Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7359

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
11/02429
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigening. Art. 54m lid 1 Ow; aanvangstijdstip twee maanden-termijn in gevallen waarin descente heeft plaatsgevonden voordat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Art. 54q Ow.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/2184
RvdW 2012/1225
NJ 2012/615
JWB 2012/457
JOM 2012/1010
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/02429

mr. Keus

Zitting 1 juni 2012

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [eiseres 2]

3. [Eiser 3], h.o.d.n. [A]

4. Latrusco N.V. (zetel gevestigd te Curaçao)

(hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [eiser])

eisers tot cassatie

tegen

de gemeente Heerlen

(hierna: de Gemeente)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of de in art. 54j lid 1 Onteigeningswet (hierna: Ow) bedoelde descente hangende het cassatieberoep tegen het vonnis tot vervroegde onteigening kan plaatsvinden, en voorts om de vraag of en zo ja tot welk moment het onteigeningsvonnis in de openbare registers kan worden ingeschreven, als dit vonnis bij het verstrijken van de in art. 54m lid 1 Ow bedoelde periode van twee maanden na de descente nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen. Beide vragen zijn aan de orde in een geschil tussen [eiser] en de Gemeente waarover de Hoge Raad al eerder heeft geoordeeld. Het cassatieberoep tegen het vonnis waarbij de onteigening vervroegd werd uitgesproken, werd met toepassing van art. 81 RO verworpen(1), nadat de Hoge Raad al eerder een beroep op schorsing had afgewezen(2) en (onder meer) [eiser] in een verzoek tot voeging niet-ontvankelijk had verklaard(3). Voorts is sprake van een met toepassing van art. 81 RO verworpen cassatieberoep tegen de afwijzing van een verzoek om pleidooi en tegen een incidenteel vonnis, houdende afwijzing van een vordering tot tussenkomst(4).

1. Feiten(5) en procesverloop

1.1 De Gemeente legt de "Binnenring" aan als ontsluitingsweg die Heerlen voor een groot deel omringt. Ten tijde van het bestreden arrest(6) was de weg aangelegd, op een gedeelte van 250 meter na. Bedoeld stuk diende te worden aangelegd op gronden die van [eiser] waren. Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 maart 2009 is de vervroegde onteigening van de betreffende percelen uitgesproken. Een cassatieberoep daartegen is bij arrest van de Hoge Raad van 5 november 2010 verworpen. Op 23 november 2010 heeft de Gemeente het vonnis doen inschrijven bij het Kadaster. Opneming door deskundigen heeft op verzoek van de Gemeente op 3 september 2009 plaatsgehad. Uit deze vaststaande feiten volgt dat de inschrijving van het vonnis niet binnen twee maanden na de descente, maar wel binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van het onteigeningsvonnis heeft plaatsgevonden.

1.2 Bij dagvaarding van 1 december 2010 heeft [eiser] de Gemeente in kort geding doen dagvaarden voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht. [Eiser] heeft gevorderd dat

A. de Gemeente wordt veroordeeld tot betaling van de vaste schadeloosstelling als bedoeld in art. 54q lid 2 Ow, groot € 69.696,-;

B. de Gemeente wordt veroordeeld de onrechtmatige inschrijving van 23 november 2010 van het vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 maart 2009 door te halen of te doen royeren zolang de Gemeente niet de bewijzen van betaling van de schadeloosstelling, alsmede het vonnis bedoeld in art. 54t lid 2 Ow, alsmede een verklaring van de griffier houdende dat laatstgenoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan als bedoeld in art. 59 lid 1 Ow heeft overgelegd aan de Bewaarder van het Kadaster ter inschrijving in de openbare registers, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom; en

C. de Gemeente wordt verboden dat zij zich in het bezit stelt van c.q. vervroegd in gebruik neemt de ter onteigening aangewezen gedeelten van de percelen grond, kadastraal bekend als gemeente Heerlen, sectie [A 001], ter grootte van 30 are en 54 centiare, sectie [B 001], ter grootte van 25 are en 63 centiare en sectie [B 002], ter grootte van 8 are en 99 centiare, zulks met ingang van de dag na betekening van het te wijzen vonnis, zolang geen vonnis als bedoeld in art. 54t lid 2 Ow is gewezen en de Gemeente niet een verklaring van de griffier houdende dat laatstgenoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan als bedoeld in art. 59 lid 1 Ow, alsmede de bewijzen van betaling der schadeloosstelling als vastgesteld in laatstgenoemd vonnis aan de Bewaarder van het Kadaster heeft overgelegd ter inschrijving in de openbare registers, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Aan deze vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de Gemeente het vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 maart 2009 niet binnen het in art. 54m lid 1 Ow voorgeschreven tijdvak na de descente heeft ingeschreven, dat de inschrijving daarom onrechtmatig is en dat de Gemeente de grond daarom niet in bezit mocht nemen.

De Gemeente heeft verweer gevoerd.

1.3 Bij vonnis van 20 december 2010 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat art. 54m Ow lijkt te bepalen dat de inschrijving slechts kan worden gedaan twee maanden na de opneming door deskundigen. Doordat cassatieberoep was ingesteld, kon inschrijving echter niet binnen die termijn plaatsvinden. Een redelijke uitleg en toepassing van de genoemde bepaling brengt daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat de inschrijving binnen twee maanden na het arrest van de Hoge Raad dient plaats te vinden. Een andere uitleg zou volgens de voorzieningenrechter tot een sterk vertraagde onteigening leiden, hetgeen tegen doel en strekking van de wet zou indruisen(7).

1.4 Bij dagvaarding van 24 december 2010 heeft [eiser] onder aanvoering van zeven grieven hoger beroep bij het hof 's-Hertogensbosch tegen het vonnis van de voorzieningenrechter ingesteld. De Gemeente heeft de grieven bestreden. Nadat partijen de zaak op 17 februari 2011 hadden doen bepleiten, heeft het hof bij arrest van 22 maart 2011 het bestreden vonnis bekrachtigd.

1.5 Bij dagvaarding van 16 mei 2011 heeft [eiser] tijdig en regelmatig beroep in cassatie tegen het arrest van 22 maart 2011 ingesteld. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun respectieve standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd.

2. Inleiding

2.1 Op grond van art. 54f Ow kan de onteigenende partij in de dagvaarding tot onteigening een vervroegde uitspraak over de onteigening vorderen. Zodra een dergelijk vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, kan het in de openbare registers worden ingeschreven, voordat over de schadeloosstelling uitspraak is gedaan. Door inschrijving van het vonnis gaat de eigendom van de onroerende zaak op de onteigenaar over (art. 54n lid 2 jo art. 59 lid 3 Ow).

Art. 54m Ow bepaalt in het eerste lid dat, ingeval de opneming door de deskundigen volgens art. 54j lid 1 of lid 3 Ow plaatsvindt (kort gezegd: na het vonnis tot vervroegde onteigening), het vonnis slechts kan worden ingeschreven in de openbare registers binnen een tijdvak van twee maanden na de opneming door de deskundigen. In het tweede lid is bepaald dat ingeval de opneming door de deskundigen reeds heeft plaatsgevonden overeenkomstig de art. 54a-54e Ow ("Van de opneming door de deskundigen voor de aanvang van het geding"), de termijn van twee maanden aanvangt op de dag waarop het vonnis gezag (lees: kracht) van gewijsde heeft verkregen. Op grond van het derde lid geldt een vergelijkbare regeling voor het geval dat na het vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken, een voorschot krachtens art. 54i Ow is bepaald (vergelijk in het bijzonder art. 54i lid 2 Ow, dat erin voorziet dat de rechtbank haar uitspraak omtrent het voorschot ten hoogste 14 dagen kan aanhouden). In dat geval vangt de termijn van twee maanden aan op het tijdstip waarop dat latere vonnis gezag (lees: kracht) van gewijsde heeft verkregen. Inschrijving binnen de in art. 54m Ow bepaalde termijn doet niet slechts de eigendom overgaan; tevens is de dag daarvan bepalend voor de vast te stellen schadeloosstelling (art. 40a Ow). Volgens art. 54q lid 1 Ow is de onteigenende partij schadeplichtig, als zij het vonnis, waarbij de onteigening vervroegd wordt uitgesproken, niet binnen de in art. 54m Ow genoemde termijn in de openbare registers heeft doen inschrijven. De wederpartij en derde belanghebbenden kunnen daartoe binnen zes maanden na afloop van de termijn, bedoeld in art. 54m Ow, een vordering instellen (art. 54q lid 4). Voorts geldt in dat geval volgens art. 54m lid 4 Ow het bepaalde in art. 55 lid 2 of 59 Ow. Volgens art. 55 lid 2 Ow vervalt een vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken, maar dat niet binnen de in art. 54m Ow genoemde termijn is ingeschreven, wanneer de schadeloosstellingen die bij het (latere) vonnis als bedoeld in art. 54t lid 2 Ow zijn vastgesteld, niet binnen drie maanden nadat laatstgenoemd vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, zijn betaald of geconsigneerd. Art. 59 lid 1 Ow bepaalt dat ter inschrijving van een vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken maar dat niet binnen de termijn van art. 54m Ow is ingeschreven, het (latere) vonnis als bedoeld in art. 54t lid 2 Ow, een verklaring van de griffier dat laatstgenoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en de bewijzen van betaling der schadeloosstelling worden overgelegd.

