Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW7190

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
12/01629 H, 12/01630 H, 12/01631 H, 12/01632 H, 12/01633 H en 12/01634 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW7190
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Zes van Breda. De verklaringen van de getuigen X en Y, die zich wel in het politiedossier maar niet in het justitiedossier bevinden stellen de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de drie vrouwelijke betrokkenen in een ander licht. De verklaringen van X en Y, die bij het onderzoek ttz. niet aan de rechter bekend waren, vormen een gegeven a.b.i. art. 457.1ahf.c Sv. De vordering is in zoverre gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 60
NJB 2012/1867
NJB 2013/159

Conclusie

Aanvulling op de vordering tot herziening inzake

S 12/01629 H [Anil B.]

S 12/01630 H [Ahmed L.]

S 12/01631 H [Appie T.]

S 12/01632 H [Jane H.]

S 12/01633 H [Carien N.]

S 12/01634 H [Jenny L.]

Mr. Aben

Zitting: 21 augustus 2012

1. Bij vordering(en) van 5 juni 2012 in de strafzaken van

(1). [Anil B.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer 20.002065/94) ter zake van "medeplegen van: doodslag gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;

(2). [Ahmed L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002063/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit, straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;

(3). [Appie T.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002064/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;

(4). [Jane H.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 (parketnummer: 3176/94) wegens "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht;

(5). [Carien N.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 11 oktober 1994 (parketnummer 3208/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht;

(6). [Jenny L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.001423/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te breiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren,

heb ik de herziening aangevraagd van de hiervoor vermelde onherroepelijke veroordelingen, met verwijzing van de strafzaken naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaken (gelijktijdig) zullen worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 467, eerste lid Sv.

2. Bij tussenarrest van 26 juni 2012 heeft Uw Raad het volgende overwogen:

"Paragraaf 8.2.1 van de vordering van de Procureur-Generaal houdt met betrekking tot [Jenny L.], [Jane H.] en [Carien N.] in dat "geen van de drie vrouwen ook maar enige belangstelling heeft getoond voor een herziening van hun veroordelingen".

De Hoge Raad acht het in het onderhavige geval van belang ten aanzien van elk van de zes betrokkenen te kunnen vaststellen dat een herzieningsprocedure niet tegen hun wil ingaat. Dienaangaande wil de Hoge Raad door de Procureur-Generaal nader worden geïnformeerd. Daartoe zal de zaak naar de rol worden verwezen."

3. In antwoord op het door Uw Raad verzochte dient het volgende.

4. De dag voorafgaande aan de indiening van de vordering tot herziening van 5 juni 2012 heb ik uitvoerige (al dan niet telefonische) gesprekken gevoerd met [Ahmed L.], [Jane H.], [Carien N.] en [Jenny L.], als ook (korter) met de advocaten van [Appie T.] (mr. Knoops) en [Anil B.] (mr. Loevendie).

Wat betreft de standpunten van [Appie T.], [Anil B.], [Ahmed L.] en [Jenny L.] valt weinig meer op te merken dan dat aan hun mededelingen, c.q. aan die van hun advocaten valt te ontlenen dat zij zonder meer instemmen met de strekking van de vordering tot herziening.

5. [Jane H.] heb ik 4 juni jl. (telefonisch) tweemaal uitvoerig gesproken, mede vanwege de emotionele toestand waarin zij tijdens die gesprekken verkeerde. Zij stond weliswaar positief tegenover de strekking van de vordering, maar had haar aarzelingen over de vraag of zij sterk genoeg was om bestand te zijn tegen de verwikkelingen die met een herzieningsprocedure gepaard gaan. Bovendien vreesde zij de juridische consequenties van het door haar afleggen van valse - namelijk: bekennende - verklaringen. Nadat zij zich tussen de twee gesprekken door had verzekerd van de steun van haar naasten, en nadat ik haar zei dat een vervolging voor meineed vanwege haar destijds ter zitting gedane bekentenis mij uiterst onwaarschijnlijk voor kwam, deelde zij mij ondubbelzinnig mede: "dan ga ik ervoor."

6.1. Wat betreft [Carien N.] stuitte ik in mijn gesprek met haar aanvankelijk op een terughoudende, kritische opstelling. Gaandeweg werd zij naar mij toe meer openhartig. Haar standpunt over herziening was niettemin afwijzend. Zij gaf als reden op dat zij bezorgd is over de bekendwording van haar veroordeling. Zij heeft haar leven nu "op orde" en in haar werkkring is niet bekend dat zij een gevangenisstraf heeft ondergaan. Ook de persoon bij wie zij in huis is getrokken (na een scheiding van haar partner) is daarvan niet op de hoogte. Ik heb van mijn kant meegedeeld dat een afsplitsing van haar zaak van die van de overige vijf veroordeelden op dit punt geen soelaas zal kunnen bieden. Bovendien, zo deelde ik mede, vind ik het principieel onjuist om in zo'n zaak een veroordeling ongemoeid te laten in het geval er goede gronden zijn voor de herziening ervan. Voor deze opvatting had zij begrip, maar het veranderde haar mening op dat moment niet.

6.2. Terzijde merk ik nog het volgende op. Ofschoon mijn gesprek met [Carien N.] niet strekte tot het vergaren van informatie, deelde zij mij mede wat (naar haar zeggen) de gang van zaken was in de nacht van 3 op 4 juli 1993. Zij bevestigde dat zij in de vroege ochtend van 4 juli samen met [Jane H.] was gearriveerd op de [b-straat], "waar die jongens schijnbaar stonden", en dit om het restant van de nacht door te brengen in een flatwoning aldaar. Op mijn vraag wat zij met "schijnbaar" bedoelde, antwoordde ze: "volgens de politie." In werkelijkheid had zij niemand gezien. Zij voelde zich ziek en ze kan zich nog herinneren dat zij de trap op is geholpen door [Jane H.]. Pas de volgende ochtend vernam zij van het overlijden van [mw. M.], aldus [Carien N.].

7. Inmiddels heb ik bij mrs. Knoops en Loevendie navraag gedaan naar het actuele standpunt van hun (in totaal zes) cliënten.

8. Van mr. Loevendie, die optreedt namens [Anil B.], [Jenny L.] en [Carien N.], ontving ik op 27 juni 2012, alsmede op 2 en 3 juli 2012 berichten. Hieraan ontleen ik de volgende mededelingen:

"Inmiddels ontving ik (mr. Loevendie, D.A.) kopieën van het tussenarrest d.d. 26 juni jl. van de Hoge Raad, waarin het verzoek is geformuleerd nadere informatie te verstrekken omtrent de wens van 'de zes betrokkenen' m.b.t. het verzoek tot herziening.

Ten aanzien van [Anil B.] en [Jenny L.] is dit een volmondig 'ja', zij wensen herziening van de arresten zoals deze in 1995 door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch gewezen zijn en staan derhalve volledig achter het daartoe strekkende verzoek."

"Ten aanzien van [Carien N.] ligt de wens tot herziening te komen gecompliceerder. Zij wordt niet graag herinnerd aan de tijd van detentie en de toenmalige rechtsgang. Ook zij spreekt over een in het politiebureau zeer onheuse, vernederende bejegening (douchen onder toezicht van en fouilleren door louter mannelijke bewaarders). Zij is echter tot het inzicht gekomen dat voor alle betrokkenen herziening gewenst en vooral gerechtvaardigd is, ook voor haarzelf."

Bij mail van 3 juli voegde mr. Loevendie hieraan toe:

"Met verwijzing naar mijn mail van gisteren deel ik u mede dat cliënte [Carien N.] mijn mail heeft beantwoord: zij staat achter het verzoek tot herziening en wenst ook herziening van het vonnis van de rechtbank Breda uit 1994."

Overigens had mr. Loevendie mij al eerder bericht:

"Na kennisneming van het volledige dossier is het zeer wel mogelijk dat ik namens cliënten zelfstandige - aanvullende - verzoeken tot herziening zal indienen."

9. Van mr. Knoops kreeg ik op 27 juni 2012 het bericht dat zijn cliënten, [Appie T.], [Ahmed L.] en [Jane H.], volledig instemmen met de strekking van de vordering tot herziening, en dat zij alle drie - mede ter bevestiging van hun instemming - een separaat verzoek tot herziening zullen indienen, ter aanvulling op de daartoe strekkende vordering mijnerzijds.

10. Ik meen op basis van een en ander te mogen concluderen dat de vordering tot herziening niet tegen de wil van de veroordeelden ingaat.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vordering tot herziening inzake

S 12/01629 H [Anil B.]

S 12/01630 H [Achmed L.]

S 12/01631 H [Appie T.]

S 12/01632 H [Jane H.]

S 12/01633 H [Karin N.]

S 12/01634 H [Jenny L.]

Mr. Aben

Zitting: 5 juni 2012

Vorderingen tot de herziening van onherroepelijke veroordelingen in de strafzaken van

(1). [Anil B.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer 20.002065/94) ter zake van "medeplegen van: doodslag gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

(2). [Achmed L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002063/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit, straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

(3). [Appie T.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002064/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

(4). [Jane H.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 (parketnummer: 3176/94) wegens "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht.

(5). [Karin N.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 11 oktober 1994 (parketnummer 3208/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht.

(6). [Jenny L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.001423/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te breiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Inhoudsopgave

1. Inleiding

1.1. De aanleiding

1.2. Het eerste opsporingsonderzoek

1.3. Het tweede opsporingsonderzoek

1.4. De onherroepelijke veroordelingen

1.5. Nadere ontwikkelingen

1.6. Het evaluatieonderzoek

1.7. Het dossier

1.8. Appendices en bijlagen

2. Herziening

2.1. De wettelijke mogelijkheid van herziening

2.2. Nieuwe wetgeving

3. De zaak en de veroordelingen

3.1. Het gewelddadige overlijden van [mw. M.]

3.2. De eerste onderzoeksresultaten

3.3. Het tweede opsporingsonderzoek en de veroordelingen

4. Forensisch-technisch onderzoek 1993 - 1995

4.1. Sporen op de plaats van het delict

4.2. Dactyloscopische sporen

4.3. Schoensporen

4.4. Onderzoek aan celmateriaal

4.5. Celmateriaal in/op de kleding en een handdoek

4.6. Onderzoek aan veiliggestelde haren

4.7. Biologisch sporenonderzoek aan de bloedsporen met de nrs. 7 en 20

4.8. Relatie tot het delict

4.9. Conclusies forensisch-technisch onderzoek 1993 - 1995

5. De bekennende verklaringen afzonderlijk beschouwd

5.1. De waarde van bekennende verklaringen

5.2. De verklaringen van [Jane H.]

5.2.1. Algemeen

5.2.2. Werd [mw. M.] opgehaald?

5.2.3. Waar werd [mw. M.] opgehaald?

5.2.4. Wie opende de deur van het restaurant

5.2.5. Is er gespuugd?

5.2.6. Conclusie

5.3. De verklaringen van [Karin N.]

5.3.1. Algemeen

5.3.2. Het ophalen van [mw. M.]

5.3.3. De auto

5.3.4. Conclusie

5.4. De verklaringen van [Jenny L.]

5.4.1. Algemeen

5.4.2. De voorbereidingen

5.4.3. De aanvang van de overval

5.4.4. Het ophalen van [mw. M.]

5.4.5. Het "intrekken" van de verklaringen

5.4.6. Conclusie

5.5. Conclusie over de consistentie van de verklaringen afzonderlijk beschouwd

6. De bekennende verklaringen nader beschouwd

6.1. Algemeen

6.1.1.

6.1.2. Onschuldige mensen leggen geen voor zichzelf belastende verklaring af

6.1.3. De opmerkelijke overeenkomsten in de bekennende verklaringen

6.1.4. Daderwetenschap

6.1.5. De verklaringen stroken met externe informatie

6.1.6

6.2. De verklaringen in onderlinge samenhang bezien

6.2.1. De voorbereidende besprekingen voor de overval

6.2.2. Het ophalen van [mw. M.] en de aanwezigheid van [Jenny L.]

6.2.3. In de keuken van het restaurant en buiten op straat

6.2.4. De doodsoorzaak

6.2.5. Het spugen

6.3. De bekennende verklaringen afgezet tegen externe informatie

6.3.1. Over de verklaringen van [Lucy C.] en [Miranda H.] en over de vraag wanneer 'de jongens' voor het eerst [a-straat 1] bezochten

6.3.2. De voorfase

6.3.3. De verklaringen van [betrokkene 1]

6.3.4. Op het trottoir voor [de P.]

6.3.5. Het sporenbeeld op de PD en het gebruik van een vuurwapen

6.3.6. Het stoffelijk overschot van [mw. M.]

6.3.7. Het alibi van [Appie T.]

6.3.8. Het alibi van [Achmed L.]

6.3.9. Het alibi van [Jenny L.] en dat van [Anil B.]

6.4. Conclusies over de bekennende verklaringen

6.4.1. Samenvatting

6.4.2. De politieverhoren

7. Forensisch-technisch onderzoek 2008 - 2012 857.1. Dactyloscopisch onderzoek 857.2. Schoensporenonderzoek 857.3. Onderzoek aan celmateriaal

7.4. Celmateriaal in/op de kleding en een handdoek

7.5. Onderzoek aan veiliggestelde haren

7.6. Biologisch sporenonderzoek aan de bloedsporen met de nrs. 7 en 20

7.7. De betekenis van de onderzoeksbevindingen

7.7.1. Algemeen

7.7.2. Interpretatie van bewijsmateriaal

7.7.3. Absence of evidence

7.7.4. Geen onderzoeksresultaten in de richting van de veroordeelden

7.7.5. Hebben de bloedsporen met de nrs. 7 en 20 een relatie met het delict?

8. Het evaluatieonderzoek 2010 - 2011

8.1. Algemeen

8.2. De interviews met [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.]

8.2.1.

8.2.2. [Jane H.]

8.2.3. [Karin N.]

8.2.4. [Jenny L.]

8.2.5. Conclusies

8.3. De verklaringen van [Miranda H.] en [Lucy C.]

8.3.1. [Miranda H.]

8.3.2. [Lucy C.]

8.3.3. Conclusies

8.4. De interviews met de rechercheurs

8.4.1.

8.4.2. Het verhoor van [Karin N.]

8.4.3. Algemeen en conclusies

8.4.4. [Jane H.]

8.5. Daderwetenschap

8.6. Ontbrekende stukken

8.6.1. Algemeen

8.6.2. De voorfase

8.6.3. Tijdslijn

8.7. Mededelingen van familieleden van [Anil B.]

8.8. De CID-informatie

9. Conclusies en de vordering

9.1. Conclusies en nova

9.1.1. Samenvatting

9.1.2. Conclusie en nova

9.2. De vordering

1. Inleiding

1.1. De aanleiding

Op 4 juli 1993, omstreeks 11.00 uur, werd in de keuken van het Chinees-Indisch restaurant "[de P.]", gevestigd aan de [b-straat 1] te Breda, het stoffelijk overschot aangetroffen van de 56-jarige [mw. M.], de moeder van de eigenaar van dat restaurant. Zij bleek door geweld om het leven te zijn gebracht.

1.2. Het eerste opsporingsonderzoek

In overleg met de officier van justitie is besloten een recherchebijstandsteam (RBT) te belasten met het onderzoek naar de toedracht van het misdrijf. Het onderzoek heeft plaatsgehad in de periode van 4 juli tot 10 september 1993.

Het RBT heeft uiteenlopende aanwijzingen onderzocht. Voor een beschrijving van het onderzoek verwijs ik naar het rapport van het (nader te noemen) evaluatieteam. Het onderzoek heeft niet geresulteerd in de aanhouding en voorgeleiding van verdachten. In overleg met het openbaar ministerie is besloten om het onderzoek te beëindigen, vooralsnog zonder resultaat.

1.3. Het tweede opsporingsonderzoek

Op 21 maart 1994 is het opsporingsonderzoek heropend naar aanleiding van een proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Dienst (CID) van het Regiokorps Haaglanden van 11 maart 1994.(1)

In dit CID-verbaal is onder meer vermeld:

"In de maand februari 1994 werd bij genoemde dienst informatie ontvangen omtrent overvallen, inbraken en andere strafbare feiten gepleegd in Breda en omgeving door een aantal personen uit Breda en 's-Gravenhage. Het betreft de navolgende feiten.

[Jenny L.] heeft begin 1993 op de uitkijk gestaan bij een inbraak c.q. overval op een chinese vrouw in Breda. De chinese vrouw is hierbij door de daders vermoord.

[Achmed L.] en [Appie T.] en anderen zijn de daders van de overval c.q. inbraak begin 1993 in Breda waarbij een chinese vrouw om het leven is gebracht. (...)."

Daarna volgt in dit CID-verbaal nog een opsomming van andere misdrijven waaraan [Achmed L.] en [Jenny L.] zouden hebben deelgenomen. In het proces-verbaal worden de personalia gegeven van [Achmed L.], [Jenny L.] en [Appie T.].

Ten slotte eindigt het proces-verbaal met de mededeling:

"Bovenstaande informatie is afkomstig van meerdere informanten welke kunnen worden gekwalificeerd als "meestal betrouwbaar"."

Door een nieuw samengesteld onderzoeksteam is gericht gerechercheerd op de personen van wie de namen in het CID-verbaal zijn vermeld. Binnen het kader van dit onderzoek zijn de aanhoudingen verricht die uiteindelijk hebben geresulteerd in de onherroepelijke veroordelingen die thans onderwerp van de beschouwingen zijn.

1.4. De onherroepelijke veroordelingen

In deze zaak zijn in totaal zes personen veroordeeld voor het misdrijf. Kort gezegd zijn de drie mannelijke (gewezen) verdachten veroordeeld ter zake van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag en zijn de drie vrouwelijke (gewezen) verdachten veroordeeld ter zake van de medeplichtigheid aan dit misdrijf.

Meer specifiek betreft het de volgende zes zaken tegen de hierna te noemen zes veroordeelden.

(1). [Anil B.],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],

indertijd wonende te [woonplaats].

Bij vonnis van de rechtbank te Breda van 2 november 1994 is hij ter zake van het omschreven delict veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.

Bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer 20.002065/94) is hij ter zake van "medeplegen van: doodslag gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen op 10 september 1996 (nr. 102.924).

(2). [Achmed L.],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],

indertijd wonende te [woonplaats].

Bij vonnis van de rechtbank te Breda van 2 november 1994 is hij veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf.

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002063/94) is hij wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit, straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen op 10 september 1996 (nr. 102.916).

(3). [Appie T.],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

indertijd wonende te [woonplaats].

Hij is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 2 november 1994 ter zake van dit delict veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002064/94) is hij wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen op 10 september 1996 (nr. 102.915).

(4). [Jane H.],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

en indertijd wonende te [woonplaats],

[c-straat 1] te [woonplaats],

c.q. [a-straat 1] te [woonplaats].

Zij is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 (parketnummer: 3176/94) wegens "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis is niet aangevuld met bewijsmiddelen.

(5). [Karin N.](2),

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

en indertijd wonende te [woonplaats].

Zij is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 11 oktober 1994 (parketnummer 3208/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis is niet aangevuld met bewijsmiddelen.

(6). [Jenny L.],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

en indertijd wonende te [woonplaats].

Zij is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijik en met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht.

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.001423/94) is zij ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te breiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld.

's Hofs arrest is, anders dan het vonnis van de rechtbank, niet aangevuld met bewijsmiddelen.

Alle hier genoemde uitspraken zijn opgenomen in ordner A, die als bijlage bij deze vordering is gevoegd. In deze ordner heb ik bovendien afschriften bijgevoegd van de processen-verbaal van 's hofs terechtzittingen van 25 april 1995, 16 mei 1995 en 18 mei 1995 in de zaak tegen [Jenny L.]. Van zittingen van diezelfde datum in de niet-gevoegde doch tegelijkertijd behandelde zaak tegen [Appie T.] heb ik eveneens afschriften gevoegd. De inhoud daarvan is vrijwel gelijkluidend.(3) In de laatstgenoemde zaak is eveneens een afschrift van het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 juni 1995 opgenomen, inclusief pleidooi en het in alle zaken gelijkluidende requisitoir. Ten slotte heb ik als bijlage gevoegd afschriften van de processen-verbaal van 's hofs terechtzitting van 30 juni 1995 in de niet-gevoegde doch tegelijkertijd behandelde zaken tegen [Anil B.] en [Achmed L.].

1.5. Nadere ontwikkelingen

Eén van de veroordeelden, [Appie T.], heeft enige tijd na de afloop van zijn vrijheidsstraf zijn veroordeling onder de aandacht gebracht van het project "Gerede Twijfel". Dit betreft een onderzoeksproject binnen de geledingen van de juridische faculteit van de Universiteit van Maastricht en onder de noemer "Project Gerede Twijfel Antenne VU" ook van de Vrije Universiteit Amsterdam. Een projectgroep van de VU heeft zich onder begeleiding van rechtspsycholoog prof. dr. P.J. van Koppen en criminoloog prof. dr. H. Nelen gebogen over de thans besproken zaak. De door deze projectgroep getrokken conclusie hield in dat gerede twijfel bestaat aan de juistheid van de veroordeling van [Appie T.]. Het schriftelijke resultaat van het betreffende projectonderzoek d.d. 26 mei 2008(4) is daags daarna voorgelegd aan de toegangscommissie van de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS). Het openbaar ministerie heeft op verzoek van de toegangscommissie forensisch-technisch onderzoek laten verrichten aan sporenmateriaal dat op de plaats van het delict was aangetroffen en dat nog in het bezit was van het NFI. Het resultaat van dat onderzoek vormde geen ondersteuning voor de in deze zaak uitgesproken veroordelingen.(5)

De voorzitter van het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie en de voorzitter van de toegangscommissie hebben zich eind 2009 gewend tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad en hem geattendeerd op de veroordeling van [Appie T.], met het verzoek te overwegen of deze veroordeling zich leent voor een ambtshalve vordering tot herziening. Het verzoek ging vergezeld van het aanbod tot bijstand ingeval de procureur-generaal bij de Hoge Raad zou oordelen dat nader feitenonderzoek was aangewezen.

De procureur-generaal heeft deze zaak in mijn handen gesteld.

1.6. Het evaluatieonderzoek

Zoals vermeld heeft het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie in deze zaak aangeboden zo nodig bijstand te (doen) verlenen voor het verrichten van nader feitenonderzoek. Dat aanbod heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad aanvaard, en ik heb daarvan dankbaar gebruik gemaakt. De bijstand is verleend door een ter zake deskundige officier van justitie, de landelijke forensische officier van justitie, mw. mr. E.E. van der Bijl, en door een team van ervaren rechercheurs, onder leiding van G.J. Kapsenberg, hoofdinspecteur van politie, en Th. van der Wulp, inspecteur van politie.

Dit evaluatieonderzoek kende juridische beperkingen. Het ontbreken van specifieke onderzoeksbevoegdheden voor een dergelijk feitenonderzoek belet uiteraard de toepassing van dwangmiddelen, behoudens indien onder omstandigheden de wettelijke grondslag daarvoor kan worden gevonden in een (alsnog) gerezen verdenking tegen een al dan niet bekende persoon, niet zijnde één van de veroordeelden.

Het evaluatieonderzoek heeft plaatsgehad in 2010 en 2011. Het onderzoek was op zichzelf niet gericht op het vinden van (een) andere verdachte(n) dan de veroordeelden, maar op het evalueren van het indertijd verrichte onderzoek naar de maatstaven van vandaag, zulks in het besef dat die in 1993 - 1995 anders lagen. Het onderzoek stond bovendien ten dienste van het beoordelen van de mogelijkheden van herziening van de onherroepelijke veroordelingen en van de eventuele noodzaak daartoe.

1.7. Het dossier

(...)

1.8. Appendices en bijlagen

(...)

2. Herziening

2.1. De wettelijke mogelijkheid van herziening

Het "novum" als grond voor de herziening van een onherroepelijke veroordeling is verankerd in artikel 457, eerste lid onder 2 Sv. Deze bepaling luidt voor zover relevant:

"Herziening van eene in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeeling, kan worden aangevraagd:

(...)

2° op grond van eenige omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting den rechter niet was gebleken en die op zich zelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid (...) tot vrijspraak van den veroordeelde (...);

(...)."

De toepasselijkheid van deze grond voor herziening vereist de vervulling van drie cumulatieve voorwaarden:

(1) de bekendwording van een "omstandigheid"; daarvoor komen (zonder wetswijziging) alleen omstandigheden van feitelijke aard in aanmerking;

(2) die omstandigheid is niet betrokken in het onderzoek ter terechtzitting dat tot de onherroepelijke veroordeling heeft geleid;

(3) het ernstige vermoeden is ontstaan dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak ingeval de rechter met die omstandigheid bekend zou zijn geweest.

Niet het enkele bestaan van een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard is dus voldoende voor een novum. Noodzakelijk is bovendien een causaal verband tussen enerzijds de bekendwording van de (nieuwe) omstandigheid en anderzijds het ernstige vermoeden dat het rechterlijk onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak.

Een omstandigheid van feitelijke aard kwalificeert als novum indien de bekendwording ervan blootlegt dat de toegepaste bewijsconstructie of een andere bewijsconstructie die in de processtukken besloten ligt (zeer vermoedelijk) niet bij machte is de bewezenverklaring te dragen. De door het novum teweeggebrachte twijfel aan de juistheid van de veroordeling vormt dus een grond voor de herziening van een onherroepelijke veroordeling.

Het zich manifesteren van een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard roept de vraag op hoe het bestaan daarvan zich laat rijmen met de onherroepelijke veroordeling. Bij de beantwoording van die vraag moet dat (potentiële) novum - naar de letter van de wet - "op zich zelve" in ogenschouw worden genomen, alsook "in verband met de vroeger geleverde bewijzen". Naar mijn inzicht brengt dit voorschrift mee dat bij de beoordeling van de mogelijkheid en de noodzaak van herziening niet alleen de relevantie en het gewicht van het potentiële novum zelf moeten worden bepaald, maar dat ook een weging moet plaatsvinden van de bewijsvoering waarop de veroordeling is gestoeld. Indien de veroordeling bijvoorbeeld wordt gedragen door meervoudig, krachtig en wederkerig onafhankelijk bewijsmateriaal (zoals eventueel een bepaalde combinatie van forensisch-technisch bewijsmateriaal, getuigenverklaringen en videobeelden) dat de veroordeelde ten tijde van het delict consistent positioneert op de plaats van het delict, zal een nieuwe getuigenverklaring die de veroordeelde in potentie alsnog een alibi verschaft niet snel kwalificeren als een novum. In het licht van de overtuigende bewijsconstructie wettigt zij immers niet het ernstige vermoeden dat de rechter bij bekendheid met die getuigenverklaring tot een vrijspraak zou zijn gekomen. Anderzijds, indien de veroordeling is gebaseerd op weinig onderscheidend bewijsmateriaal is de kans (veel) groter dat dezelfde alibiverklaring erin slaagt de toegepaste bewijsconstructie te ondermijnen. Kortom, de waardering van het potentiële novum is mede afhankelijk van de kracht van de bewijsconstructie. Zij moeten in hun onderlinge verhouding worden gewogen.

De voorgaande beschouwingen brengen mij ertoe hieronder uitgebreid stil te staan bij het bewijsmateriaal dat aan de veroordelende rechters is voorgelegd en aan de bewijsconstructie die in de voorliggende zaken is toegepast, althans voor zover de onherroepelijke veroordelingen daarvan blijk geven. De terugblik heeft niet ten doel het politieonderzoek, het optreden van het openbaar ministerie, het strafproces en de uitkomst ervan naar de indertijd geldende maatstaven te toetsen op professionaliteit, integriteit en deskundigheid. Om die reden zie ik geen bezwaren om - voor zover dat binnen mijn bereik ligt - bij de beantwoording van de vraag of de onherroepelijke veroordelingen moeten worden herzien, gebruik te maken van sindsdien voortgeschreden inzichten in de rechtspsychologie en de forensische wetenschap.(6)

2.2. Nieuwe wetgeving

Thans is bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal aanhangig het wetsvoorstel dat strekt tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de hervorming van de regeling betreffende herziening ten voordele van de gewezen verdachte (Wet hervorming herziening ten voordele), in behandeling onder Kamerstuknummer 32 045. Naar verwachting zal deze wet dit jaar in werking treden. Het wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van het begrip "novum" als grond voor herziening (ten voordele), in die zin dat niet slechts een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard een novum kan constitueren, maar ieder nieuw "gegeven". Daaronder wordt mede verstaan de inmiddels voortgeschreden inzichten van ter zake deskundigen over de betekenis van feiten die de rechter op zichzelf reeds bekend waren. Enigszins vooruitlopend op de conclusie, meen ik dat de invoering van deze wetgeving niet hoeft te worden afgewacht. De vigerende bepalingen bieden een m.i. toereikende grondslag voor de vordering die ik hieronder nader zal formuleren.

Niettemin is bij het onderhavige onderzoek naar de mogelijkheden van herziening in een ander opzicht wel degelijk enigszins vooruitgelopen op de invoering van deze wetgeving. Wat is het geval? De procureur-generaal bij de Hoge Raad is (thans en in de toekomst) bevoegd om herziening te vorderen in strafzaken die zich daarvoor naar zijn oordeel lenen. Op zichzelf ligt dan ook in de rede dat de procureur-generaal feitenonderzoek kan (laten) doen om vast te stellen of er gronden zijn om van die bevoegdheid gebruik te maken. Alleen zijn thans, anders dan in de voorgestelde wettelijke regeling, de mogelijkheden daartoe beperkt. Bij de inwerkingtreding van de Wet hervorming herziening ten voordele wordt in het voorgestelde artikel 463 Sv een wettelijke basis gelegd voor het verrichten van feitenonderzoek naar de mogelijkheid van herziening van een onherroepelijke veroordeling door en onder verantwoordelijkheid van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Bij dit onderzoek kan de procureur-generaal zich doen bijstaan door een onderzoeksteam, dat onderzoek verricht onder zijn leiding en verantwoordelijkheid. Tevens kan de procureur-generaal te zijner tijd onderzoek opdragen aan een rechter-commissaris in strafzaken. Het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie zal op de voet van de voorgestelde bepaling aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad op diens verzoek de nodige bijstand verlenen bij de instelling van het onderzoeksteam en de uitvoering van het onderzoek.

Een dergelijk feitenonderzoek naar de mogelijkheden en de noodzaak van herziening heeft in deze zaak plaatsgehad, ofschoon enigszins gehinderd door het ontbreken van specifieke onderzoeksbevoegdheden.

Thans kom ik toe aan de bespreking van de bevindingen van het eerste opsporings-onderzoek.

3. De zaak en de veroordelingen

3.1. Het gewelddadige overlijden van [mw. M.]

Na een melding op zondag 4 juli 1993, omstreeks 10.55 uur, op initiatief van een kok van het Chinees-Indische restaurant "[de P.]", gevestigd aan de [b-straat 1] te Breda, is de politie ter plaatse gegaan. In de keuken van het restaurant werd het levenloze lichaam aangetroffen van [mw. M.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, de moeder van de eigenaar van het restaurant. Zij lag ruggelings op de keukenvloer, in een smalle doorgang tussen het kookeiland en een werktafel, met haar voeten richting de toegangsdeur.

Een daartoe opgeroepen gemeentelijk lijkschouwer constateerde die dag omstreeks 12.15 uur dat het intreden van de dood een niet-natuurlijke oorzaak had. Het tijdstip van overlijden lag volgens deze arts "het meest waarschijnlijk" tussen acht uren en vier uren voorafgaande aan het tijdstip van zijn onderzoek.

Aantekening verdient het volgende. Naar ik afleid uit het verslag, heeft de schouwarts de temperatuur van het stoffelijk overschot niet anders vastgesteld dan "voelbaar met de hand". De omgevingstemperatuur is niet gemeten. De periode waarin volgens de schouwarts het overlijden waarschijnlijk heeft plaatsgehad, is dan ook een betrekkelijk grove schatting.(7)

De volgende dag vond sectie plaats op het lichaam van [mw. M.]. De (voorlopige) sectiebevindingen van de patholoog-anatoom, dr. Voortman, luiden als volgt:

"De sectiebevindingen wijzen op verstikking als doodsoorzaak, opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch, hevig samendrukkend geweld op de hals (passend bij wurging of wurggreep). Daarbij had uitwendig mechanisch botsend en samendrukkend geweld op hoofd, borstkas en bovenste deel buik ingewerkt, waardoor o.m. beiderzijds verscheidene ribbreuken waren veroorzaakt. Door overstrekking van de halswervelkolom (bv doordat het hoofd heftig naar achteren slaat) was beschadiging van de halswervelkolom aan de voorzijde ontstaan."

De 56-jarige [mw. M.] is waarschijnlijk door verstikking (wurging) om het leven gebracht, (vermoedelijk) nadat zij hevig was mishandeld.

3.2. De eerste onderzoeksresultaten

[Mw. M.] was gekleed in vrij luchtige, informele kleding die kan worden aangemerkt als nachtkleding.(8) Zij is aangetroffen in een lila T-shirt en een witte, dunne linnen broek met lichtblauwe en gele stipjes. Zwarte instapschoenen lagen op enige afstand van haar voeten.

Vrij kostbare sieraden die zij mogelijk droeg zijn vermist.(9) Ook haar sleutelring met sleutels van het restaurant, van haar woning en van de woning van haar middelste zoon werden vermist, evenals een blouse die zij mogelijk heeft gedragen.

Er zijn geen sporen van braak aangetroffen aan de buitenzijde van het restaurant. De toegangsdeur tot het afhaalgedeelte van het restaurant was onafgesloten.(10)

Een gokkast in het halletje van het afhaalgedeelte, rechts van deze toegangsdeur, was open gewrikt met een breekwerktuig. De sporen van braak aan de gokkast betreffen een tweetal moeten van ongeveer 11 mm en 8 mm breed. Drie lege geldlades lagen naast de gokkast op de vloer.

De keuken maakte overigens een vrij geordende indruk. Op de vloer lagen twee pollepels in de nabije omgeving van het stoffelijk overschot. Een kookunit lag in onderdelen op de grond. Hieronder zal blijken dat het van belang is om vast te stellen dat er op de vloer geen potten of pannen zijn aangetroffen.

Voetsporen zijn gevonden op de kleding van [mw. M.], op de vloer naast haar lichaam en op het werkblad van de tafel waarnaast zij was gelegen. Opmerking verdient dat geen kogels, hulzen, kruitsporen of inslagsporen van kogels zijn aangetroffen.(11) Het lichaam van het slachtoffer vertoonde geen schotverwondingen.(12)

[Mw. M.] woonde met haar echtgenoot, [C.L. M.] op het nabijgelegen adres [d-straat 1] te Breda. De avond van 3 juli 1993 en de daarop volgende nacht zou zij verblijven in de woning van haar middelste zoon [C.S. M.] aan de zeer nabijgelegen [e-straat 1] te Breda, waar zij op haar twee kleinkinderen paste.(13) De middelste zoon is de eigenaar van Chinees-Indisch restaurant [de P.]. De jongste zoon [C.T. M.] woonde op het adres van zijn ouders.(14) De beide broers zijn tezamen eigenaar van een enkele dagen tevoren geopend Chinees restaurant te Wilrijk (een district binnen de gemeente Antwerpen), alwaar beiden (samen met o.a. de vrouw van [C.S. M.]) die bewuste nacht zijn gebleven.

Tot 3 juli 1993 omstreeks 20.30 uur verbleef de echtgenoot van het slachtoffer bij haar in de woning aan de [e-straat 1], waar zij samen hebben gegeten. Daarna is de [C.L. M.] naar hun eigen woning ([d-straat 1]) teruggekeerd.(15)

Op 4 juli 1993, omstreeks 0.30 uur heeft [C.S. M.] naar zijn woning gebeld ([e-straat 1]) en met zijn moeder een telefoongesprek gevoerd. Hierin vertelde zij dat zij de dagopbrengst van het restaurant uit handen van de kelner ([betrokkene 2]) had ontvangen en had verstopt in huis. In dit gesprek heeft [C.S. M.] zijn moeder gevraagd om omstreeks 9.00 uur de volgende ochtend de deur van het restaurant te openen voor [betrokkene 3], een kok van het Belgische restaurant, die vlees en saus zou komen halen. Deze kok heeft zich echter verslapen en is naar zijn zeggen niet ter plaatse geweest, maar vanuit zijn woning rechtstreeks naar het restaurant in België gereden.(16)

Niet ongebruikelijk was dat het slachtoffer 's ochtends (tussen 8 en 9 uur,(17) soms zelfs om 6 uur(18)) als eerste bij het restaurant arriveerde en het pand via de deur van het afhaalgedeelte betrad.(19) Zij speelde vaak op de gokkast in het halletje van het afhaalgedeelte. Een broek, met de muntjes van ƒ 5,= die zij daarvoor gebruikte, is later in haar woning aangetroffen. Zij had die muntjes dus niet bij zich op het moment van haar overlijden.

