bestemd is om voor huurder en de leden van zijn huishouden als woonruimte te dienen. (4)

2.7 Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. De bedoelde passage in de huurovereenkomst doet niet af aan de verplichting van de huurder - [eiser], en niet zijn zoon - om de gehuurde woning als hoofdverblijf te hebben. Het hof heeft de schending van die verplichting beoordeeld. Het bij 2.6 bedoelde betoog verbreedt de vraag of is voldaan aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst tot de vraag of gezinsleden hun verblijf in het gehuurde hebben. Een dergelijk betoog kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. In feitelijke instanties is dit betoog kennelijk niet al aangevoerd (het middel vermeldt althans geen vindplaatsen van dergelijke stellingen in de stukken van de feitelijke instanties waaruit dit zou blijken en voldoet derhalve niet aan de aan het middel te stellen eisen).

2.8 De onderdelen 2-14 stuiten op het voorgaande af, terwijl onderdeel 15 geen zelfstandige klacht bevat.

2.9 Uw Raad zou kunnen overwegen het middel te verwerpen met toepassing van artikel 81 RO.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3 van het arrest van het hof 's-Gravenhage van 23 november 2010.

2 Op 27 mei 2011 heeft de P-G bij conclusie op verstek geconcludeerd tot het uitbrengen van een herstelexploot, aangezien in het oorspronkelijke exploot m.b.t. het van onvermogende personen te heffen griffierecht slechts vermeld werd dat een bijzondere regeling geldt, hetgeen onvoldoende was. [Eiser] heeft op 7 juni 2011 een herstelexploot doen uitbrengen, waarin de bijzondere regeling zelf wordt vermeld.

3 Virgos-Schmit Report, report to the EU Insolvency Proceedings Convention 1995, 35 I.L.M. 1223 (1996), EU Council Document 6500/96, DRS 8 (CFC), 3 May 1996.

4 Rov. 2.1 van het vonnis van 5 november 2009. Blijkens rov. 2 van zijn arrest is ook het hof van de door de kantonrechter vastgestelde feiten in rov. 2 van diens vonnis uitgegaan.