2.2 Aan de geschiedenis van totstandkoming van de bepalingen over de vervroegde uitspraak van de onteigening ontleen ik navolgende passage(8):

"Anderzijds wordt de onteigenende partij die vervroegde uitspraak over de onteigening heeft gevorderd, evenmin als in het huidige stelsel van voorlopige inbezitneming gedwongen om bij toewijzing van de vordering tot vervroegde uitspraak over de onteigening, daaraan uitvoering te geven. Er kunnen na de dagvaarding omstandigheden zijn opgetreden, die het voor de onteigenende overheid bezwaarlijk maken het vervroegde onteigeningsvonnis terstond in de openbare registers te doen overschrijven of zelfs kan de wenselijkheid daarvan zijn weggevallen. De overschrijving zal dan pas kunnen plaats vinden nadat definitief over de schadeloosstelling is beslist. Het zou evenwel te bezwaarlijk worden voor de onteigende partij, wanneer deze voor onbepaalde tijd in onzekerheid zou moeten blijven over de houding van de onteigenende overheid. Onzekerheid over de vraag of de onteigenende partij tot overschrijving van het vonnis van vervroegde onteigening zal overgaan levert ook grote bezwaren voor de deskundigen op, wegens de veranderingen in het schadebeeld, die door de eigendomsovergang optreden. Zou overschrijving van het vonnis gedurende een lange tijd mogelijk zijn, dan zou het zelfs kunnen gebeuren, dat de deskundigen hun schadeberekening opnieuw zouden moeten opzetten en uitwerken. Dit zou dan tot vertraging in plaats van tot versnelling van de procedure leiden. Daarom voorziet het ontwerp in een termijn, waarbinnen de vervroegde overschrijving moet worden geëffectueerd. Deze termijn is in de aanvang van de gerechtelijke procedure geplaatst. Deze bedraagt twee maanden na het deskundigenonderzoek, of indien een vervroegd deskundigenonderzoek heeft plaats gehad, na de dag waarop het vonnis van vervroegde onteigening kracht van gewijsde heeft verkregen. In dit opzicht brengt dus het ontwerp een wijziging aan; volgens het huidige stelsel immers kan de onteigenende partij voorlopige inbezitneming verkrijgen zolang het vonnis tot onteigening nog niet in kracht van gewijsde is gegaan - derhalve eventueel ook nog nadat de zaak na cassatie is teruggewezen (artikel 54e).

Er moet een waarborg blijven bestaan dat de eigendomsovergang niet kan plaats vinden, vóórdat het onderzoek van deskundigen heeft plaats gehad. Met het oog op de vaststelling van de schadeloosstelling moeten alle nodige gegevens over de gesteldheid van het te onteigenen goed vastgelegd zijn. Met het oog daarop schrijft het ontwerp voor, dat voor de overschrijving van het vonnis een bewijs moet worden overgelegd, dat het onderzoek heeft plaats gehad, althans wanneer het onderzoek der deskundigen heeft plaats gevonden na de dagvaarding. Ingeval dat onderzoek vóór de dagvaarding heeft plaats gevonden, blijkt uit het onteigeningsvonnis - waarin dan immers niet een benoeming van deskundigen voorkomt - dat het onderzoek reeds heeft plaats gehad. Een apart bewijs daarvan is in dat geval niet vereist (artikel 54n)."

En, meer in het bijzonder met betrekking tot art. 54m Ow(9):

"Artikel 54m. In het algemeen gedeelte van de toelichting is reeds uiteengezet, dat - wil de onteigenende overheid gebruik maken van de mogelijkheid van vervroegde overschrijving van het vonnis van onteigening - de overschrijving van het vonnis binnen een korte termijn van twee maanden moet plaats vinden. Deze termijn vangt óf aan op de dag dat het onteigeningsvonnis gezag van gewijsde heeft gekregen óf op de dag, dat het onderzoek der deskundigen - na de dagvaarding - is gehouden. De reden, dat de aanvang van de termijn op verschillende dagen is gesteld, is, dat het gewenst is, dat pas tot overschrijving wordt overgegaan, nadat het deskundigenonderzoek heeft plaats gevonden. Immers, bij de overschrijving verkrijgt de on(t)eigenende overheid de eigendom van het ter onteigening aangewezen goed en dus ook de bevoegdheid dit goed te betreden en daarin feitelijke veranderingen aan te bre(n)gen, hetgeen het voor de deskundigen onmogelijk zou maken een verantwoord schaderapport te vervaardigen. Wordt niet overgegaan tot vervroegde overschrijving van het onteigeningsvonnis binnen de in artikel 54m bedoelde termijn, dan geldt het bepaalde in de artikelen 55, derde lid of 59."

In de toelichting op art. 54n wordt nog eens benadrukt dat het vonnis waarbij de onteigening vervroegd is uitgesproken, kracht van gewijsde moet hebben verkregen op het moment dat het wordt ingeschreven(10):

"Artikel 54n. Artikel 54n stelt enige vereisten voor de vervroegde overschrijving van het onteigeningsvonnis. Het spreekt vanzelf, dat het ter overschrijving aangeboden vonnis gezag van gewijsde moet hebben verkregen."

2.3 Het zich in de onderhavige zaak voordoende geval dat inschrijving van het vonnis niet binnen de termijn van twee maanden na de descente kan plaatsvinden omdat het vonnis eerst na ommekomst van die termijn kracht van gewijsde verkrijgt, is, op een enkele uitzondering na, in de literatuur niet uitdrukkelijk besproken.

Wel is in algemene zin de grote praktische betekenis van de procedure, gericht op een vervroegde uitspraak van de onteigening, benadrukt. Zo stellen Van der Schans en Heesbeen vast dat in de praktijk nagenoeg altijd voor de vervroegde onteigening wordt gekozen en dat in de jurisprudentie wordt aangenomen dat de vervroegde onteigening de norm is geworden(11).

Voorts is onder meer door Den Drijver-van Rijckevorsel en Van Engen in algemene zin benadrukt dat art. 54m Ow dient om de onteigende niet in het onzekere te laten en om de deskundigen een houvast te geven bij de berekening van de schadeloosstelling, die immers moet geschieden op basis van het tijdstip van eigendomsovergang. De genoemde auteurs wijzen erop dat, als de inschrijving niet binnen de genoemde termijn heeft plaatsgehad, moet worden gewacht op het vonnis waarbij de schadeloosstelling definitief is vastgesteld. De schade moet dan berekend worden naar de datum van dat vonnis(12).

Dat in de literatuur weinig aandacht is gegeven aan het zich in de onderhavige zaak voordoende probleem, hangt mogelijk samen met de veronderstelling dat, in het geval dat beroep in cassatie wordt ingesteld tegen het vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken, een descente eerst wordt bepaald nadat dat cassatieberoep is verworpen. Zo gaan Hoekstra en Ten Kate ervan uit dat in het geval dat beroep in cassatie wordt ingesteld tegen het vonnis waarbij de onteigening is uitgesproken, de procedure bij de rechtbank stilligt totdat op het cassatieberoep is beslist, en dat, in het geval dat cassatieberoep wordt ingesteld, het te onteigenen eerst wordt bezichtigd nadat het cassatieberoep is verworpen(13).

In verband met de verstoring van de integrale samenhang van de Onteigeningswet door incidentele wetswijzigingen heeft Ten Kate onder meer gewezen op een enigszins verwant probleem van temporele aard waartoe art. 54m Ow aanleiding kan geven. Hij vraagt zich af hoe het verbod het onteigeningsvonnis in te schrijven voordat het onderliggende planologische besluit onherroepelijk is geworden, zich verhoudt tot het gebod van art. 54m om die inschrijving binnen twee maanden na de descente te laten plaatsvinden(14).

Het probleem van het vonnis tot vervroegde onteigening dat eerst kracht van gewijsde verkrijgt nadat de termijn van twee maanden na de descente is verstreken, wordt wel expliciet gesignaleerd door Sluysmans, van der Gouw en Bosma. Deze auteurs merken op dat het vonnis tot vervroegde onteigening binnen twee maanden na de descente in de openbare registers dient te worden ingeschreven en dat, als dit niet gebeurt, de onteigenaar op het eindvonnis (houdende vaststelling van de schadeloosstelling) zal moeten wachten. Zij signaleren echter dat zich een probleem kan voordoen als tegen het (vervroegde) onteigeningsvonnis cassatieberoep is ingesteld en de descente hangende dat beroep plaatsvindt; voor dat geval menen zij (onder verwijzing naar het vonnis in eerste aanleg in de onderhavige zaak) dat inschrijving alsnog mogelijk is binnen twee maanden nadat het cassatieberoep is verworpen en het onteigeningsvonnis (dus) kracht van gewijsde heeft verkregen(15).