Het lichaam van [mw. M.] is ontdekt door de drie vaste koks van het restaurant, die de bewuste ochtend samen bij het restaurant arriveerden: [betrokkene 4] (chef-kok), [betrokkene 5] en [betrokkene 6]. Eén van hen ([betrokkene 6]) heeft de politie gealarmeerd door tussenkomst van de eigenaar van "[de cafetaria]", de naastgelegen snackbar. Een ander ([betrokkene 4]) heeft de echtgenoot van slachtoffer gehaald. [C.L. M] is vervolgens bij het lichaam van [mw. M.] geweest.

In het restaurant bevond zich op het moment van ontdekking ook een serveerster, namelijk [betrokkene 7] (ook wel genaamd [betrokkene 7] of [betrokkene 7]), een vrouw die illegaal in Nederland verbleef. Zij was enkele minuten tevoren aangekomen. Zij is naar haar zeggen niet in de keuken geweest en ze heeft de opengebroken gokkast niet opgemerkt.(20)

Het restaurant is de avond tevoren rond 23.00 uur afgesloten door de vaste kelner, [betrokkene 2] (ook wel [betrokkene 2] of [betrokkene 2] genoemd). Hij had de dagopbrengst in enveloppen gedaan om deze te overhandigen aan [mw. M.]. [Betrokkene 2] heeft tezamen met één van de twee (illegale) hulpkoks, [betrokkene 8], het restaurant afgesloten en zij zijn in de richting van de [e-straat 1] gelopen. Onderweg kwam [mw. M.] hen tegemoet, waarschijnlijk omdat [betrokkene 2] een half uur later was dan gebruikelijk. [Betrokkene 2] heeft aan haar de dagopbrengst overhandigd. Daarna is [mw. M.] met [betrokkene 8] naar de woning aan de [e-straat] teruggekeerd.(21) De twee illegale hulpkoks deelden in die woning een zolderkamer.

3.3. Het tweede opsporingsonderzoek en de veroordelingen

In het eerste opsporingsonderzoek zijn een aanzienlijk aantal onderzoekslijnen uitgerechercheerd, zonder dat dit resulteerde in de aanhouding van verdachten. Het tweede opsporingsonderzoek vond aanleiding in de informatie die de politie werd aangereikt in het CID-verbaal van 11 maart 1994. Dit tweede opsporingsonderzoek concentreerde zich specifiek op de daarin neergelegde informatie, althans voor zover met betrekking tot het gewelddadige overlijden van [mw. M.]. Zoals gezegd leidde het tweede opsporingsonderzoek (onder meer) tot de aanhouding van de zes personen die later voor de moord op [mw. M.] zouden worden veroordeeld door de rechtbank en het gerechtshof. In de volgende drie hoofdstukken komen voornamelijk de onderzoeksresultaten aan de orde waaruit de rechtbank en het gerechtshof de gebruikte bewijsmiddelen hebben geput. In essentie komt het erop neer dat het bewijs van de strafbare betrokkenheid van de zes veroordeelden uitsluitend berust op de bekennende verklaringen van de drie vrouwelijke veroordeelden. Eén van hen, [Jenny L.], heeft nog voor de terechtzittingen waarop de strafzaken werden behandeld haar bekennende verklaring "ingetrokken". De mannelijke veroordeelden hebben hun betrokkenheid bij het delict van meet af aan ontkend. Technisch bewijsmateriaal waaruit de betrokkenheid van de veroordeelden zou kunnen worden afgeleid, is niet gevonden (zie hoofdstuk 4).

Naast de bewijsmiddelen hebben de rechtbank en het gerechtshof in bewijsmotiveringen aandacht besteed aan de bewijsproblematiek waarover zij zich moesten buigen. Ik haal hieruit het volgende aan.

Het vonnis d.d. 26 juli 1994 van de rechtbank te Breda inzake [Jenny L.] houdt onder meer in:

"De rechtbank overweegt dat - mede gezien het verhoor van de betrokken verbalisanten bij de rechter-commissaris - ongeoorloofde druk op verdachte of het in de mond leggen van woorden van de kant van politie niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank is van oordeel dat de eerdere bekennende verklaringen van verdachte voor het bewijs van het onder derde subsidiair ten laste gelegde kunnen worden gebruikt, gelet op de gedetailleerdheid van deze verklaringen en de omstandigheid dat het bewijs niet alleen berust op die verklaringen, maar tevens steun vindt in andere bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de verklaring van [Jane H.]."

De nadere bewijsoverweging in het arrest van het hof (i.c. in de zaak tegen [Appie T.]) luidt als volgt:

"Van de zijde van de verdediging is voorts - kort gezegd - aangevoerd dat de verklaringen van [Jenny L.], [Jane H.] en [Karin N.] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, omdat deze verklaringen onbetrouwbaar en tegenstrijdig zijn. [Jenny L.], [Jane H.] en [Karin N.] kunnen voorts, omdat zij de details kennen, zelf de daders van het onderhavige misdrijf zijn geweest of zouden, door zo te verklaren, wellicht andere daders in bescherming willen nemen. Deze opzet zou dan zijn geslaagd, omdat zij in hun zaken slechts zijn veroordeeld wegens medeplichtigheid aan dit misdrijf.

Ook zou wraak het motief kunnen zijn voor het afleggen van dergelijke verklaringen.

Daar komt bij dat [Jenny L.] haar bekennende verklaringen heeft ingetrokken. Zij heeft verklaard dat zij deze verklaringen onder druk van de verhorende rechercheurs heeft afgelegd. Zij zou hebben verteld wat deze rechercheurs wilden horen. De details zou zij hebben vernomen van deze rechercheurs.

Het hof overweegt dienaangaande:

[Jenny L.] is door de politie langdurig verhoord. Zij heeft in die tijd diverse verklaringen afgelegd. Zij heeft tijdens deze verhoren verklaard over tal van bijzonderheden, die later overeen bleken te komen met de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Pas op 30 mei 1994 heeft [Jenny L.] bij de rechter-commissaris deze verklaringen ingetrokken onder de enkele mededeling dat zij die verklaring onder druk had afgelegd en dat zij slechts heeft verklaard wat verhorende rechercheurs haar zouden hebben voorgehouden.

Het hof acht deze enkele mededeling van [Jenny L.] bij de rechter-commissaris onaannemelijk, gelet op het feit, dat [Jenny L.], die reeds eerder in andere zaken door de politie is verhoord en dientengevolge daarin de nodige ervaring heeft opgedaan en derhalve weet wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een bekennende verklaring, zichzelf niet ten aanzien van een feit, waarop - zelfs voor de rol als medeplichtige - een grote sanctie is gesteld, onnodig zal belasten, enkel omdat zij onder druk zou zijn gezet.

Het hof acht de hiervoor voor het bewijs gebezigde verklaringen van [Jenny L.] dan ook geloofwaardig.

Zoals gezegd komen de door [Jenny L.] afgelegde verklaringen op hoofdpunten onder meer overeen met die van de getuigen [Jane H.] en [Karin N.]. Ook deze - hiervoor tot bewijs gebezigde - verklaringen zijn zeer gedetailleerd en niet in strijd met de overige bewijsmiddelen. Deze getuigen hebben - onafhankelijk van elkaar - verklaringen afgelegd die over de grote lijn en over de werkelijk vitale onderdelen van het gebeuren gelijkluidend zijn en die in onderdelen met plausibele reden zijn omkleed, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de verlate aankomst van hen op de plaats van het misdrijf. Alle getuigen zijn onafhankelijk van elkaar met de namen van de verdachte, [Achmed L.] en [Anil B.] als de daders van dit misdrijf gekomen. Ook [Jane H.] en [Karin N.] hebben door hun verklaringen zichzelf belast. Zij zijn voor hun aandeel in de onderhavige zaak reeds onherroepelijk veroordeeld.

Ter terechtzitting is gebleken dat in de verklaringen van [Jane H.] en [Karin N.] wel verschillen zitten en dat deze elementen bevatten die niet waarschijnlijk zijn en/of onmogelijk lijken te zijn, doch het hof is van oordeel dat dit niet eraan in de weg staat om deze verklaringen, die in de kern ervan onaangetast blijven, voor dat gedeelte als betrouwbaar en geloofwaardig voor het bewijs in deze zaak te gebruiken als hierboven is gedaan."

Lezing van de processen-verbaal van de terechtzittingen die de rechtbank en het gerechtshof hebben gewijd aan het onderzoek van deze strafzaken, alsmede van de veroordelende vonnissen en arresten, maakt duidelijk dat de betrokken rechters en raadsheren zich het hoofd hebben gebroken over door hen waargenomen tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in de bekennende verklaringen. De discrepanties zijn hun evident niet ontgaan. Uiteindelijk zijn de rechters en raadsheren, zo blijkt, over hun twijfels heengestapt en hebben zij de veroordelingen uitgesproken.

In de veroordelende vonnissen en arresten zijn die tegenstrijdigheden en ongerijmdheden niet specifiek aangewezen. Bij de bespreking (in de hoofdstukken 5 en 6) van het tactische bewijsmateriaal waarover het openbaar ministerie, de rechtbank en het gerechtshof in 1994 en 1995 hebben beschikt, zal ik om de redenen hiervoor genoemd in 2.1 een beschrijving geven van een groot aantal tegenstrijdigheden en ongerijmdheden die aan de (bekennende) verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] kleven. Dit houdt uitsluitend verband met een juiste weging van de nova die ik in de voorliggende strafzaken zal presenteren (in de hoofdstukken 7, 8 en 9). Door de inventarisatie van twijfelpunten kan echter gemakkelijk de gedachte postvatten dat ook ten tijde van de veroordelingen reeds twijfel had moeten rijzen aan de juistheid van de verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] en dat ik een kritisch oordeel vel over de in deze strafzaken uitgesproken vonnissen en arresten. Een dergelijk oordeel is bij een vordering tot herziening niet aan de orde.

De analyse van twijfelpunten is onvermijdelijk retrospectief. Ons staan thans voortgeschreden inzichten ten dienste die ik hierbij, zo goed als mogelijk, tracht te benutten. Die inzichten waren indertijd nog niet beschikbaar in de mate waarin dat heden ten dage het geval is.

Ik wil bovendien wijzen op een omstandigheid waarvoor het openbaar ministerie, de rechtbank en het gerechtshof zich gesteld zagen: op de terechtzittingen in hun strafzaken hebben [Jane H.] en [Karin N.] met verve volgehouden dat zij (en anderen) schuldig waren aan een gruwelijk misdrijf. Dergelijke bekentenissen hebben onvermijdelijk invloed op de vorming van een rechterlijke overtuiging. Deze invloed heb ik niet ondervonden. Ik heb mijn inventarisatie daarentegen uitgevoerd in de wetenschap dat tegenstrijdigheden en ongerijmdheden een indicatie kunnen zijn voor de onjuistheid van bekennende verklaringen (zie hoofdstuk 6). Bovendien was ik ervan op de hoogte dat niet alleen [Jenny L.], maar ook [Jane H.] en, als ik het goed zie, [Karin N.] hun bekentenissen niet langer gestand doen (zie hoofdstuk 8). Ten slotte was mij bekend dat de resultaten van recent uitgevoerd forensisch-technisch onderzoek geen ondersteuning bieden voor de in deze zaken uitgesproken veroordelingen (zie hoofdstuk 7).

In de volgende drie hoofdstukken komt, zoals gezegd, de zaak aan de orde zoals die indertijd aan de rechter is voorgelegd. Ik bespreek eerst de resultaten van het forensisch-technisch onderzoek dat indertijd is uitgevoerd (hoofdstuk 4) en vervolgens het voor de veroordeelden belastende tactische bewijsmateriaal (hoofdstukken 5 en 6).

4. Forensisch-technisch onderzoek 1993 - 1995

4.1. Sporen op de plaats van het delict

De plaats van het delict is indertijd aan sporenonderzoek onderworpen. Terugkijkend op de werkwijze en de resultaten daarvan dient men zich te realiseren dat in de bijna twintig jaren die sindsdien zijn verstreken de inzichten en ontwikkelingen op het terrein van forensisch-technisch onderzoek een enorme vlucht hebben genomen. Niettemin zal moeten worden nagegaan welke belemmeringen de indertijd toegepaste methoden voor het actuele onderzoeksthema hebben teweeggebracht. In dat verband maak ik melding van het volgende.

Van de plaats van het delict zijn betrekkelijk weinig foto's gedocumenteerd. Detailopnames van mogelijk essentiële sporen ontbreken. De verslaglegging van het technisch onderzoek laat op uiteenlopende punten te wensen over, zodat niet alle indertijd getrokken conclusies kunnen worden geverifieerd. Dit wreekt zich in het bijzonder ten aanzien van het dactyloscopische onderzoek en het schoensporenonderzoek. Wat betreft de resultaten van het forensisch DNA-onderzoek (destijds in de kinderschoenen) kunnen contaminaties daardoor ook minder goed worden uitgesloten. Bovendien zijn enkele onderzoeksmogelijkheden onbenut gelaten, bijvoorbeeld onderzoek naar celmateriaal in nagelvuil en aan de hals van het slachtoffer, alsmede van celmateriaal aan keukengerei. Overigens waren in die tijd de mogelijkheden voor DNA-onderzoek aan contactsporen aanzienlijk geringer.

Enkele dagen na de afronding van het technisch onderzoek op de plaats van het delict heeft een kok bij schoonmaakwerkzaamheden in de keuken nog een oorbel aangetroffen die afkomstig is van het slachtoffer.(22)

Veel sporenmateriaal is thans onvindbaar, mogelijk vernietigd in de veronderstelling dat de strafzaak met goed gevolg is afgesloten. Nader onderzoek met de huidige technieken behoort zodoende niet tot de mogelijkheden. Maar daarop zijn uitzonderingen.

Over het forensisch-technisch onderzoek is al veel geschreven in het forensisch dossier dat in de vorm van één ordner onderdeel uitmaakt van het evaluatierapport. Ik sta stil bij de volgende forensisch-technische bevindingen uit de jaren 1993 - 1995.

4.2. Dactyloscopische sporen

In het eerste politieonderzoek zijn 26 dactyloscopische sporen veiliggesteld, waarvan 5 zich niet bleken te lenen voor nader onderzoek. De sporen waren afkomstig van de vernielde asbak (in het afhaalgedeelte van het restaurant), van de binnen- en buitenzijde van de (glazen) toegangsdeuren van het restaurant, van de gokkast en van de geldlades.

De 21 resterende sporen, betroffen 17 vingerafdruksporen en 4 handpalmsporen, waarvan één alsnog ongeschikt bleek voor vergelijking. Naar verluidt konden in de [M.]-onderzoeken 10 sporen worden "teruggebracht" op "getuigen", maar wegens gebrekkige verslaglegging en doordat het voor vergelijking gebruikte materiaal niet is achterhaald, kan deze conclusie niet worden getoetst aan de hand van het materiaal dat indertijd beschikbaar moet zijn geweest.(23) Onbekend is wie deze één of meer "getuigen" zijn geweest. Niet kan worden nagegaan of zij op goede gronden als zodanig mochten worden aangemerkt. Van de andere (tien) afdruksporen kon de bron indertijd niet worden geïndividualiseerd.

In het dossier is geen verslaglegging te vinden van het resultaat van een vergelijkend onderzoek van de op de PD gevonden afdruksporen met de signalementen van (één of meer van) de zes personen die nadien zijn veroordeeld. Dat dergelijk vergelijkend dactyloscopisch onderzoek heeft plaatsgehad mag niettemin worden aangenomen op basis van de volgende mededelingen. Technisch coördinator [betrokkene 9] heeft ter zitting van 25 april 1995 verklaard:

"Er zijn geen vingerafdrukken aangetroffen, die op een van de verdachten getraceerd konden worden. Wat dat betreft heeft het dactyloscopisch onderzoek dus geen traceerbaar resultaat opgeleverd met betrekking tot verdachten en ook niet met betrekking tot de getuigen die hebben verklaard op de desbetreffende avond in het pand te zijn geweest."

Technisch rechercheur [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij alle schoensporen heeft onderzocht, "evenals de vingerafdrukken van de aangehouden verdachten."(24)

Kortom, mede op basis van deze getuigenverklaringen moet worden aangenomen dat de twintig bruikbare dactyloscopische sporen niet konden worden gerelateerd aan de zes veroordeelden.

4.3. Schoensporen

Op de plaats van het delict zijn schoensporen aangetroffen, waaronder op de kleding van het slachtoffer en twee op het werkblad van de tafel waarnaast het slachtoffer op de grond liggend is aangetroffen. Een aantal schoensporen kon - volgens het proces-verbaal van sporenonderzoek - worden teruggebracht op "getuigen" die na ontdekking van het misdrijf in het pand waren geweest.(25) Wie dat waren en of zij terecht als zodanig zijn aangemerkt kan thans niet meer worden geverifieerd. Indertijd kon geen van deze sporen worden gerelateerd aan schoenen van de veroordeelden.(26) Zij zijn overigens pas negen à tien maanden na het misdrijf aangehouden.

4.4. Onderzoek aan celmateriaal

Bij de resultaten van het onderzoek aan celmateriaal sta ik langer stil. Het betreft drie clusters van onderzoeken, namelijk (1) onderzoek van het celmateriaal dat is aangetroffen in/op de kleding van het slachtoffer en op een handdoek, (2) onderzoek aan haren die op de plaats van het delict zijn veiliggesteld, en (3) onderzoek van twee nader te omschrijven bloedsporen die zijn aangetroffen op de vloer bij de gokkast en op een werktafel in de keuken.

4.5. Celmateriaal in/op de kleding en een handdoek

De kleding van het slachtoffer, een lila T-shirt (spoor nr. 12) en een linnen broek (spoor nr. 14), is indertijd onderworpen aan klassiek bloedonderzoek en aan DNA-onderzoek.

Bij klassiek bloedonderzoek wordt van het bloed een aantal erfelijke factoren onderzocht, waarbij specifieke, genetisch bepaalde eiwitcomponenten en enzymen worden getypeerd. Als resultaat van het in deze zaak uitgevoerde klassieke bloedonderzoek(27) is vermeld dat de drie vastgestelde erfelijke kenmerken van bloed in drie vlekken op de kleding van het slachtoffer (sporen 12 en 14) overeenkomen met de desbetreffende kenmerken in het bloed van het slachtoffer. De vastgestelde combinatie van drie genetische kenmerken stemt niet overeen met de vergelijkbare combinaties van erfelijke kenmerken in bloed van de veroordeelden.(28) Drie bloedvlekken op de kleding van [mw. M.] waren dus niet afkomstig van de veroordeelden. Van bloed op een handdoek (spoor 11) konden geen biologische kenmerken worden bepaald.

Bovendien is specifiek gezocht naar speekselsporen. Het T-shirt (spoor 12) en de broek (spoor 14) van het slachtoffer zijn op zes, respectievelijk twee plaatsen bemonsterd. Geselecteerd zijn de plaatsen waar bij onderzoek een reactie werd verkregen voor de aanwezigheid van amylase, een kenmerkend bestanddeel van speeksel. Het daaruit verkregen celmateriaal bleek een mengsel te zijn van materiaal van twee of meer personen. Uit de verkregen DNA-profielen kon geen eenduidige conclusie worden getrokken dat met celmateriaal van het slachtoffer (bloed) ook celmateriaal van één (of meer) van de drie mannelijke veroordeelden was vermengd. Doordat in de mengsels verschillende factoren in sterk ongelijke concentraties aanwezig waren, konden geen afzonderlijke DNA-profielen voor de mengsels worden afgeleid. Hierdoor kon ook niet (absoluut) worden uitgesloten dat toch DNA-materiaal van één van de drie mannelijke veroordeelden in de mengsels aanwezig was geweest.(29)

4.6. Onderzoek aan veiliggestelde haren

De monsters haren, genummerd 6, 9 ("afveegsel"), 10, 11 ("handdoek"), 12 ("T-shirt") en 14 ("broek") zijn onderzocht "op de aanwezigheid van relevante haren", met het volgende resultaat. Op de broek van het slachtoffer (spoor 14) werd een vijftal haren veiliggesteld die niet goed pasten in het haarpalet van het slachtoffer. Bij vergelijkend morfologisch onderzoek bleek dat zij niet pasten in het hoofdhaarpalet van de zes veroordeelden (en van dat van enkele getuigen).

4.7. Biologisch sporenonderzoek aan de bloedsporen met de nummers 7 en 20

Bijzondere aandacht verdienen de bloedsporen met de nummers 7 en 20. Bloedspoor nummer 20 betreft een druppel bloed die is aangetroffen in het halletje van het afhaalgedeelte van het restaurant, en wel op de tegelvloer in de directe nabijheid van de opengebroken gokkast en de lege geldlades. Het spoor is uitsluitend afgebeeld op foto nr. 13 in de fotomap die als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van technisch sporenonderzoek op de PD.

Dit spoor is op bladzijde 6 van dat proces-verbaal(30) omschreven als:

"Verder werd op de tegelvloer voor de speelautomaat een gedroogde roodkleurige druppel aangetroffen."

In het resumé op bladzijde 12 van datzelfde proces-verbaal(31) is dit spoor (onder nummer 1.4) als volgt omschreven:

"Monster van een deels opgedroogde druppel, met het uiterlijk van bloed, aangetroffen op de vloer voor de gokkast;"

Een en ander doet de vraag rijzen of de druppel nu wel of niet ("deels") opgedroogd was. Het dossier geeft daarover geen uitsluitsel. Op de terechtzitting van het hof van 25 april 1995 heeft het verhoor plaatsgevonden van drie (van de vijf) technische rechercheurs die het sporenonderzoek op de plaats van het delict hadden uitgevoerd, te weten [betrokkene 9], [betrokkene 11] en [betrokkene 10]. Niet blijkt dat hun is gevraagd naar deze anomalie in de omschrijving van bloedspoor 20. Bij het tweede verhoor van [betrokkene 10] op de zitting van 18 mei 1995 kwam spoor 20 meer uitgebreid ter sprake. [Betrokkene 10] kon daarover toen niet veel meer kwijt dan dat het spoor hem "niet als zijnde zeer oud" oogde. Het spoor was niet door hem veiliggesteld.

Bloedspoor nummer 7 is in het genoemde proces-verbaal van technisch sporenonderzoek(32) (genummerd als 2.07a en 2.07b) als volgt omschreven:

"Op het bovenblad van de naast het slachtoffer staande werktafel bevond zich op de rechterzijde van het blad, dit gezien vanuit de richting van het slachtoffer een aantal vlekjes van een rode substantie. Hiervan werd een monster veiliggesteld voor verder onderzoek."

In het resumé is vermeld:

"2.07 Een monster bloed (A), aangetroffen op het bovenblad van de werktafel naast het slachtoffer.

2.07 Een monster van de directe omgeving (B) van de plaats waar het bloedmonster 2.07a werd veiliggesteld."

Mogelijk is deze vlek, althans één van de vlekjes te zien op foto nr. 30 van de genoemde fotomap, waarop volgens technisch-rechercheur [betrokkene 10] dit spoor "niet specifiek" wordt getoond.(33) Andere afbeeldingen ontbreken.

Deze sporen zijn aan nader forensisch onderzoek onderworpen. Bij klassiek bloedonderzoek konden van de beide sporen telkens drie genetische kenmerken worden getypeerd, waarvan twee overlappende.

Schema 1

Uit de gegevens in deze tabel kan worden afgeleid dat de twee bloedsporen niet afkomstig zijn van het slachtoffer. Uit de gegevens in het NFI-rapport van 17 mei 1995 over de genetische kenmerken van het bloed van de zes veroordeelden vloeit bij vergelijking voort dat het bloedspoor onder 20 niet afkomstig kan zijn van een van de zes veroordeelden of van een van de in het rapport genoemde getuigen. Het bloedspoor met nummer 7 daarentegen kan afkomstig zijn van [Achmed L.] of van ene [betrokkene 12],(34) aangezien de drie kenmerken die konden worden getypeerd overeenkomen met de desbetreffende kenmerken in het bloed van deze twee personen. Gelet op de geschatte (relatieve) frequentie van de combinatie van gevonden erfelijke factoren binnen de Nederlandse samenleving vormt dit een (zij het geringe) ondersteuning voor de hypothese dat spoor 7 afkomstig is van [Achmed L.] of van [betrokkene 12].(35) Op basis van dit klassieke bloedonderzoek kan worden uitgesloten dat bloedspoor 7 afkomstig is van een van de andere (vijf) veroordeelden of van een van de andere in dat rapport genoemde getuigen.

Bovendien is getracht van deze sporen DNA te extraheren. Van spoor 7 werd geen, en van spoor 20 werd wel bruikbaar DNA verkregen. Het DNA-profiel van spoor 20 was ongelijk aan het DNA-profiel van het slachtoffer en eveneens ongelijk aan dat van de drie mannelijke veroordeelden. Bloedspoor nummer 20 kan dus volgens de resultaten van dit DNA-onderzoek niet afkomstig zijn van de mannelijke veroordeelden.(36)

4.8. Relatie tot het delict

De vraag is of het bloedspoor nummer 7 en/of het bloedspoor nummer 20 in relatie staan tot de moord op [mw. M.] en het openbreken van de gokkast. In het oog springt dat een bloedspoor werd aangetroffen naast het lichaam van een vrouw die met geweld om het leven is gebracht, terwijl dit bloedspoor niet van haar afkomstig is. Bovendien is een bloedspoor aangetroffen naast een gokkast die dezelfde nacht met geweld is opengebroken. Aan het sporenbeeld sec valt enige relatie met het delict niet te ontlenen. Indertijd kon niet worden vastgesteld of beide sporen van één en dezelfde persoon afkomstig zijn.(37)

Een aanwijzing voor delictgerelateerdheid kan zijn gelegen in de ouderdom van de sporen. Het dossier roept in dit verband verwarring op door wat betreft spoor 20 enerzijds melding te maken van een "gedroogde" druppel en in hetzelfde proces-verbaal op een andere bladzijde te spreken over een "deels opgedroogde" druppel. Dat laatste suggereert uiteraard dat het spoor (zeer) recent is ontstaan.

Met betrekking tot de ouderdom van de sporen is de vraag naar de kwaliteit van de schoonmaakwerkzaamheden in het restaurant relevant. Indien de tegelvloer en de werktafel na afloop van de werkdag grondig (nat) zijn gereinigd valt het aantreffen van daaraan voorafgaand ontstane bloedsporen in deze vorm immers niet te verwachten.

Met name het blad van de werktafel naast het slachtoffer in de keuken oogt - te beoordelen op basis van de foto - geheel schoongemaakt. Uit de verklaringen van de technisch rechercheurs valt hierover nog het een en ander op te maken. Volgens technisch rechercheur [betrokkene 10] was het restaurant een dag tevoren goed schoongemaakt, al "blijft het daar toch vettig".(38) Ook volgens technisch coördinator [betrokkene 9] zag de keuken "er netjes uit en was de keuken niet lang daarvoor nog schoongemaakt."(39) Volgens [betrokkene 11], technisch rechercheur, was gebleken dat "een dag voor het misdrijf de gehele keuken compleet was gesopt."(40) Er zijn verder (op de foto) geen etensresten te bespeuren. Het lijkt niet heel waarschijnlijk dat een kok de eventueel bij zijn werkzaamheden op het werkblad ontstane bloedsporen onaangeroerd achterlaat, maar de rest van de werktafel niettemin wel schoonmaakt.

Wat de tegelvloer bij de gokkast betreft: die lijkt droog schoongeveegd of gestofzuigd.

Op deze en gene kwesties zal ik hieronder dieper ingaan. Voor thans volstaat de opmerking dat de veroordelende rechters niet zonder meer konden uitgaan van de delictgerelateerdheid van de sporen 7 en/of 20, doch dat de relatie met de misdrijven ook weer niet geheel onwaarschijnlijk was. Het verband tussen beide bloedsporen stond niet vast. De mogelijkheid dat beide of één van de sporen afkomstig is/zijn van het personeel van het restaurant of van rechercheurs kon bovendien niet worden uitgesloten, want die kwestie is niet onderzocht, althans zijn eventuele onderzoeksresultaten niet geboekstaafd.

4.9. Conclusies forensisch-technisch onderzoek 1993 - 1995

Geconcludeerd mag worden dat het sporenonderzoek in 1993 - 1995 geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor de strafbare betrokkenheid van de zes veroordeelden, of het moet de geringe aanwijzing jegens [Achmed L.] zijn die voortvloeit uit de resultaten van het klassieke bloedonderzoek aan spoor 7. Het hof is aan deze aanwijzing evenwel voorbij gegaan, heeft haar kennelijk van onvoldoende gewicht geacht, en/of heeft daaraan niet uitdrukkelijk aandacht besteed.

Het onderzoek naar speekselsporen op acht bemonsterde locaties op de kleding van het slachtoffer heeft geen aanwijzingen opgeleverd, ofschoon ook weer niet "absoluut" kan worden uitgesloten dat het celmateriaal van één van de veroordeelden is vermengd met celmateriaal van het slachtoffer. Uitgesloten kan worden dat spoor 20 afkomstig is van het slachtoffer of van de zes veroordeelden.

Dactyloscopisch onderzoek en schoensporenonderzoek heeft geen aanwijzingen jegens de veroordeelden opgeleverd. Niet duidelijk is geworden van welke getuigen (als zij dat zijn) dergelijke sporen zijn aangetroffen.

Over de vraag of [Anil B.], [Appie T.] en/of [Achmed L.] tijdens het delict handschoenen droegen, hebben [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] overigens tegenstrijdig verklaard.

5. De bekennende verklaringen afzonderlijk beschouwd

5.1. De waarde van bekennende verklaringen

Zoals gezegd is in deze zaak het rechterlijk bewijsoordeel over het daderschap c.q. de medeplichtigheid van de zes veroordeelden uitsluitend gegrond op de bekennende verklaringen van de drie vrouwelijke veroordeelden. In dit hoofdstuk komen de verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] telkens afzonderlijk ter sprake. In hoofdstuk 6 leg ik die verklaringen, zoals die indertijd bij de veroordelende rechters bekend waren, naast elkaar en houd ik die verklaringen tegen het licht van andere onderzoeksbevindingen.

Hieronder zal worden geïllustreerd dat de consistentie van de verklaringen van ieder van de vrouwen, althans zoals die zijn geverbaliseerd, afzonderlijk beschouwd zeer te wensen overlaat. Voor ieder van hen geldt dat zij hun verklaringen telkenmale hebben gewijzigd. De vraag is of dat iets zegt over de validiteit van hun mededelingen. In elk geval heeft daardoor logischerwijs te gelden dat niet alle mededelingen waarheidsgetrouw kunnen zijn.

Verscheidene inconsistenties worden hieronder belicht tegen de achtergrond van een drietal hypothesen die een verklaring kunnen bieden voor het bestaan van die inconsistenties. Over de juistheid van deze hypothesen doe ik vooralsnog geen uitspraken. Ik geef alleen een globale schets van de door mij gekozen hypothesen, die ik kortweg betitel als: vergissen, opbiechten of verzinnen.

Vergissen

Een eerste hypothese die een verklaring kan bieden voor een discrepantie is uiteraard dat de waarneming en het geheugen van de betreffende verdachte op een bepaald punt tekort schoot. Ook ten aanzien van indrukwekkende gebeurtenissen, als de mishandeling van en moord op een oudere vrouw, kunnen de cognitieve tekortkomingen bij de waarneming, de inprenting en vervolgens het telkenmale reconstrueren en verwoorden van herinneringen bij een politieverhoor aan het licht komen. Indien deze eerste hypothese juist is, heeft de verdachte zich op enig moment op een bepaald punt vergist.

Opbiechten

Een tweede hypothese houdt verband met een karaktertrek die veel mensen eigen is, namelijk om zijn gedrag mooier voor te stellen dan het was en om zijn kwalijke rol zoveel mogelijk te verbloemen. Deze hypothese kan verklaren dat verdachten van misdrijven niet van meet af aan opening van zaken geven, maar pas gaandeweg tijdens de verhoren hun delict opbiechten, veelal nadat hun weerstand is "overwonnen" en hun duidelijk is geworden dat ontkennen "zinloos" is. Deze hypothese veronderstelt dat de reeks van verklaringen die een verdachte aflegt tendeert naar de waarheid.

Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal bij dat hof (de toepasselijkheid van) dit fenomeen als volgt omschreven:

"Dan moet ik er op wijzen, dat de omstandigheid, dat verdachten mondjesmaat, bij elk volgend verhoor iets meer, openheid van zaken geven, geen onbekend verschijnsel is. Het is iets heel anders dan het verschijnsel van de draaiende verdachte, die nu eens dit en dan weer dat verklaart. Dat doet zich hier niet voor; hier was het: telkens iets meer durven prijsgeven, tot het verhaal compleet is en de last van de schouders."(41)

Verzinnen

Een derde hypothese voor de verklaring van waargenomen inconsistenties houdt in dat het verhoorde subject van het gespreksonderwerp geheel geen of slechts een fictief herinneringsbeeld heeft, eenvoudigweg omdat hij niet aanwezig was bij het delict. Hij is onder de gegeven omstandigheden in staat om een beschrijving te fabuleren, eventueel met gebruik van (correcte of foutieve) informatie die hij heeft verkregen, uiteraard in zo'n geval uit andere bron dan uit de eigen waarneming van het delict. Indien deze hypothese de werkelijkheid correct weergeeft, heeft een bekennende verdachte een valse bekentenis afgelegd.

Dat, zoals in deze zaak, de (gewezen) verdachten successievelijk verklaringen afleggen die in toenemende mate henzelf belasten, past goed in de hierboven als tweede beschreven hypothese. Dat vond de advocaat-generaal bij het hof ook, getuige de aangehaalde passage uit zijn schriftelijk requisitoir.

Daarmee staat allerminst vast dat het waargenomen fenomeen daadwerkelijk voortvloeit uit de menselijke eigenschap om zijn kwalijke rol zo veel mogelijk verhullen (de tweede hypothese). Het belastende verklaren is immers ook goed verenigbaar met de als derde naar voren gebrachte hypothese dat de verdachte een valse bekentenis heeft afgelegd. Het is niet mogelijk om op basis van uitsluitend de bekentenissen te bepalen welke van deze twee hypothesen de beste verklaring biedt voor de waargenomen progressie in het bekennen van deelneming aan een misdrijf. In zo'n geval discrimineert de betreffende inconsistentie onvoldoende tussen de twee in casu relevante hypothesen.

Om deze reden heb ik uitsluitend onderzocht of een vinger kan worden gelegd op discrepanties en aanpassingen in de verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] die zich slecht laten rijmen met de eerste twee hypothesen (vergissing, resp. een alsnog opgebiechte zonde), en die alleen (goed) lijken te passen in de derde hypothese, te weten die van een gefingeerde bekentenis. Het betreft discrepanties en aanpassingen die meer lijken te getuigen van een verregaande mate van meegaandheid en inschikkelijkheid, dan dat zij als een vorm van vergissen of opbiechten kunnen worden gekenschetst.

5.2. De verklaringen van [Jane H.]

5.2.1. Algemeen

Appendix C behelst een overzicht (met samenvattingen) van de verklaringen die [Jane H.] heeft afgelegd. Toen zij door de politie als verdachte werd gehoord was zij 19 jaar, gedetineerd en in beperkingen gesteld. Hierdoor mocht zij uitsluitend contacten onderhouden met haar advocaat, met het personeel van de inrichting en met de verhorende rechercheurs. Zij is in het eerste opsporingsonderzoek aanvankelijk als getuige gehoord. Als zodanig deelde zij mede dat zij de nacht van 3 op 4 juli 1993 met [Karin N.] was gaan 'stappen' in het nachtleven van Breda, dat zij en [Karin] enige tijd hebben verbleven bij haar vriend, en dat zij en [Karin] omstreeks 5.15 uur arriveerden op de [b-straat] (Breda) om te gaan slapen bij een vriendin, wonende in de [b-straat 2], een flatwoning boven de winkels aan dezelfde zijde van de [b-straat] als waar het restaurant "[de P.]" is gevestigd. Zij zag toen een drietal mannen voor de ingang van het restaurant staan, en een rode Mazda 121. Zij herkende deze mannen niet. [Karin N.] was volgens haar te dronken om iets te zien.

Als verdachte heeft zij een groot aantal verklaringen afgelegd. Zij is dus veelvuldig en intensief verhoord. Ofschoon zij diverse malen te kennen heeft gegeven "nu" de volledige waarheid te zullen vertellen, springt in het oog dat zij nadien nog wijzigingen heeft aangebracht in haar lezing van het voorgevallene. Ik zal daarvan hieronder voorbeelden bespreken, zonder pretentie van volledigheid.

