Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7355

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
12/01231
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

IPR. Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (HKbV 1961). Rechtsmacht Nederlandse rechter. Art. 4 HKbV 1961; maatstaf; terughoudendheid; omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1074
NJ 2012/500
NJB 2012/1866
RFR 2012/118
JWB 2012/400
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/01231

Mr. P. Vlas

Zitting, 1 juni 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[De vader]

tegen

[De moeder]

Deze zaak heeft betrekking op art. 4 van het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen van 5 oktober 1961, Trb. 1968, 101 (hierna: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 of HKbV 1961). Op grond van art. 4 kunnen de gerechten van de verdragsstaat waarvan de minderjarige onderdaan is, met toepassing van hun interne wet in het belang van de minderjarige kinderbeschermingsmaatregelen nemen ten aanzien van een minderjarige die zijn gewone verblijfplaats in een andere verdragsstaat heeft.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.(1) Uit de moeder is op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] geboren, [de dochter], die door de vader is erkend. Tussen de vader en de moeder van het kind heeft geen huwelijk bestaan. De minderjarige verblijft (sedert 2009) in Turkije bij de moeder die van rechtswege alleen met het gezag over haar is belast. De vader, die eveneens in Turkije woonachtig is, heeft de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit; de minderjarige bezit (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.

1.2 In dit geding heeft de vader, in eerste aanleg, verzocht hem mede te belasten met het gezag over de minderjarige. De vader legt aan zijn verzoek ten grondslag dat het van belang is dat hij mede met het gezag wordt belast teneinde in Turkije een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige te kunnen bewerkstelligen. De vader voert aan dat het voor hem niet mogelijk is om in Turkije gezamenlijk gezag over de minderjarige te verkrijgen nu hij en de moeder niet gehuwd zijn geweest.

1.3 Bij beschikking van 24 augustus 2011 heeft de rechtbank 's-Gravenhage zich onbevoegd verklaard om van het verzoek van de vader kennis te nemen, daartoe overwegende:

'Rechtsmacht

De rechtbank stelt vast dat de minderjarige op het moment van het aanhangig maken van de onderhavige procedure - en ook overigens thans nog steeds - haar gewone verblijfplaats in Turkije heeft. Ingevolge artikel 1 jo. 4 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 5 oktober 1961 Trb. 1968, 101, komt de Nederlandse rechter in dit geval slechts rechtsmacht toe indien 1) de minderjarige de Nederlandse nationaliteit heeft en 2) het nemen van (beschermende) maatregelen in het belang van de minderjarige wordt geacht.

De rechtbank overweegt als volgt. De door artikel 4 van voornoemd verdrag toegekende bevoegdheid heeft een uitzonderingskarakter, waarvan met terughoudendheid gebruik gemaakt dient te worden.

In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. Nu de minderjarige reeds vanaf 2009 in Turkije woont met zijn (van oorsprong) Turkse moeder, heeft zij daar het zwaartepunt van haar toekomst liggen. Nu beide partijen en de minderjarige in Turkije woonachtig zijn, kan de rechter onvoldoende kennis nemen van de leefomstandigheden waarin de minderjarige verkeert. De Turkse rechter is het beste toegerust om te oordelen over de leefomstandigheden waarin de minderjarige verkeert. De Turkse rechter is het beste toegerust om te oordelen over de omstandigheden en de belangen van de minderjarige. Gezien deze omstandigheden leidt het belang van de minderjarige er niet toe dat de rechtbank zich bevoegd moet verklaren. Het enkele feit dat het conform Turks recht niet mogelijk is om de man mede met het gezag over de minderjarige te belasten, maakt dit niet anders'.