Voor de ruimte die art. 54m Ow biedt in het geval dat eerst achteraf duidelijkheid ontstaat over het moment waarop het onteigeningsvonnis kracht van gewijsde verkreeg, is HR 14 oktober 2011, LJN: BQ7056, RvdW 2011, 1249, van belang. In een recente kroniek(16) merken Procee e.a. onder het kopje "Inschrijving titelvonnis" over dat arrest onder meer op:

"(...) De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat indien een onteigeningsvonnis als bedoeld in artikel 54i Ow in kracht van gewijsde is gegaan doordat tijdig ter griffie een cassatieverklaring is afgelegd, maar deze niet tijdig is gevolgd door een cassatiedagvaarding, de griffier van de rechtbank de verklaring, inhoudende dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, desgevraagd onverwijld aan de onteigenende partij behoort af te geven. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook indien na afloop van de cassatiedagvaardingstermijn alsnog betekening van de cassatieverklaring en de cassatiedagvaarding plaatsvindt. Daarmee geeft de Hoge Raad een voor de onteigeningspraktijk nuttige aanwijzing. Art. 54m Ow biedt naar het oordeel van de Hoge Raad echter, als de griffier nalaat de bedoelde verklaring af te geven, geen ruimte om het vonnis in de openbare registers in te schrijven binnen een termijn van twee maanden nadat de Hoge Raad de onteigende partij in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien de inschrijving niet heeft plaatsgevonden binnen twee maanden nadat het onteigeningsvonnis in kracht van gewijsde is gegaan (doordat de cassatiedagvaarding en de cassatieverklaring niet tijdig zijn betekend), zal inschrijving dus pas kunnen gebeuren nadat de rechtbank een vonnis heeft gewezen waarin de schadeloosstelling voor de onteigende is vastgesteld en dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, zo volgt uit dit laatste oordeel(17)."

Het bedoelde arrest van de Hoge Raad dateert van vóór het met het onderhavige cassatieberoep bestreden arrest. Het bedoelde arrest kon echter nog wel worden besproken in de schriftelijke toelichting(18).

In de genoemde kroniek kwam ook het in de onderhavige zaak in eerste aanleg gewezen vonnis aan de orde. Over de litigieuze inschrijving merken de auteurs op dat "betoogd kan worden" dat de litigieuze inschrijving, die meer dan twee maanden na de descente plaatsvond, niet binnen de in art. 54m Ow vermelde termijnen is geschied, als gevolg waarvan de onteigenaar met inschrijving (en eigendomsovergang) zou moeten wachten totdat het vonnis in de procedure omtrent de schadeloosstelling is gewezen. De auteurs wijzen erop dat de voorzieningenrechter de inschrijving echter niet onrechtmatig achtte en zich op een redelijke uitleg van art. 54m baseerde, zodat ook het verzoek om schadeloosstelling werd afgewezen.

2.4 Naast de literatuur wijs ik op de rechtsgeleerde opinies die partijen in de onderhavige procedure in het geding hebben gebracht. Van [eiser] heeft opinies van Van Mierlo, Snijders-Storm & Procee en Van Wijmen overgelegd. De Gemeente heeft zich bediend van opinies van Sluysmans & Van der Gouw en van De Groot & de Snoo.

Van Mierlo betoogt in zijn opinie(19) dat het door [eiser] ingestelde cassatieberoep uitsluitend tegen de vervroegde onteigening was gericht en dat de schorsende werking van het cassatieberoep zich niet tot het interlocutoire gedeelte van het onteigeningsvonnis uitstrekte. Op grond van het niet-geschorste interlocutoire gedeelte kon de Gemeente de rechter-commissaris verzoeken een descente te gelasten. Daarom heeft volgens Van Mierlo de descente, hangende het cassatieberoep, regelmatig plaatsgevonden. Dat bracht met zich dat de inschrijvingstermijn twee maanden na de descente bedroeg. Volgens Van Mierlo heeft de wetgever uitdrukkelijk bedoeld een band te leggen tussen het moment van waardebepaling door deskundigen en het moment van inschrijving. Een vervroegde onteigening is beperkt mogelijk; een van de beperkingen is dat de inschrijving en de waardebepaling niet te veel uiteen mogen lopen. Volgens Van Mierlo had de Gemeente haar verzoek tot het gelasten van de descente moeten aanhouden tot het moment waarop de Hoge Raad uitspraak deed. Van Mierlo meent dat het onverenigbaar is met het stelsel van de Onteigeningswet dat het onteigeningsvonnis ruim zestien maanden na de opneming van de onteigende percelen wordt ingeschreven.

Snijders-Storm en Procee betwisten in hun opinie(20) dat de termijn van art. 54m lid 1 Ow pas aanvangt op het moment dat het in te schrijven vonnis kracht van gewijsde verkrijgt. De wetgever heeft een dergelijke uitzondering slechts van toepassing verklaard op de situatie als bedoeld in art. 54m lid 2. Als een dergelijke uitzondering ook zou gelden in het geval van art. 54m lid 1 was dat expliciet bepaald. De tekst en de bijbehorende wetsgeschiedenis bieden geen aanknopingspunten voor enige beoordelingsruimte van de rechter dan wel voor een door deze te verrichten belangenafweging. Daarnaast menen Snijders-Storm en Procee dat de Gemeente zichzelf in de positie heeft gebracht dat het vonnis tot vervroegde onteigening niet binnen twee maanden na de descente kon worden ingeschreven, door zelf en bij herhaling te verzoeken de descente ondanks het ingestelde cassatieberoep te laten doorgaan. Dat de Gemeente daarbij geen rekening heeft gehouden met de termijn van art. 54m Ow, mag niet voor rekening van de onteigenden komen.

Van Wijmen betoogt in zijn opinie(21) dat het vonnis van 25 maart 2009 een vonnis is als bedoeld in art. 54i Ow. In art. 54m Ow wordt bepaald dat een dergelijk vonnis slechts kan worden ingeschreven in de openbare registers binnen een tijdvak van twee maanden na de opneming door deskundigen. Deze heeft plaatsgehad op 3 september 2009, zodat het vonnis uiterlijk op 2 november 2009 had moeten zijn ingeschreven. De uitzonderingen voorzien in art. 54m doen zich niet voor. Het vonnis van 3 september 2009 had tot 2 november 2009 nog geen kracht van gewijsde nu eerst op 5 november 2010 in cassatie werd beslist. Een onteigeningsvonnis kan pas worden ingeschreven als het kracht van gewijsde heeft verkregen. De Gemeente had volgens Van Wijmen met haar verzoek tot een descente moeten wachten tot 5 november 2010.

Sluysmans en Van der Gouw hebben in hun opinie(22) naar voren gebracht dat uit de wetsgeschiedenis van art. 54m Ow blijkt dat dit artikel erop is gericht te bevorderen dat een onteigenaar die voor een vervroegde onteigening kiest, ook daadwerkelijk snel tot eigendomsontneming overgaat. Voorts hebben zij erop gewezen dat de regeling van art. 54m "rommelig" is en niet (voldoende) voorziet in de mogelijkheid en consequenties van een cassatieberoep tegen het vonnis tot vervroegde onteigening. Volgens Sluysmans en Van der Gouw is het in overeenstemming met de duidelijke wil van de wetgever art. 54m lid 1 aldus te lezen dat daarin van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis sprake is, temeer nu de belangen van de onteigende hierdoor niet worden geschaad(23).

De Groot en De Snoo ten slotte hebben in hun opinie(24) betoogd dat het ingeschreven vonnis alsnog kracht van gewijsde kreeg toen de Hoge Raad het cassatieberoep verwierp. Daarmee ontstond een situatie die gelijk is aan die van art. 54m lid 2: de descente vond plaats alvorens het vonnis waarin de onteigening is uitgesproken kracht van gewijsde verkreeg. Een andere uitleg van art. 54m lid 1 zou met doel en strekking van de wet in strijd zijn, nu het instellen van cassatieberoep dan zinledig zou maken dat een vervroegde onteigening is gevorderd en uitgesproken. Inschrijving zou dan jaren moeten duren, terwijl het doel van vervroegde onteigening nu juist is een eerdere inschrijving mogelijk te maken. Op grond van doel en strekking van de wet moet het vonnis worden ingeschreven binnen twee maanden nadat het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, de descente heeft plaatsgevonden en het voorschot is betaald. In dat verband hebben De Groot en De Snoo erop gewezen dat óók art. 54g Ow overeenkomstig de bedoeling van de wetgever wordt uitgelegd en in afwijking van de letterlijke tekst wordt toegepast(25).

2.5 Voor beide opvattingen valt veel te zeggen. Voor de opvatting van [eiser] pleit, naast de tekst van art. 54m lid 1 Ow, vooral dat de rechter terughoudendheid past bij afwijking van door de wetgever voorziene termijnen, zeker in het geval dat de betrokken termijn in het belang van één der partijen is opgenomen(26). Niettemin meen ik dat de opvatting van de Gemeente zou moeten prevaleren, en wel om de navolgende redenen.