Juist is wel dat er op enig moment (vanaf 26 april 1994) in haar laatste verklaringen een zekere grote lijn valt te bespeuren in het door haar gegeven relaas. Die grote lijn komt neer op het volgende. Enkele weken voorafgaande aan de moord vond in de kamer van [Lucy C.] aan de [a-straat 1] te Breda met Lucy, [Anil B.], [Achmed L.] en [Appie T.] een gesprek plaats over een diefstal/beroving in een pand aan de [b-straat]. Dat betrof het Chinees-Indisch restaurant de "[de P.]". Op enig moment was [Jane H.] meegedeeld dat zij omstreeks 2.00 - 2.30 uur die nacht bij [de P.] zou moeten verschijnen "met de eigenaar van het restaurant". Wie dat was en hoe zij die zou moeten meenemen is niet duidelijk geworden.

In werkelijkheid arriveerde [Jane H.] volgens haar zeggen met [Karin N.], na hun verblijf bij haar vriend(42) niet eerder dan omstreeks 4.30 uur die nacht op de [b-straat]. Ze arriveerden zo laat omdat [Karin] ziek was geworden en omdat de auto aanvankelijk niet wilde starten.

Bij [de P.] waren volgens haar al aanwezig: [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.], alsook [Jenny L.]. [Jenny L.], [Karin N.] en [Jane H.] kregen de opdracht om "de eigenaar" van [de P.] van huis op te halen. [Karin N.] wist die te wonen. De drie vrouwen in het zeskoppige gezelschap zijn naar de woning van "de eigenaar" gegaan. Welk pand dat zou zijn en langs welke route dat is benaderd, betreft een kwestie waarop ik hieronder dieper zal ingaan.

Na aanbellen deed [mw. M.] open. Zij werd gevraagd mee te gaan naar [de P.]. Zij haalde een jas of vest en/of de sleutels en ging mee met de drie vrouwen.

Bij [de P.] aangekomen is [mw. M.] (volgens [Jane H.]) voor de deur mishandeld door twee van de drie mannen. De deur van het afhaalgedeelte is geopend met de door [mw. M.] meegenomen sleutels. [Jane H.] bleef buiten toen [Anil B.] en [Appie T.] met [mw. M.] het restaurant betraden. Geschreeuw was buiten hoorbaar. Nadat [Jane H.] na ongeveer tien minuten twee pistoolschoten hoorde is zij het restaurant en de keuken ingegaan, gevolgd door [Karin N.]. [Mw. M.] lag op de vloer tussen een werktafel en een soort aanrecht. Zij werd volgens [Jane H.] geschopt door [Anil B.] en [Appie T.]. [Anil B.] was bezig haar te wurgen.

Nadat de mannen waren weggegaan heeft [Jane H.] naar haar zeggen nog gekeken of [mw. M.] in leven was, hetgeen niet het geval was. Vervolgens is zij met [Karin N.] naar de flatwoning aan de [b-straat 2] gegaan om daar het restant van de nacht door te brengen, aldus telkens [Jane H.].

Opmerkelijk is dat in deze lezing ook een rol is toebedeeld aan [Karin N.]. Zij wist als enige "de eigenaar" van het restaurant te wonen. Zij was - in de lezing van [Jane H.] - bij de voorbereidingen echter niet in het minst betrokken. [Karin N.] nam deze rol niettemin probleemloos op zich, aldus [Jane H.].

Een aantal door [Jane H.] verstrekte gegevens stemt overeen met hetgeen bekend was over de plaats van het delict, maar er zijn ook opvallende verschillen. In haar 10e verklaring als verdachte deelde [Jane H.] nog mee dat de deur naar het restaurantgedeelte door de drie mannen reeds was geopend, nog voordat [mw. M.] bij [de P.] arriveerde. Er zijn overigens geen sporen van braak aangetroffen aan de buitenzijde van het restaurant. [Mw. M.] moest in de verklaring van [Jane H.] alsnog de toegangsdeur tot het afhaalgedeelte openen. Dat is, in deze lezing, een vrij zinloze activiteit, want vanuit het restaurantgedeelte kun je met geringe moeite het afhaalgedeelte betreden. Uiteindelijk gaf [Jane H.] een beschrijving waarin het restaurant nog niet was betreden en waarin de met de sleutels van [mw. M.] geopende toegangsdeur de deur naar het afhaalgedeelte betrof, zijnde (inderdaad) de enige deur die door de politie onafgesloten is aangetroffen.

Vanaf 25 april 1994 (11e verklaring) beschreef [Jane H.] dat zij de keuken van het restaurant is ingegaan. Inderdaad is [mw. M.] (conform haar beschrijving) op de vloer aangetroffen tussen een tafel en een ander keukenmeubel, geen "soort aanrecht", maar het kookeiland. Op zichzelf correct is dat [Jane H.] na de toegang tot het afhaalgedeelte naar rechts moest gaan, en nog door een andere ruimte moest om de keuken te betreden (12e verklaring: "Ik ben één of twee deuren door gegaan").

Over details, als de door [mw. M.] gedragen kleding, is vrijwel niet doorgevraagd. In haar 10e verklaring als verdachte gaf [Jane H.] een beschrijving die niet overeenkomt met de door de politie aangetroffen toestand ("donkere broek"). Over door [mw. M.] gedragen sieraden kon [Jane H.] niets verklaren. Op de volgende kwesties ga ik dieper in.

5.2.2. Werd [mw. M.] opgehaald?

Vanaf 11 april 1994 is [Jane H.] als verdachte gehoord. Op 19 april 1994 houdt haar (inmiddels 9e) verklaring in dat ze "nu" de volledige waarheid wil vertellen. Die nacht was zij op de [b-straat], bij het restaurant [de P.], alwaar ook [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.] aanwezig waren. Zij liep de brandgang in tussen [de cafetaria] en [de P.]. Ze vervolgt:

"Ik zag toen dat voor de bar een vrouw op de grond van het restaurant lag. De vrouw lag met haar hoofd in de richting van de straatzijde. Ik zag dat Anil aan de hoofdzijde van de vrouw stond en [Appie] stond nabij de voeten van de vrouw. Hierna tilden beiden de vrouw op en liepen met haar weg."

[Jane H.] positioneert de vrouw dus in het restaurantgedeelte van [de P.]. [Mw. M.] moet (in deze lezing) daar reeds aanwezig zijn geweest nog voor [Jane H.] ter plaatse arriveerde.

De 10e verklaring van [Jane H.] houdt evenwel in:

"Ik zal nu verklaren hoe het verder gelopen is."

Vervolgens beschrijft zij haar aanwezigheid ter plekke voor [de P.]. [Anil B.], [Achmed L.] en [Appie T.] waren ook reeds aanwezig en hadden het restaurant al weten te openen. Dan vervolgt zij:

"Na enkele minuten zag ik een Chinese vrouw lopen. Ik zag dat deze vrouw de [f-straat] over stak en in onze richting kwam lopen. Zij was gekleed in een donkere broek dan wel rok. (...). Ik herkende deze vrouw. Ik had haar in het verleden wel eens in de keuken van het Chinese restaurant gezien. Ik wist dus dat deze vrouw "iets" met het Chinese restaurant te maken had. Omdat ik dat zag heb ik Achmed gewaarschuwd dat deze Chinese vrouw naderde. Achmed vroeg aan ons of wij deze vrouw kenden. [Karin] bevestigde toen tegen Achmed dat dit een Chinese vrouw was die in "restaurant" [de P.] werkte."

In de 11e verklaring van [Jane H.] licht ze deze lezing toe. Pas in de 12e verklaring als verdachte, van 26 april 1994, deelt zij mede dat [mw. M.] mede door haar is opgehaald van een woonadres. Als een vergissing (eerste hypothese) laat deze aanpassing zich m.i. slecht begrijpen, maar zij kan worden gezien als exemplarisch voor het opbiechten van een meer strafwaardige bijdrage aan de uitvoering van het delict.

5.2.3. Waar werd [mw. M.] opgehaald?

In deze 12e verklaring kregen [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] van de drie mannen de opdracht om de eigenaar van het restaurant op te halen vanuit de woning. [Jane H.], alsook de drie mannen leefden in de (onterechte) veronderstelling dat [mw. M.] de eigenaar van [de P.] was. Zij moest thuis worden opgehaald.

In deze verklaring van [Jane H.] gaat dat als volgt:

"Hierna zijn [Karin N.], [Jenny L.] en ik naar de straat recht tegenover de [b-straat], aan de andere kant van de [f-straat] gelopen. Wij zijn naar een woning gelopen aan de rechterkant van deze straat, even voorbij de garageboxen. [Jenny L.] belde bij deze woning aan. Ik zag dat een Chinese vrouw open deed. Dit was dezelfde vrouw die ik wel eens bij restaurant "[de P.]" had gezien.

[Karin] en ik hebben tegen de vrouw die de deur opende gezegd dat ze mee moest komen naar het restaurant. Ik zag dat de vrouw even naar binnen liep. Wat ze gedaan heeft kon ik niet zien. Ik zag wel dat ze hierna een jas of vest bij zich had. Ik weet niet precies waar, maar [Jenny L.] heeft vervolgens de vrouw vast gepakt en trok deze vrouw mee in de richting van de [f-straat]. Een stukje verder, in dezelfde straat, in de richting [f-straat], ter hoogte van de garageboxen, zag ik de rode Opel Omega staan. Ik zag dat in deze auto de mij bekende [Anil B.], [Appie T.], en [Achmed L.] zaten. Wij liepen langs deze auto. Ik zag dat Jenny de vrouw in de auto duwde. Ik hoorde dat de vrouw gilde en schreeuwde. (...). [Karin], Jenny en ik zijn vervolgens te voet naar de [b-straat] gelopen. Ik zag de rode Opel Omega weg rijden naar de [b-straat]. Ik zag deze auto stoppen voor het restaurant."

In deze verklaring geeft [Jane H.] een adequate omschrijving van de ligging van de woning aan de [e-straat 1]. Dit betrof niet de woning van [mw. M.], maar die van haar middelste zoon. Naar alle waarschijnlijkheid verbleef [mw. M.] echter wel op dat adres, namelijk om op haar kleinkinderen te passen.

Opvallend is ook dat [mw. M.] in de auto werd geduwd om mee te rijden richting het restaurant. Dat is een betrekkelijk overbodige exercitie, want het restaurant ligt op een steenworp afstand, zoals ook blijkt uit de - op dit punt - juiste verklaring van [Jane H.]; zij zag de auto immers ook arriveren voor het restaurant.

In haar 13e verklaring als verdachte herhaalde [Jane H.] deze beschrijving van deze gang van zaken. In haar 14e verklaring gaf [Jane H.] een opvallende aanpassing van deze lezing.

"Mijn vorige verklaring klopt tot op het moment dat de Chinese vrouw uit de woning kwam. Ik zag toen dat Jenny deze vrouw beet pakte bij een arm en mee trok richting [f-straat]. [Karin] en ik liepen met hen mee. Wij liepen achter Jenny en de vrouw aan. Ik zag dat Jenny en de vrouw een pad in liepen dat parallel loopt aan de [f-straat]. Dit pad liepen wij in vanuit de straat waar de woning van de eigenaar van het restaurant aan staat. (...). Ik zag dat toen wij een eind dit pad in waren gelopen, [Anil B.] ons over dit pad tegemoet liep. Ik zag dat hij naar ons toe kwam en ik zag dat hij de vrouw eveneens vastpakte. Ik zag dat Anil de vrouw twee klappen gaf. Ik zag dat hij haar in het gezicht sloeg en een keer op haar lichaam sloeg. Ik hoorde dat de vrouw gilde. Jenny en Anil trokken en duwden de vrouw verder het pad af. Aan het einde van dit pad liepen we links af. Hier stond aan de linkerzijde van de weg, met de voorzijde richting [f-straat], de rode Opel Omega. Ik zag dat het linkerachterportier van deze auto open stond. Ik zag dat bij de auto aan gekomen, Anil via het openstaande portier in de auto ging zitten. Vervolgens zag ik dat Jenny de vrouw door datzelfde portier in de auto duwde. Jenny zei tegen mij dat ik ook in de auto moest gaan zitten. Ik ben vervolgens door datzelfde portier in de auto gaan zitten. (...). [Karin] en Jenny zijn niet in de auto gestapt.

(...).

Wij reden vanuit de straat waar de Omega op ons had staan wachten, richting [f-straat]. Wij staken de [f-straat] recht door over, een andere straat in. Onmiddellijk in deze straat is een steeg links. Deze steeg reden wij in en wij kwamen vervolgens tussen "[de cafetaria]" en restaurant "[de P.]" door, de [b-straat] ingereden."

Wat aan deze verklaring opvallend is, is dat [Jane H.] thans een andere woning aanwijst als de woning waar [mw. M.] is opgehaald. Die andere woning zou kunnen doorgaan voor de woning waar [mw. M.] werkelijk woonde, namelijk aan de [d-straat 1],(43) maar waar zij dus - waarschijnlijk - niet verbleef. Opvallend is ook dat [Jane H.] thans in haar lezing is ingestapt en meegereden met [mw. M.] en de drie mannen in de Opel Omega, terwijl ze eerder in haar 'bekennende' verklaring aangaf te voet naar de [b-straat] te zijn gegaan.

Deze twee aanpassingen laten zich m.i. moeilijk begrijpen als een correctie na een tevergeefs verbloemen van haar (meer kwalijke) bijdrage aan de uitvoering van het delict. Ik zie in dat verband namelijk geen verschil in ernst van haar bijdrage. Als een vergissing is zij m.i. ook niet goed te verstaan. [Jane H.] verklaart namelijk aanvankelijk gedetailleerd over haar wandeling naar de [e-straat 1], en de terugkeer (te voet) naar het restaurant. Twee verklaringen later deelt zij gedetailleerd mede dat zij niet is teruggelopen, maar teruggereden. En zij beschrijft een andere route naar een andere woning. [Jane H.] blijkt dus in elk geval bereid haar verklaring aan te passen.

Van deze hiervoor beschreven lezing is [Jane H.] niet meer expliciet afgeweken, tot op de zitting van het gerechtshof van 18 mei 1995, alwaar zij (voor de tweede keer) als getuige werd gehoord in de strafzaken van vier van de veroordeelden. Ter zitting heeft de voorzitter haar gevraagd de route uit te tekenen die zij zou hebben afgelegd met [mw. M.]. Zij kreeg daartoe een plattegrondje waarop de woning van [mw. M.] reeds was uitgetekend.

"De terugweg zijn wij weer via het gangetje gegaan en vervolgens linksaf de [g-straat] ingegaan. Wij hebben toen weer de [f-straat] overgestoken en het gangetje in de [h-straat] ingegaan, zodat wij in de [b-straat] tussen het restaurant de "[de P.]" en cafetaria [de cafetaria] uitkwamen.

(...).

Mij wordt voorgehouden dat ik bij de politie totaal iets anders heb verteld."

Dat zij een gedeelte van deze route zou zijn meegereden in de Opel Omega is een aspect dat dan weer niet meer in haar beschrijving is teruggekeerd.

5.2.4. Wie opende de deur van het restaurant?

Op enig moment arriveerde de auto bij [de P.] en werd [mw. M.] onder heftig verzet naar de toegangsdeur geleid. De vraag is dan hoe en door wie die toegangsdeur tot het afhaalgedeelte is geopend.

In de 10e verklaring van [Jane H.] heet dat als volgt te zijn gegaan. [Mw. M.] kwam (in die lezing) aangelopen en betrapte de aanwezigen bij [de P.]. [Appie T.] zou [mw. M.] met karatetrappen hebben geraakt en op enig moment de sleutels van [mw. M.] hebben kunnen bemachtigen. Daarmee opende [Appie T.] de deur.

In de 12e verklaring verliep dat anders:

"Ik hoorde dat zij zeiden dat de vrouw mee moest werken. Ik zag dat de vrouw zich verzette. Ik zag dat de vrouw Achmed een klap tegen het gezicht gaf. Ik zag dat hierna Achmed een "geweer" pakte en dit tegen de slaap van de vrouw zette. Ik zag dat de vrouw vervolgens met een sleutel de deur van het "Afhaalgedeelte" opende. Ik zag dat Appie en Anil met de vrouw naar binnen gingen."

In de 14e verklaring ging het weer anders: [Anil B.] slaagde er volgens [Jane H.] in om de sleutels nog in de Opel Omega van [mw. M.] af te pakken. In de verklaring van 30 mei 1994, afgelegd tegenover de rechter-commissaris, heeft [mw. M.] de toegangsdeur zelf geopend met de sleutel die zij bij zich had. Gehoord als getuige op 16 mei 1995 deelde [Jane H.] mee:

"[Mw. M.] is, toen wij stilstonden, uit de auto gestapt. Er is haar toen om de sleutels gevraagd. Die wilde zij niet afgeven. Een van de jongens heeft haar toen met geweld die sleutels van haar afgepakt en daarna de deur van het restaurant opengemaakt. Als ik mij niet vergis was dat Appie."

Wederom bespeur ik verschillen die m.i. het beste sporen met de hypothese dat [Jane H.] haar verklaringen aanpast aan hetgeen in haar beleving van haar wordt verlangd, en dat een authentieke herinnering ontbreekt.

5.2.5. Is er gespuugd?

Bij het forensisch-technisch onderzoek is er de nodige moeite gestoken in het onderzoek naar speeksel op de kleding van [mw. M.]. De vraag was namelijk of [mw. M.] is bespuugd door één of meer van de mannelijke veroordeelden.

[Jane H.] heeft in geen van haar vele politieverklaringen iets dergelijks beschreven. Op 30 mei 1994 vroeg de rechter-commissaris haar daarnaar nog uitdrukkelijk. Zij antwoordde:

"Ik heb niet gezien of er door een van de aanwezigen in de keuken gespuugd is en ik heb ook geen gerochel gehoord."

Op de terechtzitting van 16 mei 1995 luidde haar lezing evenwel:

"Het is juist dat er nog gespuugd is door een of twee van de jongens. Ik heb dit gezien. Anil heeft dit zeker gedaan en ik dacht ook dat Appie dit heeft gedaan. In ieder geval een van de twee heeft haar gespuugd. Anil spuugde altijd en overal. [Mw. M.] leefde toen niet meer. [Karin] en ik hebben niet gespuugd. Ik kan ook gehoord hebben dat [mw. M.] werd gespuugd. Ik weet in ieder geval zeker dat het is gebeurd. Ik heb een keer goed gezien dat in het gezicht van [mw. M.] is gespuugd. Op de vraag of zij in haar gezicht werd geraakt, kan ik antwoorden dat dit is gebeurd omdat ik, toen ik met reanimeren bezig was, dit voelde op haar gezicht. De spuug zat aan de zijkant van haar neus. Ik vind spugen ontzettend vies. Ik heb haar neus toen met mijn handen schoongemaakt, omdat ik toen neus- en mondbeademing bij haar wilde toepassen."

Overigens had [Jane H.] tot dan toe (ook) nog nooit verklaard dat zij vergeefs had getracht [mw. M.] te reanimeren.

5.2.6. Conclusie

De verklaringen van [Jane H.] bevatten veel inconsistenties. Een groot aantal daarvan (die ik hier vrijwel niet heb besproken) zou kunnen worden toegeschreven aan vergissingen (hypothese 1) of onthullingen (hypothese 2). Niettemin resteren een aantal aanpassingen in haar beschrijving van het misdrijf die ik niet goed kan plaatsen in deze twee hypothesen, doch wel in de derde.

5.3. De verklaringen van [Karin N.]

5.3.1. Algemeen

Appendix D behelst een overzicht (met samenvattingen) van de verklaringen die [Karin N.] (aanvankelijk) als getuige en (later) als verdachte heeft afgelegd. Toen zij door de politie als verdachte werd gehoord was zij 21 jaar, gedetineerd en in beperkingen. In haar vijf verklaringen als getuige hield [Karin N.] vol dat zij bij het 'stappen' in het nachtleven van Breda in de nacht van 3 op 4 juli 1993 dronken en ziek is geworden en dat er van het voornemen om 's nachts samen met [Jane H.] te zwemmen in de Galderse meren niets terecht is gekomen. Na een korte tijd van slaap in de woning van een vriend is [Karin N.] rond 04.00 uur 's nachts door [Jane H.] wakker gemaakt en zijn [Jane H.] en [Karin N.] naar de [b-straat] gereden. Daar zijn zij omstreeks 4.15 uur - 4.30 uur aangekomen. [Karin N.] persisteert gedurende vijf verhoren als getuige, met inbegrip van een volgens de verhoorders "intensief" verhoor, dat zij op de [b-straat] die nacht niets bijzonders heeft gezien. [Jane H.] en [Karin N.] zijn daar gaan slapen in de woning van de toenmalige vriend van [Karin N.], aan de [b-straat 2].

Pas bij haar 8e politieverklaring als verdachte, op 22 april 1994, maakt [Karin N.] een aanvang met verklaringen waarin er volgens haar op 4 juli 1993, omstreeks 4.15 uur 4.30 uur toch het een en ander heeft plaatsgehad op het trottoir en in het restaurant "[de P.]".

Overigens heeft [Karin N.] consequent volgehouden dat zij nimmer bij voorbereidende besprekingen voor de overval aanwezig is geweest, en bij aankomst op de [b-straat] niet heeft geweten wat haar (en een ander) te wachten stond.

5.3.2. Het ophalen van [mw. M.]

Niet eerder dan in de 12e verklaring van de verdachte [Karin N.] deelt zij mede dat [mw. M.] is opgehaald van een woonadres. [Jane H.] is in deze lezing degene die [mw. M.]s woonadres kende en die met de drie mannen is meegereden in de Opel Omega.

In haar 15e verklaring is het echter niet [Jane H.] die de eigenaar van de "[de P.]" wist te wonen, maar [Karin N.] zelf. Deze aanpassing van haar rol in het geheel laat zich op zichzelf goed begrijpen binnen de tweede hypothese (onthulling eigen bijdrage), zodat ik haar verder onbesproken laat. Het zij herhaald dat daarmee niet is gezegd dat deze aanpassing ook daadwerkelijk het gevolg is van het in hypothese 2 geschetste mechanisme.

Ik ga verder met de 15e politieverklaring van [Karin N.].

"Zoals gezegd vroeg [Anil B.] aan Jane en mij: "wie weet er waar de eigenaar van de "[de P.]" woont." Ik antwoordde hierop: "Die weet ik wel te wonen."

Ik had namelijk tijdens mijn werk eens een gedeelte opgevangen van een gesprek tussen mijn baas [betrokkene 13] en de eigenaar van "[de P.]", [C.L. M.]. Tijdens het gesprek werd gesproken over het huis van [C.L. M.], waarbij het adres aan de [f-straat] werd genoemd. Het huisnummer werd toen wel genoemd, maar kan ik mij nu niet herinneren.

Ik denk dat het Anil was die toen tegen mij en Jane zei: "Gaan jullie ze dan maar halen." Jane en ik zijn vervolgens te voet vanaf de [b-straat] gelopen naar de flat, waar de eigenaar van [de P.] woont. Ik besefte uiteraard wel dat de 3 jongens niet veel goeds van plan waren, maar stond daar verder niet bij stil. De bewuste flatwoning bevindt zich op een afstand van ongeveer 100 meter van het Chinees restaurant. Bij de flat aangekomen, kwamen Jane en ik uit bij een centrale toegangsdeur. Deze deur geeft toegang tot een ruimte, van waaruit meerdere woningen te bereiken zijn. Omdat die deur op slot was en van binnenuit geopend moest worden, zag ik dat Jane op de bel drukte van de woning die ik aanwees als de woning van [M.]. Kort na het belsignaal hoorde ik dat de centrale toegangsdeur vanuit de woning van [M.], werd geopend.

Vervolgens zijn Jane en ik via de van binnenuit geopende deur de hal ingelopen. Vanuit de hal zijn wij toen volgens mij 2 trappen opgelopen. Boven aan die 2 trappen, zag ik 2 voordeuren, 1 links en 1 rechts van de trap. Ik zag dat de voordeur aan de rechterkant geopend was. Ik zag dat in de deuropening een wat oudere, Chinese vrouw in nachtkleding stond te wachten. (...). Ik sprak de vrouw aan en vroeg: "wilt u met ons meekomen". Ik zag dat de vrouw mijn vraag niet begreep. (...). Zodoende zei ik tegen de vrouw: "[de P.], [de P.]". (..).

Ik zag dat de vrouw even door de hal terug de woning inliep. Ik zag dat zij korte tijd later terugkwam met in haar handen een bos met sleutels. Ik zag dat zij nog steeds dezelfde nachtkleding droeg. Zij heeft geen jas of iets dergelijks aangetrokken. Ik zag dat zij vervolgens de voordeur achter zich dichttrok. Hierna liep de vrouw met Jane en mij via de trappen naar beneden. We gingen door de centrale toegangsdeur naar buiten. Daar zag ik op het trottoir voor de flat, de goudkleurige/bruine Opel Omega stond, waarover ik eerder sprak. (...)."

Deze gedetailleerde beschrijving van het ophalen van [mw. M.] bevat een opvallende onjuistheid. [Mw. M.] woonde niet in een flat en verbleef daar naar alle waarschijnlijkheid ook niet. Ook door de andere veroordeelden is nimmer meegedeeld dat [mw. M.] is opgehaald vanuit een flatwoning.

Bij gelegenheid van het (inmiddels) 16e verhoor van [Karin N.] is het volgende geverbaliseerd:

"Als straatnaam noemde ik in mijn vorige verklaring de [f-straat]. Dit is niet juist. De juiste straatnaam weet ik nu niet meer. (...).

Ik sprak eerder over een flatwoning. De reden hiervoor is dat ik helemaal niet wilde vertellen waar de eigenaar woonde. Ik vond het voor mijzelf al een overwinning dat ik toe durfde te geven dat ik de vrouw, die het met de dood moest bekopen, van huis gehaald had."

Eenieder mag hierover zelf oordelen, maar de reden waarom [Karin N.] aanvankelijk heeft 'gekozen' om melding te maken van een flatwoning in plaats van de (correcte) rijtjeswoning, acht ik niet inzichtelijk. Het roept bij mij de vraag op of [Karin N.] op basis van andere informatie dan een eigen herinneringsbeeld tot de aanpassing van haar verklaring is gekomen en of zij (al dan niet bewust) is aangemoedigd haar eerder verstrekte, gedetailleerde beschrijving te corrigeren.

Met ingang van haar 16e verklaring als verdachte heeft [Karin N.] een beschrijving gegeven van het ophalen van [mw. M.] die zich als volgt laat samenvatten. [Karin N.] kende als enige het woonadres van de eigenaar van de "[de P.]". [Karin N.] is tezamen met (alleen) [Jane H.] naar (aldus begrijp ik) de woning aan de [e-straat 1] gelopen, en dit via een omweg, te weten (volgens de beschrijving van [Karin N.]): vanaf [b-straat] rechtsaf de [f-straat] in, linksaf [i-straat] in, twee keer linksaf de [e-straat] in om te eindigen bij (inderdaad) de woning van de eigenaar die vanuit deze looproute is gelegen ter linkerzijde, laatste huis voor de garages. Deze looproute is volgens [Karin N.] door haar gekozen omdat zij werden gevolgd door de Opel Omega, waarin de drie mannen waren gezeten. Zij ervoer dat als bedreigend. Dat [Karin N.] in deze beschrijving van de looproute en van diegene(n) met wie zij deze heeft afgelegd alleen staat, komt pas in het volgende hoofdstuk aan de orde.

5.3.3. De auto

Over de auto die door [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.] werd gebruikt, heeft [Karin N.] het volgende verklaard.

In haar 12e verhoor als verdachte deelt zij mede:

"Op de [b-straat] aangekomen, zag ik dat er voor het Chinees restaurant een goudkleurige of bruinkleurige personenauto staat van het merk Opel Omega. (...). Tijdens het oversteken liep ik langs de voorzijde van de Opel Omega en zag daarbij het nummerbord van de auto. Ik zag dat het kenteken in ieder geval bestond uit de combinatie [AA-00-??]. De laatste 2 cijfers of letters kan ik mij niet herinneren. De andere combinaties van het kenteken kan ik me goed herinneren. Toen ik dit kenteken zag, wist ik dat deze auto van de mij bekende Turk, [betrokkene 14] was. (...). Ik kan me dit kenteken zo goed herinneren omdat ik de Opel Omega met dat kenteken een keer heb aangetroffen achter de woning aan de [a-straat]. [betrokkene 14] was toen bij Lucy op bezoek (...)."

Uiteraard heeft deze mededeling voor het rechercheteam indertijd het nodige werk opgeleverd en voor [betrokkene 14] de nodige gevolgen gehad.(44) Bij gelegenheid van haar 16e verhoor als verdachte deelde [Karin N.] nog mede:

"Met betrekking tot de auto die gebruikt werd om de Chinese vrouw naar restaurant "[de P.]" te vervoeren, blijf ik erbij dat dit de Opel Omega, eigendom van [betrokkene 14], was. Ik weet dat deze auto op de achterzijde is voorzien van een spoiler. Deze spoiler is aangebracht op de kofferdeksel. In mijn ogen is het onmogelijk dat er een rode Opel Omega in het spel is. Ik ben pertinent zeker van het feit dat de gebruikte auto, de bruin/goudkleurige Opel Omega is zoals omschreven."

Nadat het rechercheteam had achterhaald dat de door [Karin N.] bedoelde auto niet de auto van [betrokkene 14] kon zijn, deelde zij in haar 17e verklaring het volgende mee:

"Ik heb u tijdens een eerder afgelegde verklaring verteld over de auto van [betrokkene 14], de goudkleurige/bruine Opel Omega. Ik wil daar op terug komen. Toen ik met Jane bij de [b-straat] aankwam, zag ik een groot model Opel, ik dacht van het type Omega, bij Chinees restaurant "[de P.]" staan. Ik ken maar 1 persoon die zo'n auto heeft, namelijk [betrokkene 14]. Ik wist ook dat [betrokkene 14] veel met Anil, "Appie" en Achmed optrok. Daarom heb ik maar verteld dat de auto die bij [de P.] stond, de auto van [betrokkene 14] betrof. Dit is echter niet juist. Ik heb van de auto die ik zag staan helemaal geen kenteken gezien."

Over hoe ze aan het woonadres van de eigenaar van het restaurant is gekomen varieert [Karin N.] in drie verklaringen. Ik laat dat verder maar onbesproken, evenals het gegeven dat ze niet eerder dan in haar 19e verklaring melding maakt van een pistool dat zij in de keuken zou hebben zien liggen en dat zij (zelfs) enig moment had vastgepakt.

5.3.4. Conclusie

Van de inconsistenties die in groten getale zijn terug te vinden in de verklaringen van [Karin N.] past een aantal alleen goed in de derde hypothese.

5.4. De verklaringen van [Jenny L.]

5.4.1. Algemeen

Appendix E behelst een overzicht (met samenvattingen) van de verklaringen die [Jenny L.] als verdachte heeft afgelegd. Toen zij door de politie als verdachte werd gehoord was zij 18 jaar, gedetineerd en in beperkingen. Van de drie veroordeelde vrouwen is [Jenny L.] als laatste aangehouden. In haar eerste verklaringen, van 27 en 28 april 1994, heeft zij iedere betrokkenheid bij de moord op [mw. M.] ontkend.

5.4.2. De voorbereidingen

Op 29 april 1994 heeft zij toegegeven betrokken te zijn geweest bij een voorbereidende bespreking van een overval op het Chinese restaurant [de P.]. Bij die voorbereidingen zouden aanwezig zijn geweest: [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.], alsook [betrokkene 15] ("blonde Mo"), [betrokkene 16], [Lucy C.], [Miranda H.] en [Jane H.]. Bij de uitvoering is [Jenny L.] volgens haar verklaring van die dag niet betrokken geweest.

Op 3 mei 1994 wijzigde [Jenny L.] haar lezing in die zin dat zij thans wel had bijgedragen aan de uitvoering van het delict. Zij schetst in die verklaring wederom de voorbereidingen voor dit delict en maakt melding van een bijeenkomst op de kamer van [Lucy C.] aan de [a-straat 1] te Breda, één á twee weken voor de dag van de overval. Nadien is nog meermalen gesproken over de overval. [Jenny L.] hierover:

"Uiteindelijk zijn de volgende personen serieus met de voorbereiding verder gegaan: ikzelf, [Miranda H.], [Lucy C.], [Jane H.], [Karin], [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.]. Gezamenlijk hebben we toen de voorbereidingen voortgezet. Jane en [Karin] waren in die tijd werkzaam bij snackbar "[de cafetaria]", eveneens gevestigd in de [b-straat] te Breda. Het was voor Jane en [Karin] dus eenvoudig om het restaurant in de gaten te houden."

5.4.3. De aanvang van de overval

De overval is in de lezing van [Jenny L.] vervolgens gepleegd door de genoemde acht personen, die om 2 uur 's nachts in twee auto's naar de [b-straat] zijn gereden. Zij hebben ter plaatse een sigaretje gerookt, waarna [Jane H.], [Karin N.] en [Achmed L.] met de auto [mw. M.] zouden hebben opgehaald.

In haar volgende verklaring, die van 4 mei 1994, is de lezing van [Jenny L.] gewijzigd in die zin dat op zaterdag 3 juli 1993 is besloten om de overval te plegen en dat de deelnemers elkaar daartoe omstreeks 2.00 uur 's nachts zouden treffen bij het restaurant:

"Op zaterdag 3 juli bevond ik mij op de kamer van Lucie. (...). [Appie T.], [Achmed L.], [Anil B.], Jane, [Karin] en ik hebben toen besloten samen de overval te gaan plegen. De andere aanwezigen hebben toen afgehaakt. Ik weet niet waarom. We hebben toen om twee uur 's morgens bij restaurant "[de P.]" afgesproken. Omstreeks dit tijdstip ben ik met [Appie T.], [Achmed L.] en [Anil B.] in een donkerkleurige auto gestapt. (...). Vervolgens zijn we met z'n vieren naar de [b-straat] gereden. (...). Aangekomen op de [b-straat] heeft Achmed de auto geparkeerd op een parkeerterreintje recht tegenover het restaurant "[de P.]". Vervolgens zijn we uitgestapt. We hebben toen ruim anderhalf tot twee uur gewacht op Jane en [Karin]. Zij kwamen namelijk op eigen gelegenheid naar "[de P.]". (...). De jongens raakte geïrriteerd omdat Jane en [Karin] hun afspraak niet waren nagekomen. Tegen 4 uur kwamen Jane en [Karin] aangereden. (..)."

Niet duidelijk is geworden om welke reden [Jenny L.] haar verklaring op dit punt heeft aangepast en waarom [Jenny L.] zich thans wel meent te kunnen herinneren dat [Jane H.] en [Karin N.] op eigen gelegenheid en veel te laat ter plekke arriveerden.

5.4.4. Het ophalen van [mw. M.]

Vervolgens beschrijft [Jenny L.] een ander aspect, namelijk het ophalen van [mw. M.], waarin zij zichzelf een meer belastende rol toedicht. Het gaat mij echter om de vraag waar [mw. M.] is opgehaald:

"Ik ben vervolgens met Jane en [Karin] de Chinese vrouw gaan halen. Jane en [Karin] wisten de vrouw te wonen. We zijn te voet naar de vrouw gelopen. Vanaf het restaurant zijn we rechtdoor de [f-straat] overgestoken. We zijn toen de straat ingelopen welke is gelegen recht tegenover de [b-straat]. Ik weet de naam van de straat niet. We hebben het trottoir aan de rechterzijde van deze straat gevolgd. We zijn vervolgens naar de woning van de Chinese vrouw gelopen. Ik weet niet meer waar dat was. Het was een gewoon huis. (...). Het was gelegen aan de rechterzijde van deze straat, gezien vanuit de richting [b-straat]. (...).

Aangekomen bij het huis heeft [Karin] aangebeld. [Karin] heeft daarbij meerdere keren op de bel gedrukt. Ik stond op een afstand van één a' twee meter van deze deur. Jane stond naast [Karin]. Het Chinese vrouwtje opende vervolgens de voordeur. Ze keek erg slaperig en suf. Ik hoorde [Karin] zeggen "Mag ik even bellen". Het vrouwtje was gekleed in nachtkleding. Vervolgens zijn Jane en [Karin] met het vrouwtje naar binnen gegaan. (..). Ik ben buiten bij de voordeur blijven staan. Jane en [Karin] zijn ongeveer tien minuten binnen geweest. Vervolgens kwamen ze naar buiten met het Chinese vrouwtje. (..)."