1.4 In hoger beroep heeft de vader zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat hij primair heeft verzocht hem met het eenhoofdig gezag over de minderjarige te belasten. De vader stelt zich op het standpunt dat het belang dat de minderjarige heeft bij het treffen van maatregelen door de Nederlandse rechter op grond van art. 4 HKbV 1961, gelegen is in het feit dat de Turkse rechter de door hem verzochte maatregel niet kan treffen omdat deze in het Turkse recht niet bestaat. Hiertegen heeft de moeder onder meer ingebracht, dat naar Turks recht in beginsel alle gescheiden ouders een contactregeling met hun kind(eren) krijgen ongeacht of zij het gezag over hen hebben.(2)

1.5 Bij beschikking van 7 december 2011 heeft het hof 's-Gravenhage geoordeeld dat de rechtbank zich terecht en op juiste gronden onbevoegd heeft verklaard van het verzoekschrift van de vader kennis te nemen. Het hof heeft daartoe in aanmerking genomen:

'7. (...) dat het uitgangspunt van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 is dat de rechter van de gewone verblijfplaats van de minderjarige in beschermingsmaatregelen voorziet. Deze rechter zal immers in de regel beter in staat zijn te beoordelen of en welke maatregel nodig is.

8. Op basis van artikel 4 van voornoemd verdrag kan de Nederlandse rechter in bepaalde uitzonderingsgevallen een kinderbeschermingsmaatregel nemen. Van deze bevoegdheid dient de Nederlandse rechter echter met terughoudendheid gebruik te maken.

9. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het onvoldoende kennis kan nemen van en/of onderzoek kan (laten) doen naar de leefomstandigheden waarin de minderjarige verkeert, en (dus) diens belangen onvoldoende in beeld kan krijgen met het oog op de gevraagde voorziening, nu de minderjarige, sinds partijen in 2009 als gezin naar Turkije zijn vertrokken, in Turkije woont. Naar het oordeel van het hof is de Turkse rechter derhalve beter toegerust om te oordelen over de omstandigheden waarin de minderjarige verkeert en haar belangen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat ook de zaak met betrekking tot de omgang in Turkije loopt. Gezien deze omstandigheden is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat het belang van de minderjarige er niet toe leidt dat de Nederlandse rechter zich bevoegd dient te verklaren ten aanzien van de door de vader gevraagde wijziging in het gezag. De enkele omstandigheid dat het conform Turks recht niet mogelijk is om de vader mede met het gezag over de minderjarige te belasten, maakt dit niet anders, zoals ook de rechtbank heeft geconcludeerd.'

1.6 De vader is tijdig van deze beschikking in cassatie gekomen. De moeder heeft verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit zeven onderdelen(3) en keert zich tegen rov. 9 van de bestreden beschikking waarin het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van art. 4 HKbV 1961 geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het onderhavige verzoek van de vader.

2.2 Inzet van het geding is de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige gezagskwestie met betrekking tot de minderjarige die haar gewone verblijfplaats (sinds 2009) in Turkije heeft. De Verordening Brussel II-bis(4) is op deze kwestie niet van toepassing, omdat het kind geen gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Daarentegen is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, nu Nederland sedert 18 september 1971 daarbij partij is en Turkije sedert 24 oktober 1983.(5) De toetreding van Turkije is ingevolge art. 21 lid 2 HKbV 1961 door Nederland aanvaard, zodat het verdrag sedert 1 augustus 1986 van toepassing is in de betrekkingen tussen beide staten. Het HKbV 1961 is krachtens art. 13 van toepassing op alle minderjarigen die hun gewone verblijfplaats in een van de verdragsluitende staten hebben. Voor de toepassing van het verdrag wordt onder 'minderjarige' verstaan elke persoon die deze bevoegdheid heeft zowel volgens de interne wet van de staat waarvan hij onderdaan is als volgens de interne wet van zijn gewone verblijfplaats (art. 12 HKbV 1961). In het onderhavige geval is aan deze voorwaarden voldaan, terwijl de verzochte maatregel onder het materiële toepassingsgebied van het verdrag valt. Het HKbV 1961 is inmiddels vervangen door het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKbV 1996), doch dit laatste verdrag blijft in dit geval buiten toepassing. Weliswaar is het HKbV 1996 op 1 mei 2011 voor Nederland in werking getreden(6), maar dit is (nog) niet het geval voor Turkije.