Uit de wetsgeschiedenis laat zich mijns inziens opmaken dat de wetgever de descente in art. 54m lid 1 Ow als startmoment van de termijn voor inschrijving heeft gekozen, niet zozeer om zeker te stellen dat inschrijving van het vonnis tot vervroegde onteigening in géén geval later dan twee maanden na de descente zou kunnen plaatsvinden, als wel om te voorkomen dat die inschrijving aan de descente zou voorafgaan. Ik herinner in dit verband aan de navolgende en ook hiervóór (onder 2.2) reeds geciteerde passages uit de memorie van toelichting (onderstrepingen toegevoegd; LK):

"Er moet een waarborg blijven bestaan dat de eigendomsovergang niet kan plaats vinden, vóórdat het onderzoek van deskundigen heeft plaats gehad. Met het oog op de vaststelling van de schadeloosstelling moeten alle nodige gegevens over de gesteldheid van het te onteigenen goed vastgelegd zijn. Met het oog daarop schrijft het ontwerp voor, dat voor de overschrijving van het vonnis een bewijs moet worden overgelegd, dat het onderzoek heeft plaats gehad, althans wanneer het onderzoek der deskundigen heeft plaats gevonden na de dagvaarding. Ingeval dat onderzoek vóór de dagvaarding heeft plaats gevonden, blijkt uit het onteigeningsvonnis - waarin dan immers niet een benoeming van deskundigen voorkomt - dat het onderzoek reeds heeft plaats gehad. Een apart bewijs daarvan is in dat geval niet vereist (artikel 54n)." (27)

En:

"In het algemeen gedeelte van de toelichting is reeds uiteengezet, dat - wil de onteigenende overheid gebruik maken van de mogelijkheid van vervroegde overschrijving van het vonnis van onteigening - de overschrijving van het vonnis binnen een korte termijn van twee maanden moet plaats vinden. Deze termijn vangt óf aan op de dag dat het onteigeningsvonnis gezag van gewijsde heeft gekregen óf op de dag, dat het onderzoek der deskundigen - na de dagvaarding - is gehouden. De reden, dat de aanvang van de termijn op verschillende dagen is gesteld, is, dat het gewenst is, dat pas tot overschrijving wordt overgegaan, nadat het deskundigenonderzoek heeft plaats gevonden." (28)

De wetgever had ook alle reden ervoor te waken dat het vonnis zou worden ingeschreven vóórdat de descente überhaupt had plaatsgevonden. In het geval van een vonnis tot vervroegde onteigening vindt de descente, behoudens het geval van een opneming door de deskundigen vóór de aanvang van het geding, immers eerst ná de uitspraak van dat vonnis plaats. Ook de omstandigheid dat het vonnis reeds kracht van gewijsde heeft verkregen, houdt geen enkele waarborg in dat de descente reeds heeft plaatsgehad. Al om die reden kon de wetgever niet ervoor kiezen als vaste regel inschrijving van het vonnis voor te schrijven binnen twee maanden nadat dit kracht van gewijsde heeft verkregen, voor welk regime de wetgever (in art. 54m lid 2 Ow) wél heeft gekozen voor het geval dat een opneming door de deskundigen vóór de aanvang van het geding heeft plaatsgehad en al om die reden is gewaarborgd dat inschrijving van het (in kracht van gewijsde gegane) vonnis tot vervroegde onteigening niet aan de descente kan voorafgaan.

De wetgever heeft niet alleen willen zekerstellen dat inschrijving van het vonnis tot vervroegde onteigening niet aan de descente zal voorafgaan, maar heeft, om te voorkomen dat de onteigende partij te lang in onzekerheid wordt gelaten en dat de deskundigen in verband met wijzigingen in het schadebeeld hun schadeberekening opnieuw zouden moeten opzetten en uitwerken, tevens de onteigenaar ertoe willen dwingen binnen een zekere termijn tot inschrijving van het vonnis tot vervroegde onteigening over te gaan. Mede gelet op de voorziening van art. 54m lid 2 Ow zie ik echter niet in waarom aan die doelstelling onaanvaardbaar afbreuk zou worden gedaan met een uitleg van art. 54m lid 1 Ow volgens welke het vonnis tot vervroegde onteigening moet worden ingeschreven binnen twee maanden nadat de descente heeft plaatsgehad, dan wel binnen twee maanden nadat het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, als dit laatste bij ommekomst van de eerstbedoelde termijn nog niet het geval was. Waar het uit art. 54m lid 2 Ow voortvloeiende tijdsverloop tussen een reeds vóór de aanvang van het geding verrichte opneming door de deskundigen en het uiterste tijdstip voor inschrijving, twee maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis tot vervroegde onteigening (of zelfs twee maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis waarbij het voorschot wordt vastgesteld, indien dit vonnis na het onteigeningsvonnis wordt gewezen; zie art. 54m lid 3 Ow), naar het oordeel van de wetgever kennelijk in voldoende mate aan de verschillende, bij art. 54m Ow betrokken belangen tegemoetkwam, kan bezwaarlijk het tegendeel worden aangenomen ten aanzien van het in beginsel kortere tijdsverloop tussen een eerst na het vonnis tot vervroegde onteigening (maar voor het onherroepelijk worden daarvan) gehouden descente en het tijdstip waarop dat onteigeningsvonnis kracht van gewijsde verkrijgt.

Bij dit alles komt dat de wetgever de hier aan de orde zijnde variant mogelijk niet heeft uitgewerkt, omdat hij ervan is uitgegaan dat, in het geval dat binnen de (korte) termijn van art. 54l lid 1 jo art. 52 en 53 Ow(29) beroep in cassatie tegen het vonnis tot vervroegde onteigening wordt ingesteld, een descente niet wordt bepaald vóórdat het vonnis kracht van gewijsde verkrijgt. Voor deze veronderstelling biedt de praktijk ongetwijfeld grond, zij het dat, zoals hierna (onder 3.9-3.11) nog aan de orde zal komen, (de schorsende werking van een) beroep in cassatie tegen het vonnis tot vervroegde onteigening niet categorisch uitsluit dat een descente hangende een dergelijk cassatieberoep plaatsvindt. Naar mijn mening kan niet worden aangenomen dat de wetgever heeft bedoeld inschrijving van het vonnis tot vervroegde onteigening onmogelijk te maken in het geval dat een descente hangende een beroep in cassatie heeft plaatsgehad en het vonnis nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen op het moment dat twee maanden na de descente zijn verstreken. Dat geldt mijns inziens ook als moet worden aangenomen dat de onteigenende overheid zelf, hangende het beroep in cassatie, op een descente heeft aangedrongen(30).

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 [Eiser] heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel een achttal (hierna ook als onderdelen) aan te duiden klachten, waarvan de klachten 2, 4 en 6 in verschillende subklachten zijn verdeeld.

3.2 Onderdeel 1 is gericht tegen rov 4.6:

"4.6 Aan alle vorderingen ligt ten grondslag de stelling dat de Gemeente het vonnis waarbij de vervroegde onteigening werd uitgesproken onrechtmatig heeft doen inschrijven. Voorop gesteld moet daarbij worden dat de inschrijving heeft plaatsgevonden, waarmee de eigendom van de grond is overgegaan op de Gemeente, zodat zij in beginsel recht heeft om die grond te gebruiken."

3.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat dit oordeel onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, omdat, zoals zou volgen uit subonderdeel 2.1, de inschrijving onrechtmatig is geweest, zodat de eigendom niet had mogen overgaan en de Gemeente niet het recht heeft (gehad) de onteigende percelen te gebruiken.

3.4 Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat, zoals hierna nog aan de orde zal komen, de klacht van subonderdeel 2.1, waarop het subonderdeel steunt, niet slaagt.

Overigens heeft het hof met de bestreden rechtsoverweging kennelijk tot uitdrukking gebracht dat met de inschrijving van het vonnis tot vervroegde onteigening, ook als die inschrijving na ommekomst van de in art. 54m lid 1 Ow bedoelde termijn heeft plaatsgehad, de eigendom van de grond op de Gemeente is overgegaan. De juistheid van dat (rechts)oordeel, wat daarvan overigens zij, kan mijns inziens niet worden bestreden met het argument dat als gevolg van de beweerde onrechtmatigheid van de inschrijving de eigendom niet had mogen overgaan, welk argument een overgang zoals door het hof bedoeld niet uitsluit.

3.5 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 4.7:

"4.7. In een situatie waarin er i) sprake is van vervroegde onteigening, ii) cassatie wordt ingesteld en iii) het beroep in cassatie wordt afgewezen, zijn dan grosso modo de volgende varianten denkbaar als het gaat om de volgorde tussen descente, vonnis, arrest HR en inschrijving:

a) (vervroegde) descente - vonnis - arrest HR - inschrijving (art. 54m lid 2 Ow.)

b) vonnis - descente - arrest HR - inschrijving (niet expliciet geregeld)

c) vonnis - arrest HR - descente - inschrijving (art. 54m lid 1 Ow.)."

3.6 Volgens subonderdeel 2.1 heeft het hof miskend dat variant b wel degelijk expliciet is geregeld, in die zin dat in geval van variant b) art. 54m lid 1 Ow moet worden toegepast. In zodanig geval verstrijkt de inschrijvingstermijn volgens het subonderdeel twee maanden na de descente. Een met de tekst van de wet in overeenstemming zijnde interpretatie moet volgens het subonderdeel prevaleren, omdat het onteigeningsrecht sterk formeel van aard is en op maximale rechtsbescherming voor de onteigenden en op rechtszekerheid is gericht. Voorts is volgens het subonderdeel van belang dat de Gemeente zelf ervoor heeft gekozen de descente te laten plaatsvinden op een tijdstip waarop het onteigeningsvonnis nog niet onherroepelijk was en zich daarmee in een positie heeft gebracht waarin rechtmatige inschrijving pas mogelijk is nadat de uitspraak over de schadeloosstelling onherroepelijk is geworden.