Indien [Jenny L.] hiermee een beschrijving heeft willen geven van de looproute naar de verblijfplaats van [mw. M.], op de [e-straat 1], is die beschrijving accuraat. In dit onderdeel beschrijft zij ook de wijze waarop het aanspreken van [mw. M.] in z'n werk zou zijn gegaan. Ik citeer deze passage reeds nu vanwege discrepanties met latere verklaringen.

In haar 7e verklaring, van 5 mei 1994, geeft [Jenny L.] om redenen die voor mij niet inzichtelijk zijn een wijziging van haar lezing over de locatie waar [mw. M.] is opgehaald. De rechercheurs zijn met [Jenny L.] langs de woning aan de [d-straat 1] gereden. Deze woning staat vanuit de [f-straat], de [j-straat] in, vervolgens linksaf de [d-straat] in, en dan direct aan de linkerzijde van die straat. [Jenny L.] verklaarde hierover:

"Ik herken deze woning aan de overhangende boom die bij de woning staat. Bij deze woning hebben wij de Chinese vrouw opgehaald. Hoe we aan het adres van de Chinese vrouw zijn gekomen weet ik niet. Ik denk dat dit afkomstig is van Jane, [Karin] of Lucy. In de voorbesprekingen hierover is altijd over het Chinese vrouwtje gesproken die erbij gehaald zou worden. Er werd nooit over de eigenlijke eigenaar gesproken. (...). [Karin] en Jane zijn rechtstreeks naar het adres van de Chinese vrouw gelopen. [Karin] en Jane hebben daar aangebeld. Ik zelf ben aan straat blijven staan. Ik weet niet precies wat er door hen gezegd is. Beiden werden wel binnengelaten. Ik schat dat ze ongeveer 15 tot 20 minuten binnen zijn geweest. Ze kwamen toen buiten samen met de Chinese vrouw."

Op 6 mei 1995 (8e verhoor) verklaarde [Jenny L.] weer anders. De reden daarvoor is niet te ontlenen aan de verklaring zelf.

"Op woensdag 4 en donderdag 5 mei 1994 heb ik U reeds uitvoerig verklaard over mijn aandeel met betrekking tot gewelddadige dood van de Chinese vrouw. Deze verklaringen zijn voor het grootste gedeelte juist. Het ophalen van de oude Chinese vrouw is echter wat anders gegaan. Op de dag van de moord ben ik met [Karin] en Jane omstreeks 04:00 uur naar het huis van het Chinese vrouwtje gelopen. Dit huis was gelegen vlak bij het restaurant "[de P.]". Op donderdag 5 mei ben ik met u naar de omgeving van het restaurant "[de P.]" gereden. We zijn toen dicht langs dit huis gereden. Ik heb toen bewust mijn mond dicht gehouden. Als je voor het restaurant "[de P.]" staat heb je zicht op dit huis. Het ligt op zeer korte afstand van "[de P.]". Het huis staat rechts vooraan in de straat tegenover de [b-straat]. We zijn er onmiddellijk na aankomst bij het restaurant "[de P.]" naar toe gegaan. Zoals reeds eerder verklaard waren we namelijk al te laat. [Karin] en Jane wisten de weg. Uit informatie van Jane, [Karin] en Lucie was namelijk gebleken dat aldaar op dat moment een oud Chinees vrouwtje aan het oppassen was.

We zijn met zijn drieën naar dit huis gelopen. De jongens zijn toen met de auto naar een afgesproken lokatie gereden. Deze lokatie was gelegen tussen de eerder genoemde woning en een tweede woning waarover ik reeds eerder heb verklaard.

Aangekomen bij de eerste woning heeft [Karin] enkele keren aangebeld. Na korte tijd werd er opengedaan door een oud Chinees vrouwtje. [Karin], Jane en de Chinese vrouw kenden elkaar. (...). Nadat de vrouw had opengedaan vertelde [Karin] haar dat er iets aan de hand was met een persoon die woonachtig was in het tweede huis. (...). De oude vrouw schrok van het verhaal van [Karin]. (...). Het vrouwtje is vervolgens snel naar binnen gegaan. Ik geloof dat ze toen een jas of iets dergelijks heeft aangedaan. Direct daarna kwam ze weer naar buiten. Ze is toen alleen in de richting van het tweede huis gelopen. De vrouw had een bos sleutels in haar hand. (...). Wij volgden de vrouw ongemerkt op een afstand van tien á vijftien meter."

Kortom, naar ik begrijp is [mw. M.] in deze derde lezing weer wel opgehaald in de woning aan de [e-straat 1]. [Mw. M.] is vervolgens te voet onderweg gegaan richting de (haar) woning aan de [d-straat 1]. Halverwege die route is zij van haar vrijheid beroofd en in de auto 'gewerkt'. Dat vond plaats op de [g-straat].(45) In deze lezing is [Jenny L.] helemaal niet meer aan de [d-straat] geweest en kan zij die woning dus ook niet "herkennen" (aan de overhangende boom) als de locatie waar [mw. M.] is opgehaald.

Ik wijs er bovendien op dat de woorden die [Karin N.] zou hebben gebruikt om [mw. M.] mee te lokken anders zijn dan de bewoordingen die [Jenny L.] eerder had omschreven. Hetzelfde geldt voor de beschrijving van het voorgevallene na het aanbellen. Dit keer zijn [Jane H.] en [Karin N.] niet de woning ingegaan en is [mw. M.] kort na het aanbellen op weg gegaan, en dus niet pas na vijftien tot twintig minuten.

In de verklaringen van [Jenny L.] is zij tijdens de gebeurtenissen in het restaurant buiten op de uitkijk gaan staan. Zij is het restaurant naar haar zeggen niet binnen geweest.

5.4.5. Het "intrekken" van de verklaringen

Op 30 mei 1994 is [Jenny L.] verhoord door de rechter-commissaris, als getuige in de strafzaken tegen [Appie T.], [Achmed L.] en [Anil B.]. Zij heeft toen medegedeeld:

"Ik wil alle verklaringen die ik bij de politie heb afgelegd intrekken (...). Ik ben onder druk gezet door de rechercheurs, ik heb verteld wat ze wilde horen. Ze hebben een stukje van de verklaring van [Jane H.] voorgelezen, waarin zij vertelt, dat ik [mw. M.] zou hebben vastgepakt en ik heb toen gezegd dat dat niet klopte. Ik ben er helemaal niet bij geweest. Wat ik weet, weet ik van de rechercheurs, niet van anderen. Ik heb wel via mijn advocaat een aantal verklaringen van anderen gelezen. Ik weet niet waarom Jane heeft gezegd, dat ik erbij was op 4 juli 1993."

Op de terechtzitting van de rechtbank te Breda van 12 juli 1994 heeft zij, gehoord als verdachte in haar eigen zaak, volhard bij haar intrekking van deze verklaringen, doch heeft zij echter nog wel gesproken over haar aanwezigheid bij voorbereidende besprekingen voor een overval op [de P.].

5.4.6. Conclusie

De bekennende verklaringen van [Jenny L.] bevatten een aantal inconsistenties die niet goed te begrijpen zijn indien wordt aangenomen dat zij zich uitsluitend heeft vergist, dan wel indien wordt aangenomen dat zij gaandeweg haar kwalijke rol in het geheel heeft opgebiecht.

5.5. Conclusie over de consistentie van de verklaringen van de drie vrouwelijke veroordeelden afzonderlijk beschouwd

De verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] bevatten elk een aantal discrepanties die zich naar mijn mening alleen goed laten begrijpen als uitingen van meegaandheid jegens de verhorende rechercheurs. Benadrukt zij dat aanwijzingen voor deze vorm van meegaandheid van de ondervraagde personen niet tevens aanwijzingen zijn dat de verhoorders welbewust hebben aangestuurd op het verkrijgen van verklaringen die bezijden de waarheid zijn.

In het volgende hoofdstuk bespreek ik de onderlinge consistentie van de verklaringen, tegen de achtergrond van de bevindingen van het opsporingsonderzoek.

6. De bekennende verklaringen nader beschouwd

6.1. Algemeen

6.1.1. Eén van de advocaten van de drie mannelijke veroordeelden pleitte op 30 juni 1995 ten overstaan van het hof als volgt:

"Natuurlijk geloof ik er ook niet in dat de dames eenvoudig een verhaal op gaan lepelen, waarbij ze zich zelf ook belasten. Dit is niet logisch en niet aannemelijk."

De vraag rijst vervolgens wel hoe "onlogisch" en hoe "onaannemelijk" het is dat drie onschuldige individuen in zeer grote lijnen eenzelfde voor hen belastende verklaring afleggen en in de door hen omschreven toedracht ook anderen betrekken. Daarover kom ik thans te spreken. Eveneens breng ik ter sprake een aantal van de andere overwegingen die in uiteenlopende bewoordingen zijn te traceren in het requisitoir, de vonnissen en de arresten, en waarmee kennelijk is beoogd de geloofwaardigheid van de bekennende verklaringen te beargumenteren. Ik begrijp deze argumenten (kort samengevat) als volgt:

1. Met het afleggen van hun verklaringen belasten de drie vrouwen ook zichzelf in ernstige mate. Een onschuldig persoon doet zoiets niet.

2. De verklaringen van de drie vrouwen bevatten weliswaar inconsistenties maar stemmen in grote lijnen overeen. Dat kan geen toeval zijn.

3. Bepaalde onderdelen van de bekennende verklaringen bevatten informatie die alleen bij de dader(s) bekend kan zijn.

4. Hetgeen door de drie vrouwen is verklaard is zeer wel mogelijk. De globale toedracht die de vrouwen hebben geschetst past goed in wat wij weten van de plaats van het delict en de omgeving ervan.

Eerst komen deze argumenten in algemene zin aan de orde. Daarna bespreek ik het een en ander in de context van de zaak.

6.1.2. Onschuldige mensen leggen geen voor zichzelf belastende verklaring af

Wie dit na de Schiedammer parkmoord en de Puttense moordzaak nog gelooft, beveel ik van harte "Convicting the innocent: where criminal prosecutions go wrong" van Brandon Garrett aan.(46) In dit boek analyseert Garrett de eerste 250 (!) gerechtelijke dwalingen die in de V.S. door middel van 'DNA-exonerations' zijn blootgelegd. Hij trof in 40 van de 250 zaken gefingeerde bekentenissen aan.

De gedachte dat een valse bekentenis uitsluitend onder zware en/of ongeoorloofde druk van politiezijde tot stand komt, is allang achterhaald.(47) De jeugdige leeftijd van de verdachte(48) en de wijze van verhoren (bijvoorbeeld veelvuldig en langdurig)(49) betreffen in elk geval twee van de factoren waarvan bekend is dat zij de kans op een valse bekentenis vergroten. Garrett schrijft onder meer over de 40 door hem geanalyseerde gerechtelijke dwalingen waarin een valse bekentenis was afgelegd:

"(...) almost all of these interrogotations were prolonged affairs, lasting many hours or even days. (...) and thirteen were juveniles."(50)

Dat een verdachte in detentie verblijft en dat aan hem of haar (zoals in casu) bovendien beperkende maatregelen zijn opgelegd, zullen in dit verband eveneens van niet te onderschatten betekenis zijn.(51)

Daarmee is niet gezegd dat vrijwel alle jeugdigen die veelvuldig en langdurig worden ondervraagd tot een (valse) bekentenis kunnen worden bewogen. De voorliggende zaak illustreert dat. Niet alleen [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.], maar ook [Anil B.] (18 jaar), [Appie T.] (18/19 jaar), [Achmed L.] (18 jaar), [Lucy C.] (20 jaar) en in mindere mate ook (de uit andere hoofde gedetineerde getuige) [Miranda H.] (19 jaar) zijn meer dan eens intensief ondervraagd. Zij hebben echter geen bekentenis afgelegd, en dus ook geen valse.

De vraag in welke mate bepaalde condities een valse bekentenis bevorderen is hiermee nog niet beantwoord. Die vraag laat zich ook buitengewoon lastig beantwoorden, want het antwoord is zeer waarschijnlijk afhankelijk van allerlei variabelen die buiten de setting van experimenteel onderzoek vrijwel niet te controleren en te manipuleren zijn. Thans rest ons dus slechts een waarschuwing. We moeten erop rekenen dat onder bepaalde condities een niet te verwaarlozen fractie van de onschuldige verdachten kan worden bewogen tot een bekentenis die niet correspondeert met de werkelijkheid.

6.1.3. De opmerkelijke overeenkomsten in de bekennende verklaringen

De kans dat twee individuen onafhankelijk van elkaar twee overeenkomstige verhalen opdissen is dermate klein dat een treffende gelijkenis in twee verhalen vrijwel nooit valt te wijten aan het toeval. In zo'n geval mag veilig worden aangenomen dat er een verband bestaat tussen beide verhalen. Niet voor niets pleegt het aantreffen van opmerkelijke gelijkenissen in de literaire werken van twee verschillende auteurs te worden gezien als een aanwijzing voor plagiaat door één van hen.

Het bedoelde verband kan erin bestaan dat beide individuen getuige zijn geweest van hetzelfde voorval en daarover "onafhankelijk"(52) van elkaar dienovereenkomstig verklaren. De door mij bedoelde voorwaarde van onafhankelijkheid is in het hier besproken argument cruciaal. Zonder deze onafhankelijkheid kan niet worden uitgesloten dat de gelijkenissen in twee verhalen uiteindelijk zijn te herleiden tot een gemeenschappelijke bron van informatie anders dan hun beider waarneming van dezelfde gebeurtenis. Het signaleren van treffende overeenkomsten in de verklaringen van twee individuen heeft zonder die onafhankelijkheid op zichzelf geen meerwaarde, dat wil zeggen: geen vermogen om te discrimineren tussen de hypothese dat beide individuen uit eigen waarneming hetzelfde voorval beschrijven, en de hypothese dat beide individuen elkaar in essentie napraten.

Om die reden zal ik hieronder langer stilstaan bij de vraag of [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] onafhankelijk van elkaar tot hun bekentenissen zijn gekomen. Indien zij daaraan voorafgaand werden geconfronteerd met de verklaringen van de anderen is het argument van de treffende gelijkenis uiteraard niet meer geldig. Hierop kom ik nog terug bij de bespreking van het derde argument, te weten dat van de tentoongespreide daderwetenschap.

6.1.4. Daderwetenschap

De advocaat-generaal bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft in zijn schriftelijke requisitoir van 30 juni 1995 betoogd dat de verklaringen van de drie veroordeelde vrouwen "intieme kennis (dat wil zeggen: bijzonderheden die alleen daders kunnen weten)" bevatten.(53) Dit was naar zijn oordeel een sterk argument voor de validiteit van de bekentenissen.

Aantoonbare daderwetenschap kan een sterke aanwijzing zijn dat de betreffende verklaring (waarheidsgetrouw) is afgelegd door de dader van het delict. De kans dat een verdachte die onwetend is van de ware toedracht bij zijn beschrijving van het delict steevast goed gokt is namelijk buitengewoon klein. De juistheid van het verklaarde is echter wel een noodzakelijke voorwaarde om daaraan de kwalificatie 'daderwetenschap' te verbinden. In de literatuur wordt het voorbeeld gegeven van de verdachte van moord die de politie aanwijst waar hij het moordwapen heeft verborgen.(54) In zo'n geval kan kennis van de vindplaats inderdaad doorgaan voor 'harde daderwetenschap', maar niet eerder dan nadat het wapen daadwerkelijk is gevonden op de aangewezen plaats. Dat voor 'daderwetenschap' uitsluitend geverifieerde gegevens in aanmerking komen, lijkt een vanzelfsprekendheid, maar dat blijkt het bij lezing van het dossier niet te zijn.

Indien een verdachte bij zijn beschrijving van het sporenbeeld op de PD erin slaagt om ruim boven (of onder) kansniveau te presteren, is dat een sterke indicator dat hij beschikt over wetenschap van de ware toedracht. De logica om daderwetenschap aan te merken als een indicatie voor het daderschap van de verdachte vereist evenwel dat de getoonde daderkennis niet afkomstig kan zijn uit andere bron dan rechtstreeks uit het brein van de dader. Daarin zit de valkuil van het op daderkennis rustende argument, want kennis is gemakkelijk overdraagbaar, bewust of onbewust. En het verhoorkoppel beschikt vaak over daderwetenschap. Die wetenschap kan de verdachte in vragende vorm worden aangereikt, zodat het goede antwoord zich laat raden.

De verhoorders van een verdachte of getuige zullen er dus voor moeten waken daderwetenschap prijs te geven. De enkele bewustheid van het gevaar van overdracht van daderkennis is echter niet voldoende. Wil daderwetenschap als argument voor de schuld van de verdachte terecht als zodanig kunnen worden gepresenteerd, zal moeten kunnen worden nagetrokken hoe de betreffende verklaring en de daaraan voorafgaande verklaringen tot stand zijn gekomen. Dit vereist een andere wijze van verbaliseren en het registreren van het verhoor op een geluids- of beelddrager.(55)

De rechter-commissaris heeft in de thans besproken zaak een viertal rechercheurs ondervraagd over de wijze waarop de verhoren van [Jenny L.] hebben plaatsgehad. Ter terechtzitting in de zaak tegen [Jenny L.] heeft het gerechtshof twee rechercheurs gehoord over de gang van zaken bij het verhoren van deze verdachte. Op aldus verkregen informatie over de wijze van verhoren kan de rechter niet blindvaren. Mogelijk zijn rechercheurs niet op de hoogte van hetgeen andere rechercheurs al aan getuigen of verdachten over de zaak hebben verteld. De rechercheurs kunnen hebben gemeend dat het verhoor conform alle professionele standaarden is uitgevoerd, doch onvoldoende hebben onderkend dat er al informatie besloten ligt in het aan de orde stellen van bepaalde aspecten van het misdrijf ("heb je gezien of er is gespuugd?"), het confronteren met "tegenstrijdigheden" ("je maatje zegt anders wel dat je hebt aangebeld") en in het aandringen op bepaalde antwoorden ("heb je nou wel of niet een wadjang zien liggen?").(56) Ook de enkele mededeling aan de verdachte dat zijn verklaring is gelogen, bevat informatie waarmee een verdachte aan de haal kan gaan.

Bovendien is van belang om te weten welke informatie over het delict voorafgaande aan de verhoren gewild of ongewild reeds naar buiten is gekomen. Voor een dergelijke vorm van informatieoverdracht was in deze zaak alle tijd en gelegenheid. De veroordeelden zijn niet eerder dan ongeveer negen maanden na het delict aangehouden. [Karin N.] en [Jane H.] werkten in de snackbar naast de PD en (dus) ook in de directe omgeving van de woningen van de familie [M.]. Hun werkgever had het stoffelijk overschot zien liggen. De moord was in kranten besproken en was binnen een maand onderwerp van het televisieprogramma "Opsporing verzocht". Het ligt in de lijn der verwachting dat een geruchtenstroom op gang is gekomen. Van veel informatie over het delict is niet duidelijk of die wel als daderwetenschap mag worden aangemerkt. Daarover kom ik nog (onder 8.5) te spreken, want het evaluatieteam heeft hiernaar onderzoek gedaan. Het strafdossier uit 1995 geeft geen blijk van dergelijk onderzoek.

Eveneens moet men bedacht zijn op nog een derde mogelijkheid waarop verdachten informatie kunnen opdoen die abusievelijk kan worden aangezien voor daderwetenschap. Bij de vertrouwelijke besprekingen met hun advocaat kunnen verdachten namelijk te weten komen wat de inhoud is van de belastende verklaringen die medeverdachten over hen hebben afgelegd. Indien de verdachte die informatie herhaalt zonder bekend te maken wat de bron van zijn wetenschap is, kan de treffende gelijkenis met de verklaring van de medeverdachte aanleiding geven voor onjuiste interpretaties.

Ter adstructie wederom een verwijzing naar het onderzoek van Brandon Garrett. Hij ontdekte (vermeende) daderwetenschap in nota bene 38 van de 40 valse bekentenissen die door hem waren geanalyseerd (95%) Die 'daderwetenschap' was (achteraf bezien) evident afkomstig uit andere bron dan linea recta uit het brein van een dader. De politie had in de meeste van die zaken ter terechtzitting bezworen dat aan de verdachte geen daderkennis was 'gelekt'. In 22 van deze gerechtelijke dwalingen benadrukte de 'prosecutor' in zijn 'closing argument' dat de door de verdachte opgegeven feiten niet publiekelijk bekend waren.(57) Thans moet dus worden getwijfeld aan de juistheid van deze mededelingen.

Ten slotte nog dit. Het aanmerken als daderwetenschap van (1) het beramen van de overval, (2) het ophalen en ontvoeren van [mw. M.], (3) het daderschap van [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.], en van (4) het jegens [mw. M.] gepleegde geweld (waaronder het slaan met een wadjang en het schieten met een vuurwapen) veronderstelt dat de bekennende verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] (in elk geval globaal) corresponderen met de werkelijkheid. Het probleem is dat de juistheid van deze veronderstelling nog moest worden aangetoond.

6.1.5. De verklaringen stroken met externe informatie

Toetsen van de verklaringen van verdachten of getuigen aan hetgeen bekend is van de plaats van het delict en de omgeving ervan is inderdaad een zinvolle activiteit, maar vooral zinvol binnen het domein van het falsificeren van deze verklaringen. Indien de door de verdachte beschreven handelingen stroken met de bevindingen op de plaats van het delict, betekent dit dat die handelingen als zodanig kunnen hebben plaatsgehad. Indien echter de beschreven handelingen in tegenspraak zijn met vaststaande feiten of met onderzoeksbevindingen waarvan mag worden aangenomen dat zij juist zijn, is de door de verdachte beschreven gang van zaken onmogelijk of onwaarschijnlijk. Daardoor wordt in elk geval een gedeelte van de bekennende verklaring weerlegd, en komt als van nature de vraag op om welke redenen wel geloof mag worden gehecht aan de andere delen van die verklaring.

Brandon Garrett verschaft ons met zijn analyse van 40 valse bekentenissen op dit punt een duidelijke wenk:

"What do innocent suspects say when they are not prompted by the police? In most of these exonerees' cases, when given a chance to volunteer information, they got the facts totally wrong, since they did not know anything about the crime aside from what they were told. In at least 75% of these cases (thirty of forty cases), the exoneree supplied facts during interrogation that were inconsistent with the known facts in the case. These inconsistencies should have been a real warning sign that the confession could be false."(58)

6.1.6. Voor nu volstaat dat ik hierna de lezingen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] met het oog op deze argumenten tegen het licht van de onderzoeksbevindingen zal houden. Ik heb bovendien getracht het door de drie veroordeelde vrouwen beschreven delict te ontrafelen in een aantal deelaspecten die ik hieronder successievelijk zal bespreken.

6.2. De verklaringen in onderlinge samenhang bezien

6.2.1. De voorbereidende besprekingen voor de overval

In de eerste plaats wil ik wijzen op de eigenaardigheden die kleven aan de lezingen die de drie vrouwelijke veroordeelden hebben gegeven van het beramen van de overval.

[Karin N.] heeft volgehouden dat in haar bijzijn nooit is gesproken over de voorbereidingen voor de overval. Zij heeft dit ook volgehouden nadat zij haar aandeel in de overval zelf had bekend.

[Jane H.] deelde (met ingang van 26 april 1994) mede dat 2 á 3 weken voor 3 juli 1993 in de kamer van [Lucy C.] ([a-straat 1]) door haar met de drie mannen ([Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.]) en Lucy zelf is gesproken over het plan om in te breken in [de P.]. [Jenny L.] was niet aanwezig bij dit gesprek en evenmin bij deze voorbereiding betrokken, maar zij zou (aldus begreep [Jane H.]) wel op de uitkijk staan. Nadien zou andermaal in dezelfde samenstelling over de overval zijn gesproken, aldus Jane in haar verhoor van 28 april 1994.(59) Dat [Karin N.] een belangrijke bijdrage leverde aan de overval is in de lezing van [Jane H.] niet goed te begrijpen. [Karin N.]s bijdrage aan een ernstig geweldsdelict zou, aldus begrijp ik [Jane H.]s verklaring, ter plekke min of meer spontaan tot stand moeten zijn gekomen.

[Jenny L.] verklaarde met ingang van 29 april 1994 dat zij op de avond van 3 op 4 juli 1993 op de kamer van [Lucy C.] ([a-straat 1]) uitvoerig heeft gesproken over de aanstaande overval op [de P.], en wel met [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.], alsook met "Blonde Mo", alsmede ene [betrokkene 16], [Lucy C.], [Miranda H.] en [Jane H.]. In haar verklaring van 3 mei 1994 maakt [Jenny L.] eveneens melding van een overleg dat één á twee weken voor de dag van de overval had plaatsgehad op de kamer van [Lucy C.], en zulks in dezelfde samenstelling als eerder door haar genoemd alsmede (thans) tezamen met [Karin N.]. Het plan "werd door iedereen serieus opgepakt. We waren er allemaal van overtuigd dat er voldoende te halen was bij dit restaurant." Vervolgens verklaart zij:

"Uiteindelijk zijn de volgende personen serieus met de voorbereiding verder gegaan: Ikzelf, [Miranda H.], [Lucy C.], [Jane H.], [Karin], [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.]."

Begin juli 1993 heeft deze groep de laatste voorbereidingen getroffen, aldus [Jenny L.]. In het vervolg van haar 4e verklaring (van 3 mei 1994) leveren naast de bekende dadergroep ook [Lucy C.] en [Miranda H.] een bijdrage aan de uitvoering van de overval:

"Miranda en Lucie zijn toen in de richting van de [f-straat] gelopen. Aldaar zouden zij eveneens op de uitkijk gaan staan."

Natuurlijk kan men oog hebben voor de overeenkomsten in deze bekennende verklaringen, maar ervan uitgaande dat bekennende verklaringen overeenstemmen met de werkelijkheid, laten deze drie "werkelijkheden" zich beslist niet met elkaar verenigen. Waren [Jenny L.], [Karin N.], [Miranda H.] en [Lucy C.] nu wel of niet betrokken bij het beramen van de overval? [Jenny L.] en [Jane H.] hebben hierover gedetailleerd verklaard. Zo op het eerste gezicht beschikken beiden over een levendig - doch tegenstrijdig - herinneringsbeeld.

Deze tegenstrijdigheden zullen de rechercheurs ook niet zijn ontgaan. In haar verklaring van 4 mei 1994 deelt [Jenny L.] mee dat [Lucy C.] en [Miranda H.] ("een van mijn beste vriendinnen"(60)) wel bij de voorbereidingen aanwezig waren, maar op de dag van 3 juli 1993 "afhaakten". Die tournure laat zich niet goed begrijpen indien [Jenny L.] haar mededelingen heeft gedaan overeenkomstig een authentiek herinneringsbeeld. Bij haar 5e verhoor (4 mei 1994) bleef [Jenny L.] bij de als laatste beschreven samenstelling van de voorbereidende groep. Ik zet een en ander op een rijtje.

Schema 2

Het wordt nog verwarrender indien hierin wordt betrokken dat volgens [Lucy C.], [Miranda H.] en [betrokkene 14] de mannen [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.] in de periode omstreeks 3 juli 1993 nog helemaal niet langskwamen op de [a-straat 1].(61)

6.2.2. Het ophalen van [mw. M.] en de aanwezigheid van [Jenny L.]

Het ophalen van [mw. M.] is al besproken in hoofdstuk 5 en komt thans andermaal aan de orde aangezien de verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] na verloop van (in geval van [Jane H.] en [Karin N.] vele) verhoren weliswaar overeenstemden wat betreft het element van het ophalen van [mw. M.], maar niet wat betreft de locatie waar [mw. M.] is opgehaald en de wijze waarop.

Niet eerder dan met ingang van 26 april 1994 is in de verklaringen van één van de vrouwen (in casu [Jane H.]) melding gemaakt van het ophalen van [mw. M.].

[Karin N.] begon haar verklaringen omtrent het ophalen zoals gezegd met een lezing waarin [mw. M.] is opgehaald vanaf een flatwoning. In een opvolgende lezing betrof de woning echter een rijtjeswoning die zij wist te vinden, en die zij tezamen met [Jane H.] opzettelijk via een omweg (rechtsaf [f-straat] in) te voet heeft benaderd. Haar routebeschrijving vanaf de [b-straat] past zeer goed in een lezing waarin [mw. M.] is opgehaald uit de woning aan de [e-straat 1]. Het meest raadselachtige is dat [Karin N.] in haar beschrijving geen melding maakt van de aanwezigheid van [Jenny L.]. In haar 16e verklaring deelt zij mede:

"Ik ken [Jenny L.] van de tijd dat ik in het najaar van 1993 woonde op de [a-straat 1] te Breda. Ik ben er zeker van dat ik haar heb leren kennen na de datum waarop de Chinese vrouw om het leven is gebracht. (...) op 4 juli 1993 heb ik haar niet gezien. Ik kan haar op geen enkele wijze plaatsen in het hele verhaal. Zij is in elk geval niet met Jane en mij naar de woning van [C.L. M.] meegelopen. Ik had haar anders zeker moeten zien."

In de onbetrokkenheid van [Jenny L.] is [Karin N.] blijven volharden. [Jenny L.] komt in haar beschrijvingen van de hele overval opmerkelijk genoeg niet voor. Dat staat haaks op de verklaringen van [Jenny L.] zelf.

[Jane H.] beschrijft in haar verklaringen aanvankelijk een woning die zeer wel de [e-straat 1] kan hebben betroffen. Vanaf 4 mei 1994 geeft zij echter een heel andere beschrijving van het ophalen van [mw. M.]. De woning betreft dan duidelijk niet meer de [e-straat 1], maar vermoedelijk de [d-straat 1]. Bovendien is het in haar herziene lezing de persoon [Anil B.] die [mw. M.] de auto heeft ingewerkt en is het zijzelf, [Jane H.], die met de mannen en de ontvoerde [mw. M.] is meegereden.

Een dag later maakt ook [Jenny L.] melding van een andere woning dan de [e-straat 1], en wijzigt zij derhalve op dat punt haar verklaring. Weer een dag later (verklaring van 6 mei 1994) ligt het toch anders en is [mw. M.] volgens [Jenny L.] opgehaald vanaf de [e-straat], maar werd [mw. M.] als het ware gelokt naar de tweede woning ([d-straat 1]). [Mw. M.] liep naar die tweede woning toe zonder gezelschap van de vrouwen, en werd halverwege ontvoerd. Deze verklaring van [Jenny L.] betreft de enige versie waarin [mw. M.] zich in dit nachtelijk uur alleen over straat heeft begeven (doch op afstand gevolgd door de drie vrouwen). In het oog springt ook dat [Jenny L.] in haar verklaringen van 4 en 5 mei beschrijft dat zij langere tijd (tien tot twintig minuten) buiten de woning heeft moeten wachten en dat [Jane H.] en [Karin N.] de woning van [mw. M.] zijn binnengegaan. Pas in haar verklaring van 6 mei 1994 is [mw. M.] in haar lezing zonder dralen vertrokken uit haar woning (doch richting de [d-straat]).

Er is met deze verklaring van [Jenny L.] nog iets merkwaardigs aan de hand. Hierin deelt zij namelijk mede:

"Uit informatie van Jane, [Karin] en Lucie was namelijk gebleken dat aldaar op dat moment een oud Chinees vrouwtje aan het oppassen was."

Niet alleen werd deze "informatie" niet bevestigd door Jane, [Karin] en Lucy, het is simpelweg niet mogelijk dat deze informatie voorafgaande aan de bewuste nacht bekend was. De noodzaak om op te passen en daartoe te blijven slapen in de woning van haar middelste zoon kwam niet eerder op dan toen die zoon en zijn vrouw op het laatste moment besloten om de nacht toch maar in België door te brengen.(62) Hieronder zal overigens blijken dat de informatie dat [mw. M.] die nacht op het adres [e-straat 1] paste op haar kleinkinderen, was prijsgegeven in de uitzending van "Opsporing Verzocht" van 2 augustus 1993.

Meer contradicties zijn de volgende. In de lezingen van [Karin N.] en [Jenny L.] is het de persoon [Achmed L.] die [mw. M.] met geweld de auto inwerkte, in de visie van [Jane H.] betrof dat zoals gezegd [Anil B.].

Ook verschillen de bekennende verklaringen over en weer in de beschrijvingen van wie er heeft aangebeld en van de woorden waarmee [mw. M.] zou zijn meegelokt, maar hierop zal ik verder niet ingaan.

Zonder pretentie van volledigheid geef ik een aantal punten schematisch weer:

Schema 3

Schema 3

Schema 3

Toegegeven zij dat er in de lezingen van de drie vrouwen ook overeenkomsten zijn aan te wijzen. Alleen al het gegeven dat de bekennende verklaringen melding maken van het ophalen en ontvoeren van [mw. M.] lijkt op het oog overtuigend. Bedacht moet worden dat de politie reeds over een mogelijke aanwijzing beschikte dat [mw. M.] onderweg (namelijk op de [g-straat]) was ontvoerd. Hierop kom ik nog terug.

De verschillen in de door de drie vrouwen gegeven lezingen zijn echter markant. Wat betreft de locatie en de wijze van ophalen stroken ook de meer recente verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] niet met elkaar, waarbij ik nog maar eens opmerk dat in de lezing van [Karin N.] voor [Jenny L.] geen enkele rol is weggelegd.

Ik maak thans een sprongetje in de chronologie van het door de vrouwen beschreven delict. Nadat [mw. M.] zou zijn opgehaald en ontvoerd is zij op het trottoir voor [de P.] weer uit de auto gehaald. Een en ander ging gepaard met geweld, zo moeten wij begrijpen. Hierop kom ik terug in paragraaf 6.3.4. Vervolgens is [mw. M.] het restaurant in 'gewerkt'. In de keuken van het restaurant is zij (overeenkomstig de sectiebevindingen) mishandeld. Ik kom nu te spreken over gebeurtenissen in de keuken.

6.2.3. In de keuken van het restaurant en buiten op straat

De drie veroordeelde vrouwen hebben ieder na verloop van een aantal verhoren melding gemaakt van een vuurwapen. Zo heeft [Jane H.] met ingang van haar 10e verhoor (22 april 1994) verklaard over het moment waarop zij zich buiten op de stoep voor [de P.] bevond, tezamen met [Karin N.], [Achmed L.] en [Jenny L.]. [Anil B.] en [Appie T.] zijn het restaurant ingegaan met [mw. M.]. Dan vervolgt [Jane H.]:

"Plotseling hoorde ik dat de Chinese vrouw vreselijk gilde. Kort hierna hoorde ik het geluid van zeker 2 vuurwapenschoten en mogelijk 3 vuurwapenschoten. Ik kan verklaren dat het schoten van een vuurwapen waren omdat ik in pand [a-straat 1] te Breda heb gezien en gehoord dat men schoot met een "vuurwapen". Zodoende kende ik het geluid van vuurwapenschoten. Tijdens deze vuurwapenschoten hoorde ik de Chinese vrouw nog eenmaal gillen. Vervolgens hoorde ik nog het geluid alsof er iets omviel of dat er iets kapot viel. Het was een vrij hard dof geluid. Ik had de indruk dat er een zwaar voorwerp op de grond viel."

In haar 12e verhoor (26 april 1994) verklaarde [Jane H.] over dit moment:

"Ik zag dat de vrouw vervolgens met een sleutel de deur van het "afhaalgedeelte" opende. Ik zag dat Appie en Anil met de vrouw naar binnen gingen. Ik zag dat Anil de vrouw naar binnen duwde. Ik zag dat Appie daar weer achteraan liep. Ik hoorde dat Achmed in het Marokkaans iets tegen Appie zei wat ik niet kon verstaan. [Karin], Achmed, Jenny en ik zijn buiten blijven staan. [Karin], Achmed en ik stonden voor de deur van het "afhaalgedeelte". Jenny stond meer richting "[de cafetaria]". Ik hoorde op een zeker moment Appie binnen roepen: "Vertel op, vertel op". Ik hoorde de vrouw iets gillen of schreeuwen. Even hierna hoorde ik twee schoten. (...). [Karin] en ik liepen hierna naar binnen."

In een en ander volhardde zij bij de rechter-commissaris, alsook toen zij werd gehoord als getuige ter terechtzitting van het hof van 16 mei 1995.

[Karin N.] heeft met ingang van haar 12e verklaring (27 april 1994) mededelingen gedaan over een pistool. Zij beschrijft de situatie dat de drie mannen en [Jane H.] samen met [mw. M.] het restaurant zijn binnengegaan en dat zij, [Karin], alleen is achtergebleven op het trottoir voor [de P.]. [Jenny L.] komt in haar verhaal niet voor. [Karin N.] liep daarop het afhaalgedeelte van het restaurant binnen.