2.3 In het algemeen geldt dat de gerechten van het land waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft vanwege de geografische verbondenheid het beste in staat worden geacht de belangen van het kind te beoordelen en de verzochte gezagsmaatregel daarop af te stemmen. De gewone verblijfplaats van het kind wordt doorgaans als het primaire aanknopingspunt gebruikt voor de internationale bevoegdheid in gezagskwesties (zie art. 8 Brussel II-bis en art. 5 HKbV 1996). Zo ook in art. 1 HKbV 1961, waarin 'de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de Staat, waar een minderjarige zijn gewone verblijf heeft' bevoegd worden verklaard maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of goed. De maatregelen worden genomen met toepassing van de interne wet van de in art. 1 als bevoegd aangewezen autoriteiten (art. 2 HKbV 1961), waardoor een 'Gleichlauf' ontstaat tussen internationale bevoegdheid en toepasselijk recht: de rechter van de gewone verblijfplaats van het kind past zijn eigen recht (de lex fori) toe. Op de hoofdregel inzake de rechtsmacht worden uitzonderingen toegestaan die vooral zijn ingegeven door het belang van het kind. Onder omstandigheden kan het belang van het kind gediend zijn bij tussenkomst van een andere rechter dan die van de verdragsluitende staat van zijn gewone verblijfplaats. Tegen deze achtergrond staat art. 4 HKbV 1961 toe, dat de gerechten van de verdragsstaat waarvan de minderjarige onderdaan is, met toepassing van hun interne wet kinderbeschermingsmaatregelen nemen ten aanzien van een kind dat in een andere verdragsstaat zijn gewone verblijfplaats heeft, indien zij zulks in het belang van het kind achten. Alvorens de rechter op de voet van art. 4 maatregelen van kinderbescherming neemt, dient hij het voornemen daartoe kenbaar te maken aan de autoriteiten van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Het HKbV 1961 geeft niet aan op welke wijze deze kennisgevingsplicht moet worden uitgevoerd. Evenmin geeft het verdrag aan wat de gevolgen zijn van het achterwege laten van de kennisgeving.(7) In de praktijk vindt in de meeste gevallen geen kennisgeving plaats.(8) Overigens is de gebrekkige wijze waarop onder het HKbV 1961 de samenwerking tussen de autoriteiten van de verschillende verdragsstaten is geregeld, een belangrijke drijfveer geweest voor de totstandkoming van het nieuwe HKbV 1996.(9)

2.4 Bij de toepassing van de op de nationaliteit van het kind gebaseerde bevoegdheid van art. 4 HKbV 1961 moet de nodige terughoudendheid worden betracht ten opzichte van de primaire bevoegdheid ten gunste van de rechter van de verdragsstaat van de gewone verblijfplaats van het kind op grond van art. 1 HKbV 1961. De gerechten van de verdragsstaat waarvan het kind onderdaan is, kunnen zich alleen dan bevoegd verklaren ten aanzien van een buiten de forumstaat wonende minderjarige onderdaan, wanneer het belang van kind duidelijk meer is gebaat bij tussenkomst van de gerechten van de verdragsstaat van zijn nationaliteit dan de gerechten van de verdragsstaat van zijn gewone verblijfplaats.(10) Dit geldt des te meer omdat in recente IPR-regelgeving de nationaliteit van het kind verder op de achtergrond is geraakt in verhouding tot de gewone verblijfplaats als aanknopingspunt voor de bevoegdheid in gezagskwesties.(11)

2.5 Of de uitoefening van rechtsmacht krachtens art. 4 HKbV 1961 geacht kan worden in het belang van het kind te zijn, hangt af van de omstandigheden van het concrete geval.(12) In de lagere rechtspraak zijn gevallen bekend waarin op grond van de Nederlandse nationaliteit van het kind bevoegdheid is aangenomen krachtens art. 4 HKbV 1961, bijvoorbeeld omdat het kind in een gezagsvacuüm dreigde te belanden in de verdragsstaat van zijn gewone verblijfplaats, omdat de ouders van het kind overeenstemming hadden bereikt over de door de Nederlandse rechter te nemen gezagsmaatregel of wanneer vast was komen te staan dat het kind binnen afzienbare tijd zijn gewone verblijfplaats in Nederland zou hebben.(13)