3.7 Zoals hiervoor (onder 2.5) reeds aan de orde kwam, kan de bepaling van art. 54m lid 1 Ow mijns inziens niet aldus worden uitgelegd dat zij inschrijving van een vonnis tot vervroegde onteigening onmogelijk zou maken in het geval dat dit vonnis na ommekomst van de termijn van twee maanden na de descente nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen. Daarbij is mijns inziens onverschillig dat de Gemeente zelf, hangende het cassatieberoep tegen het vonnis tot vervroegde onteigening, bepaling van de descente heeft verzocht. Uiteindelijk is het immers niet aan de onteigenende overheid, maar aan de door de rechtbank benoemde rechter-commissaris om tijd en plaats van de opneming (naar luid van het door art. 54j lid 1 Ow van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 28 Ow:) "met inachtneming van de meest mogelijke spoed" te bepalen(31).

3.8 Subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat de descente niet kon plaatsvinden zolang het onteigeningsvonnis niet onherroepelijk was, nu het cassatieberoep de werking van het vonnis schorste (art. 2 Ow jo art. 404 Rv). De Gemeente was hiervan op de hoogte en [eiser] heeft zich tevergeefs tegen het houden van de descente verzet. Nu er desalniettemin een descente heeft plaatsgevonden, moet volgens het subonderdeel ervan worden uitgegaan dat deze descente geen descente is als bedoeld in de Onteigeningswet, zodat ook om die reden geen inschrijving van het onteigeningsvonnis kon plaatsvinden. Vaststaat immers dat een descente moet hebben plaatsgevonden alvorens tot rechtmatige inschrijving kan worden overgegaan. Het subonderdeel betoogt dat het hof dit heeft miskend, althans dat zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

3.9 Op grond van art. 2 Ow jo art. 440 Rv had het cassatieberoep tegen het vonnis tot vervroegde onteigening schorsende kracht ten aanzien van de tenuitvoerlegging van dat vonnis, waarbij onder tenuitvoerlegging mede de "exécution par suite d'instance" is te verstaan. Hieruit laat zich echter niet zonder meer afleiden dat, hangende het cassatieberoep tegen het vonnis tot vervroegde onteigening, een descente niet rechtsgeldig kon plaatsvinden.

3.10 In dit verband is in de eerste plaats van belang dat, voor zover het vonnis tot vervroegde onteigening voorzieningen met het oog op de descente omvatte, dat vonnis in zoverre een tussenvonnis was met het oog op de bij later vonnis vast te stellen schadeloosstelling, en dat dit "tussenvonnisgedeelte" moet worden onderscheiden van het "eindvonnisgedeelte", te weten het deel van het dictum waarin de vervroegde onteigening is uitgesproken. Tegen een tussenvonnis kan in beginsel geen tussentijds beroep in cassatie worden ingesteld (art. 401a lid 2 Rv). Weliswaar heeft de rechtspraak een uitzondering aanvaard voor het geval dat beroep wordt ingesteld tegen het "eindvonnisgedeelte" van een uitspraak, in welk geval ook tegen het "tussenvonnisgedeelte" van die uitspraak mag (dus niet moet) worden opgekomen(32), maar gebruik van die mogelijkheid vergt dat men daadwerkelijk tegen de gehele uitspraak opkomt en in het beroep tegen het "tussenvonnisgedeelte" slechts kan worden ontvangen als men daartegen vervolgens ook grieven c.q. cassatieklachten formuleert(33). In (punt 3.11 van) zijn aan [eiser] uitgebrachte (en door deze kennelijk met instemming in het geding gebrachte(34)) advies van 9 februari 2011(35) heeft Van Mierlo geconcludeerd dat [eiser] geen cassatieklachten tegen het "tussenvonnisgedeelte" van het vonnis tot vervroegde onteigening heeft geformuleerd, dat het beroep in cassatie uitsluitend betrekking had op het "eindvonnisgedeelte" en dat bij die stand van zaken het cassatieberoep uitsluitend het "eindvonnisgedeelte" en niet ook het "tussenvonnisgedeelte" van het vonnis tot vervroegde onteigening heeft geschorst(36).

In de tweede plaats geldt dat, zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de schorsende kracht van het cassatieberoep zich mede tot de descente uitstrekte, niet zonder meer van de nietigheid van de descente zou kunnen worden uitgegaan. Weliswaar wordt in de literatuur (met een beroep op art. 225 lid 3 Rv) aangenomen dat alle proceshandelingen die zijn verricht nadat de schorsing is ingetreden, nietig zijn(37), maar in dat verband wordt ook wel verdedigd dat die nietigheid slechts processuele partijhandelingen zou betreffen(38). In verband met het gesloten systeem van rechtsmiddelen kan nietigheid in elk geval niet worden aangenomen van rechterlijke uitspraken die op het tussenvonnis (c.q. het "tussenvonnisgedeelte") volgen (en daarop voortbouwen), maar zelf niet zijn aangevochten en vernietigd. In dat verband is van belang dat de bepaling van tijd en plaats van de descente door art. 28 lid 1 Ow aan de rechter-commissaris wordt opgedragen en als zodanig geen onderdeel vormt van het ("tussenvonnisgedeelte" van het) vonnis tot vervroegde onteigening.

In de derde plaats is van belang dat het hof blijkens rov. 4.8 met betrekking tot de al dan niet schorsende werking van het "tussenvonnisgedeelte" van het vonnis tot vervroegde onteigening heeft geoordeeld dat voor onteigeningen "een bijzondere systematiek" geldt die zich hierdoor kenmerkt dat de vraag of een descente dient plaats te vinden niet afhankelijk is van de waardering van de rechter in de zaak ten gronde. Kennelijk heeft het hof daarmee bedoeld aan te geven dat met betrekking tot de schorsende werking van het beroep tegen deelvonnissen in zoverre sprake is van een inherente afwijking van het regime van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals in art. 2 Ow bedoeld. Tegen dat oordeel wordt mijns inziens niet met succes in cassatie opgekomen (zie hierna onder 3.13).

3.11 De klacht van het subonderdeel kan om de hiervoor vermelde redenen niet slagen. Overigens heeft [eiser] zich in de door het subonderdeel (in voetnoot 6) vermelde passages in de memorie van grieven niet op het standpunt gesteld dat de schorsende werking van het cassatieberoep tegen het vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken, tot gevolg zou hebben dat de descente met het oog op de inschrijving van dat vonnis moet worden "weggedacht" en dat inschrijving om die reden niet mogelijk was. Het gestelde in de memorie van grieven onder 10 betreft slechts de motieven van de Gemeente om op een spoedige descente aan te dringen, het gestelde in de memorie van grieven onder 16 betreft de vraag of de door [eiser] voorgestane uitleg van art. 54m lid 1 Ow al dan niet een leemte laat en in de memorie van grieven onder 31 ten slotte wordt juist uitdrukkelijk betoogd dat door de descente die tijdens de geschorste procedure heeft plaatsgevonden, "de voorzienbare rechtsgevolgen intraden die imperatief verbonden zijn aan het niet-naleven van het bepaalde in artikel 54m, lid 1 Ow", waarmee kennelijk wordt gedoeld op het ingaan en het verstrijken van de termijn van twee maanden, vóórdat het vonnis kracht van gewijsde had verkregen.

3.12 Subonderdeel 2.3 is gericht tegen de rov. 4.8-4.10:

"4.8. In een door [eiser] ingewonnen opinie van prof. A. van Mierlo wordt aandacht besteed aan de vraag of en in hoeverre bij een deelvonnis als in casu het beroep in cassatie schorsende werking heeft ten aanzien van het "tussenvonnisdeel". Voor onteigeningen geldt echter een bijzondere systematiek welke zich daardoor kenmerkt dat de vraag of een descente dient plaats te vinden niet afhankelijk is van de waardering van de rechter in de zaak ten gronde. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat bij onteigeningszaken de descente wordt gehouden in afwachting van de uitkomst van het geding in cassatie. Dat laat onverlet dat de wet geen rechtstreeks antwoord biedt op de vraag wanneer in zo'n geval het vonnis kan of moet worden ingeschreven.

4.9. Bij onteigeningen zijn de volgende twee elementen wezenlijk:

- de inschrijving, welke de eigendom doet overgaan, maakt een dusdanige inbreuk op de eigendomsrechten van een burger, dat deze pas kan plaatsvinden nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;

- de inschrijving dient te allen tijde na de descente plaats te vinden, omdat, indien de inschrijving eerder plaats vindt, de mogelijkheid bestaat dat de onteigenaar dusdanige wijzigingen gaat aanbrengen dat ten nadele van de onteigende partij niet meer valt na te gaan wat de waarde van het onteigende perceel was.