"Op het moment dat ik het restaurant betrad, hoorde ik een oorverdovend lawaai. Dit lawaai bestond voor mij uit het geluid van potten en pannen die op de vloer vielen, of alsof er met pannen tegen elkaar werd geslagen. Ondanks dit lawaai, hoorde ik het gillen van de Chinese vrouw, welke geluid nog boven het geluid van de potten en pannen uitkwam. Ik kan deze gillen omschrijven als pijnkreten, angstkreten en gehuil. (...). Ik nam plaats op een bank die stond in het afhaalgedeelte. Ik heb daar ongeveer 3 á 4 minuten op die bank gezeten, waarbij ik het rumoer vanuit de keuken moest aanhoren. (...). Terwijl ik nog steeds op de bank zat, hoorde ik in de keuken plotseling 2 keer kort achter elkaar het geluid van een schot uit een vuurwapen. (...). Ik wilde meteen weg uit het restaurant, ben van de bank opgestapt en liep door de deur, waarlangs ik naar binnen was gegaan, weer naar buiten. Terwijl ik het restaurant uitliep, direct nadat ik die schoten had gehoord, hield het gegil van de Chinese vrouw op, en hoorde ik slechts nog één keer het geluid van een pan die op de vloer viel. Hierna werd het muisstil in de keuken."

In haar 14e verklaring (28 april 1994) ging het echter enigszins anders:

"Terwijl ik in het Chinese restaurant op de bank zat, hoorde ik 2 schoten, naar mijn idee afkomstig uit een vuurwapen. Het is niet zo dat het toen stil werd in de keuken. Integendeel, ik hoorde nog steeds dat er veel lawaai uit de keuken kwam, veroorzaakt door het gegil en gekrijs van de Chinese vrouw en het geluid van pannen die op de grond vielen. Naar aanleiding van het feit dat ik die 2 schoten had gehoord, stond ik op vanaf de bank en liep door het magazijn naar de keuken. Ik wist dat zich daar op dat moment [Jane H.], en de 3 eerdergenoemde jongens en de Chinese vrouw bevonden. Ik liep door de keukendeur de keuken binnen. Op dat moment zag ik dat de Chinese vrouw, gezien vanuit mijn plaats in de keuken, achter de grote keukentafel op de grond lag. Ik ben voor de tafel rechtsaf de keuken ingelopen, tot aan het einde van de tafel.

Ten slotte [Jenny L.]. In haar 4e verklaring als verdachte (3 mei 1994) beschrijft zij de "beestachtige" mishandeling van [mw. M.] op het trottoir voor [de P.]. De drie mannen hebben vervolgens [mw. M.] het restaurant ingeduwd. Zij vervolgt:

"Eenmaal in het restaurant "[de P.]" ben ik ze uit het oog verloren. Ik ben toen gewoon op de uitkijk blijven staan. Lucie en Miranda stonden eveneens op de afgesproken plek. Jane en [Karin] liepen wat heen en weer over de [b-straat] ter hoogte van het restaurant. Afgezien van de jongens en het vrouwtje heb ik niemand naar binnen zien gaan in het restaurant.

Na ongeveer een half uur kwam Achmed, Anil en [Appie] naar buiten gerend. Ze waren zichtbaar opgewonden. Met een 'bloedgang' zijn ze vervolgens in de donkerkleurige auto gestapt."

[Jenny L.] maakt hierin geen melding van het geluid van schoten en evenmin van het betreden van het restaurant door [Karin N.] en [Jane H.]. In de 5e verklaring (4 mei 1994) komen [Miranda H.] en [Lucy C.] niet meer voor in haar verslag van de uitvoering van de overval. [Jenny L.] vervolgt:

"Vervolgens hebben Achmed, Anil en [Appie] de vrouw mee naar binnen genomen. Ik ben voor snackbar "[de cafetaria]" op de uitkijk gaan staan. De jongens zijn ongeveer een half uur binnen in het restaurant geweest. Ik wist dat ze daar op zoek waren naar geld en kostbare goederen. Ik heb in die tijd niets opvallends gezien of gehoord. Ik heb er verder niemand naar binnen zien gaan. Jane en [Karin] hielden zich eveneens in de omgeving van het restaurant op. Na ongeveer een half uur kwamen de jongens weer naar buiten."

Ook in haar 7e verklaring (5 mei 1994) blijft ze bij deze lezing, en zij voegt daaraan toe:

"Ik heb op het moment dat ik op de uitkijk stond en alert was geen schoten gehoord. (...). Ik heb al die tijd buiten bij [de cafetaria] onder de luifel op de uitkijk gestaan. Toen de jongens vertrokken ben ik ook in de auto gestapt."

In haar 8e verklaring (6 mei 1994) deelt zij nog mede:

"Vervolgens zijn de jongens met de Chinese vrouw naar binnen gegaan. (...). Ik ben op de uitkijk gaan staan bij "[de cafetaria]". Ik ben niet binnen geweest. Ik weet niet of [Karin] en Jane het restaurant zijn binnen gegaan. Ik heb dit in elk geval niet gezien."

De tegenstrijdigheden kunnen in een schematisch overzicht tot uitdrukking worden gebracht:

Schema 4

Nog meer dan in dit globale schema worden de opvallende verschillen m.i. echter zichtbaar in de weergegeven citaten.

6.2.4. De doodsoorzaak

Over de doodsoorzaak van [mw. M.] is door [Jenny L.] niet verklaard, want zij heeft in haar eigen lezing de keuken niet betreden.

[Jane H.] heeft in haar 12e verklaring (26 april 1994) het volgende medegedeeld:

"Ik zag in de keuken de vrouw op de grond liggen tussen een tafel en een soort aanrecht. Ik zag dat zij half onder de tafel lag. Ik zag dat Anil vlak bij de vrouw stond en dat Appie aan haar hoofdzijde wat heen en weer liep. Ik zag dat Anil de vrouw, terwijl zij op de grond lag, schopte en trapte. Ik zag dat Appie een pistool in zijn hand had. Ik zag dat Anil de vrouw vast pakte bij haar nek. Ik zag dat hij haar de keel dicht kneep. Ik zag dat Appie op dat moment weg liep in de richting van de deur. (...). Appie zei nog tegen Anil iets van: "ik ga iets pakken". Ik zag dat Appie de keuken uitging. Kort hierna riep Appie: "Anil schiet op, ik heb het al." Ik zei tegen Anil: "als je hebt wat je hebben moet, ga dan weg en laat haar leven." Ik hoorde dat Anil hierop antwoordde: "Ze heeft mij gezien.""

Deze lezing van [Jane H.] strookt met de bevindingen van de patholoog-anatoom. Zoals eerder aangegeven is [mw. M.] vermoedelijk ernstig mishandeld voorafgaande aan een verwurging.

[Karin N.] geeft echter een andere lezing. In haar 14e verklaring (28 april 1994) geeft [Karin N.] te kennen:

"Ik zag vervolgens dat "Appie" de Chinese vrouw, die nog steeds op haar rug lag te spartelen, met beide handen beetpakte, waarbij hij zijn handen onder het hoofd rond de hals sloot. Ik zag dat hij zijn handen iets dichtkneep en dat hij de vrouw vanaf de vloer omhoog trok. Ik zag dat hij haar zover omhoog trok, totdat zij geknield op de keukenvloer kwam te zitten. Vervolgens zag ik dat "Appie" de vrouw, met zijn beide handen nog steeds rond haar keel geklemd, een stuk voor zich uit trok, tot aan het einde van de tafel. (...). Ik zag dat "Appie" hierop, terwijl hij inmiddels met de vrouw aan het einde van de tafel was gekomen, zijn handen rond haar hals weghaalde. Ik zag dat de Chinese vrouw heel even geknield op de keukenvloer zat. Ik zag dat zij op dat moment met de rug naar de drie jongens gekeerd zat. (...). Hierna zag ik dat "Appie" de vrouw met zichtbaar veel kracht, met één van zijn geschoeide voeten, hard in haar rug trapte, waarbij hij het lichaam aan de achterzijde met zijn schoenzool raakte. Ik zag dat de vrouw als gevolg van de trap in haar rug, met kracht tegen de keukenvloer smakte, waarbij zij met haar aangezicht op de vloer terecht kwam. Ik zag dat de vrouw nagenoeg niet meer bewoog. Ik zag dat "Appie, Anil en Achmed de Chinese vrouw beetpakten en haar omdraaiden, zodat ze met haar rug op de keukenvloer kwam te liggen, dit ondanks het feit dat zij nauwelijks meer bewoog. (...). Ik zag dat Achmed een pan in zijn handen had. Met deze pan, bedoel ik de wadjang, die voorzien was van een lange steel. Ik heb eerder verklaard over deze pan. Dit was de pan die ik naast het hoofd van de Chinese vrouw had zien liggen. (...). Ik zag dat Achmed de pan met beide handen bij de steel vastpakte. Ik zag dat hij voor het lichaam van de Chinese vrouw ging staan, die nog steeds op haar rug op de vloer lag. (...). Ik zag vervolgens dat Achmed de pan met beide handen hoog boven zijn hoofd hief en vervolgens met een krachtige zwaaibeweging de pan neerwaarts liet gaan. Ik zag en hoorde dat de pan, door de handeling van Achmed, de vrouw met kracht op het hoofd raakte. Ik zag dat Achmed na de klap de pan uit zijn handen liet vallen. Ik zag dat de vrouw na de laatste klap totaal bewegingsloos op de vloer bleef liggen. Hierna zag ik dat "Appie" wat speeksel ophaalde, een keer rochelde en heel minderwaardig een speeksel op het lichaam van de Chinese vrouw spuwde. (...)."

De rechter-commissaris heeft [Karin N.] op 30 mei 1994 gehoord en bij die gelegenheid is zij - globaal - bij deze verklaring gebleven:

"Tussendoor heeft Appie [mw. M.] bij haar keel gepakt en haar op die manier omhoog getild; ze verzette zich en spartelde en Appie kneep haar keel dicht. [Mw. M.] maakte daarbij geen rochelend geluid. Niemand anders heeft [mw. M.] bij de keel gegrepen. Toen Appie [mw. M.] losliet, probeerde ze weg te kruipen en terwijl ze op haar knieën zat, met haar rug naar de jongens toe, heeft een van hen haar een forse trap in haar rug gegeven, waardoor ze met haar gezicht op de grond viel. Terwijl ze daar lag heeft Ahmed met de pan, die hij al die tijd in zijn handen had, een soort wok, op haar achterhoofd geslagen. Daarna bewoog [mw. M.] niet meer. Ahmed gooide die wok op de grond en ik zag dat de vloer vol pannen lag en bloed, het was een zooitje. Appie heeft toen [mw. M.] omgedraaid, zodat ze op haar rug kwam te liggen. Anil heeft toen "opgehaald" en op haar gespuugd, ik weet dat voor 100% zeker."

Niet alleen stemt deze beschrijving niet overeen met de lezing van [Jane H.], zij strookt evenmin met de sectiebevindingen. In de lezing van [Karin N.] heeft [mw. M.] niet het leven gelaten door de verwurging, maar door de harde klap met een wadjang, die daarna op de grond viel. Deze kwestie komt nog ter sprake in hoofdstuk 8, waarin ik melding maak van de geruchten die over het overlijden van [mw. M.] de ronde deden. Op de wadjang kom ik terug in 6.3.6.

6.2.5. Het spugen

In 5.2.5 kwam de verklaring van [Jane H.] aan de orde, waarin zij heeft beschreven dat [Anil B.] op [mw. M.] heeft gespuugd. [Jane H.] heeft daarover (voor zover ik heb kunnen nagaan) niet eerder verklaard dan op de terechtzitting van het gerechtshof van 16 mei 1995. De vraag die haar ter terechtzitting werd gesteld had een aanleiding. [Karin N.] had namelijk over het bespugen van [mw. M.] gesproken. Die citaten heb ik hiervoor al aangehaald. In haar 14e verklaring heeft [Karin N.] beschreven hoe [Appie T.] zich bezondigde aan deze handeling. Bij de rechter-commissaris schrijft zij het spugen toe aan [Anil B.]. Ter zitting van het hof op 16 mei 1995 is zij daarover onzeker: "volgens mij door Appie."

Ik rond af met deze inconsistentie, die ik dan weer niet exemplarisch acht voor uitsluitend de hypothese dat het spugen een verzinsel is. Dat met name [Karin N.] haar verklaringen tweemaal bijstelt voor wat betreft de persoon die zich hieraan schuldig heeft gemaakt, laat zich immers ook begrijpen als een vergissing.

6.3. De bekennende verklaringen afgezet tegen externe informatie

6.3.1. Over de verklaringen van [Lucy C.] en [Miranda H.] en over de vraag wanneer 'de jongens' voor het eerst [a-straat 1] bezochten

Aangezien [Lucy C.] en [Miranda H.] in enkele van de bekennende verklaringen zijn genoemd als deelnemers aan de voorbereidingen, en zelfs aan de uitvoering van het delict, bespreek ik allereerst de verklaringen van [Lucy C.] en [Miranda H.]. Overigens zijn geen van beiden ooit gedagvaard ter zake van de moord op [mw. M.].

[Lucy C.] (destijds 20 jaar oud) is als getuige twee keer en als verdachte acht keer gehoord. Over haar persoonlijke omstandigheden heeft zij verklaard dat zij na haar verblijf in opvangtehuizen kwam te wonen in een kamer op (een wooncomplexje aan) de [a-straat 1]. [Lucy C.] had [Karin N.] leren kennen via (opvangtehuis) [het opvangtehuis]. Zij hadden samen in een leefgroep gezeten. Daar zij later dicht bij elkaar kwamen te wonen en een goede band hadden, gingen zij regelmatig met elkaar om. [Karin N.] heeft vaak gelogeerd bij [Lucy C.] op de [a-straat 1].(63)

[Lucy C.] heeft in haar verklaringen gesproken over de andere bewoners en de bezoekers van [a-straat 1]. Zij heeft naar haar zeggen een keer waargenomen dat [Jane H.] werd bedreigd door [Achmed L.], en dit met woorden van de strekking: "o wee als jij dingen over mij vertelt tegen de politie die niet waar zijn!"(64)

Over [Jane H.] heeft zij verklaard:

"Op zondagavond 4 juli 1993, kwam Jane naar mijn huis aan de [a-straat 1] te Breda. Zij vertelde mij dat zij naar het politiebureau moest, omdat zij kroongetuige was in een moordzaak van een Chinese vrouw.

Zij vertelde aan mij dat zij 3 mannen had zien staan, waarvan 1 een opvallend rood T-shirt. Ik vroeg toen of zij kon zien wie het waren, waarop zij ontkennend antwoordde. Zij zei ook nog dat zij een rode auto had gezien. Over merk of type heeft zij niets gezegd.

Die avond heb ik [Karin] gesproken. [Karin] vertelde mij dat het verhaal dat Jane vertelde niet klopte. Jane vertelde mij dat [Karin] erg dronken was die nacht. [Karin] zei tegen mij dat zij niet dronken was en niets gezien had.

Alvorens dat [Karin] en Jane naar de [b-straat] waren gegaan had [Karin] namelijk overgegeven. 's Avonds ben ik gewoon naar bed gegaan. Er was toen niemand anders in huis. Ik geloofde het verhaal niet, daar Jane nogal eens een leugen vertelde en ik vond het raar dat [Karin] niets gezien had en zich daar niets meer van kon herinneren."(65)

Bij gelegenheid van haar 7e verhoor ( 2 mei 1994) verklaarde [Lucy C.]:

"Ik blijf bij mijn afgelegde verklaringen dat ik nooit eerder dan een dag na de moord op die vrouw ervan had gehoord. Als Jane of [Karin] verklaren dat ik van de op handen zijnde inbraak op de hoogte moest zijn geweest dan liegen zij dit of vergissen zij zich. Als Miranda verklaart dat zij getuige is geweest van een bedreiging met de dood door Achmed ten opzichte van mij dan liegt zij dit. Ik ben nog nooit, door zowel Appie, Anil of Achmed, op enige manier bedreigd. (...).

Volgens mij halen [Karin] en Jane alles door elkaar. Ik heb op generlei wijze iets te maken met de moord op de Chinese vrouw uit de [b-straat] en ik heb haar nog nooit gezien of ontmoet."(66)

Ten slotte nog een belangrijke kwestie. [Lucy C.] is met ingang van haar 2e verhoor (14 april 1994) stellig in haar uitlating dat [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.] op of omstreeks 3 juli 1993 - nog - niet op de [a-straat 1] kwamen. Hun bezoeken vonden volgens haar niet eerder plaats dan eind juli of begin augustus 1993:

"Ik kende deze drie Marokkaanse jongens (op 3 juli 1993, D.A.) nog niet eens."(67)

[Miranda H.], tijdens de verhoren 19 jaar oud, heeft enige tijd gewoond op de [a-straat 1]. Daar was zij komen te wonen na haar verblijf in en begeleiding door het gezinsvervangend tehuis "[het opvangtehuis]". [Lucy C.] was naar haar zeggen een van haar beste vriendinnen. [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] kende zij. [Miranda H.] heeft tegenover de politie verklaard geen enkele betrokkenheid te hebben gehad bij de voorbereidingen of de uitvoering van de moord op [mw. M.]. Wel had zij bepaalde vermoedens, die voortkwamen uit terloopse gesprekken die zij had opgevangen in het wooncomplex aan de [a-straat 1]. Uit haar ervaringen met inbraken concludeerde zij dat [Karin] en Jane op de uitkijk hadden gestaan. [Anil B.] had volgens haar "ook iets met de moord te maken", omdat hij opvallend graag naar de aflevering van "Opsporing Verzocht" wilde kijken waarin de moord op [mw. M.] aan de orde kwam. Bovendien was zij wel eens bedreigd door [Anil B.] en [Achmed L.], omdat zij te veel zou weten.(68)

Zij is naar haar zeggen getuige geweest van een bedreiging van [Lucy C.] door [Achmed L.]. "[Achmed L.] heeft toen nadrukkelijk gezegd dat Lucy haar mond dicht moest houden over de moord."(69)

Ter terechtzitting van het hof van 16 mei 1995 heeft [Miranda H.] het volgende verklaard:

"Ik ben er niet van op de hoogte wie de daders van de moord op [mw. M.] zijn geweest. Ik weet dat het verhaal is rondgegaan dat ik dit zou weten. De politie heeft dit ook onderzocht. Het is niet waar. Er heeft nooit iemand tegen mij bekend dat hij of zij de dader was. Ik heb ook nooit iemand ontmoet die zei dat hij wist wie de dader was.

Ik woonde sinds mei 1993 op de [a-straat 1]. [Anil B.] kwam daar sinds eind juli 1993. Ik weet niet waarom hij daar kwam. Ook [Appie T.] en [Achmed L.] kwamen sedert die tijd daar voor het eerst. Ik had sinds eind augustus/begin september 1993 een relatie met [Anil B.]. Het is juist dat ik destijds heb gehoord dat [Jane H.] een verkeerde getuige-verklaring had afgelegd in deze zaak. Ik heb dat toen alleen gehoord, meer niet.

Ik ben zelf ook bedreigd in verband met de moord op [mw. M.]. Ik kan mij niet meer herinneren of [Achmed L.] [Lucy C.] heeft bedreigd met een wapen. Er wordt mij voorgehouden dat ik dit bij de politie heb verklaard (...). Als ik dit heb verklaard, dan klopt dat."

[Miranda H.]'s mededeling dat [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.] niet eerder dan eind juli 1993 voor het eerst [a-straat 1] bezochten is niet met zoveel woorden terug te vinden in de processen-verbaal van haar politieverklaringen. [Lucy C.] en [Miranda H.] zijn op dit punt gelijkgestemd.

Eveneens gelijkluidend heeft [betrokkene 14] verklaard, eigenaar van een shoarmazaak op [de k-straat] te Breda:

"Appie wist waar [Lucy C.] woonde omdat ik hem één keer met een bestelling had meegenomen naar de [a-straat 1] in Breda. Ik kan u niet de exacte datum geven wanneer dit was. Ik weet zeker dat dit tijdstip na de moord is geweest."(70)

Deze verklaringen laten zich niet rijmen met de bekentenissen. In de lezing van [Lucy C.], [Miranda H.] en [betrokkene 14] kenden de veroordeelde vrouwen enerzijds en de veroordeelde mannen anderzijds elkaar nog niet op 3 juli 1993, althans heeft de beraming van de overval niet plaats kunnen hebben op [a-straat 1].(71)

6.3.2. De voorfase

Zoals hierboven naar voren is gekomen is er een element in de beschreven toedracht waaromtrent de bekennende verklaringen na verloop van enkele verhoren overeenstemden, namelijk dat [Jane H.] en [Karin N.] veel later dan afgesproken die nacht op de [b-straat] zijn gearriveerd. De afspraak was dat het gezelschap elkaar rond 02.00 uur 's nachts bij het restaurant zou treffen, maar [Jane H.] en [Karin N.] arriveerden (naar eigen zeggen) pas omstreeks 4.15 - 4.30 uur ter plaatse. [Jenny L.] meent (overigens pas in haar 5e verklaring(72)) dat de verlate aankomst van [Jane H.] en [Karin N.] op een iets eerder moment was gelegen, namelijk om ongeveer 4.00 uur. [Jenny L.] verklaarde over de periode voorafgaande aan dat tijdstip:

"We hebben toen ruim anderhalf tot twee uur gewacht op Jane en [Karin]."

Kortom, volgens de bekennende verklaringen hebben drie mannen en een vrouw in of naast een auto met ontstoken lichten staan wachten bij het restaurant de "[de P.]". Op zichzelf al merkwaardig dat overvallers zo lang voor hun doelwit zouden hebben staan wachten, maar indien juist zou dat iemand kunnen zijn opgevallen. Het dossier maakt daarvan geen melding. Een bevestiging van deze gang van zaken ontbreekt derhalve.

Zoals de ervaring leert, zijn echter niet alle resultaten van het opsporingsonderzoek gevoegd in het dossier dat aan justitie is overgedragen. Op zichzelf is dat niet onbegrijpelijk. De rechter hoeft (m.i.) niet te worden lastig gevallen met bijvoorbeeld de verlofbriefjes van de rechercheurs en met de mededelingen van een paragnost.(73) Niettemin is het evaluatieteam gebleken dat in het justitiedossier ten onrechte niet alle relevante processen-verbaal zijn opgenomen. Hierop kom ik terug in 8.6.2.

6.3.3. De verklaringen van [betrokkene 1]

[Betrokkene 1] en haar man(74) woonden op de [g-straat 1]. Deze straat, die noord-zuid is georiënteerd, heeft de woningen met even nummers aan de westzijde. Het zuideinde van de [g-straat] staat haaks op de [f-straat], en het noordeinde op de [l-straat]. De [g-straat] loopt evenwijdig aan de oostelijker gelegen [e-straat] en aan de westelijker gelegen [j-straat].

De door [betrokkene 1] afgelegde verklaring van 5 augustus 1993 is door het tweede politieteam (volgens het stamproces-verbaal p. 12) verstaan als een "bevestiging" van hetgeen de veroordeelde vrouwen hebben verklaard over de ontvoering van [mw. M.].

Eerst de verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik wens een verklaring af te leggen over een voorval dat heeft plaatsgevonden in nacht van 3 op 4 juli 1993. Het tijdstip moet tussen 3.15 uur en 3.30 uur zijn geweest. Ik ben hier erg zeker van. (...). Ik stond op dit vroege tijdstip in mijn keuken. (...). Ik wilde juist naar bed gaan en stond nog even in de keuken om de verlichting uit te doen. (...). Ik stond met mijn gezicht naar de voordeur toe. Het licht in de hal was uit. Ik keek de hal in en zag door de ruitjes van mijn voordeur een klein persoon voorbij lopen. (...). Ik herkende in deze schim de persoon van [mw. M.], welke later vermoord is gevonden. [Mw. M.] kwam gelopen uit de richting van de [f-straat] en ze liep in de richting van de [l-straat]. (...). Ik heb deze mevrouw erg vaak aan onze voordeur voorbij zien komen. Ik was daarom zeker dat zij het geweest moest zijn. (...). Ik liep vervolgens mijn huiskamer in om door het voorraam te kijken of het inderdaad [mw. M.] was. Ik was namelijk erg verbaasd dat deze mevrouw rond dit tijdstip nog op straat rond liep. (...). Op het moment dat ik de kamer in liep en midden in mijn kamer stond, hoorde ik angstaanjagend gegil. Ik mag niet de vergelijking maken maar ik zou het kattengekrijs kunnen noemen. (...). Ik kreeg het gevoel dat er meerdere personen in een worsteling waren gewikkeld dit mede omdat ik gestommel hoorde. Voor mijn gevoel had iemand het erg benauwd of schrok iemand erg. Dit klonk voor mij duidelijk uit het gekrijs en gegil. Ik had het gevoel dat het gekrijs afkomstig was van [mw. M.] maar ik hoorde ook meerdere mannenstemmen. Het gegil en gekrijs was in het Chinees. Ik ben daar heel zeker van omdat ik namelijk ook bij de begrafenis van [mw. M.] ben geweest en het toen voor mij onomstotelijk vast stond dat het Chinees betrof. Ik ben ook zeker van de Chinese mannenstemmen daarover bestaat voor mij geen twijfel. Het gegil en het geluid van de worsteling duurde erg kort maar het was beangstigend hevig. Na enkele seconden was het op slag stil. Je kon niets meer horen. (...). Even later, of dit seconden of minuten is geweest dat weet ik niet meer, hoorde ik meerdere portieren van een auto dichtslaan. Dit geluid kwam uit de richting vanwaar het gegil was gekomen. Ik heb vervolgens nog even staan luisteren maar ik heb geen auto meer weg horen rijden."(75)

Bij verklaring van 7 april 1994 voegde [betrokkene 1] hieraan toe:

"Toen ik "de film nog eens terug draaide", herinnerde ik mezelf dat ik nog op de klok gekeken heb. Dit was het moment dat ik in mijn verklaring spreek over "het gegil". Ik dacht toen nog dat er gevochten werd. De klok gaf toen 3.40 uur aan."(76)

Allereerst is het uiteraard nog maar de vraag of de door [betrokkene 1] bedoelde schim werkelijk [mw. M.] betrof. De door haar bedoelde ruitjes in de voordeur betreffen namelijk geen transparant glas.(77) Wat daarvan ook zij, laten we inderdaad aannemen dat [betrokkene 1] die bewuste nacht heeft waargenomen dat [mw. M.] haar woning van rechts naar links passeerde en vervolgens (ongeveer ter hoogte van Andreasstraat nr. 44) is overweldigd en in een auto gewerkt. Dat is van belang, want aan deze getuigenverklaring heeft de politie de hypothese ontleend dat [mw. M.] halverwege de [g-straat] is ontvoerd. Die hypothese is later "bevestigd" door de bekennende verklaringen van de drie vrouwen. Aantekening verdient dus dat de rechercheurs op de hoogte waren van dit scenario van ontvoering toen zij de drie vrouwen verhoorden.

Kennelijk zagen de rechercheurs in dat het tijdstip waarvan [betrokkene 1] in haar eerste verklaring melding maakte ("ergens tussen 3.15 uur en 3.30 uur") niet spoorde met de tijdslijn in de bekennende verklaringen. Waarschijnlijk is [betrokkene 1] om die reden andermaal gevraagd naar dit tijdstip. Zij vermeldde acht maanden later het tijdstip van precies 3.40 uur. Wat er ook zij van de betrouwbaarheid van een dergelijke herinnering, [betrokkene 1] heeft zich in elk geval niet alsnog geconformeerd aan de lezingen van de drie bekennende verdachten. De getuigenverklaring van [betrokkene 1] laat zich namelijk niet verenigen met de bekennende verklaringen, en dit op meer punten dan alleen het tijdstip.

In de eerste plaats moet wat betreft het "ophalen" van [mw. M.] geheel voorbij worden gegaan aan de verklaringen van [Karin N.]. In haar versies van het ophalen is [mw. M.] namelijk niet op de [g-straat] geweest en is zij op een locatie gelegen tussen de [e-straat 1] en [de P.] in de auto geduwd (om er vervolgens slechts 30 meter verder weer uit te worden gehaald).

Laten we enkele van de resterende versies langslopen. In de tweede versie die [Jane H.] over het ophalen en ontvoeren van [mw. M.] heeft ontvouwd, is [mw. M.] opgehaald uit een woning (vermoedelijk) aan de [d-straat] ("Jenny heeft in die straat aangebeld op nummer 16 of 18"). Deze versie beschrijft zij in haar 14e verklaring (4 mei 1994) en in haar 15e verklaring (6 mei 1994).(78) Bij het laatstbedoelde verhoor deelde [Jane H.] vervolgens mee:

"Nu u samen met mij in de omgeving van [de P.] heeft rondgereden herinner ik mij dat toen wij bij [de P.] weggingen om de Chinese vrouw te halen wij de [f-straat] zijn overgestoken. Hierna zijn wij een padje tussen woningen ingelopen. Daarna is er ergens bij een woning aangebeld en werd er geopend door de Chinese vrouw. Toen u mij door de [j-straat] reed kwam die straat mij bekend voor. Deze straat zijn wij samen met de Chinese vrouw ingelopen tot aan de garageboxen. Daar zijn wij een pad ingegaan. Toen wij dat pad uitkwamen stond de auto met de jongens aan de overkant van de weg, met de voorzijde richting [f-straat]. Daar is de Chinese vrouw in de auto gedwongen. Hierna is de auto met daarin de jongens, de Chinese vrouw en mij, rechtover de [f-straat] overgestoken en een steeg ingedraaid welke tussen [de P.] en [de cafetaria] uitkomt."

Ik bespeur enkele cruciale tegenstrijdigheden tussen deze tweede door [Jane H.] beschreven versie en de waarnemingen van [betrokkene 1].

In de eerste plaats werd [mw. M.], volgens [Jane H.], opgehaald vanuit haar woning aan de [d-straat 1] en liep zij tezamen met de drie vrouwen richting [de P.]. [Betrokkene 1] heeft (de schim van) [mw. M.] echter niet in het gezelschap van drie vrouwen zien passeren. [Mw. M.] liep volgens haar uitdrukkelijk alleen.

In de tweede plaats zou [mw. M.] bij juistheid van de lezing van [Jane H.] voor de kijker van links naar rechts de woning van [betrokkene 1] hebben gepasseerd, en dus niet van rechts naar links, zoals beschreven door [betrokkene 1] ("uit de richting van de [f-straat] en ze liep in de richting van de [l-straat]").

In de derde plaats liep [mw. M.] in de lezing van [Jane H.] niet door de [g-straat], maar door de (daaraan evenwijdige) [j-straat], om pas op het laatste moment ("tot aan de garageboxen") het steegje achter de flats van de [f-straat] in te slaan. Niet eerder dan op dat moment arriveerde [mw. M.] op de [g-straat]. Dat is (in de richting van de [f-straat]) reeds voorbij de woning van [betrokkene 1].

Wellicht zou mij kunnen worden tegengeworpen dat [Jane H.] zich dan moet hebben vergist, want zij kende die buurt kennelijk niet heel goed en die straten lijken op elkaar. Inderdaad, die straten lijken enigszins op elkaar, en bovendien ligt niet alleen tussen de [j-straat] en de [g-straat], maar ook tussen de [g-straat] en de [e-straat] achter de flats van de [f-straat] een smal steegje. Doch, indien [Jane H.] zich heeft vergist strookt het vervolg van haar versie niet meer met haar beschrijving dat de auto "rechtover de [f-straat] (is) overgestoken en een steeg (is) ingedraaid welke tussen [de P.] en [de cafetaria] uitkomt." Indien zij niet over de [j-straat], maar (in gezelschap van drie vrouwen) over de [g-straat] zou hebben gelopen en het steegje tussen de [g-straat] en [e-straat] zou zijn ingeslagen, stond het voertuig van de mannen reeds op de [e-straat] en die hoefde daarmee niet de bedoelde steeg tussen de [h-straat] en de [b-straat] "in te draaien". Dan zou zij zich op dit punt óók moeten hebben vergist.

In de vierde plaats was [betrokkene 1] zeker van het beluisteren van Chinese mannenstemmen. Tot het door [Jane H.] omschreven groepje behoort geen Chinees.

In de vijfde plaats was [betrokkene 1] "erg zeker" van het tijdstip waarop het voorval plaatsvond: tussen 3.15 - 3.30 uur, respectievelijk 3.40 uur. [Jenny L.], [Karin N.] en [Jane H.] zijn het over weinig eens, maar wel over het tijdstip waarop de overval min of meer een aanvang nam, en dat is ongeveer een uur later dan het tijdstip waarover [betrokkene 1] sprak.

Wellicht moet dan geloof worden gehecht aan de derde versie die [Jenny L.] heeft gegeven van het ophalen en ontvoeren van [mw. M.].(79) Deze versie is door haar omschreven in haar 7e verklaring (5 mei 1994), waarin zij de woning van [mw. M.] ([d-straat 1]) herkende aan de overhangende boom. In deze versie echter zijn de drie vrouwen met [mw. M.] "meteen de hoek omgegaan richting [f-straat]." Dat betreft dus wederom de [j-straat] en niet de [g-straat]. Van tussenliggende steegjes is door [Jenny L.] niet gerept. De ontvoering vond plaats op deze straat (de [j-straat]), namelijk toen [mw. M.] zich begon te verzetten. Aan deze derde door [Jenny L.] gegeven versie van het ophalen van [mw. M.] kleven ook overigens dezelfde bezwaren als tegen de tweede versie van [Jane H.], met dien verstande dat in de versie van [Jenny L.] zij de auto uit het oog verloor toen die linksaf de [f-straat] opreed (en dus niet rechtdoor zoals [Jane H.] beschreef).

Misschien kan uitsluitend geloof worden gehecht aan de vierde versie die [Jenny L.] in haar 8ste politieverklaring verhaalt, en dit (dus) onder voorbijgaan aan de eerder door [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] zelf gegeven beschrijvingen van het "ophalen". Deze vierde versie is de enige van de door de vrouwen geschilderde versies waarin [mw. M.] zonder begeleiding van anderen in haar woonwijk op pad is gegaan.

In haar 8ste verklaring (6 mei 1994) doet [Jenny L.] verslag van een ontvoering van [mw. M.], die (inderdaad) halverwege de [g-straat] heeft plaatsgevonden, althans volgens het door [Jenny L.] geaccordeerde kaartje dat als bijlage is gevoegd bij het betreffende proces-verbaal. [Jenny L.] verklaarde hierover verder:

"Direct daarna kwam ze [[mw. M.], D.A.] weer naar buiten [uit de woning aan de [e-straat 1], D.A.]. Ze is toen alleen in de richting van het tweede huis gelopen [[d-straat 1], D.A.]. (...). Vanuit haar woning stak ze schuin naar rechts de straat over. Vervolgens is zij via een zijstraatje in de richting van het tweede huis gelopen. Wij volgden de vrouw ongemerkt op een afstand van tien á vijftien meter. (...). Op deze tekening is de lokatie van de auto van de jongens aangegeven. Aldaar is de oude Chinese vrouw met kracht in de auto van de jongens 'gewerkt'. Dit ging vrij hardhandig. (...). Jane, [Karin] en ik zelf hebben eveneens hierbij geholpen. Wij hebben de vrouw alleen geduwd. (...). Jane is toen samen met de jongens en de oude vrouw in de auto gaan zitten. (...). Ze zijn toen met de auto in de richting van het restaurant "[de P.]" gereden."

Op het kaartje is behalve de looproute ook de rijrichting van de auto ingetekend, en dat is zuidwaarts richting de [f-straat].

Ik ontwaar (andermaal) cruciale tegenstrijdigheden tussen enerzijds de vierde versie van [Jenny L.] en anderzijds de beschrijving die [betrokkene 1] heeft gegeven.

De eerste twee contradicties: indien deze versie van [Jenny L.] correspondeert met de werkelijkheid, zou [betrokkene 1] niet alleen [mw. M.] moeten hebben zien lopen, maar kort daarna (toen zij in haar woonkamer stond) drie vrouwen moeten hebben zien passeren. Vervolgens had zij (na het gegil) een auto van links naar rechts over de [g-straat] moeten hebben zien c.q. horen rijden. Maar van een en ander heeft zij juist waargenomen dat het niet plaatsvond.(80)

In de derde plaats: indien de verklaring van [Jenny L.] voor juist wordt gehouden, is [mw. M.] (en zijn de drie vrouwen) helemaal niet langs het huis van [betrokkene 1] gelopen. [Mw. M.] ging immers vanuit de [e-straat 1] schuin naar rechts en pakte het eerste zijstraatje richting de [g-straat]. De locatie waar zij in dat geval de [g-straat] moet hebben bereikt is al voorbij de woning van [betrokkene 1]. Ook de op het kaartje ingetekende looproute brengt [mw. M.] niet langs [g-straat 1].(81)

De vierde en het vijfde discrepantie betreffen wederom de Chinese mannenstemmen waarvan [betrokkene 1] gewag maakt en het verschil in tijdstippen die worden genoemd door [betrokkene 1] enerzijds en [Jenny L.] anderzijds.