2.6 Ik keer terug naar het cassatiemiddel. Onderdeel 1 keert zich tegen de overweging van het hof dat de enkele omstandigheid dat het conform Turks recht niet mogelijk is om de vader mede met het gezag over de minderjarige te belasten, niet afdoet aan het oordeel dat, gelet op de in rov. 9 genoemde omstandigheden, het belang van de minderjarige er niet toe leidt dat de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen aan art. 4 HKbV 1961. De bestreden overweging van het hof is volgens het middel onbegrijpelijk (i) in het licht van hetgeen uit de vaste Nederlandse feitenrechtspraak en doctrine volgt, voorts omdat (ii) het hof essentiële stellingen van de vader ongemotiveerd heeft gepasseerd, (iii) het bestreden oordeel innerlijk tegenstrijdig is met de overige in rov. 9 vervatte overwegingen en tenslotte (iv) het bestreden oordeel non-concludent is.

2.7 Uit rov. 9 van de bestreden beschikking volgt dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van het aan het HKbV 1961 ten grondslag liggende uitgangspunt dat de gerechten van de verdragsstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft doorgaans in een betere positie verkeren om te oordelen over gezagsmaatregelen. Juist is dat het hof onvoldoende kennis kan nemen van de leefomstandigheden waarin de minderjarige verkeert; de Turkse rechter is daartoe veel beter in staat. Het hof kan evenmin onderzoek laten doen naar deze leefomstandigheden.(14) De Turkse rechter is daartoe uiteraard wel in staat. Bij de beoordeling van de vraag of het aannemen van bevoegdheid krachtens art. 4 lid 1 HKbV 1961 in het belang van het kind is, zal geen doorslaggevende betekenis kunnen worden toegekend aan de (door de vader gestelde) onmogelijkheid om volgens het recht van de verdragsstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft (mede) met het gezag over de minderjarige te worden belast. De beperkingen waartoe de rechter van de verdragsstaat waarvan het kind onderdaan is zich gesteld ziet - waarvan het belangrijkste is dat hij zich geen voldoende oordeel kan vormen omtrent de leefsituatie van het kind - wegen in deze zwaarder dan de (door de vader gestelde) onmogelijkheid om volgens het recht van de verdragsstaat van de gewone verblijfplaats van het kind (mede) met het gezag belast te worden. Dit geldt te meer nu op grond van het laatstgenoemde recht van een gezagsvacuüm geen sprake is - de moeder is immers belast met het gezag - en voorts is niet gebleken dat dit recht de omgang tussen de vader en de minderjarige in het geheel niet mogelijk zou maken.(15)

2.8 Tegen de achtergrond van het voorgaande kunnen de klachten van onderdeel 1 niet tot cassatie leiden. Tot een verdere motivering voor het afwijzen van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter was het hof niet gehouden. Van het ongemotiveerd passeren of onvoldoende bespreken door het hof van een of meer door de vader in dit verband ingebrachte stellingen is mij niet gebleken.

2.9 De onderdelen 2 en 3 kunnen in het licht van het voorgaande evenmin tot cassatie leiden, omdat aan deze onderdelen steeds ten grondslag ligt de hiervoor verworpen stelling van de vader dat het hof internationale bevoegdheid had moeten aannemen op grond van art. 4 HKbV 1961 en dat oordeel onvoldoende zou hebben gemotiveerd.

2.10 Onderdeel 4 voert aan dat het hof heeft miskend dat art. 4 HKbV 1961 een voorziening heeft getroffen voor het gebrek aan informatie waarmee de rechter van de verdragsstaat waarvan het kind onderdaan is heeft te kampen, te weten de voorafgaande kennisgevingsplicht. Door deze kennisgevingsplicht krijgen de autoriteiten van de verdragsstaat van de gewone verblijfplaats van het kind de gelegenheid om de autoriteiten van de verdragsstaat waarvan het kind onderdaan is de voor het treffen van de maatregel benodigde informatie te verschaffen. Het hof wordt verweten deze kennisgevingsplicht te hebben miskend althans onvoldoende inzicht te hebben gegeven in zijn gedachtegang op dit punt.