Dat dit de ratio is welke aan art 54m Ow. ten grondslag ligt volgt onder meer uit de MvT bij dit wetsartikel:

De reden, dat de aanvang van de termijn op verschillende dagen [bedoeld is: de dagen als bedoeld in leden 1 en 2 van genoemd artikel; hof] is gesteld, is, dat het gewenst is, dat pas tot overschrijving wordt overgegaan nadat het deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden. Immers, bij de overschrijving verkrijgt de onteigenende overheid te eigendom van het ter onteigening aangewezen goed en dus ook de bevoegdheid dit goed te betreden en daarin feitelijke veranderingen aan te bregen [lees: brengen; hof], hetgeen het voor de deskundigen onmogelijk zou maken een verantwoord schaderapport te vervaardigen.

4.10. Aldus kan geconstateerd worden dat de hiervoor in rov. 4.7 sub b) omschreven volgorde niet in strijd komt met enige wetsbepaling, en geheel in overeenstemming is met de ratio welke aan het in art. 54m Ow. ontwikkelde systeem ten grondslag ligt. Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat een inschrijving, in het sub b) bedoelde geval gedaan binnen twee maanden na verwerping van het cassatieberoep, niet als tijdig zou kunnen worden aangemerkt."

Volgens het subonderdeel vitiëren de subonderdelen 2.1-2.2 tevens de oordelen in rov. 4.8 dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de descente bij onteigeningszaken wordt gehouden in afwachting van het geding in cassatie en dat de wet geen rechtstreeks antwoord zou bieden op de vraag wanneer in zo'n geval het vonnis moet worden ingeschreven, alsmede de oordelen in de rov. 4.9 en 4.l0 dat de in variant b (bedoeld in rov. 4.7) omschreven volgorde niet in strijd zou komen met enige wetsbepaling en geheel in overeenstemming zou zijn met de ratio van het in art 54m Ow ontwikkelde systeem en dat niet valt in te zien dat een inschrijving in het geval van variant b gedaan binnen twee maanden na het cassatieberoep niet als tijdig zou kunnen worden aangemerkt.

3.13 Het subonderdeel, dat voortbouwt op de subonderdelen 2.1-2.2, die niet tot cassatie kunnen leiden, moet het lot daarvan delen. Overigens lees ik in subonderdeel 2.2, dat uitgaat van schorsende werking van het cassatieberoep tegen het vonnis tot vervroegde onteigening, óók met betrekking tot het plaatsvinden van de descente, géén argument tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8, dat vanwege de bijzondere, voor onteigeningen geldende systematiek, aan het cassatieberoep juist schorsende kracht ten aanzien van het plaatsvinden van de descente ontzegt.

3.14 Subonderdeel 2.4 betoogt dat, als toch moet worden aangenomen dat een descente in de zin van de Onteigeningswet heeft plaatsgevonden, het hof heeft miskend dat de Gemeente, ondanks het ingestelde cassatieberoep, wel degelijk binnen twee maanden na de descente tot inschrijving van het onteigeningsvonnis had kunnen overgaan op de voet van art. 54n Ow. Deze inschrijving had echter geen overgang van de eigendom kunnen bewerkstelligen, nu daarmee niet aan de vereisten van art. 54m Ow werd voldaan. Door binnen twee maanden na de descente in te schrijven had de Gemeente echter wel kunnen voorkomen dat zij de schadeloosstelling als bedoeld in art. 54q Ow verschuldigd zou worden. Om die reden kunnen volgens het subonderdeel ook de rov. 4.12 en rov. 4.15-4.19 niet in stand blijven.

3.15 Het subonderdeel, dat lijkt uit te gaan van een uit art. 54n Ow voortvloeiende mogelijkheid tot inschrijving van het vonnis tot vervroegde onteigening, ook zonder dat aan de eisen van art. 54m Ow is voldaan ("(...) maar dat deze inschrijving geen overgang van de eigendom had kunnen bewerkstelligen, nu aan de vereisten van art. 54m Ow niet werd voldaan (...)"), kan niet tot cassatie leiden, omdat art. 54n Ow die mogelijkheid niet biedt. Art. 54n Ow regelt slechts welke stukken moeten worden overgelegd bij de inschrijving als bedoeld in art. 54m Ow, en verbindt (door middel van een verwijzing naar art. 59 lid 3 Ow) in zijn tweede lid aan die inschrijving als vaste consequentie het rechtsgevolg van overgang van de eigendom op de onteigenaar. In de wettelijke systematiek ligt besloten dat inschrijving mogelijk is of niet en dat, zo dit eerste het geval is, zij tot overgang van eigendom leidt. De Onteigeningswet voorziet niet in de mogelijkheid van een inschrijving van (naar ik begrijp) een vonnis tot vervroegde onteigening zonder kracht van gewijsde binnen de in art. 54m lid 1 Ow bedoelde termijn, welke inschrijving niet tot overgang van de eigendom zou leiden, maar de onteigenaar wel zou vrijwaren van de schadeplichtigheid als voorzien in art. 54q lid 1 Ow.

3.16 Onderdeel 3 is gericht tegen de rov. 4.11-4.12:

"4.11. [Eiser] heeft nog verwezen naar de MvT bij art 54f Ow. De derde alinea daarvan luidt als volgt:

Blijkt de onteigenende overheid, dat de noodzaak om vervroegd de eigendom van het ter onteigening aangewezen goed te vorderen, na de dagvaarding is vervallen, dan staat het haar niet vrij over te gaan tot overschrijving van het onteigeningsvonnis binnen de daarvoor in artikel 54m bedoelde termijn.

In dit geval kan het onteigeningsvonnis nog slechts tezamen met het vonnis, houdende de vaststelling van de schadeloosstelling, geworden overgeschreven. [...]

4.12. [Eiser] heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar de tweede hiervoor geciteerde volzin.

Het hof leest in de daaraan voorafgaande volzin veeleer dat als de noodzaak tot vervroegde onteigening is vervallen, de overheid niet meer kan inschrijven binnen de in art. 54m Ow. bedoelde termijnen. Die situatie doet zich hier echter niet voor; de noodzaak bestond (in de visie van de Gemeente) nog steeds, maar zij kòn niet inschrijven omdat het vonnis nog niet in kracht van gewijsde was gegaan."

Subonderdeel 3.1 klaagt dat deze oordelen van het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk geven, dan wel onbegrijpelijk zijn in het licht van hetgeen in de subonderdelen 2.1-2.2 is betoogd.

3.17 De klacht bouwt voort op de subonderdelen 2.1-2.2 en kan evenmin als die subonderdelen tot cassatie leiden. Overigens lees ik in die voorgaande subonderdelen géén argument tegen de geenszins onjuiste en alleszins begrijpelijke gevolgtrekkingen die het hof aan de door [eiser] bedoelde passage in de memorie van toelichting heeft verbonden.

3.18 Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 4.13:

"4.13. Overigens heeft [eiser] onvoldoende gesteld om duidelijk te maken welk rechtens te respecteren belang hij zou hebben bij toewijzing van het gevorderde. De onteigening als zodanig is onontkoombaar; er is geen enkele aanleiding voor de veronderstelling dat de Gemeente het werk niet zou uitvoeren. Geenszins is voorts aannemelijk gemaakt dat na ingebruikneming en uitvoering der werkzaamheden geen deugdelijk schadeonderzoek meer uitgevoerd zou kunnen worden. Ten eerste heeft reeds onderzoek aan of kort onder de oppervlakte plaatsgevonden. Voorts geldt dat de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling in december 2010 heeft voorgesteld andermaal een descente te doen plaatsvinden, doch dat voorstel is door [eiser] afgewezen. Tenslotte geldt dat, voor zover dieper onderzoek nodig zou zijn in verband met de mogelijke aanwezigheid van hoogwaardig zilverzand (aannemende al dat dit van invloed zou kunnen zijn op de schade; dat hier in het licht van het Bestemmingsplan tot ontgronding zou mogen worden overgegaan staat niet vast), zodanig onderzoek - naar de Gemeente onweersproken heeft gesteld en heeft onderbouwd met de verklaring van een deskundige - altijd alsnog kan plaatsvinden, bijvoorbeeld door boringen in de zijbermen, de middenberm, en desnodig door het asfalt heen."

Volgens subonderdeel 4.1 zijn deze oordelen onjuist of onbegrijpelijk nu het hof daarmee heeft miskend dat alleen al belang bestaat bij toewijzing van de vorderingen, omdat als gevolg daarvan de eigendom van het onteigende op een later tijdstip zou overgaan op de Gemeente en [eiser] dus nog langer van het onteigende gebruik zou hebben kunnen maken. Het hof heeft bovendien een te strenge maatstaf aangelegd in het licht van art. 3:303 BW door te oordelen dat [eiser] te weinig heeft gesteld. De enkele door [eiser] ingenomen stelling dat latere inschrijving zou leiden tot een latere waardepeildatum, levert immers reeds voldoende belang op voor toewijzing van de vorderingen. Het oordeel van het hof is voorts onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de (essentiële) stellingen van [eiser] dat een verantwoorde exploitatie van het camping- en horecabedrijf niet meer mogelijk is, nu het overblijvende gedeelte van perceel sectie [B 001], niet meer op een normale wijze kan worden bereikt, dat het voorschot volstrekt ontoereikend is voor een verdere verantwoorde exploitatie van het bedrijf van [eiser] omdat hij daartoe de volledige schadeloosstelling benodigt op grond van art. 40 Ow en dat de descente van 3 september 2009 niet onvoldoende(39) in kaart heeft gebracht wat voor [eiser] met het oog op het vervolg van de onteigeningsprocedure van belang is. Uit deze stellingen volgt dat [eiser] belang heeft bij het royeren of doorhalen van de inschrijving van 23 november 2010 en toewijzing van het verbod voor de Gemeente om de ter onteigening aangewezen percelen in gebruik te nemen, aangezien hij dan zelf langer van de onteigende percelen gebruik zou c.q. zal kunnen maken.