Het tweede onderzoeksteam heeft de verklaring van [betrokkene 1] aangemerkt als een bevestiging van de bekennende verklaringen. Om die reden stond ik langer stil bij deze verklaring. Het bestempelen van de verklaring van [betrokkene 1] als een bevestiging van de bekennende verklaringen kan echter uitsluitend bij een zeer selectieve lezing van zowel het een als het ander. Aangenomen dat [betrokkene 1] daadwerkelijk de schim van [mw. M.] heeft waargenomen, kunnen haar mededelingen m.i. niet worden geïnterpreteerd als een bevestiging maar slechts als een weerlegging van de bekentenissen. En dan nog rijst de vraag hoe die 8ste verklaring van [Jenny L.] tot stand is gekomen. Het betrof immers al haar vierde versie van het ophalen van [mw. M.].

6.3.4. Op het trottoir voor [de P.]

Het ophalen van [mw. M.] is hierboven uitvoerig aan de orde gekomen, vanwege de tegenstrijdigheden binnen de verklaringen van ieder van de drie veroordeelde vrouwen afzonderlijk (hoofdstuk 5), vanwege de tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de drie vrouwen onderling (zie 6.2), en vanwege de tegenstrijdigheden met hetgeen door [betrokkene 1] is waargenomen (zie 6.3.3).

Thans kom ik te spreken over het moment waarop de door [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.] gebruikte auto arriveerde op het trottoir van [de P.] na het ophalen en overmeesteren van [mw. M.]. In deze auto bevond zich in elk geval (dus) ook [mw. M.], die door twee of meer van de vrouwen was meegelokt en met hun hulp was ontvoerd door de mannen. Dan ontspint zich het volgende.

Volgens [Jane H.] (13e verhoor, 28 april 1994) kwamen [Karin N.], [Jenny L.] en [Jane H.] zelf te voet vanaf de woning waar [mw. M.] was opgehaald terug bij [de P.], terwijl de auto reeds bij [de P.] was gearriveerd. Zij verklaart:

"Toen wij vlak bij het restaurant waren zag ik dat de vrouw uit de auto was en voor de tweede glazen deur stond (...). Ik zag dat Anil, Achmed en [Appie] ook uitgestapt waren. Ik zag dat zij geschopt en geslagen werd door [Appie T.] en [Anil B.]. Ik hoorde dat zij zeiden dat de vrouw mee moest werken. Ik zag dat de vrouw zich verzette. (...). Ik zag dat de vrouw Achmed een klap tegen het gezicht gaf. Ik zag hierna dat Achmed (een) "vuurwapen" uit zijn broekzak pakte en dit tegen de slaap van de vrouw zette. Vervolgens werd er nogmaals gezegd dat zij mee moest werken. (...). Ik zag dat de vrouw vervolgens met een sleutel de deur van het "afhaalgedeelte" opende."

Ter zitting van het gerechtshof van 16 mei 1995 heeft [Jane H.] hierover verklaard:

"[Mw. M.] is geslagen en getrapt. Daardoor zakte zij ineen op de straat. De jongens hebben toen nog doorgetrapt. Er werd ook getrokken aan haar. Maar zij bleef tegenstribbelen. Zij schreeuwde hard. Dat was ook een reden om haar zo te schoppen."

[Karin N.] geeft bij haar 12e verhoor, 27 april 1994, de volgende beschrijving:

"De wijze waarop "Appie" en Achmed de vrouw uit de auto sleurden, was zeer hardhandig, alsof het een stuk vuil betrof. Ik zag dat zij haar rond haar middel en bij haar armen vastpakten en zo de auto uittrokken. Ik zag dat zij daarbij geholpen werden door Anil, die achterin de Opel Omega zat en die de vrouw de auto uitduwde. Ik hoorde dat de Chinese vrouw luid krijste en woorden uitriep, die ik niet kon verstaan. Ik zag dat de Chinese vrouw liggend op het trottoir, buiten de auto terecht kwam, waarbij zij zeer ruw werd behandeld door "Appie"en Achmed. Terwijl de vrouw buiten de auto lag, zag ik dat die 2 jongens haar tegen haar lichaam schopten en op elke plaats waar ze haar maar raken konden, tegen haar hoofd en tegen haar boven- en onderlijf. Ik zag dat zij op een irritante wijze haar met korte schopbewegingen mishandelden. Ik schrok erg van wat ik zag en kwam in tweestrijd met mezelf. Van de ene kant vond ik dat ik ergens hulp moest gaan halen, van de andere kant was ik bang dat mij dan iets zou worden aangedaan. (...).

Ik zag vervolgens dat Anil vanaf de achterbank uit de auto stapte. De auto bleef geparkeerd staan op de [b-straat], waarbij mij opviel dat de stadsverlichting van de auto brandde. Ik zag dat [mw. M.] telkens probeerde overeind te komen, maar zij werd telkens teruggeduwd en geschopt door "Appie" en Achmed. Ik zag dat Anil om de auto heenliep naar [mw. M.] toe. Ik zag dat hij zich bij "Appie" en Achmed voegde en eveneens begon te schoppen tegen het lichaam van de Chinese vrouw. Deze mishandeling van de vrouw op het trottoir van het Chinees restaurant duurde naar mijn idee ongeveer 3 á 4 minuten, waarbij ik de Chinese vrouw onophoudelijk hoorde huilen en krijsen. De mishandelingen gingen gepaard met het uitschelden van de Chinese vrouw. Ik hoorde dat de 3 jongens de vrouw uitscholden voor "hoer", "kutwijf" en meer van dit soort scheldwoorden. Ik zag dat Jane over de [f-straat] kwam aanlopen. Op datzelfde moment zag ik dat "Appie", Anil en Achmed, de Chinese vrouw overeind hielpen, door haar bij haar armen ruw van het trottoir omhoog te trekken."

Ten slotte [Jenny L.], 4e verhoor, 3 mei 1994:

"Nadat Jane was uitgestapt trok zij het vrouwtje uit de auto. Hierbij werd zij vanuit de auto geholpen door [Karin]. Het vrouwtje bood tegenstand. Toch lukte het Jane en [Karin] het vrouwtje uit de auto te halen. Achmed had zich inmiddels bij [Appie] en Anil gevoegd. Zij stonden voor het restaurant op de stoep. Ze keken slechts toe. Toen het vrouwtje eenmaal uit de auto was vroeg [Appie] haar de sleutels van het restaurant. Het vrouwtje gaf echter de sleutels niet af. Vervolgens werd zij door de jongens woordelijk bedreigd. Het vrouwtje reageerde echter niet. Kennelijk werden de jongens hierdoor kwaad. Ze begonnen de vrouw op "beestachtige" wijze te slaan en te schoppen. (...). Het Chinese vrouwtje begon te gillen en te schreeuwen. Ze had zichtbaar pijn. Het geweld dat haar werd aangedaan was enorm. Zowel Achmed, Anil als [Appie] hebben haar diverse keren met kracht geschopt en geslagen. Het vrouwtje werd op haar hele lichaam geraakt. Uiteindelijk viel het vrouwtje op de grond. Ze werd door een van de jongens geroepen dat ze op moest staan. Vervolgens werd het vrouwtje omhoog getrokken en mee naar de deur van het restaurant genomen."

En wederom [Jenny L.], 5e verhoor, 4 mei 1994:

"Het vrouwtje wilde niet uit de auto komen. Vervolgens zag ik dat Achmed het vrouwtje bedreigde met een vuurwapen. Hij zwaaide met een vuurwapen en riep daarbij met luide stem: "Er uit, kom eruit!" Ook de andere jongens hebben haar woordelijk bedreigd. Wat ze precies hebben gezegd weet ik mij niet meer te herinneren. Na enig aarzelen kwam de vrouw uit de auto. Ze werd toen gedwongen naar de deur van het restaurant te lopen. De vrouw werkte echter niet mee. Ze werd toen door Anil, Achmed en [Appie] diverse keren opzettelijk met kracht geslagen. Dit ging op een beestachtige wijze. Ik heb u daar reeds eerder over verklaard. Toen de vrouw op de grond lag werd zij hard getrapt door Anil. Vervolgens hebben de jongens de vrouw omhoog getrokken."

Een belangrijk element in de bekennende verklaringen van de drie veroordeelde vrouwen betreft, zo blijkt, de gang van zaken op het trottoir voor [de P.]. Hierin kunnen de drie vrouwen elkaar in grote lijnen wel vinden. [Mw. M.] zou "beestachtig" zijn mishandeld, hetgeen gepaard is gegaan met veel lawaai. De mannen schreeuwden en scholden, maar vooral [mw. M.] heeft gedurende enige tijd gegild en geschreeuwd van pijn en angst. Hier hebben we dus van doen met een element in de verklaringen waarin consistentie valt waar te nemen. Mijn punt is echter het volgende.

Het restaurant de "[de P.]" bevindt zich midden in een woonwijk. Het pand vormt min of meer het hoekpunt van twee loodrecht op elkaar staande flats met woningen. Schuin tegenover het restaurant staat in de (niet al te brede) [b-straat] een rij met eengezinswoningen. Aan de overzijde van de (bredere) [f-straat] staan eveneens flats en de eengezinswoningen van de [e-straat].

Het tijdstip van deze ernstige mishandeling zou zijn gelegen tussen ongeveer 4.15 uur en 5.00 uur, een moment waarop veel mensen een periode van diepe slaap doormaken. Niettemin, de nacht van 3 op 4 juli was een zomernacht. Het was zwoel.(82) [Jane H.] en [Karin N.] hebben nog overwogen 's nachts te gaan zwemmen in de Galderse meren.(83) Te verwachten valt dus dat van veruit de meeste woningen het slaapkamerraam geopend was.

Bij die stand van zaken is het m.i. hoogst onwaarschijnlijk dat werkelijk niemand van de velen die woonachtig zijn in die nabije omgeving van het restaurant ook maar iets heeft gehoord van het (langdurig) gillen en schreeuwen. Toch moet dat worden aangenomen, want in het uitgebreide buurtonderzoek is niets van dien aard naar voren gekomen. Dat laat zich m.i. vrijwel niet verenigen met de getuigenissen van de drie vrouwen over het lawaai waarmee het gruwelijke schouwspel gepaard zou zijn gegaan.

Overigens waren verscheidene getuigen wel degelijk wakker. [Betrokkene 17](84) liet 4.15 uur zijn hond uit op o.a. de [e-straat] en de [f-straat]. [Betrokkene 18](85) gaf om ongeveer 4.00 uur de bloemen water op zijn balkon. [Betrokkene 19](86) kwam omstreeks 5.15 uur thuis en reed over de [b-straat]. [Betrokkene 20](87) (wonende in een appartement aan de [f-straat], eerste verdieping, met zicht op het restaurant) maakt melding van de stemmen van 4 of 5 jonge mensen die zich (om 4.00 uur) ophielden nabij de bushalte aan de [f-straat]. Geen van hen heeft melding gemaakt van een gewaarwording die ondersteuning zou kunnen bieden voor de bekennende verklaringen.

Kennelijk achtte het gerechtshof het lawaai onbewezen, want uit de weergave van de verklaringen die als bewijsmiddel zijn gebezigd, heeft het hof de door mij bedoelde passages verwijderd. Dat is het hof toegestaan, daar gaat het niet om, maar daarmee wordt de bewijsconstructie uiteraard niet versterkt. Het tegendeel is het geval. Indien er passages uit een verklaring moeten worden geschrapt bij gebrek aan geloofwaardigheid, heeft dat vanzelfsprekend gevolgen voor de bewijskracht van het resterende deel.

6.3.5. Het sporenbeeld op de PD en het gebruik van een vuurwapen

[Karin N.] verklaarde bij de rechter-commissaris op 30 mei 1994:

"De drie A's zijn naar binnen gegaan, [mw. M.] met geweld naar binnen duwend. Zij zijn doorgelopen en ik ben op de bank in het afhaalcentrum gaan zitten. Ik hoorde na een paar minuten lawaai van pannen en ik hoorde 2 schoten en gegil en ik ben toen de keuken binnengelopen, waar lawaai vandaan kwam. (...). Terwijl ze daar lag heeft Ahmed met de pan, die hij al die tijd in zijn handen had, een soort wok, op haar achterhoofd geslagen. Daarna bewoog [mw. M.] niet meer. Ahmed gooide die wok op de grond en ik zag dat de vloer vol pannen lag en bloed, het was een zooitje."

Volgens [Karin N.] lag de vloer dus bezaaid met pannen en vol met bloed. De foto's van de keuken laten echter een totaal ander beeld zien. Pannen op de gaspitten en op bergplanken, maar geen daarvan op de vloer. Slechts één daarvan met een steel (zie 6.3.6). Ook overigens bepaald geen zooitje, zij het dat een kooktoestel op de grond lag. Evenmin veel bloed. In haar gezicht had het slachtoffer een spoor(tje) van geronnen bloed. Op de vloer van de keuken is alleen een bloedveeg aangetroffen onder het slachtoffer (foto 35).

Ik kom terug op het vuurwapen. Zoals gezegd (zie 6.2.3) maken [Jane H.] en [Karin N.], zodra zij eenmaal spreken over de overval, melding van het geluid van schoten. [Jenny L.] juist weer niet.

Punt is dat de technische recherche in de keuken geen kogelsporen heeft aangetroffen; geen beschadigingen of inslagen, geen kruitsporen en geen restanten van munitie. Ook het lichaam van [mw. M.] vertoonde geen schotverwondingen. Het niet aantreffen van dergelijke sporen (waarover later meer) is m.i. zeer onwaarschijnlijk indien er is geschoten met een vuurwapen. Dit doet ernstig twijfelen aan de juistheid van dit element in de verklaringen van [Jane H.] en [Karin N.].

Uiteraard blijft de mogelijkheid open dat de geluiden afkomstig waren van een gasalarmpistool. Daartegen valt in te brengen dat de vrouwen te kennen hadden gegeven dat de drie mannen in het bezit waren van "echte" vuurwapens, en dat zij nooit hebben gesproken over een gasalarmpistool. Niet eerder dan op de terechtzitting van 16 mei 1995 verklaart [Karin N.] (kennelijk in antwoord op vragen) dat het "mogelijk" is dat de schoten afkomstig waren van een start- of alarmpistool. Het "knallen" met een gasalarmpistool is onder de beschreven omstandigheden echter contraproductief. Het maakt nodeloos lawaai en trekt eventueel ongewenst publiek aan. Bovendien werd [mw. M.] op dat moment niet bedreigd (waartoe een gasalarmpistool nog wel een functie zou kunnen vervullen) maar juist hevig mishandeld. Ook de hypothese van het gebruik van een gasalarmpistool, hoewel niet uitgesloten, acht ik om die redenen weinig plausibel.

Over het door het hof bewezenverklaarde openbreken van de gokkast is door de vrouwen dan weer niets medegedeeld. In hun getuigenissen is niets terug te vinden over het verbreken van de gokkast of het bezit van een breekwerktuig (schroevendraaier of iets dergelijks) dat het aantreffen van de braaksporen op de gokkast kan verklaren. Volgens [Jane H.] riep [Appie T.] dat hij iets ging pakken, waarop hij de keuken uitliep. Als [Appie T.] op dat moment de gokkast zou hebben opengebroken zou [Jane H.] nadien bij het verlaten van het restaurant over de lege geldlades hebben moeten heenstappen. Daarvan maakt zij geen melding. Voor [Karin N.] geldt hetzelfde; in haar verklaringen is nergens een beschrijving te vinden van het openbreken van de gokkast of van (drie) losliggende geldlades.

Ten slotte een meer algemene opmerking van [Jenny L.] (5e verklaring, van 4 mei 1994):

"Vervolgens hebben Achmed, Anil en [Appie] de vrouw mee naar binnen genomen. Ik ben voor snackbar "[de cafetaria]" op de uitkijk gaan staan. De jongens zijn ongeveer een half uur binnen in het restaurant geweest. Ik wist dat ze daar op zoek waren naar geld en kostbare goederen."

Sporen van doorzoeking van het restaurant of de keuken zijn echter niet aangetroffen. Buiten de keuken was alleen de opengebroken gokkast de stille getuige van een delict.

6.3.6. Het stoffelijk overschot van [mw. M.]

In haar 9e verklaring (23 april 1994) beschrijft [Karin N.] de gebeurtenissen als in een vreselijke droom. [Jane H.] en [Karin N.] werden in die lezing ("droom") min of meer de keuken ingeroepen door [Anil B.]. In de keuken ziet [Karin N.] een vrouw liggen, die kennelijk overleden is. Zij beschrijft die vrouw als volgt, en bij deze beschrijving is zij nadien gebleven.

"Anil deed de keukendeur verder open. Hij liep vervolgens via een klein magazijn links af de keuken binnen. Ik ben vervolgens het magazijntje binnengegaan. Dit magazijntje grenst direct aan de keuken. Ik weet niet waar Jane op dat moment was. Wat ik vervolgens zag was vreselijk. Ik zag een persoon op de vloer van de keuken liggen. (...). Ik zag dat deze persoon opvallende slippers droeg. Ik omschrijf deze als volgt: open slippers, kleur vermoedelijk bruin, voorzien van twee gekruiste bandjes op de wreef van de voet. De slippers waren volgens mij gemaakt van leer. (...). Ik geloof dat een van de slippers niet meer aan de voet van het slachtoffer zat. Deze slipper lag geloof ik naast een van de voeten van de vloer. (...). Wel weet ik dat het slachtoffer was gekleed in een opvallende broek. Dit was een soort katoenen pyjamabroek, kleur cobalt-blauw. De stof was voorzien van opvallende figuurtjes."

Wat mij in deze beschrijving opvalt is dat het zowel foutieve als correcte mededelingen bevat. De broek waarin [mw. M.] door de politie is aangetroffen kan adequaat worden omschreven als een soort katoenen pyjamabroek, alleen was die verre van kobaltblauw (namelijk wit). De stof was inderdaad voorzien van figuurtjes, alleen waren zij niet heel opvallend (te weten: stippeltjes). [Mw. M.] droeg (vermoedelijk) open schoenen, met inderdaad twee gekruiste bandjes op de wreef. De schoenen waren echter niet bruin van kleur (en zeker niet lichtbruin, zoals hieronder door haar beschreven), maar zwart. Bij aantreffen van haar stoffelijk overschot had [mw. M.] de schoenen beide niet meer aan en zij lagen op enige afstand van haar voeten.

In haar 10e verklaring (25 april 1994) "ziet" [Karin N.] de personen [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.] in de keuken staan, waarin zij (wederom) min of meer is meegenomen door [Anil B.]. Zij verklaart:

"Omdat ik wilde weten waar zij naar keken, ben ik de keuken rechtsaf ingelopen. Ik schat dat ik een paar meter vooruit gelopen ben. Ter hoogte van de hoek van de keukentafel, zag ik dat er op de keukenvloer een vrouw lag. (...).

Ik zag dat de vrouw, gezien vanaf de plaats waar ik mij bevond, op haar rug lag met haar benen naar mij toe gericht. Ik zag dat de vrouw gekleed was in een soort katoenen slobberbroek. Ik zag dat dit een blauwe broek was met bepaald motief als opdruk. Ik zag dat zij een blauw T-shirt droeg, met korte mouwen. Ik zag dat de vrouw aan beide voeten, lichtbruine slippers droeg. Volgens mij waren de slippers van leer. De slippers heb ik eerder omschreven.

Toen ik de vrouw zag liggen, wist ik meteen dat zij dood was. Ik zag namelijk dat zij blauwe plekken had op haar armen. Ik zag dat zij blauwe plekken op haar gezicht had en in haar nek. Ik zag dat zij rode striemen in haar nek had. Ik zag ook dat er bloed zat aan haar hoofd, bij haar oren, bij haar ogen, bij haar neus en bij haar mond. Ik zag dat zij met geopende, starende ogen, bewegingsloos op de grond lag. (...). Verder zag ik dat er vlakbij haar hoofd een soort koekenpan op de keukenvloer lag. De pan kan ik omschrijven als een soort van wadjang, voorzien van een lange steel."

Opnieuw zijn hierin zowel correcte als foutieve mededelingen te lezen. De locatie op de keukenvloer waar [Karin N.] [mw. M.] zegt te hebben zien liggen is niet de locatie in de keuken waar [mw. M.] door de politie is aangetroffen. Ook op de tekeningen die [Karin N.] heeft gemaakt, heeft zij [mw. M.] op andere plek ingetekend dan waar zij is gevonden.(88) Overigens is bepaald niet uitgesloten dat [mw. M.] na haar overlijden in de keuken is versleept, al zou niet duidelijk zijn waarom en wordt dat ook niet met zoveel woorden verklaard. De benen van [mw. M.] lagen in werkelijkheid (op de foto) inderdaad naar de kijker toe.

Het T-shirt van [mw. M.] is lila van kleur, maar het door [Karin N.] genoemde blauw verschilt daarvan niet veel. Inderdaad betreft het werkelijk door [mw. M.] gedragen shirt een T-shirt met korte mouwen. Over de slippers heb ik reeds gesproken.

Van [mw. M.] is op de foto's van de PD inderdaad ook zonder medische kennis goed te zien dat zij is overleden en zij had op diverse plaatsen blauwe plekken. Die foto's zijn echter een paar uren na het overlijden van [mw. M.] genomen en het is uiterst kwestieus of de blauwe plekken al zeer kort na haar overlijden zichtbaar waren. Bovendien had [mw. M.] geen "geopende, starende ogen". Haar ogen waren gesloten.

Bij haar hoofd lag in werkelijkheid geen koekenpan of wadjang, maar enkel een pollepel, aldus het proces-verbaal van het sporenonderzoek op de PD. Op de weinige foto's van de PD is overigens inderdaad wel een steel te zien die vlakbij haar hoofd ligt, maar vanwege de hoek waaruit die foto (nr. 31) is genomen kan - vanaf de foto - niet worden vastgesteld of de steel onderdeel is van een koekenpan/wadjang dan wel behoort bij een pollepel. Evenmin lag elders in de keuken een koekenpan of wadjang op de grond. De enige pan met een steel stond (volgens de foto's van de PD) keurig op een gaspit. Dit is trouwens een wat kleinere pan (op het oog niet al te zwaar), en de steel ervan is niet bepaald lang. Alle overige pannen en wokken hebben aan weerszijden twee handvatten. Er is dus, als ik het goed zie, in de keuken van het restaurant geen "wadjang" te vinden die voldoet aan de beschrijving van [Karin N.], en er ligt er zeker geen op de vloer.

Wel lag een gedeelte van een kooktoestel en van een gasbrander op de grond, alsook een gebitsprothese. Van een en ander maakt [Karin N.] geen melding.

Indien [Karin N.] onwetend van het werkelijke sporenbeeld in een door haar te geven beschrijving ervan zou zijn gevraagd om te gokken of te "dromen", presteert zij in elk geval ruim boven kansniveau. Dit is een sterke aanwijzing dat [Karin N.] bij haar beschrijving van het sporenbeeld heeft beschikt over correcte informatie. De vraag is uiteraard hoe zij aan die informatie is gekomen. Anderzijds zit zij er in haar beschrijving op belangrijke punten ver naast. De voorgaande bevindingen, waaronder haar beschrijving van blauwe plekken in het gezicht van [mw. M.], roepen de vraag op of [Karin N.] foto's van de PD zijn getoond dan wel een ander napraat. Hierop kom ik terug.

6.3.7. Het alibi van [Appie T.]

De bekennende verklaringen houden in dat [Appie T.] e.a. omstreeks 02.00 uur in de [b-straat] bij het restaurant zijn gearriveerd in afwachting van de komst van [Jane H.] en [Karin N.].(89) Om dit element in de bekentenissen te ondergraven presenteerde de verdediging van [Appie T.] een tweetal getuigen.

Ter terechtzitting van de rechtbank van 19 oktober 1994 heeft de rechtbank op verzoek van de verdediging als getuigen gehoord de toen 17-jarige [betrokkene 21] en de toen 20-jarige [betrokkene 22]. [betrokkene 21] heeft bij die gelegenheid verklaard:

"Eind juli 1994 las ik in de krant dat [Appie T.] vastzat voor de moord op die Chinese mevrouw in de nacht van 3 op 4 juli 1993. (...). Ik bedacht toen dat ik rond die tijd verkering met [Appie T.] had gekregen en ben er mijn dagboek op gaan naslaan. Daaruit bleek dat ik in de nacht van zaterdag op zondag, 3 op 4 juli 1993 verkering met hem had gekregen. Ik heb de hele avond vanaf 11.00 uur tot 's nachts 5 over 3 in het gezelschap van [Appie T.] vertoefd. Hij heeft me toen bij de taxi-standplaats aan het Spanjaarsgat gebracht. Hij zelf is toen teruggegaan de stad in. Later heb ik, nadat ik het in de krant had gelezen eind juli 1994 tegen [betrokkene 22] gezegd dat de advocaat van [Appie T.] dat van [Appie T.] te weten moest komen. (...). Op verzoek van de advocaat laat ik U verschillende dagboeken zien, waaruit blijkt dat ik wel vaker in verschillende handschriften schrijf. U wijst mij erop dat in het bewuste dagboek zaterdag 3 juli is gewijzigd in zondag 4 juli. Ik vergis me wel meer in data."

[Betrokkene 22] heeft de verklaring van [betrokkene 21] ter terechtzitting bevestigd, met dien verstande dat zij die bewuste nacht [Appie T.] en [betrokkene 21] tot 3 uur steeds samen heeft gezien, en dat zij ([Appie T.] en [betrokkene 21]) daarna samen zijn vertrokken. [Appie T.] is volgens [betrokkene 22] kort daarna in de discotheek teruggekeerd en nog enige tijd gebleven.

Reeds eerder, te weten op 7 september 1994, hadden [betrokkene 21] en [betrokkene 22] tegenover politierechercheurs een verklaring van die strekking afgelegd, en hun mededelingen herhaald tegenover de rechter-commissaris op 3 oktober 1994. [Betrokkene 21] heeft bij die gelegenheden over het wijzigen van de datum van 3 juli in 4 juli meegedeeld dat zij zich bij het schrijven had vergist in de datum en die toen heeft doorgehaald en vervangen door de juiste datum, 4 juli 1993. [Betrokkene 22] heeft niet zelfstandig verklaard over de datum van 3/4 juli 1993, maar kon zich de door [betrokkene 21] bedoelde nacht herinneren nadat zij daarover met [betrokkene 21] had gesproken.

Ter terechtzitting van de rechtbank zijn jegens [betrokkene 21] en [betrokkene 22] processen-verbaal wegens verdenking van meineed opgemaakt. Beiden zijn niettemin bij hun verklaringen gebleven. Zo ook ten overstaan van de politie toen zij vervolgens meermalen als verdachten van meineed werden verhoord. Afschriften van de betreffende pagina's uit het dagboek van [betrokkene 21], klaarblijkelijk een ringbandcahier, zijn gevoegd bij de stukken.

Ook het gerechtshof heeft [betrokkene 21] en [betrokkene 22] als getuigen gehoord. [Betrokkene 21] verklaarde ten overstaan van het hof ter terechtzitting van 25 april 1995:

"Ik las in de krant van deze zaak en mij viel de datum van 3 of 4 juli 1993 op, alsmede de initialen van een van de daders "A.T.". In die tijd ging ik veel met de hier ter terechtzitting aanwezige verdachten om. Vervolgens heb ik mijn dagboek erop nageslagen en kwam ik tot de conclusie dat ik in de nacht van 3 op 4 juli 1993 met [Appie T.] verkering heb gekregen en dat wij tot 03.00 uur samen zijn geweest. Ik weet dat de datum in mijn dagboek gewijzigd is van zaterdag 3 juli 1993 in zondag 4 juli 1994 (bedoeld zal zijn: 1993, D.A.). Ik heb dat diezelfde dag dat ik in het dagboek schreef gedaan of wellicht een dag later, maar niet op enig moment waarop dat voor [Appie T.] beter uitkwam. Ik kan mij voorstellen dat het verdacht overkomt, maar het is de waarheid. Ik blijf dan ook bij mijn eerder in verband met deze kwestie afgelegde verklaringen. In andere dagboeken heb ik mij ook regelmatig in de datum vergist en heb ik deze gewijzigd."

Op 16 mei 1995 verklaarde [betrokkene 22] ter terechtzitting van het hof:

"Mijn verklaring komt er in feite op neer dat als het dagboek van [betrokkene 21] juist is, ik [Appie T.] samen met [betrokkene 21] in de nacht van 3 op 4 juli 1993 heb gezien. Als het dagboek echter niet juist is, dan weet ik zelf niet wanneer ik Appie en [betrokkene 21] samen heb gezien. Dit kan dan namelijk zowel op zaterdag 3 juli 1993 als op zaterdag 10 juli 1993 zijn geweest."

Dit keer bleef [betrokkene 21] en [betrokkene 22] een meineedprocedure bespaard, maar dat wil niet zeggen dat het hof geloof hechtte aan deze verklaringen. Het hof heeft in zijn arrest (p. 18) in de zaak tegen [Appie T.] overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdachte met behulp van getuigen naar voren gebracht dat hij meent een alibi te hebben ten tijde van (het) telastegelegde feit. Het hof passeert echter dit alibi, gelet op het hiervoor gebezigde bewijs, waaruit het tegendeel blijkt, terwijl de voor het bewijs van het alibi afgelegde getuigenverklaringen overigens ook niet als sluitend en/of geloofwaardig kunnen worden aangemerkt."

Het is praktisch om reeds nu te melden dat [betrokkene 21] en [betrokkene 22] bij het recente interview door het evaluatieteam - met klem - zijn gebleven bij hun oude verklaringen. [Betrokkene 21] is inmiddels getrouwd met [Appie T.]. Haar verklaringen en die van [betrokkene 22] bevinden zich in ordner C bij deze vordering. Het dagboek is thans niet meer beschikbaar voor onderzoek.

6.3.8. Het alibi van [Achmed L.]

Namens [Achmed L.] is een alibi gepresenteerd door de persoon [betrokkene 23]. Hij verklaarde op 16 mei 1995 ter terechtzitting van het hof:

"Op zaterdag 3 juli 1993 heb ik mijn verjaardagsfeest gevierd samen met onder meer [Achmed L.]. Ik ben toen met hem op stap geweest. In 1993 ben ik gedetineerd geweest van 15 juni 1993 tot 12 november 1993 (...). Ik had proefverlof aangevraagd. Dit was mij toegewezen en ik zou op donderdag, 1 juli 1993, de dag van mijn verjaardag, met proefverlof gaan. Toen werd ik echter plotseling overgeplaatst naar "De Corridor". Aldaar mocht ik pas op vrijdag, 2 juli 1993, met weekendverlof, namelijk van vrijdag tot maandag. Het was mijn eerste verlof aldaar. Op zaterdagavond, 3 juli 1993, hadden [betrokkene 24], een nicht van mij, en [Achmed L.] een verjaardagsfeest voor mij georganiseerd. Wij zijn toen op stap geweest in de binnenstad van Breda. Met mij bedoel ik mijn nicht, [betrokkene 24], mijn neef [betrokkene 25], [Achmed L.] en ik. Wij zijn toen tot sluitingstijd, 02.00 uur 's nachts, in "De Bolero" geweest. Toen hebben wij deze gelegenheid verlaten. [Achmed L.] was toen bij ons. Ik ben toen een broodje gaan eten in broodjeszaak "Panaché". De anderen hebben toen buiten op mij gewacht terwijl ik een broodje bestelde. Dat heeft zo'n vijftien tot twintig minuten geduurd. Daarna hebben wij zo'n twintig minuten op de taxi gewacht. Toen wij omstreeks 02.40 uur een taxi te pakken kregen, zijn wij met z'n vieren naar huis, naar de [m-straat] te Breda, gereden. Tegen 03.00 uur kwamen wij daar aan. (...). [Achmed L.] was ook mee naar binnen gekomen. Hij bleef bij ons slapen."

[Betrokkene 23] was volgens de bijlage bij het proces-verbaal ter terechtzitting van 16 mei 1995 inderdaad kortstondig in vrijheid, namelijk van (vrijdag) 2 tot (maandag) 5 juli 1993.

De door hem genoemde [betrokkene 24] heeft op dezelfde zitting verklaard:

"Ik ken [betrokkene 23]. Dat is een neef van mij. Ik weet dat hij op 1 juli jarig is. Ik kan mij zijn verjaardag in 1993 nog goed herinneren. Dat komt omdat ik toen samen met [Achmed L.] zijn verjaardagsfeest heb georganiseerd. [Betrokkene 23] kwam op vrijdag met verlof thuis. Op zaterdagavond hebben wij zijn verjaardag gevierd."

In hetgeen volgt bevestigt [betrokkene 24] de verklaring van [betrokkene 23], met dien verstande dat [Achmed L.] in haar verklaring op enig moment ergens midden in de nacht naar huis is gegaan en dus niet is blijven slapen. Problematisch is dat de genoemde [betrokkene 25] als getuige ter zitting van het hof heeft verklaard zich dit verjaardagsfeest inderdaad te herinneren, doch het feest situeert in de nacht van 1 op 2 juli 1993, en dus niet in de nacht van 3 op 4 juli 1993. Hij is overigens niet erg zeker van zijn zaak.

Het hof heeft het alibiverweer van [Achmed L.] gepasseerd met een overweging die identiek is aan die waarmee het hof het alibiverweer van [Appie T.] heeft verworpen.

Het is praktisch om reeds nu te melden dat [betrokkene 24] bij gelegenheid van het interview door het evaluatieteam heeft volhard in haar mededelingen. [Betrokkene 23] en [betrokkene 25] zijn niet opnieuw gehoord.

6.3.9. Het alibi van [Jenny L.] en dat van [Anil B.]

Jenny heeft verklaard een gedeelte van de nacht van 3 op 4 juli 1993 te hebben doorgebracht bij haar oma, in een woning aan de [n-straat] te Breda. Dit alibi is door de recherche niet nagetrokken, mede op verzoek van [Jenny L.] zelf. Zij vond een verhoor te belastend voor haar zieke oma (die inmiddels is overleden).

[Anil B.] heeft verklaard dat hij begin juli 1993 de [a-straat 1] nog helemaal niet had bezocht. Hierover sprak ik reeds in 6.3.1. Het hof heeft het alibiverweer van [Anil B.] gepasseerd met een overweging die identiek is aan die waarmee het hof het alibiverweer van [Appie T.] heeft verworpen.

6.4. Conclusies over de bekennende verklaringen

6.4.1. Samenvatting

De verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] vertonen onderling steevast aanzienlijke verschillen op in het oog springende punten, duidelijk meer dan alleen op detailniveau. Een kardinaal punt hierin is de verklaring van [Karin N.], die consequent (dat dan weer wel) heeft volgehouden dat [Jenny L.] bij het delict geheel niet aanwezig was.

Voor de bekentenissen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] kan geen steun worden geput uit andere bron. [Lucy C.] betwist iedere betrokkenheid en heeft sterke twijfels over het waarheidsgehalte van de verklaring van [Jane H.] dat zij (Jane) "kroongetuige" zou zijn geweest van het delict. [Lucy C.] ontkent zelf ooit bedreigd te zijn door één van de drie mannelijke veroordeelden, maar [Miranda H.] verklaart daarentegen van een bedreiging van [Lucy C.] juist weer wel getuige te zijn geweest. [Miranda H.] ontkent overigens ook iedere betrokkenheid bij de voorbereidingen en de uitvoering. Dat is in strijd met de mededelingen van [Jane H.] en [Jenny L.], maar niet met die van [Karin N.].

Van het lange wachten op het trottoir voor [de P.] door de drie mannen en [Jenny L.] op de komst van [Jane H.] en [Karin N.] (4 juli 1993, omstreeks 04.30 uur) is niemand getuige geweest. Op deze kwestie kom ik in 8.6.2 terug.

De verklaring van [betrokkene 1] strookt niet met de uiteenlopende versies die [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] hebben gegeven van het ophalen en ontvoeren van [mw. M.]. Veeleer is de verklaring van [betrokkene 1] daarmee in tegenspraak, want als moet worden aangenomen dat zij getuige was van de overmeestering van [mw. M.], moeten dat dus andere daders zijn geweest.

De mishandeling van [mw. M.] na haar aankomst op het trottoir van [de P.] zou dusdanig gewelddadig en luidruchtig zijn geweest dat zij vrijwel niet kan zijn ontgaan aan de bewoners in de directe omgeving van het restaurant. Toch heeft geen enkele bewoner iets waargenomen dat kan worden beschouwd als een bevestiging van dit voorval. Dat is m.i. hoogst onwaarschijnlijk.