2.11 Het onderdeel faalt. De door art. 4 HKbV 1961 voorgeschreven kennisgevingsplicht geldt slechts in het geval dat de rechter zijn rechtsmacht op de nationaliteit van het kind wenst te baseren. In de bestreden beschikking heeft het hof de rechtsmacht op basis van art. 4 HKbV 1961 afgewezen, zodat er geen reden bestond tot kennisgeving aan de autoriteiten van de verdragsstaat van de gewone verblijfplaats van het kind. De voorafgaande kennisgevingsplicht heeft immers tot doel, de autoriteiten van het woonland in de gelegenheid te stellen de rechter van de verdragsstaat van de nationaliteit van het kind de benodigde informatie te verschaffen alsmede om de plaatselijke autoriteiten de mogelijkheid te geven zich voor te bereiden op de voorzieningen die van de nationale autoriteiten te verwachten zijn.(16)

2.12 Naar onderdeel 1.5 betoogt heeft het hof miskend dat uit art. 4 HKbV 1961 voortvloeit dat de rechter van het nationaliteitsland zich niet onbevoegd dient te verklaren uitsluitend op grond van het in art. 1 HKbV 1961 genoemde uitgangspunt dat de rechter van het woonland in beginsel beter is toegerust om kennis te verkrijgen van de huidige leefomstandigheden en de belangen van de minderjarige.

2.13 De klacht faalt, omdat deze eraan voorbijgaat dat het hof in rov. 9 het belang van het kind voorop heeft gesteld en in dat verband een afweging heeft gemaakt tussen het uitgangspunt van art. 1 HKbV 1961 en de uitzondering van art. 4 HKbV 1961, op grond waarvan het hof tot de conclusie heeft kunnen komen dat het belang van het kind beter is gediend bij de behandeling van de zaak door de gerechten van de verdragsstaat waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft.

2.14 Onderdeel 1.6 houdt in dat, voor zover het hof in rov. 9 zou hebben bedoeld dat de man in Turkije het 'onderliggende verzoek' kan indienen en in die procedure een beroep kan doen op art. 18 IVRK, het heeft miskend dat de ratificatie van het IVRK door Turkije niet automatisch ertoe leidt dat dit verdrag in de nationale Turkse rechtsorde geldig is, voorrang heeft boven het nationale Turkse recht en tevens rechtstreekse werking heeft.

2.15 De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien het hof bij zijn oordeelsvorming over de internationale bevoegdheid op grond van art. 4 HKbV 1961 volgens rov. 9 geen rekening heeft gehouden met de werking van het IVRK voor de Turkse rechtsorde. Dat ligt ook niet voor de hand, omdat art. 18 IVRK op de verdragsstaten een inspanningsverplichting legt alles te doen wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Voor het overige stuit de klacht af op art. 79 lid 1 onder b RO.

2.16 Onderdeel 1.7 heeft geen zelfstandige betekenis en kan bij het falen van de voorgaande klachten evenmin tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 augustus 2011, onder het kopje 'Feiten'.

2 Zie rov. 4 en 5 van de bestreden beschikking.

3 Het verzoekschrift tot cassatie bevat onder 1 een beschrijving van de vaststaande feiten en het procesverloop, onder 2 prealabele opmerkingen, waarin geen klacht is opgenomen, en onder 3 de cassatieklachten.

4 Verordening (EG) Nr. 2201/2003, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, PbEG L 338/1 van 23 december 2003.

5 Zie Groene Serie, Personen- en familierecht, Titel 14, Internationaal privaatrecht, Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, Algemeen, aant. 2 (F. Ibili); D. van Iterson, Ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderbescherming, Praktjkreeks IPR, deel 4, 2011, p. 46.

6 Trb. 2011, 166.

7 Wellicht leidend tot de niet-erkenning van de door de nationale rechter genomen maatregel in de verdragsstaat van de gewone verblijfplaats van het kind op grond van art. 7 HKbV 1961, zie J.L. Jonker Roelants, De bevoegdheid van de Nederlandse echtscheidingsrechter tot het treffen van een gezagsvoorziening krachtens artikel 4 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag, in: Guus E. Schmidt, Judith A. Freedberg-Swartzburg (red.), Het NIPR geannoteerd, annotaties opgedragen aan Dr Mathilde Sumampouw, 1996, p. 106. Voorts: Jan Kropholler, in: J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Neubearbeitung 2003, Vorbem. zu Art. 19 EGBGB, RNr. 384 (p. 474).