3.19 Het subonderdeel voert mijns inziens terecht aan dat de door [eiser] beoogde voortzetting van het eigen gebruik van de betreffende percelen een voldoende belang vormde bij toewijzing van zijn kortgedingvorderingen, die erop waren gericht de overgang van de eigendom van de betreffende percelen en de ingebruikname daarvan door de Gemeente voorshands te voorkomen. Waar het bestreden arrest niet slechts steunt op het ontbreken van een voldoende belang van [eiser] bij toewijzing van het gevorderde, maar ook op het inhoudelijke oordeel dat hetgeen [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd, die vorderingen niet kan dragen, kan het subonderdeel bij gebrek aan belang echter niet tot cassatie leiden.

3.20 Subonderdeel 4.2 is eveneens gericht tegen rov. 4.13. De oordelen dat geenszins aannemelijk zou zijn gemaakt dat na ingebruikneming geen deugdelijk schadeonderzoek meer zou kunnen worden uitgevoerd en dat de Gemeente onweersproken zou hebben gesteld dat dieper onderzoek altijd nog kan plaatsvinden, zijn volgens het subonderdeel onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen van [eiser] dat de bodembestanddelen op het onteigende roerend zijn geworden, zonder dat [eiser] en deskundigen hebben kunnen nagaan welke hoeveelheden delfstoffen zijn vrijgekomen en dat de Gemeente een andere feitelijke bestemming aan het onteigende geeft, zodat het schadebeeld ingrijpend wordt gewijzigd.

3.21 De bestreden overwegingen vormen onderdeel van de beoordeling van het belang van [eiser] bij toewijzing van het door hem gevorderde, welke beoordeling uitmondt in de conclusie dat het [eiser] aan een voldoende belang ontbreekt. Zoals hiervóór (onder 3.19) reeds aan de orde kwam, wordt mijns inziens terecht over dat oordeel geklaagd, maar kan zulks, nu het hof de vorderingen van [eiser] ook op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar heeft geoordeeld, bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

Volledigheidshalve wijs ik erop dat de kwestie van het zilverzand al eerder aan de orde is geweest in verband met het cassatieberoep tegen het vonnis tot vervroegde onteigening, welk beroep met toepassing van art. 81 RO bij arrest van 5 november 2010 door de Hoge Raad werd verworpen(40). A-G Van Ballegooijen merkte in zijn conclusie voor het arrest op:

"4.4. Eisers betogen voorts dat doordat zich onder het te onteigenen perceel zilverzand bevindt sprake is van na het onteigeningsbesluit aan het licht gekomen omstandigheden waardoor de Rechtbank de noodzaak van de vervroegde onteigening wel dient te beoordelen. Voor zover eisers betogen dat de uitzondering uit het arrest Strijpse Kampen B.V. c.s./ Eindhoven(41) c.s. inhoudende dat de onteigening niet meer geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit wordt onteigend van toepassing is, faalt dit betoog aangezien de Rechtbank in r.o. 3.6 heeft geoordeeld dat zij het niet aannemelijk acht dat de percelen voor een ander doel dan de aanleg van de weg zullen worden benut."

Voor zover het subonderdeel ten betoge strekt dat in andere zin over het zilverzand dient te worden geoordeeld dan in het arrest van 5 november 2010, faalt het.

3.22 Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 4.14. Subonderdeel 5.1 klaagt dat het hof daarin heeft geoordeeld dat de vorderingen sub B en C "om redenen als hiervoor verwoord" dienen te worden afgewezen. Dat oordeel zou gelet op onderdelen 1-4 niet in stand kunnen blijven.

3.23 Het subonderdeel kan evenmin als de onderdelen 1-4, waarop het voortbouwt, tot cassatie leiden.

3.24 Onderdeel 6 is gericht tegen de rov. 4.15 en 4.17:

"4.15. De vordering sub A. strekt tot betaling van een geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

Reeds aan eerstgenoemd criterium is in casu niet voldaan, waartoe het hof overweegt als volgt.

(...)

4.17. In het hiervoor overwogene met betrekking tot de vorderingen sub B. en C. ligt besloten, dat de situatie dat het vonnis niet tijdig zou zijn ingeschreven zich niet voordoet (zie r.o. 4.10)."

3.25 Volgens subonderdeel 6.1 heeft het hof miskend dat art. 54q Ow in het onderhavige geval van toepassing is en dat uit lid 2 van die bepaling volgt dat van een vaste schadeloosstelling sprake is. Dat het bestaan en de omvang van de vordering niet in voldoende mate aannemelijk zijn, is derhalve onjuist, althans onbegrijpelijk, in welk verband het subonderdeel mede naar subonderdeel 7.1 verwijst.

3.26 Art. 54q Ow is van toepassing in het geval dat de onteigenende partij het vonnis, bedoeld in artikel 54i, niet binnen de in artikel 54m genoemde termijn heeft doen inschrijven. In de benadering van het hof doet dat geval zich niet voor en kan, anders dan het subonderdeel veronderstelt, de vordering tot betaling van een geldsom niet op de schadeplichtigheid van de onteigenende partij als bedoeld in art. 54q lid 1 Ow worden gebaseerd. Het subonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.27 Subonderdeel 6.2 betoogt onder verwijzing naar de onderdelen 1-4 dat het oordeel in rov. 4.17 dat de situatie dat het vonnis niet tijdig zou zijn ingeschreven, zich niet voordoet, van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

3.28 Het subonderdeel kan evenmin als de onderdelen 1-4, waarop het voortbouwt, tot cassatie leiden.

3.29 Onderdeel 7 richt zich tegen rov. 4.18:

"4.18. Daarbij komt het volgende.

Uit de MvT bij art. 54q Ow. blijkt dat bedoeld artikel beoogt "een rem te zijn op het doen van overbodige verzoeken tot het houden van een vervroegd deskundigenonderzoek alsmede op het overbodig vorderen in de dagvaarding, dat het onteigeningsvonnis vervroegd wordt uitgesproken."

Die situatie doet zich niet voor. Uit de gehele opstelling van de Gemeente, uit haar eerdere (overigens in twee instanties afgewezen) verzoek tot het verlenen van verlof tot vervroegde ingebruikneming, uit het gegeven dat de gehele Binnenring gereed is op de laatste 250 meter na, volgt dat zij niets liever wilde dan de onteigening te effectueren. Zij kon echter een niet in kracht van gewijsde gegaan vonnis niet inschrijven. Dat zij enige aansporing nodig zou hebben is gesteld noch gebleken. Van enige overbodige vervroegde descente of vervroegd vonnis is dus geen sprake."

Volgens subonderdeel 7.1 is dit oordeel onjuist of onbegrijpelijk, nu het hof heeft miskend dat een met de tekst van de wet in overeenstemming zijnde interpretatie van art. 54q Ow hier prevaleert en tot de conclusie leidt dat deze bepaling in het onderhavige geval toepassing moet vinden; de Gemeente heeft het vonnis bedoeld in art. 54i Ow immers niet doen inschrijven binnen de in art. 54m Ow vermelde termijn. De positie van de onteigende verdient volgens het subonderdeel bescherming en de Gemeente heeft zichzelf in de positie gebracht waarin art. 54q Ow naar de letter van toepassing is, zodat er - anders dan het hof kennelijk van oordeel is - geen reden bestaat een voor de Gemeente, als onteigenende partij, gunstige interpretatie van deze bepaling te hanteren. Onjuist is bovendien het oordeel van het hof dat er geen sprake zou zijn van enige overbodige descente, nu het hof met dat oordeel heeft miskend dat de descente niet had kunnen en/of had mogen plaatsvinden in het licht van de subonderdelen 2.1-2.3.

3.30 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat de interpretatie van art. 54q Ow, dat verwijst naar "de in artikel 54m genoemde termijn" uiteraard die van art. 54m Ow dient te volgen. Als art. 54m lid 1 Ow aldus dient te worden uitgelegd dat een vonnis tot vervroegde onteigening later dan twee maanden na de descente, maar binnen twee maanden nadat het kracht van gewijsde heeft verkregen, kan worden ingeschreven, geldt zodanige inschrijving voor de toepassing van art. 54q Ow als "binnen de in artikel 54m genoemde termijn" te zijn verricht. Voor zover het subonderdeel op een andere uitleg van art. 54m Ow voortbouwt en van een na ommekomst van twee maanden na de descente onder alle omstandigheden eindigende termijn voor inschrijving van het onteigeningsvonnis uitgaat, kan het, zoals in het bijzonder bij de bespreking van subonderdeel 2.1 reeds aan de orde kwam, niet tot cassatie leiden.