Twee van de drie vrouwen maken melding van het geluid van schoten uit een vuurwapen. Hiervan is geen spoor gevonden, en dat had wel in de lijn der verwachting gelegen indien er werkelijk zou zijn geschoten met een vuurwapen.

De door [Jane H.] beschreven manier van overlijden van [mw. M.] stemt overeen met de bevindingen van de patholoog-anatoom. Dat geldt echter niet voor de door [Karin N.] afgelegde verklaring. Bovendien maken beiden melding van het spugen door [Appie T.] dan wel [Anil B.] op het lichaam van [mw. M.]. Het NFI heeft indertijd geen sporen gevonden die deze handeling konden bevestigen. Hierop kom ik terug in hoofdstuk 7.

Het hof heeft de door of namens [Appie T.] en [Achmed L.] gepresenteerde alibi's ongeloofwaardig geacht omdat uit het gebezigde bewijs "het tegendeel blijkt" en vanwege de ongeloofwaardigheid van de verklaringen zelf.

6.4.2. De politieverhoren

Zoals gezegd heeft [Karin N.] een beschrijving gegeven van het sporenbeeld op de plaats van het delict. Een aantal door [Karin N.] vermelde details stroken beslist niet met het werkelijke sporenbeeld, maar zij scoort in haar beschrijving toch nog wel ruim boven kansniveau. Een significant gedeelte is juist. Dit doet de vraag rijzen of haar de bij het sporenonderzoek gemaakte foto's van de keuken zijn getoond, dan wel of haar anderszins zaaksinformatie ter ore is gekomen. Zo niet, dan toont zij aan te beschikken over daderkennis. Dat laatste zou inderdaad buitengewoon belastend zijn.

Doordat [Jenny L.] haar bekennende verklaring had "ingetrokken", met de redengeving dat zij die onder druk van de politie had afgelegd, heeft de rechter-commissaris op 1 juni 1994 vier van de zes verbalisanten gehoord die het verhoor van [Jenny L.] hebben verricht.

[betrokkene 26] deelde bij die gelegenheid onder meer mee:

"Mijn collega had haar ([Jenny L.], D.A.) al eerder gehoord en hij had tegen mij gezegd dat ze in het begin liegt en dat ze als ze geconfronteerd wordt met feiten, boos en emotioneel wordt en dan begint te spuien. Zo is het ook precies gegaan. (...). Er is op geen enkele wijze druk door ons op haar uitgeoefend. We hebben haar alleen geconfronteerd met haar eigen leugenachtigheid."

[Betrokkene 27] deelde de rechter-commissaris mede:

"Het verhoor verliep relaxed. (..). Er is beslist op geen enkele wijze druk door mijn collega en mij uitgeoefend op Jenny. (...). Ik ben met haar door de wijk rond [de P.] gereden en ze herkende de straat, waar de woning van [mw. M.] is, omdat haar oma vlak daarbij woont, maar ze heeft niet het huis van [mw. M.] aangewezen."

"[Betrokkene 28]" (bedoeld is: [betrokkene 28]) heeft die dag volgens het proces-verbaal verklaard:

"Ik ben 6 á 7 keer bij de verhoren van Jenny betrokken geweest en die verhoren verliepen goed. Het verbaast me niet dat zij haar verklaringen wil intrekken. (...). De druk en de bedreiging van de Marokkaanse/Surinaamse jongens is heel groot. (...). Op 29 april is Jenny beetje bij beetje gaan verklaren over haar betrokkenheid bij deze zaak. Ze heeft haar verklaring steeds bijgestuurd, precies zoals het in het p.v. vermeld staat. (...). Ik had een goed contact met haar en ik dacht dat dat wederzijds was, de sfeer tijdens de verhoren was goed."

Ten slotte heeft [betrokkene 29] verklaard:

"Ik heb meerdere keren [Jenny L.] gehoord en die verhoren zijn goed maar moeizaam verlopen. Zij is heel gesloten en mijn collega en ik hebben heel veel met haar gepraat. (...). Ze is nooit door ons onder druk gezet en ik had na afloop van de verhoren een goed gevoel en ik kreeg de indruk dat zij dat ook had. We hebben Jenny de RCID informatie voorgehouden en we hebben haar geconfronteerd met de verklaring van [Jane H.], waarin die zegt dat Jenny erbij was. Jenny reageerde daarop geschokt en ze zei: "Die trut, hoe kan ze in godsnaam mijn naam noemen." (...).

Wij hebben haar gewezen op de consequenties van het liegen. Je proeft uit haar verhaal, dat ze het allemaal gedetailleerd weet, maar dat ze het niet gedetailleerd wil verklaren. (...)."

Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat de verhoorders in hun perceptie geen pressie hebben uitgeoefend op [Jenny L.] en dat er volgens hen van een "prettig (relaxed) verhoor" sprake was. Hoe [Jenny L.] dat zegt te hebben ervaren komt in 8.2.4 aan de orde. Naar ik vermoed beschouwen de verhorende rechercheurs het langdurig en herhaald "confronteren" met "feiten" van een 18-jarige verdachte die gedetineerd is en in beperkingen is gesteld niet als het uitoefenen van druk. De verhoorders waren kennelijk overtuigd van haar betrokkenheid bij het delict. "In het begin liegt zij" en dan moet zij worden geconfronteerd met "de feiten". Welke feiten dat zijn en of die werkelijk als zodanig mochten worden bestempeld, is uit de verklaringen niet op te maken. Het zal in elk geval méér zijn geweest dan het enkele feit dat [mw. M.] is vermoord. Kennelijk is [Jenny L.] geconfronteerd met de verklaring van [Jane H.] en werd de inhoud van hetgeen [Jane H.] heeft verklaard door de rechercheurs als "feit" aangemerkt. Dat [Jenny L.] daarop heeft gezegd: "Die trut, hoe kan zij in godsnaam mijn naam noemen" heeft de verhoorder kennelijk als belastend geïnterpreteerd, al zou ik niet weten waarom die uitlating als een verhulde bekentenis kan worden beschouwd.

Het gerechtshof heeft in de zaak tegen [Jenny L.] ter terechtzitting van 25 april 1995 wederom twee verhoorders van [Jenny L.] gehoord, te weten [betrokkene 29] en [betrokkene 28]. [Betrokkene 29] heeft onder meer verklaard:

"Wij hebben haar op een nette en eerlijke manier verhoord. Zij heeft haar verklaringen niet bijgesteld aan de hand van details die wij haar zouden hebben verschaft. De veranderingen in haar verklaringen kwamen spontaan en uit haar zelf voort. Zo verklaarde zij bijvoorbeeld over bivakmutsen. Wij wisten niet eens dat er bivakmutsen waren gemaakt. Wij hebben haar verklaringen opgenomen, zoals zij aan ons heeft verklaard. Wij hebben de verklaring van [Jane H.] niet aan haar voorgehouden. Wij zouden natuurlijk troeven uit handen geven, als wij dat wel zouden doen en andere details aan haar bekend zouden maken. Wij hebben haar zelf met de details laten komen. Wij stelden open vragen zoals: "Wat vond er precies plaats op de [a-straat] en wie kwamen daar." In een latere verklaring verklaarde zij dat zij in eerdere verklaringen niet steeds de waarheid had verteld. Ook dat kwam uit haar zelf voort en niet op ons aandringen. Als ik een verklaring van een andere getuige of verdachte zou hebben voorgehouden, dan had ik dat vermeld in het desbetreffende proces-verbaal. Met de namen die verdachte [Jenny L.] in haar verklaringen heeft genoemd is zij zelf op de proppen gekomen. Wij hebben haar die namen niet voorgehouden. (...).

Het detail waar zij verklaart over het halen van eten na sluitingstijd kwam ook uit haarzelf. Wij kenden dat detail niet eerder. Haar verklaring met betrekking tot een alarm kwam van haar zelf. Wij wisten niet eens of er wel of niet een alarm was. Zij heeft op een gegeven moment verklaard dat "Jane en [Karin N.] op hun flikker kregen". Ook daarmee is zij spontaan gekomen. Ik heb haar niet verteld wat Jane daarover heeft verklaard. De door verdachte afgelegde verklaringen zijn niet bijgesteld naar aanleiding van het voorhouden van andere verklaringen. Wij hebben haar wel geconfronteerd met gedeelten van haar verklaringen waarvan wij dachten dat deze waarheden en/of onwaarheden bevatten. (...). Wellicht zal zij scherp zijn toegesproken, maar niet te scherp. Haar bekentenis kwam oprecht bij mij over, waarbij zij wel eens huilde en emotioneel werd. Het door haar verschafte alibi, waarin zij vertelde dat zij die nacht bij haar oma was, is niet nagetrokken door ons, omdat verdachte daar uitdrukkelijk om vroeg. Haar oma zou namelijk erg ziek zijn."

[betrokkene 28] heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard:

"De verhoren verliepen in een goede sfeer en wij hadden een prettig contact met de verdachte. (...). Sommige verhoren hebben wel lang geduurd, maar wij onderbraken deze regelmatig met pauzes. (...). Verdachte vertelde bij die verhoren ook veel bijzonderheden die wij helemaal nog niet wisten, zoals bijvoorbeeld over de route die men met het slachtoffer had afgelegd, vanuit haar woning naar het restaurant. (...). Wij hebben haar open vragen gesteld. (...). Verdachte is niet rechtstreeks geconfronteerd met de inhoud van de door [Jane H.] afgelegde verklaringen, want dan geef je als verhorend verbalisant je kaarten uit handen. (...). Wij hebben eigener beweging gevraagd wie daarbij waren, waarop zij uit eigener beweging namen noemde. Daar waar verdachte verklaart over bivakmutsen is zij daar zelf mee gekomen. Ik wist helemaal niets af van het eventueel gebruik van bivakmutsen. Ook de verklaring over het op de uitkijk staan is door haarzelf uit eigen beweging verteld. In haar verklaring op 3 mei 1993 heeft zij zelf namen genoemd. Wij hebben haar die namen niet voorgehouden. Ook het detail omtrent sluitingstijd is door haarzelf verteld, zonder dat wij haar daarmee hebben geconfronteerd. Ook haar verklaring omtrent een alarm kwam van haarzelf. Wij wisten niet eens of er wel of niet sprake was van een alarm. Over het ophalen van het slachtoffer met de auto heeft zij ook uit eigen mond verklaard. Ik weet niet meer of wij aan haar hebben voorgehouden of zij "op hun flikker hadden gekregen omdat ze te laat bij het restaurant waren". Ik neem aan van niet. (...). Ik heb [Jenny L.] geen verklaringen van getuigen en/of verdachten voorgehouden, die zouden kunnen leiden tot het wijzigen van haar, verdachtes, verklaring. Zij heeft steeds uit eigener beweging haar verklaringen afgelegd."(90)

Kennelijk interpreteren de twee gehoorde verbalisanten de vele details waarmee [Jenny L.] "spontaan" is gekomen als getuigenissen van daderwetenschap. Dat de daders bivakmutsen hadden gedragen, dat Jane en [Karin] op hun "flikker" kregen toen zij te laat arriveerden bij [de P.], dat [Jenny L.] op de uitkijk is gaan staan en dat het restaurant een alarminstallatie had, het waren stuk voor stuk gegevens waarmee de verbalisanten nog niet bekend waren. De rechercheurs hebben de juistheid van een en ander kennelijk voetstoots aangenomen, maar mij is niet duidelijk op grond waarvan. Dat in mededelingen tot dan toe onbekende informatie ligt besloten, betekent nog niet dat die informatie correct is.

In de voorliggende zaak is bijvoorbeeld niet vastgesteld dat de daders werkelijk bivakmutsen hebben gedragen. Dat [Jenny L.] op de uitkijk stond is discutabel. Volgens [Karin N.] stond [Jenny L.] er in elk geval niet. De politie heeft zich er niet van vergewist of het restaurant daadwerkelijk was voorzien van een alarminstallatie. Als dat was gebeurd, zou zijn opgehelderd dat die aanname niet juist is.(91)

Ten slotte de namen van de verdachten. Daarmee zou [Jenny L.] volgens de rechercheurs uit eigen beweging zijn gekomen toen zij haar bijdrage aan het delict is gaan bekennen (in haar derde verklaring, i.e. van 29 april 1994). Op de spontaniteit waarmee dit van de zijde van [Jenny L.] zou zijn geschied, valt het nodige af te dingen. Lezing van haar eerste (ontkennende) verklaring (van 27 april 1994) leert namelijk dat [Jenny L.] in antwoord op de vraag wie er op de [a-straat] kwamen de namen van de veroordeelde mannen (en van [Miranda H.], [Lucy C.] en Jane) heeft opgesomd. De achternamen zijn in hoofdletters opgenomen in de schriftelijke weergave van haar verklaring. In andere contacten waren de rechercheurs zo op het oog minder geïnteresseerd. Bij gelegenheid van het tweede verhoor ((28 april 1994) ging het niet veel anders. Als [Jenny L.] al niet heeft geweten dat [Jane H.] en [Karin N.] reeds waren aangehouden voor dit delict en dat [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.] ongeveer tegelijk met haar waren aangehouden, dan moet haar heel snel duidelijk zijn geworden dat de rechercheurs veel belangstelling hadden voor deze club mensen.

Daar komt nog eens bij dat [betrokkene 29] zich op 1 juni 1994 (ten overstaan van de rechter-commissaris) nog wel kon herinneren dat hij en zijn collega aan [Jenny L.] de CID-informatie en de verklaring van [Jane H.] hadden voorgehouden, ofschoon niet duidelijk is in welk stadium van de verhoren dat is gebeurd. In het CID-verbaal worden haar naam en die van [Achmed L.] en [Appie T.] expliciet genoemd als deelnemers aan het delict waarvan [mw. M.] het slachtoffer is geworden. Ter terechtzitting van 25 april 1995 bleek deze herinnering van [betrokkene 29] echter vervaagd.

Tot zover de verklaringen van rechercheurs over de verhoren. In 8.4 kom ik hierop terug.

Alleen nog dit. Dat de politie de verdachten heeft geconfronteerd met "de feiten" kon ook indertijd blijken uit een politiële mededeling in een aanvullend relaas bij het vierde verdachtenverhoor van [Lucy C.]:(92)

"Nadat wij haar op de tegenstrijdigheden in haar verklaring hadden gewezen, zoals de bedreiging gepleegd ten opzichte van haar door [Achmed L.] met een vuurwapen, die door Miranda ook was gezien en nadat wij haar de verklaring van [Miranda H.] hierover hadden voorgelezen verklaarde zij dat dit zéér beslist niet waar was en "hoe men erbij kwam" dat zij zou zijn bedreigd door Achmed."

Met de "tegenstrijdigheid" in de verklaring van [Lucy C.] wordt kennelijk niet een innerlijke tegenstrijdigheid in haar verklaringen bedoeld, maar een contradictie tussen een mededeling van [Lucy C.] en een mededeling van [Miranda H.], waarbij de laatste door de politie voor juist werd gehouden. Of die mededeling van [Miranda H.] werkelijk juist was, kan m.i. niet worden vastgesteld. Kortom, zo leid ik hieruit af, aan een verdachte ([Lucy C.]) is de verklaring van een ander ([Miranda H.]) als "feit" voorgehouden, hoewel dat voorhouden uit het proces-verbaal van het verhoor zelf niet is op te maken.

Om misverstanden te vermijden dient het volgende. Het is bij gelegenheid van een verhoor beslist niet verboden om de verdachte op enig moment te confronteren met tegenstrijdige informatie die van anderen afkomstig is, ofschoon ongewis is welke lezing de ware toedracht weerspiegelt. Soms is dat nodig om de verdachte de kans te geven te reageren op deze informatie en/of om het verhoor toe te spitsen op een bepaald onderwerp. In zo'n geval zal echter moeten kunnen worden nagegaan hoe, wanneer en met welke informatie de verdachte is geconfronteerd, zodat niet de onterechte indruk ontstaat dat de eventueel door de verdachte bevestigde informatie zelfstandig door hem of haar naar voren is gebracht. Die indruk kan gemakkelijk ontstaan vanwege de gebruikelijke wijze van verbaliseren, waarbij de verklaring van de verdachte als één lopend verhaal wordt gepresenteerd.

7. Forensisch-technisch onderzoek 2008 - 2012

Zie voor een overzicht van de ingebrachte rapportage, appendix B. Alle rapporten bevinden zich zowel in ordner B als in de ordner forensisch onderzoek van het evaluatieteam.

7.1. Dactyloscopisch onderzoek

In het evaluatieonderzoek is een groot aantal (17) getuigen gevraagd en bereid gevonden (opnieuw) hun dactyloscopische signalementen te laten registreren en vergelijken. Een groot deel van de indertijd aangetroffen dactyloscopische sporen, alsmede twee sporen zonder nummer zijn aangeboden ter onderzoek aan de Dienst nationale recherche informatie (DNRI) te Zoetermeer, ter vergelijking met de getuigensignalementen die recentelijk zijn vervaardigd. Een en ander resulteerde in het volgende. Dactyloscopische sporen die afkomstig waren van de gokkast en de geldlades bleken niet overeen te komen met het dactyloscopisch signalement van de beheerder van de gokkast, [betrokkene 30], noch met dat van andere getuigen. Eén van de ongenummerde sporen (met ongespecificeerde herkomst) kon worden gerelateerd aan de chef-kok, [betrokkene 4].

Er is geen bevestiging gevonden van de in '93-'95 getrokken conclusie dat negen andere dactyloscopische sporen aan getuigen moeten worden toegeschreven. Bedacht moet worden dat van drie getuigen geen nieuw dactyloscopisch signalement is vervaardigd, aangezien de twee illegale hulpkoks niet konden worden getraceerd en de echtgenoot van het slachtoffer thans woont in Hong Kong. Van de twee kleinkinderen (destijds drie jaar en één jaar oud) is geen dactyloscopisch signalement vervaardigd (maar overigens wel celmateriaal afgenomen).

De indertijd getrokken conclusie dat géén van de dactyloscopische sporen kon worden gerelateerd aan de veroordeelden is hernieuwd onderzocht en bevestigd.

7.2. Schoensporenonderzoek

Getracht is om na te gaan welke de "getuigen" waren aan wie de schoensporen werden toegeschreven die op de plaats van het delict zijn aangetroffen. Wegens manco's in de verslaglegging van het eerste en tweede politieonderzoek was deze exercitie vruchteloos.

7.3. Onderzoek aan celmateriaal

Bij het NFI bleek bij navraag in 2008 nog steeds sporenmateriaal aanwezig dat zich leende voor nader onderzoek met behulp van de meest recente onderzoekstechnieken. Het betreffen meer specifiek dertien (resterende) textielsporen met een breedte/lengte van telkens enkele centimeters, namelijk één deel van de handdoek nr. 11, negen delen van het T-shirt nr. 12 (ook wel nr. 3.01) en drie delen van de broek nr. 14 (ook wel nr. 3.03). Deze stukken stof zijn opnieuw bemonsterd. Bovendien beschikte het NFI over elf DNA-extracten van materiaal uit oude bemonsteringen, namelijk van de handdoek nr. 11, het T-shirt nr. 12 en de broek nr. 14, alsmede van de bloedsporen met de nummers 7 en 20.

Bovendien is in het evaluatieonderzoek een groot aantal (19) getuigen gevraagd en bereid gevonden celmateriaal af te staan ten behoeve van vergelijkend DNA-onderzoek.

7.4. Celmateriaal in/op de kleding en een handdoek

De door het NFI bewaarde delen van de handdoek, de broek en het T-shirt van het slachtoffer zijn wederom onderzocht op speeksel, thans (in vergelijking met de techniek uit 1994) met behulp van de meer specifieke RSID-saliva-test. Uit het celmateriaal van 38 van de 56 nieuwe bemonsteringen zijn DNA-profielen verkregen, alsook uit één bewaard gebleven DNA-extract van het celmateriaal van een (oude) bemonstering van de broek.

Het komt er kort gezegd op neer dat bij dit onderzoek diverse (onvolledige) DNA-mengprofielen zijn verkregen. Daarin bevindt zich een DNA-hoofdprofiel dat overeenkomt met het profiel van het slachtoffer. Sommige sporen bevatten voorts een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van (minimaal) één manspersoon, en sommige sporen kunnen bovendien, naast celmateriaal dat afkomstig is van het slachtoffer, celmateriaal bevatten van een andere vrouw.

De verschillende mengprofielen, zo begrijp ik, kunnen worden verklaard indien wordt aangenomen dat celmateriaal in diverse sporen afkomstig is van (telkens) het slachtoffer en bovendien van één of meer van een drietal bloedverwante individuen, te weten de kleindochter, de dochter en de jongste zoon van het slachtoffer. De daarna nog resterende DNA-kenmerken kunnen duiden op een technisch artefact of op de aanwezigheid van een relatief zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Deze kenmerken zijn echter onvoldoende informatief voor een onderlinge vergelijking. Er zijn geen concrete aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van DNA van één of meer andere onbekende personen in het celmateriaal van de 38 bemonsteringen van het T-shirt en de broek van het slachtoffer en van het resterende DNA-extract van een deel van de broek van het slachtoffer. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van één of meer van de zes veroordeelden in de bedoelde bemonsteringen en het extract.(93)

7.5. Onderzoek aan veiliggestelde haren

Het NFI bleek bij navraag nog steeds te beschikken over een grote hoeveelheid op de plaats van het delict veiliggestelde haren, en over de referentiemonsters die indertijd van de zes veroordeelden en van enkele andere individuen (onder wie het slachtoffer) waren afgenomen. Veruit de meeste van de op de PD gevonden haren pasten in het hoofdhaarpalet van het slachtoffer, [mw. M.]. Een gering aantal haren bleek mogelijk informatief voor nadere morfologische vergelijking, te weten een lichaamshaar die afkomstig is van een bemonstering van een afveegsel, spoor nr. 9, en enkele hoofdharen afkomstig van de buitenzijde van de broek van het slachtoffer, spoor nr. 14, die niet, dan wel niet goed pasten in het palet van [mw. M.].

Het morfologisch haaronderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd tegen de zes veroordeelden, met dien verstande dat haarcodering m2 (afkomstig van buitenzijde broek) niet alleen past in het haarpalet van [mw. M.], maar ook in dat van [Achmed L.].

Veel haren bleken geschikt voor mitochondriaal-DNA-onderzoek. Het resultaat van onderzoek aan mitochondriaal-DNA (mtDNA) heeft overigens minder onderscheidend vermogen dan dat van onderzoek aan autosomaal DNA, doordat het mtDNA (mutaties daargelaten) onveranderd overerft van moeder op kind. Niettemin kan het resultaat van mtDNA-onderzoek informatief zijn. De referent kan namelijk worden uitgesloten als de donor van het sporenmateriaal indien zijn mtDNA-profiel verschillen vertoont met dat van het sporenmateriaal.

Van de onderzochte haren bleek het daaruit gegenereerde mtDNA-profiel uitsluitend overeen te komen met dat van het slachtoffer (en haar kinderen).

Er zijn slechts enkele uitzonderingen waargenomen, en dat zijn de volgende. De lichaamshaar van het afveegsel, spoor 9, is afkomstig van een onbekende persoon, en niet van [mw. M.] (en haar kinderen), haar kleinkinderen, noch van een van de zes veroordeelden.

Drie haarsporen, waarvan één afkomstig van het T-shirt (spoor 12) en twee van de buitenzijde van de broek (spoor 14) van het slachtoffer bleken afkomstig van telkens een andere onbekende persoon, en wederom telkens niet van [mw. M.] (en haar kinderen), haar kleinkinderen, noch van een van de zes veroordeelden.

De conclusie luidt dat forensisch onderzoek aan de resterende haarsporen, ook met geavanceerde technieken, geen aanwijzing heeft opgeleverd jegens een of meer van de zes veroordeelden.

7.6. Biologisch sporenonderzoek aan de bloedsporen met de nummers 7 en 20

Zoals gezegd beschikt het NFI over bewaard gebleven DNA-extracten van de bloedsporen met de nummers 7 en 20. Dit betreffen de bloedsporen op het werkblad van de tafel waarnaast [mw. M.] is aangetroffen (bloedvlekje, spoor 7) en op de vloer van het halletje naast de gokkast (druppel; spoor 20). Van het daarin aanwezige DNA zijn onvolledige DNA-profielen verkregen, van respectievelijk acht en zes autosomale loci en (in beide gevallen) van het geslachtskenmerk. Beide sporen blijken afkomstig van een man. De zes loci die getypeerd zijn van het DNA in bloedspoor nummer 20 zijn eveneens getypeerd van het DNA in bloedspoor nummer 7. De vastgestelde DNA-kenmerken komen overeen. Dit betekent dat beide sporen afkomstig kunnen zijn van dezelfde (onbekende) man. De berekende frequentie van de zes overlappende loci in deze DNA-profielen bedraagt ongeveer één op 388 miljoen.(94)

De kans dat deze twee bloedsporen afkomstig zijn van één persoon was überhaupt al niet verwaarloosbaar. Dat de uit deze bloedsporen afgeleide partiële DNA-profielen overeenkomen op de zes overlappende loci is (volgens de berekeningen van het NFI) uiterst onwaarschijnlijk indien de bloedsporen van twee verschillende personen zouden zijn. Om die redenen neem ik hierna tot uitgangspunt dat de bloedsporen met de nummers 7 en 20 inderdaad afkomstig zijn van één en dezelfde man.

De Knijff van het FLDO te Leiden heeft deze twee DNA-extracten onderworpen aan mtDNA-onderzoek en Y-chromosomaal-DNA-onderzoek. Van beide sporen werd een Y-chromosomaal DNA-profiel vastgesteld bestaande uit negen 'short tandem repeat'-kenmerken op het Y-chromosoom, waarvan acht overlappend. Voor deze acht kenmerken stemmen de Y-chromosomale DNA-profielen van de sporen 7 en 20 overeen. De resultaten van Y-chromosomaal DNA-onderzoek hebben overigens minder onderscheidend vermogen dan de resultaten van onderzoek aan autosomaal DNA, aangezien het Y-chromosomale DNA (mutaties daargelaten) onveranderd overerft van vader op zoon. Ook het FLDO neemt tot uitgangspunt dat beide sporen van dezelfde mannelijke persoon afkomstig zijn.

Van een reeks van individuen kan thans worden uitgesloten dat zij de bron van de twee bloedsporen zijn, te weten:

- het slachtoffer, [mw. M.];

- haar echtgenoot, [C.L. M.];(95)

- de middelste zoon van het slachtoffer;

- zijn vrouw;

- hun twee kinderen (de kleinkinderen);

- de dochter en de jongste zoon van het slachtoffer;

- de drie koks die het lichaam hebben gevonden ([betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6]);

- [betrokkene 2], de hoofdkelner;

- [betrokkene 7], de serveerster;

- [betrokkene 3] (de chef-kok in het Belgische filiaal);

- [betrokkene 31] (de hulpkok in het Belgische filiaal);

- alle zes veroordeelden;

- (voor zover hiervoor niet reeds genoemd: ) de bronnen van het celmateriaal op de kleding van het slachtoffer (T-shirt en broek).

Het FLDO is er bovendien in geslaagd om van bloedspoor nummer 7 de mtDNA-haplogroep en de Y-haplogroep te determineren. Dit spoor heeft Y-haplogroep O. Deze Y-haplogroep komt in heel Azië en Oceanië voor met duidelijk hogere frequentie in Zuidoost-Azië dan in de rest van Azië. Dit spoor heeft tevens mtDNA-haplogroep M*. Deze mtDNA-haplogroep komt vooral voor in Zuidoost-Azië, Oost-Azië en Oceanië.

Op grond van deze resultaten concludeert het FLDO dat de donor van bovenstaand bloedspoor zowel in direct vrouwelijke lijn, als in direct mannelijke lijn, voorouders heeft die meest waarschijnlijk uit Zuidoost-Azië of Oceanië afkomstig zijn. Hiermee is de kans groot dat de donor zelf ook uit dit gebied afkomstig is. Ik teken aan dat het FLDO niet op de hoogte was van de contextuele informatie dat deze bloedsporen zijn aangetroffen in een Chinees-Indisch restaurant. A priori is de kans dat de donor van het spoor moet worden gezocht bij personen van wie de wortels zijn gelegen in Oost- of Zuidoost-Azië in zo'n geval uiteraard groter.

7.7. De betekenis van de onderzoeksbevindingen

7.7.1. Algemeen

Na enige opmerkingen van algemene aard, zal ik trachten de voorgaande bevindingen om te smeden tot relevante conclusies, om die vervolgens te vergelijken met de conclusies die tot stand zijn gekomen op basis van de resultaten van forensisch-technisch onderzoek dat in de jaren 1993 - 1995 is uitgevoerd.

7.7.2. Interpretatie van bewijsmateriaal(96)

De vraag is welke betekenis toekomt aan een "negatieve" omstandigheid, te weten de afwezigheid van forensisch-technisch bewijsmateriaal dat duidt op de betrokkenheid van de verdachte bij het onderzochte delict. De forensische wetenschap kent namelijk een adagium dat luidt: "absence of evidence is not evidence of absence". Indien dit adagium voor juist wordt gehouden kunnen geen (ontlastende) conclusies worden verbonden aan de omstandigheid dat noch de technische recherche op de plaats van het delict noch andere onderzoekers op stukken van overtuiging sporen hebben aangetroffen die steun geven aan de hypothese dat de verdachte ter plekke is geweest. Naar mijn inzicht behoeft dit adagium echter nuancering, zo niet correctie.

Ter toelichting vang ik aan met een beschrijving van de wijze waarop de resultaten van feitenonderzoek (ook) in een juridische context naar mijn idee zouden moeten worden gewaardeerd.(97) Het gaat mij erom dat de rechter zich in dit verband de juiste vragen stelt.

Bij het justitiële feitenonderzoek worden "hypothesen" of "scenario's" omtrent de toedracht van een delict gehouden tegen het licht van de onderzoeksresultaten. Dit kan worden beschouwd als het toetsen van hypothesen over de toedracht van het onderzochte misdrijf aan de door het justitiële onderzoek verkregen bevindingen. Bepaald bewijsmateriaal kan bijvoorbeeld beter passen in de hypothese dat de verdachte de dader is dan in de andere, tegengestelde hypothese dat de verdachte niets met het misdrijf van doen heeft. Het aan de binnenzijde van een raam aantreffen van een vingerafdruk die kan worden toegeschreven aan de verdachte van een inbraak in de desbetreffende woning, vormt een aanwijzing die meer pleit voor de hypothese dat de verdachte al dan niet bij gelegenheid van de inbraak in de woning is geweest dan voor de hypothese dat hij nimmer die woning heeft betreden. Tegen de achtergrond van deze twee hypothesen is voor de verdachte ook belastend een getuigenverklaring die inhoudt dat een op de verdachte gelijkende persoon is waargenomen toen hij 's nachts de bedoelde woning verliet.

Echter, bij beschouwing van andere hypothesen dan de twee genoemde, zoals verdachtes bewering dat hij de bewoner is van het betreffende pand, kan het bewijsmateriaal een volkomen andere lading krijgen. Bewijsmateriaal heeft dus alleen bewijswaarde bij een beschouwing van specifieke hypothesen die aan toetsing worden onderworpen.

Na sluiting van het onderzoek zullen de oordelende rechters alle vergaarde aanwijzingen in ogenschouw moeten nemen en die aanwijzingen moeten waarderen tegen de achtergrond van de relevante hypothesen. Ten slotte zal de feitenrechter het totale gewicht moeten bepalen van het bewijsmateriaal dat in de richting wijst van de hypothese waarop de tenlastelegging is gestoeld ten opzichte van het materiaal dat wijst op de onschuld van de verdachte.

In dit verband is de vaststelling dat een door de verdachte of een getuige beschreven gang van zaken onmogelijk kan hebben plaatsgevonden buitengewoon informatief. Zolang deze "vaststelling" voor juist wordt gehouden, moet de hypothese dat de beschreven gang van zaken de werkelijkheid weerspiegelt als weerlegd worden beschouwd.

Maar er is op dit punt geen symmetrie. De gevolgtrekking dat een bepaalde gang van zaken niet uitgesloten is, heeft slechts een beperkte betekenis voor de oordeelsvorming. De conclusie dat de beschreven gang van zaken tot de mogelijkheden behoort, moet namelijk steeds worden gevolgd door de cruciale vraag naar de waarschijnlijkheid van die mogelijkheid. Bij de waardering van onderzoeksresultaten mag men zich dus niet beperken tot de vaststelling dat een bepaalde gang van zaken "mogelijk" is. Mogelijkheden vallen niet te wegen. Waarschijnlijkheden wel.(98) Twee gestileerde voorbeelden.

Het slachtoffer van een verkrachting door een haar onbekende man, is op het politiebureau geconfronteerd met de verdachte van dit delict door middel van een Oslo-confrontatie die voldeed aan alle voorschriften. Het proces-verbaal ervan vermeldt dat de vrouw uit het rijtje van zes mannen de verdachte aanwees als de man die zij als haar belager zei te herkennen. Uit het celmateriaal in de inwendige bemonstering van het slachtoffer hebben DNA-deskundigen een DNA-mengprofiel verkregen dat afkomstig is van minimaal twee personen. Daarvan komt een DNA-hoofdprofiel overeen met het DNA-profiel van de vrouw. Het (mannelijke) DNA-nevenprofiel correspondeert niet met het DNA-profiel van de verdachte. Daardoor is uitgesloten dat de verdachte de bron is van dit celmateriaal.

De officier van justitie in deze fictieve zaak benadrukt de (inderdaad reële) mogelijkheid dat bij het forensische onderzoek naar biologische sporen geen celmateriaal van de dader kan worden gedetecteerd (bijvoorbeeld doordat hij een condoom kan hebben gebruikt), en dat het aantreffen van (mannelijk) DNA in het celmateriaal van de inwendige bemonstering van de vrouw het resultaat kan zijn van een eerder gewenst contact. De raadsman van de verdachte benadrukt daarentegen de (inderdaad reële) mogelijkheid dat het slachtoffer zich heeft vergist en dat zijn cliënt bij de Oslo-confrontatie ten onrechte is aangewezen.(99) Zowel de officier van justitie als de raadsman betogen derhalve dat bepaald bewijsmateriaal (contra c.q. pro een veroordeling) moet worden genegeerd. In mijn opvatting mogen de rechters noch het een, noch het ander negeren.

Wat betreft het scenario waarmee de officier van justitie de aanwezigheid van het DNA-houdend celmateriaal van een ander dan de verdachte wegverklaart, moet naar mijn mening niet alleen de mogelijkheid van de door de officier geschetste toedracht onder ogen worden gezien, maar juist ook de waarschijnlijkheid ervan. In dit onderzoeksthema moeten onder meer twee vragen worden beantwoord: (i) die naar de mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer binnen een relevante periode voorafgaande aan het delict een vrijwillig seksueel contact heeft gehad, en (ii) die naar de mate van waarschijnlijkheid dat het DNA-materiaal van dit vrijwillig seksueel contact kan worden aangetroffen bij een onderzoek naar het zedendelict indien zij het bedoelde vrijwillige contact heeft gehad. Als het een of het ander onwaarschijnlijk is, wijst dit op een connectie tussen het zedendelict en het aangetroffen celmateriaal.

De hypothese van de verdediging ("het slachtoffer vergist zich") moet eveneens aan een waarschijnlijkheidsweging worden onderworpen. In dat verband rijst onder meer de vraag naar de mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer bij gelegenheid van een Oslo-confrontatie de verdachte als de dader aanwijst indien de verdachte werkelijk de dader is, ten opzichte van de mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer de verdachte als dader aanwijst, indien hij onschuldig is en het slachtoffer zich dus heeft vergist.