8 Zie L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, negende druk, 2008, nr. 129 (p. 112). In de tiende druk (2012) wordt in verband met de inwerkingtreding van het HKbV 1996 niet langer aan het HKbV 1961 aandacht besteed, zodat de passage over art. 4 HKbV 1961 is komen te vervallen. Voorts: Jonker Roelants, t.a.p.

9 Zie hierover P. Lagarde, Rapport explicatif/Explanatory Report, Actes et Documents de la Dix-huitième session (1996), tome II, p. 541 en 589-590.

10 Groene Serie Personen- en familierecht, Titel 14, Internationaal privaatrecht, Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, art. 4, aant. 1-2 (F. Ibili); G.E. Schmidt, T&C Personen- en familierecht, Bijlage 46, art. 4 HKbV 1961, aant. 2. Zie ook J. Kropholler, Internationales Privatrecht, 6. Auflage, 2006, p. 394: 'Die Heimatbehörden erhalten durch Art. 4 I MSA eine konkurrierende Zuständigkeit, wenn sie der Auffassung sind, daß das Wohl des Minderjährigen ihr Tätigwerden erfordert. (...) Die Heimatbehörden machen von ihrem ,,Evokationsrecht" freilich nur selten Gebrauch'.

11 In de Verordening Brussel II-bis speelt de nationaliteit van het kind slechts een bijkomende rol in het kader van de bevoegdheidsgronden in art. 12 lid 3 (toekenning van rechtsmacht voor maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid in andere dan echtscheidingsprocedures) en art. 15 (overdracht van de zaak naar de rechter in een andere lidstaat). Zie voor dat laatste ook art. 8 en 9 HKbV 1996.

12 In de MvT behorende bij de Goedkeuringswet van het HKbV 1961, Tweede Kamer, Zitting 1969-1970, 10 450 (R 719), nr. 3, p. 43, wordt nog opgemerkt dat de autoriteiten van de verdragsstaat waarvan het kind de nationaliteit heeft slechts in het belang van het kind het terrein mogen betreden dat in beginsel voor de autoriteiten van het land van de gewone verblijfplaats van het kind is gereserveerd, maar dat de praktijk aantoont 'dat verschil van inzicht bij de kinderbeschermingsinstanties van de verschillende Staten omtrent hetgeen in een gegeven geval in het belang van het kind is, tot de uitzonderingen behoort'.

13 Zie de rechtspraak genoemd bij J.L. Jonker Roelants, a.w., p. 98-99; Groene Serie, Personen- en familierecht, Titel 14, Internationaal privaatrecht, Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, art. 4, aant. 2.2 (F. Ibili); G.E. Schmidt, T&C Personen- en familierecht, Bijlage 46, art. 4 HKbV 1961, aant. 3, onder b.

14 Anders dan de Verordening Brussel II-bis en het HKbV 1996 kent het HKbV 1961 niet de mogelijkheid van een daadwerkelijke onderlinge samenwerking tussen autoriteiten op grond waarvan informatie kan worden ingewonnen over de leefomstandigheden waarin de minderjarige in het buitenland verkeert.

15 Het Turkse Burgerlijk Wetboek (Wet Nr. 4721 van 22 november 2001) bepaalt in art. 323 het volgende: 'De moeder en de vader hebben ieder het recht te verzoeken om een passende persoonlijke verhouding aan te gaan met het kind dat niet onder het gezag staat van de moeder of de vader of niet aan deze is toevertrouwd' (ontleend aan F.J.A. van der Velden & F.Ibili (red.), Nederlandse vertaling van het Turks Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder de bepalingen inzake het personen-, familie- en erfrecht, 2010). Zie ook art. 337: 'Indien de moeder en de vader niet gehuwd zijn, komt het gezag toe aan de moeder. (...)'.

16 W. de Steiger, Rapport Explicatif, Actes et Documents de la Neuvième Session (1960), tome IV, p. 229. Zie ook de MvT behorende bij de Goedkeuringswet van het HKbV 1961, Tweede Kamer, Zitting 1969-1970, 10 450 (R 719), nr. 3, p. 4.