Het hof heeft in rov. 4.18 (kennelijk ten overvloede: "Daarbij komt (...)") gewezen op de ratio van art. 54q Ow, te weten een rem te vormen op lichtvaardig gebruik door onteigenende overheden van het instrument van de vervroegde descente en de vervroegde onteigening, en daaraan het oordeel verbonden dat in casu van zodanig lichtvaardig gebruik geen sprake is. Hetgeen het hof in de slotzin van rov. 4.18 heeft overwogen, houdt met het in die rechtsoverweging opgenomen citaat uit de memorie van toelichting verband. Zowel in dat citaat als in de slotzin van rov. 4.18 is sprake van een overbodige vervroegde descente, dat wil zeggen een overbodige opneming door deskundigen die voor het geding plaatsvindt (art. 54a-e Ow). Dat, zoals het hof heeft overwogen, van enige overbodige vervroegde descente geen sprake is, is reeds daarom juist, omdat in de onderhavige zaak überhaupt geen descente voor het geding heeft plaatsgevonden; ware dat laatste anders, dan zou (in verband met de bepaling van art. 54m lid 2 Ow) over de tijdigheid van de inschrijving van het onteigeningsvonnis binnen twee maanden nadat het vonnis kracht van gewijsde had verkregen, überhaupt geen discussie mogelijk zijn geweest. De motiveringsklacht aan het slot van het subonderdeel tegen de vaststelling van het hof dat van enige overbodige vervroegde descente geen sprake is, faalt (mede) om die reden.

3.31 Onderdeel 8 richt zich tegen rov. 4.19 waarin het hof heeft geoordeeld dat ook vordering sub A dient te worden afgewezen. Volgens subonderdeel 8.1 kan dit oordeel gelet op hetgeen in de onderdelen 6-7 is betoogd, niet in stand blijven.

3.32 Het subonderdeel kan evenmin als de onderdelen waarop het voortbouwt tot cassatie leiden.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 HR 5 november 2010, LJN: BN8530, RvdW 2010, 1336.

2 HR 12 februari 2010, LJN: BL0006, NJ 2010, 98.

3 HR 25 juni 2010, LJN: BM5706, NJ 2010, 375.

4 HR 30 september 2011, LJN: BQ8091, RvdW 2011, 1184.

5 Rov. 4.2-4.5 van het bestreden arrest.

6 In de schriftelijke toelichting van mr. Sluysmans wordt in voetnoot 6 gemeld dat de Binnenring op 16 juni 2011 formeel in gebruik is genomen en is geopend voor het publiek, en dat op die dag de feestelijke opening plaatsvond.

7 Rov. 3.2.5 van het vonnis van 20 december 2010.

8 Kamerstukken II 1969/70, 10 590 nr. 3, p. 13.

9 Kamerstukken II 1969/70, 10 590, nr. 3, p. 18.

10 Kamerstukken II 1969/70, 10 590, nr. 3, p. 18/19.

11 E. van der Schans en A.C.M.M. van Heesbeen, Onteigening, Het spel en de knikkers (2011), p. 46, onder verwijzing naar HR 9 januari 2009, LJN: BG4337, NJ 2009, 43. Zie ook J.F. de Groot en A. de Snoo, Onteigening in crisis. De voorstellen tot versnelling van onteigening (1), BR 2009, nr. 185, p. 991-1004, in het bijzonder p. 992, r.k. ("reeds geruime tijd de standaardprocedure").

12 J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening (2003), p. 58.

13 J. Hoekstra en B.S. Ten Kate, Gemeentelijke grondverwerving (2000), p. 103.

14 Noot onder Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nader rapport, 8 mei 2008, RWSCD BJV 2008/2329 (Stopzetting onteigening Voorschoten), TBR 2008/143.

15 J.A.M.A. Sluysmans, J.J. van der Gouw en W.J. Bosma, Onteigeningsrecht in de praktijk (2011), p. 23.

16 J.S. Procee, M. Rus-van der Velde, M.W. Scheltema, E.J. Snijders-Storm en R.T. Wiegerink, Kroniek onteigeningsjurisprudentie 2011, TBR 2012/26, p. 130-138, in het bijzonder onder 2.2. De auteurs zijn allen werkzaam voor het advocatenkantoor dat [eiser] in de onderhavige cassatieprocedure bijstaat.

17 Zie rov. 3.4 van het bedoelde arrest. A-G Strikwerda had in zijn conclusie onder 15 opgemerkt: "In het reeds genoemde arrest van 20 mei 2011, 10/04523, LJN: BP4803, heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien de ter griffie van de rechtbank afgelegde cassatieverklaring niet binnen de in art. 54l bepaalde termijn van twee weken aan de tegenpartij wordt betekend met ontwikkeling van de gronden der cassatie en vergezeld van dagvaarding, het vonnis van vervroegde onteigening alsnog in kracht van gewijsde gaat, 'met alle in art. 54m Ow geregelde gevolgen van dien'. Naar mijn lezing betekent dit dat inschrijving van het onteigeningsvonnis mogelijk is daags nadat de dagvaardingstermijn van art. 54l lid 1 Ow is verstreken, dat voor de inschrijving de termijn geldt, bedoeld in art. 54m lid 1, 2 of 3 Ow, en dat, indien geen inschrijving plaatsvindt binnen die termijn, het bepaalde in de artt. 55 lid 2 of 59 Ow geldt (art. 54m lid 4 Ow)."

18 Schriftelijke toelichting van de mrs. Scheltema en Wiegerink onder 2.6.

19 Prod. 50 bij de brief van mr. Duijsters van 10 februari 2011 aan het hof.

20 Prod. 21 bij de dagvaarding in kort geding.

21 Prod. 22 bij de dagvaarding in kort geding.

22 Bijlage A bij de brief van mr. De Kok van 13 december 2010 aan de voorzieningenrechter.

23 In dit verband hebben Sluysmans en Van Der Gouw nog erop gewezen dat de Hoge Raad welwillend omgaat met nodeloze of niet als zodanig door de wetgever beoogde formaliteiten, zolang de belangen van de onteigende niet in het gedrang komen; dit zou bijvoorbeeld blijken uit HR 20 december 2002, LJN: AF2283, NJ 2003, 427, m.nt. PCEvW, en HR 13 oktober 1999, LJN: AC3240, NJ 1999, 770.

24 Bijlage B bij de brief van mr. De Kok van 13 december 2010 aan de voorzieningenrechter.

25 HR 13 april 2007, LJN: AZ6734, NJ 2007, 220.

26 Zo verzet het stringente karakter dat aan de termijnen in de onteigeningsprocedure toekomt, zich ertegen de handhaving van die termijnen afhankelijk te stellen van de vraag in hoeverre door de overschrijding het belang van de wederpartij is geschaad. In die zin ook A-G Strikwerda in zijn conclusie onder 12 voor HR 20 mei 2011, LJN: BP4803, NJ 2012, 287, m.nt. P.C.E. van Wijmen, onder verwijzing naar HR 14 juni 1989, LJN: AG6106, NJ 1989, 820, en HR 19 november 1997, LJN: AD2801, NJ 1998, 492.

27 Kamerstukken II 1969/70, 10 590 nr. 3, p. 13.

28 Kamerstukken II 1969/70, 10 590, nr. 3, p. 18.

29 De voorziening in cassatie, die binnen twee weken moet plaatshebben, geschiedt door een verklaring ter griffie van de rechtbank, die vervolgens binnen twee weken met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij moet worden betekend.

30 De bepaling van tijd en plaats van de opneming door deskundigen is en blijft een verantwoordelijkheid van de door de rechtbank benoemde rechter-commissaris, ook als de onteigenende overheid om die bepaling vraagt. Zie het door art. 54j lid 1 Ow van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 28 lid 1 Ow, dat voorschrijft dat de tijd en plaats van de opneming door deskundigen "met inachtneming van de meest mogelijke spoed" door de rechter-commissaris worden bepaald.

31 Zie voor de beslissing die de rechter-commissaris in de onderhavige zaak, gehoord ook de bezwaren van [eiser], heeft genomen, prod. 1 bij de memorie van antwoord.

32 Zie onder meer HR 23 januari 2004, LJN: AL7051, NJ 2005, 510, m.nt. DA, rov. 3.2.

33 Zie (voor het hoger beroep) HR 7 december 1990, LJN: ZC0076, NJ 1992, 85, m.nt. HJS, rov. 3.5.5.

34 Zie de brief van mr. H.M.G. Duijsters van 10 februari 2011 aan het hof.

35 Zie voetnoot 19.

36 Vgl. ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 (2009), nr. 149.

37 Burgerlijke Rechtsvordering, art. 350, aant. 3 (M. Ynzonides en E.D. van Geuns; 22-05-2009).

38 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 (2009), nr. 149, tot op zekere hoogte bijgevallen in Burgerlijke Rechtsvordering, art. 350, aant. 3 (M. Ynzonides en E.D. van Geuns; 22-05-2009).

39 Kennelijk is bedoeld: voldoende.

40 HR 5 november 2010, LJN: BN8530, RvdW 2010, 1336.

41 Gedoeld wordt op HR 9 februari 2000, LJN: AA4852, NJ 2000, 418, m.nt. PCEvW.