Een spiegelbeeldige casus, bijvoorbeeld, moet langs dezelfde weg worden benaderd. Stel dat het slachtoffer de verdachte bij de Oslo-confrontatie niet heeft herkend, maar dat het DNA-nevenprofiel dat is verkregen bij DNA-onderzoek aan het celmateriaal in de inwendige bemonstering van het slachtoffer wel overeenkomt met dat van de verdachte. Terecht wijst de officier van justitie er in die casus vermoedelijk op dat in lang niet alle gevallen het slachtoffer bij een Oslo-confrontatie de dader als zodanig herkent. De raadsman daarentegen wijst op de mogelijkheid dat het celmateriaal waaruit het DNA-nevenprofiel is gegenereerd afkomstig is van een ander dan de verdachte. Wederom zal de rechter geen informatie mogen negeren en de onderzoeksbevindingen moeten wegen in het licht van de relevante hypothesen. De rechter kan daartoe bijvoorbeeld twee eenvoudige scenario's in ogenschouw nemen: 1. de verdachte is de dader, en 2. de verdachte is niet de dader. In het laatste geval is het niet-herkennen van de verdachte door het slachtoffer zeer goed verklaarbaar. Wat betreft de overeenkomst tussen het DNA-nevenprofiel van het celmateriaal in de inwendige bemonstering van het slachtoffer enerzijds en het DNA-profiel van de verdachte anderzijds, zal de rechter zich onder meer moeten afvragen wat de mate van waarschijnlijkheid is dat die DNA-'match' wordt gevonden in het geval de verdachte niet de dader is (de tweede hypothese). Daartoe dienen in de eerste plaats de gegevens uit het DNA-onderzoeksrapport omtrent de schatting van de frequentie waarmee dit DNA-profiel voorkomt in een bepaalde (doorgaans de Nederlandse) populatie. Bovendien zal de rechter in dit verband rekening moeten houden met de kans op een laboratoriumfout waarbij ten onrechte een 'match' wordt gerapporteerd.

Contra-indicaties voor een veroordeling hoeven in het licht van eventueel ander (zeer) overtuigend bewijsmateriaal niet doorslaggevend te zijn, maar de contra-indicaties moeten wel worden meegewogen bij de totstandkoming van het bewijsoordeel. Contra-indicaties mogen m.i. niet worden "daargelaten", maar dienen te worden gecompenseerd door nog hogere eisen te stellen aan het bewijsmateriaal dat pleit voor een veroordeling.

Voorgaande twee voorbeelden betreffen gevallen waarin contra-indicaties voor een veroordeling worden geëvalueerd. In het geval waarin de verdachte een bewijsverweer voert tegen een veroordeling, is de rechter naar vaste rechtspraak in elk geval gehouden om een dergelijke waarschijnlijkheidsweging uit te voeren. Met een zogeheten "Meer en Vaart"-verweer bestrijdt de verdachte de tenlastelegging met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet strookt met een bewezenverklaring. Indien deze alternatieve lezing niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen behoort zij dus tot de vooralsnog bekende mogelijkheden. Ook in zo'n geval zal de rechter zich niet alleen moeten afvragen of de bewijsmiddelen de door de verdachte geschetste gang van zaken uitsluiten, maar tevens moeten onderzoeken hoe waarschijnlijk de in die alternatieve lezing geschetste gebeurtenissen zijn. Hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheden mag de rechter ongemotiveerd passeren. Onwaarschijnlijke mogelijkheden zal de rechter mogen passeren met een motivering die ten minste de in cassatie aan te leggen begrijpelijkheidstoets kan doorstaan. Van de rechter mag in elk geval meer activiteit worden verwacht dan de enkele vaststelling dat een door de verdachte geopperde mogelijkheid niet wordt uitgesloten door het tot dan toe gevonden bewijsmateriaal om vervolgens zonder meer vrij te spreken. Het verweer vormt juist een aanleiding voor rechterlijk onderzoek, niet het sluitstuk.(100)

7.7.3. Absence of evidence

Na deze inleiding hoef ik slechts kort te spreken over de "absence of evidence". Dat "absence of evidence" geen sluitend "evidence of absence" meebrengt,(101) houdt verband met de - op zichzelf correcte - gedachte dat niet in alle gevallen de sporen worden gevonden die de dader op de plaats van het delict heeft achtergelaten. Het is kortom mogelijk dat de verdachte heeft deelgenomen aan het delict zonder dat de stille getuigen daarvan konden worden veiliggesteld. Met dit argument zal de rechter naar mijn mening echter niet mogen volstaan. Wederom zal hij de mate van waarschijnlijkheid dat bij technisch onderzoek geen sporen worden gevonden moeten waarderen, en daartoe bijvoorbeeld twee contraire hypothesen beschouwen, namelijk (1) dat de verdachte als dader van het delict sporen heeft achtergelaten, en (2) dat de verdachte nimmer de plaats van het delict heeft betreden.(102)

De afwezigheid van aanwijzingen kan aldus bezien wel degelijk een aanwijzing voor afwezigheid constitueren, en dit naar gelang de kwaliteit van het zoekproces. Naarmate het sporenonderzoek meer consciëntieus en deskundig is uitgevoerd, strookt de vruchteloosheid van het sporenonderzoek beter met de hypothese dat de verdachte part noch deel had aan het onderzochte misdrijf dan met de hypothese van schuld.

7.7.4. Geen onderzoeksresultaten die wijzen in de richting van de veroordeelden

In de voorliggende zaak kan de hiervoor beschreven redenering moeiteloos worden toegepast op twee kwesties:

1. Dat er geen kogelsporen, schotverwondingen, resten van munitie, of kogelinslagen zijn aangetroffen, is (hoogst) onwaarschijnlijk indien er door de dader(s) zou zijn geschoten met een vuurwapen.

2. Dat niemand van de omwonenden melding heeft gemaakt van de waarneming van enig geluid dat past bij een langdurige, luidruchtige en "beestachtige" mishandeling op het trottoir voor [de P.], is hoogst onwaarschijnlijk bij beschouwing van het scenario waarin [mw. M.] het slachtoffer was van de in de bekentenissen beschreven mishandeling.

Meer problematisch is het niet aantreffen van sporen die erop wijzen dat de veroordeelden aanwezig zijn geweest in de keuken van het restaurant en aldaar [mw. M.] hebben mishandeld en gedood. Immers, de kernvraag is dan: hoe goed is er gezocht naar sporen? En dit met de indertijd beschikbare technieken en wetenschap. Dat een kok enige dagen na het sporenonderzoek bij schoonmaakwerkzaamheden een oorbel heeft gevonden die nog afkomstig was van [mw. M.], is wat dit betreft geen geruststellende gedachte.

Anderzijds is er bijvoorbeeld destijds al en thans opnieuw gezocht naar speeksel op de door [mw. M.] gedragen kleding. Was er in 1993 een grove selectie gemaakt met behulp van een test op amylase (een kenmerkend bestanddeel van speeksel), eind 2008 en in 2009 heeft de meer specifieke RSID-saliva-test geleid tot toepassing van de laatste technieken van DNA-onderzoek aan welgeteld 56 nieuwe bemonsteringen. Het resultaat daarvan wijst (nog steeds) niet in de richting van de veroordeelden, maar er is nu wel beter gezocht dan in 1993. Dit (negatieve) onderzoeksresultaat is m.i. zeer onwaarschijnlijk indien hetzij [Anil B.], hetzij [Appie T.] een ruime hoeveelheid speeksel zou hebben achtergelaten op de kleding van [mw. M.]. Die conclusie zou in 1993 (te) gewaagd zijn, al is het maar omdat indertijd [Anil B.], [Achmed L.] en [Appie T.] niet absoluut konden worden uitgesloten als de bron van celmateriaal op kleding van [mw. M.]. Nu weten wij dankzij de deskundigen - kort gezegd - dat het celmateriaal voor zover niet afkomstig van [mw. M.] zelf, waarschijnlijk afkomstig is van een of meer van haar kinderen of kleinkinderen.

Gelijke overwegingen gaan op voor de resultaten van onderzoek aan haren die op de PD zijn veiliggesteld. Er zijn recentelijk veel meer haren onderzocht en dit mede met toepassing van mtDNA-onderzoek. Dat was in 1993 nog niet mogelijk. De conclusies zijn dan ook stelliger: geen van de aangetroffen en onderzochte haren is afkomstig van de veroordeelden.(103) Ook die conclusie zou in 1993 te gewaagd zijn.

Het herhaalde onderzoek aan dactyloscopische sporen en schoensporen heeft uiteraard geen gewijzigde inzichten gebracht. Er zijn immers geen andere sporen onderzocht dan indertijd en ook de onderzoekstechnieken zijn sindsdien niet wezenlijk verbeterd.

Niettemin hebben de hier genoemde (negatieve) resultaten van forensisch onderzoek aan de kleding van [mw. M.] en aan de op de PD veiliggestelde haren vanwege de verbeterde onderzoekstechnieken en de toegenomen grondigheid waarmee het onderzoek is uitgevoerd m.i. betekenis voor deze zaak. De steun voor de hypothese dat de veroordeelden niet bij gelegenheid van het levensdelict in de keuken van het restaurant aanwezig zijn geweest, is toegenomen ten opzichte van die voor de hypothese van schuld.

7.7.5. Hebben de bloedsporen met de nummers 7 en 20 een relatie met het delict?

Het belang van deze vraag is evident: het door [Jane H.], [Karin N.] en/of [Jenny L.] (globaal) geschetste scenario wordt weerlegd indien deze bloedsporen verband houden met het delict. Hun lezing verdraagt zich niet met het scenario waarin een ander dan de veroordeelden als dader heeft deelgenomen aan het geweldsdelict en bij die gelegenheid of bij het openbreken van de gokkast een lichte verwonding heeft opgelopen.

De cruciale vraag naar de relatie met het delict is echter niet met zekerheid te beantwoorden. Niet uitgesloten is dat de bloedsporen geen enkel verband houden met het delict. Andermaal rijst de vraag naar de waarschijnlijkheid van deze mogelijkheid. Zoekend naar het antwoord loop ik de bekende aanwijzingen langs.

In 1993 was het verband tussen beide sporen, afgezien van de vindplaatsen, nog onbekend. Thans weten wij dat de twee bloedsporen naar alle waarschijnlijkheid afkomstig zijn van dezelfde (onbekende) man. In het afhaalgedeelte en in de keuken van het restaurant zijn van deze ene bron twee bloedsporen aangetroffen, en dit precies op locaties waar een vrouw met geweld om het leven is gebracht en waar een gokkast is opengebroken.

In dit verband is wederom de ouderdom van de bloedsporen van belang. Hierboven in 4.8 heb ik de aanwijzingen geïnventariseerd die op 4 juli 1993 reeds duidden op een betrekkelijk recent ontstaan van de sporen. Aangezien bekend is geworden dat deze bloedsporen hoogstwaarschijnlijk afkomstig zijn van één bron, ligt thans nog meer voor de hand dat de twee sporen ongeveer tegelijkertijd zijn afgezet.

Nieuw is bovendien een memo(104) met de bevindingen van NFI-deskundige Van der Scheer over de bloedspat op foto 13 (spoor 20, halletje):

"Het lijkt aan de hand van de foto te gaan om een passieve bloedspat, die nog niet is ingedroogd en die afkomstig kan zijn van een bebloede persoon of bebloed object;

Er valt op grond van de getoonde foto niet te zeggen of deze bloedspat delictgerelateerd is."

De laatste zin heb ik voor de volledigheid niet willen weglaten. Louter op basis van deze foto kan ook een deskundige als Van der Scheer niet bepalen of bloedspat nr. 20 delictgerelateerd is. Maar zijn opmerking dat het lijkt te gaan om een nog niet ingedroogde bloedspat is veelzeggend. Zijn mededeling betreft een onlangs opgekomen aanwijzing dat het bloedspoor indertijd betrekkelijk recent was ontstaan. Daarmee neemt de waarschijnlijkheid van een connectie met de delicten toe.

Nieuw is bovendien dat diverse relevante individuen zijn uitgesloten als de bron van deze twee sporen. Gaf de uitkomst van het klassieke bloedonderzoek nog een geringe indicatie in de richting van [Achmed L.], thans moet integendeel worden aangenomen dat hij - gelijk de andere veroordeelden - niet de bron van deze twee bloedsporen kan zijn. Datzelfde geldt voor de personen die [mw. M.] hebben gevonden of ter plekke zijn gaan kijken, voor werknemers, alsook voor verwanten van [mw. M.]. Een onschuldige totstandkoming van deze bloedsporen is daarmee aanzienlijk minder waarschijnlijk geworden.

Naar mijn mening mogen de bloedsporen met de nummers 7 en 20 niet worden genegeerd, en dit vanwege de cumulatie van aanwijzingen dat het ontstaan ervan geen toevallige samenloop van omstandigheden betreft, maar samenhangt met het openbreken van de gokkast en de moord op [mw. M.].

8. Het evaluatieonderzoek 2010 - 2011

8.1. Algemeen

Het evaluatieonderzoek heeft niet alleen bestaan uit het verrichten van nieuw forensisch-technisch onderzoek. Het onderzoek was vooral tactisch van aard. Een groot aantal van de in het dossier genoemde getuigen zijn geïnterviewd. Hetzelfde geldt voor vijf van de zes veroordeelden. Geïnterviewd zijn tevens vrijwel alle rechercheurs die in 1993 - 1994 het eerste en het tweede opsporingsonderzoek hebben verricht, en dit met het doel om inzicht te verwerven in de wijze waarop de verhoren van de veroordeelden hebben plaatsgevonden en om informatie te verkrijgen die niet of onvoldoende in het politie- en justitiedossier was terug te vinden. Naspeuringen zijn gedaan naar ontbrekende onderdelen van het dossier en naar ontbrekende stukken van overtuiging. Een grote hoeveelheid gegevens was onderwerp van criminele analyse door een daartoe opgeleide analiste.

Voor een beschrijving van de onderzoeksverrichtingen, van de onderzoeksresultaten en van de praktische problemen waarvoor het evaluatieteam zich gesteld zag, verwijs ik graag naar het samenvattend verslag d.d. 5 september 2011 van de hand van teamleiders Kapsenberg en Van der Wulp.

8.2. De interviews met [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.]

8.2.1. Hieronder citeer ik relevante passages uit het verslag van de interviews. Onvermijdelijk krijgt de lezer een indruk van hoe de politieverhoren in 1994 en 1995 zijn verlopen. Ik wil er nu reeds op wijzen dat de perceptie van de verhorende rechercheurs een andere is. Voor mij is thans kern van de zaak het verkrijgen van informatie die kan bijdragen aan een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen die de vrouwen indertijd hebben afgelegd en van de "intrekking" daarvan bij gelegenheid van de interviews.

Ik acht het relevant om erop te wijzen dat tot op heden geen van de drie vrouwen ook maar enige belangstelling heeft getoond voor een herziening van hun veroordelingen.

8.2.2. [Jane H.]

[Jane H.] is tweemaal geïnterviewd, te weten op 3 november 2010 en op 10 november 2010. In een afzonderlijk rapport is verslag gedaan van de observaties tijdens het eerste interview.

Aan het verslag van het eerste interview ontleen ik de volgende passages:

"[Karin N.] en [Jane H.] werkten bij cafetaria [de cafetaria]. Na haar werk wilden ze de stad in. [Karin N.] had een relatie met [betrokkene 32] en met [betrokkene 33]. [betrokkene 33] woonde boven de winkels waar ook [de cafetaria] zat. [betrokkene 33] was op vakantie en zijn Opel Kadett, met een schildpadje op zijn dak, mochten [Karin N.] en [Jane H.] gebruiken. [Jane H.] had een vriend [betrokkene 34] die in de stad woonde met een aantal vrienden. Zij ontmoette die avond [betrokkene 34] in de Ierse Pub. [Karin N.] en [Jane H.] kwamen op de avond van 3 juli 1993 op het idee te gaan zwemmen omdat het lekker weer was. [Jane H.] is haar bikini gaan halen om te gaan zwemmen bij de Galderse meren, maar toen wilde de auto niet starten. [betrokkene 34] werd gebeld die met zijn auto kwam. Die startte de auto van [Jane H.] met startkabels. Met [Karin N.] is ze naar de Galderse meren gegaan. [Jane H.] weet zeker dat ze daar samen naakt gezwommen hebben. Daarna zijn ze naar de woning van [betrokkene 33] gegaan waar ze zouden gaan slapen. Daar aangekomen in de straat zagen beiden de auto waar Blonde Mo (die [Jane H.] later Appie noemt) en die jongens altijd mee reden. [Karin N.] en [Jane H.] namen toen een straat eerder en zijn de steeg ingereden tussen het Chinees restaurant en cafetaria [de cafetaria]. Ze stonden zo dichter bij de trap. [Karin N.] en [Jane H.] hebben daar een half uur staan wachten totdat die jongens weg waren. [Jane H.] wist dat die jongens de auto van [betrokkene 33] niet kenden. [Karin N.] en [Jane H.] zijn daarna de trap opgegaan en de woning ingegaan. Daar zijn ze gaan slapen. De volgende dag moest [Jane H.] werken en hoorde ze dat er een moord was gepleegd. Ze zag daar bij het restaurant die nacht de personen: Blonde Mo (Appie), Anil en iemand waar ze de naam niet van wist, maar die niet zoveel op de [a-straat] kwam.

Tijdens de verhoren legden de verhoorders haar woorden in haar mond in de trant van: Je moet dit of dit vertellen, want we weten het al en het is allemaal zo gebeurd. Vertel maar dat het zo is gebeurd. Beaam het maar. De verhoorders hebben foto's van die vermoorde vrouw laten zien. De verhoorders hadden foto's van verschillende geweren laten zien. [Jane H.] moest aanwijzen welke pistolen de jongens gebruikten. Er werd verteld: Je bent wel betrokken want er zijn haren van jou gevonden vertel het maar. [Jane H.] dacht dat ze wel vijf of zes verschillende verklaringen had afgelegd. Ze werd verhoord door twee rechercheurs. Ze probeerde hun vragen te beantwoorden. De verhoorders zeiden ook dat ze loog. De verhoorders zeiden dat ze de antwoorden al wisten, maar dat de verhoorders het uit haar mond moesten horen. Op een gegeven moment was het van: Zeg het nu maar dat je dat of dat hebt gedaan. [Jane H.] dacht dan zoiets van: Dat heb ik niet gedaan. Maar de verhoorders zeiden haar dan dat ze maar moest zeggen dat ze het gedaan had. In het verhoor werd haar verteld dat andere verdachten ook dingen hadden verklaard. Ze wilde dan weten of het waar was. Ze zag foto's van het slachtoffer en dan zeiden ze: Kijk wat jullie hebben gedaan, terwijl [Jane H.], naar haar zeggen, helemaal niks gedaan had. Ze werd geconfronteerd met verklaringen van [Lucy C.] en [Karin N.].

De politie verhoorde ook die jongens, maar die zeiden niets. Die zeiden alleen dat ik loog. De verhoorders zeiden dat [Karin N.] vast zat en dat [Lucy C.] vast zat. Lucy was weer snel vrij. [Jane H.] wist niet meer met wat voor informatie zij uit de verklaring van [Karin N.] werd geconfronteerd. Maar op de confrontaties van [Karin N.] moest [Jane H.] de waarheid zeggen, omdat anderen wel hetzelfde verhaal vertelden. [Jane H.] moest dan maar toegeven dat ze zat te liegen en dat ze had meegedaan en dat zij dan eerder klaar zou zijn met het verhoor en dat ze kans had op vrijheid. [Jane H.] dacht nog te weten dat ze in de tweede week van haar verhoor foto's van het slachtoffer kreeg te zien, maar ze wist het eigenlijk niet zeker. Ze kreeg vier foto's te zien. De vrouw stond op de foto met bloed en blauwe plekken afgebeeld. In een ander verhoor werden op foto pistolen of geweren getoond. [Jane H.] moest aanwijzen welke wapens zij bij de Marokkanen had gezien.

[Jane H.] werd een paar uur per dag verhoord. De verhoren werden niet opgenomen. Hetzelfde verhaal werd tot drie/vier keer herhaald en dat verhaal, met aanwijzingen van de politie en naar haar mening door de politie opgelegde veranderingen, werden uiteindelijk uitgetypt en dan moest [Jane H.] dit nalezen en ondertekenen. Dan waren de aanpassingen verwerkt over hetgeen niet klopte. Dat gaf de politie aan en praatten op [Jane H.] in. [Jane H.] tekende met het idee: Dan zal het wel zo zijn. Ze verklaarde wat de politie zei over hoe het ging en wat ze gedaan had. [Jane H.] las haar verklaringen wel. Ze bladerde ze eigenlijk wat door en tekende zonder te weten wat erin stond. [Jane H.] zei dat de politie van haar wilde dat ze verklaarde dat ze in het restaurant was geweest. Dat ze bij die vrouw thuis was geweest en hoe ze was gelopen. In een auto moest [Jane H.] met de recherche 's avonds bepaalde routes rijden om aan we wijzen hoe ze had gelopen. Er werden twee of drie routes gereden. [Jane H.] heeft toen een route aangewezen, want haar verhoorders bleven maar vragen of zij het zeker wist of ze de goede route aanwees. En als [Jane H.] dan maar een route aanwees, dan was dat niet goed omdat anderen daar anders over verklaard hadden. [Jane H.] wilde dan naar bed en wilde van het verhoor af, want zij kreeg in Ulvenhout geen eten. [Jane H.] wees een route aan onder dwang, omdat de politie zei, dat anderen dat ook al hadden verteld.

De politie sprak eerst rustig met haar. Later werd de stem van de verhoorders verheffend, drukkend en dwingend voor haar. Ze kon dat alleen uitleggen door dit te vergelijken wat een ondeugend kind, dat je vraagt de waarheid te zeggen, met de onderliggende opmerking dat als het kind de waarheid niet vertelt, er nog meer straf volgt. Er werd verhoord in Ulvenhout. Ze werd of 's morgens opgehaald en 's middags terug of 's middags opgehaald en 's avonds terug. Of zij werd 's avonds opgehaald en dan kwam zij later op de avond terug. De verhoren duurden 's avonds tot rond 23.00 uur, terwijl ze zwanger was. [Jane H.] omschreef dat als hectisch, vanwege het ontbreken van rust. De wijze van ondervragen kon ze niet omschrijven. Haar beleving was dat ze vertelde wat de politie wilde horen, omdat ze gebroken was en ze dacht dat ze vrij zou komen als ze het vertelde. Steeds werd er door de politie gezegd: Je eerste verklaring. Dat is een leugen. Je tweede verklaring. Dat is een leugen. We gaan nu werkelijk op papier zetten wat er gebeurd is, werd er dan gezegd. Vertel nu maar wat we net hebben besproken. Vertel dat wat we van een ander weten, jij dat ook hebt gedaan. De politie zei, dat ze haren van haar hadden gevonden en er vingerafdrukken in de keuken waren aangetroffen. [Jane H.] dacht dat die jongens haar haren, die ze bij haar verkrachting uit haar hoofd hadden getrokken, daar bij die dode vrouw neer hadden gelegd.

[Jane H.] zei dat ze toen in het onderzoek alles vertelde wat de politie wilde horen. Of het was haar versie of het was de versie van de politie, dan wanneer haar eigen versie niet werd geloofd. Tot het slapen bij [betrokkene 33] was het haar verhaal. Wat er die nacht is gebeurd en dat zij met [Jenny L.] was weggeweest, was niet haar verhaal. Dat waren dingen die haar voorgelegd waren en die niet van haar uit waren gekomen. [Jane H.] moest van de verhoorders maar vertellen wat de anderen hadden verklaard waarna ze twee dagen later weer kwamen. Er werd dan gezegd: Er klopt iets nog niet. [Jane H.] denkt dan wel dingen verzonnen te hebben. Ze kon uit eigener beweging geen voorbeelden geven.

Na vier of vijf uur verhoor, met de nodige aanpassingen, werd een verhoor uitgetypt en uitgeprint. Een rechercheur ging dan even naar een ander kamertje en dan was er het uitgeprinte verhoor wat ze moest ondertekenen. [Jane H.] wist niet meer of er ook geschreven werd tijdens het verhoor. De verschillen in de verklaringen van [Jane H.] kwamen tot stand doordat haar verhaal niet geloofd werd. Er werden door de verhoorders dingen gezegd die anderen al verklaard zouden hebben. De politie wist de waarheid al. Ze kon het beter maar vertellen en toegeven, want dan waren zij klaar en kon het afgesloten worden. En dat iedere keer weer. Want zelfs bij hetgeen dat de politie vertelde, zaten volgens de politie haken en ogen aan en dan moesten ze van haar weten hoe het dan wel zat. Dat kwam dan weer ter sprake in een ander verhoor. Daardoor gaf ze iedere keer in het verhoor een ander verhaal, waarbij ze dingen verzon om het verhaal (dat haar door de politie werd aangesmeerd) alsnog door haar compleet werd gemaakt, omdat de politie vond dat het verhaal nog niet compleet was. [Jane H.] had niets tegen het onderzoek rond haar persoon. Ze had slechts aversie tegen de wijze van verhoren.

[Jane H.] kon niet verklaren waarom ze in haar eerste verklaring bij de politie na haar aanhouding al sprak over Anil met wie ze, volgens haar verklaring, sprak in de [b-straat]. Nu zegt [Jane H.] dat ze niemand bij de plaats delict gesproken heeft. Ze kon niet uitleggen hoe dat kwam dat dit toen toch in haar verklaring opgenomen was.

[Jane H.] kende in 1993 [mw. M.] niet. Ze was nooit binnen geweest in het restaurant. Ze wist waar [M.] woonde omdat de politie dat haar verteld had. De politie had haar gezegd dat ze daar met Jenny was geweest en wees haar de woning waar die vrouw woonde die vermoord was. [Jane H.] begreep niet hoe het kwam dat ze in het vierde verhoor bij de politie verklaarde dat ze het slachtoffer kende. [Jane H.] wist alleen dat de moeder van de eigenaar van het restaurant vermoord was. Dat hoorde ze de volgende dag.

[Jane H.] verklaarde dat het verhaal over het ophalen van [mw. M.] niet bij haar vandaan kwam, omdat zij [M.] niet had opgehaald. Ze denkt dat ze dat misschien wel verklaard had bij de politie zoals ze zoveel had verklaard wat haar in de mond was gelegd. [Jane H.] had op de dag na de moord in het restaurant naar binnen gekeken. Ze had toen een papier op het raam gelezen. Ze kon best verklaard hebben dat ze 's nachts door het raam had gekeken. Ze kon niet verklaren waarom ze dat had verklaard. Er was haar door de politie verteld, dat [mw. M.] in de keuken was gevonden. De politie had haar gevraagd: Hingen er pannen? [Jane H.] antwoordde dan: Dat weet ik niet want ik ben niet binnen geweest. Er werd dan door de politie gezegd: Dat ben je wel want er zijn haren van je gevonden. En vingerafdrukken. Ik moest dan vertellen wat er op het werkblad stond. Maar [Jane H.] wist niet hoe het er daar in het restaurant uit zag.

[Jane H.] kon niet zeggen waarom [Karin N.] op 19 april 1994 al in haar verklaring werd genoemd als iemand die in de [b-straat] kennelijk meer wist over de dood van [M.]. Volgens [Jane H.] was [Karin N.] ook niet in het restaurant geweest.

[Jane H.] was ervan overtuigd dat [Karin N.] vast zat vanaf het moment dat zij ook was aangehouden. De politie zei dat [Jane H.] de laatste was die aangehouden was en dat de andere verklaringen overeen kwamen. Er zaten wel haken en ogen aan, maar ze wisten wel hoe het in elkaar zat. Er werd wel gezegd tegen haar dat [Karin N.] en [Jenny L.] dat en dat hadden gezegd. [Jane H.] had nooit passages uit hun verklaringen gezien."

Aan het verslag van het tweede interview ontleen ik de volgende passages:

"[Jane H.] heeft tijdens de verhoren van de rechterlijke macht en tegenover haar advocaat altijd volhard in haar bij de politie afgelegde verklaringen, omdat zij, naar haar zeggen, door de politieverhoren een verhaal voor zichzelf was gaan neerzetten, dat zij ook als waarheid is gaan geloven. In het geloof van hetgeen zij gedaan zou hebben, is zij blijven volharden en bleef daar later bij de rechters en haar advocaat ook bij. Op de vraag wanneer zij dan voor haar zelf bepaalde dat het verklaarde niet gebeurd zou zijn, zegt ze dat dit in haar periode was dat zij in de P.I. De Peel te Sevenum verbleef. Haar gevoel dat zij helemaal niet binnen was geweest in het Chinese restaurant kreeg toen de overhand, hetgeen haar verwarde.

[Jane H.] verklaarde desgevraagd dat zij bij de rechter over het reanimeren van het slachtoffer was begonnen, omdat, zoals ze veronderstelde, de rechter was begonnen over haar opleiding als verpleegster zoals zij daarover bij de politie verklaarde. Een reden waarom zij toen over reanimeren begon, kon ze niet geven. [Jane H.] werd gevraagd hoe het nu kon dat ze erbij bleef dat ze bij haar aankomst zo had gehandeld en dat ze bang was voor de Drie A's, terwijl ze eerder zei dat ze ten tijde van de dood van [mw. M.] alleen [Anil B.] kende en door hem niet bedreigd werd. Op deze vraag antwoordde zij dat ze het eigenlijk niet meer wist."

8.2.3. [Karin N.]

[Karin N.] heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan een interview. Aan een verslag van het telefonisch contact van 20 oktober 2010 dat niettemin tot stand is gebracht, ontleen ik de volgende passages uit haar mond:

"Ik wil helemaal niets verklaren. Ik ga [Appie T.] niet helpen in zijn onschuld. Ik ben door die politiemensen in dat onderzoek heel netjes behandeld. Ze wilden wel de onderste steen boven hebben. Telkens wilden ze weer nieuwe dingen weten en confronteerden zij mij met de verklaringen van anderen. Je gaat dan geloven wat de politie zegt en ik heb gezegd wat ze graag wilden horen. Ik heb zelf geen dingen verzonnen wat hetgeen ik verklaard heb. (...).

Ik ga niet meewerken aan de onschuld van [Appie T.]. Of hij de moord heeft gepleegd weet ik niet. Ik wist niets meer van wat er gebeurd was. Ik was zo dronken, maar de politie wilde dat maar niet geloven en iedereen liet me in de steek. Ik ben onder druk gezet om dit te verklaren. Ik weet niet meer wat er in de verklaringen staat. Ik was in die tijd op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Ik was daar, maar ik was dronken. Ik weet helemaal niet wat daar is gebeurd en wat ik daar gedaan zou hebben. Ik weet ook niet wat [Appie T.] daar heeft gedaan. Wat ik al zei: "Ik was te dronken en daar blijft het tot de dag van vandaag bij." Ik heb de politie naar de mond gepraat. Ik wist het allemaal helemaal niet. Maar ik zat daar maar tussen vier muren. Zij hadden de macht.

[Appie T.] en die andere twee zijn wel degelijk schuldig. Of het de moord betrof dat weet ik niet, maar het waren gewoon criminelen in die tijd."

Bij een tweede telefonisch contact, 27 oktober 2010, heeft zij onder meer meegedeeld:

"Ik heb mijn advocaat gebeld en hem de situatie uitgelegd. Hij zei mij dat [betrokkene 32] ([betrokkene 32], haar partner, D.A.) en ik moesten doen wat ons ingegeven werd. Maar ik kan niet komen op een politiebureau; in een verhoorkamer. Er is daar teveel gebeurd. Mijn leven kan het niet aan om alles weer opnieuw op te rakelen. Ik kan het niet aan om vragen te beantwoorden. (...). U bent rechercheur. U heeft toch weer allerlei vragen die ik niet kan beantwoorden. U noemt het een interview. Ik noem het toch een verhoor. [betrokkene 32] zegt steeds tegen mij: [Karin], dat is niet zo maar een gesprekje. Dat gaat uren duren. (...) Al 17 jaar leef ik met hetgeen ik u gezegd heb. (verb: in het vorige gesprek) De rest van mijn leven zal dat ook wel lukken. (...)."

8.2.4. [Jenny L.]

[Jenny L.] is op 11 november 2010 geïnterviewd. Aan het verslag daarvan ontleen ik de volgende passages:

"Ik vind het goed dat de zaak heropend wordt. Ik heb het niet gedaan. Ik ben er niet bij betrokken geweest. Ik heb toen onder druk verklaringen afgelegd.

In Breda waren het teringlijders. Ook de mensen van het cellenblok. Het waren honden. Zelfs bij het douchen had ik geen privacy. Ik heb daarover ook met mijn advocaat gesproken. Ook werd ik door mannen gefouilleerd. Ook in het verhoor gedroegen zij zich niet correct. Er was sprake van dwang en langdurige verhoren. Uren in een hokje laten zitten. Ik zat in een cel met spikkeltjes op de muur. Dat was in het bureau Mijkenbroek. Het was geestelijke mishandeling. Door hun manier van vragen joegen zij mij op de kast.

Ik ben niet bij de voorbereidingen geweest. Ik word boos over dit soort vragen. Ik voel mij in de hoek gezet. Ik heb sommige dingen onder dwang afgelegd en met mijn ogen dicht getekend. Ik heb sommige verklaringen zelfs niet gelezen. Dit kwam door de druk van de politie. Ik was 18 jaar, zat in beperkingen, zat in de bak, zie daar maar te overleven. Ik werd telkens met andere zaken geconfronteerd en wilde met rust gelaten worden. Ik was het beu. Ik ben er niet bij geweest, ook niet bij de voorbereiding. Ik neem zelfs aan dat die gasten het ook niet hebben gedaan en ik weet niet wie het verder heeft gedaan. Ik zie ze het niet doen. Ook die meiden niet. Dat waren watjes.

Vraag: Het is toch tegenstrijdig als je zegt dat je er niet bij bent geweest en je advocaat komt met een verhaal dat je wel bij de voorbereidingen bent geweest. Dat duidt toch op jouw betrokkenheid bij de zaak? Je trekt al je verklaringen in, maar dit blijft staan.

Nogmaals ik ben er niet bij geweest. Ik zal dat toen niet goed met mijn advocaat hebben doorgesproken. Hij had ook dit verhaal in moeten trekken. Mijn advocaat was een goede vent hoor, maar hij had dit in moeten trekken. Ik was er klaar mee. Ook als ik 20 jaar had gekregen. Ik geloof ook niet dat de anderen het hebben gedaan. Ik ga er echt niet van uit. En dat is de waarheid. Ik zie het ze echt niet doen.

Vraag: Dus een aantal mensen wordt iets in de schoenen geschoven?

Ja.

Vraag: Hoe kan het dan dat je in je Haagse verklaring makkelijk en duidelijk een verklaring aflegt en ook de consequenties inziet. Dat je in eerste instantie in de [M.] zaak ook belastende verklaringen aflegt maar die later weer intrekt. Gezien die verklaringen kan dat toch niet allemaal uit politie druk afkomstig zijn?

Opmerking rapporteurs: betrokkene geeft hier geen direct antwoord op. Gedurende het interview geeft zij wel diverse malen aan dat zij de detentie op zich en alle omstandigheden er omheen als druk en belastend heeft ervaren.

Vraag: Waarom heb je aan derden (advocaat, reclassering, gedragsdeskundige e.d.) niet aangegeven dat je onschuldig was?

Ik was er klaar mee. Ik wilde met rust gelaten worden.

Vraag: Heb jij je destijds verdiept in het dossier?

Weinig.

Vraag: Begrijp je nu dat je op basis van de feiten uit het dossier veroordeeld bent?

Ja, voor niks. Ik heb deels voor niks gezeten. Ik heb er ook veel aan overgehouden. Ik durf nu nog steeds niet om mij in grote menigten op te houden. Ik ben er ook niet aardiger op geworden.

Vraag: Jenny we vragen je het nog een keer, voor jezelf en voor alle anderen in dit onderzoek. Die [mw. M.] is dood dat is zeker. De familie deed dat zeer en ook nu nog hebben zij er last van, ook door dit onderzoek. Jou doet het ook pijn dat alles weer opgerakeld wordt en ook je mede verdachten. Alles is gezegd. Dit onderzoek moet recht doen aan jou maar ook alle anderen. Is hetgeen je ons zojuist vertelde de waarheid?

Ik heb het gewoon niet gedaan. Dat is de waarheid. Ik kan verder niets over de bewuste dag vertellen omdat ik niet op de [b-straat] was. Ik weet ook niet wie het wel gedaan heeft. Ik heb nog een brief gehad van een universiteit om mee te werken aan een nieuw onderzoek. Ik had daar geen zin in en heb de brief weggegooid."

8.2.5. Conclusies

[Jane H.] en [Jenny L.] hebben bij gelegenheid van de interviews meegedeeld dat de bekennende verklaringen die zij indertijd hebben afgelegd niet stroken met de werkelijkheid. [Jenny L.] had al op 30 mei 1994 ten overstaan van de rechter-commissaris haar verklaringen ingetrokken. Een nieuw element is evenwel dat zij thans ook terugkomt op haar mededeling ter terechtzitting van de rechtbank van 12 juli 1994, te weten dat zij op enig moment voorafgaande aan de nacht van 3 op 4 juli 1993 aanwezig was bij de beraming van het misdrijf. Dat [Jane H.] thans (ook) haar verklaring intrekt is nieuw.

[Karin N.] is niet bereid gevonden mee te werken aan een interview. De mededelingen die uit haar mond zijn opgetekend, zijn wellicht voor meerderlij uitleg vatbaar. De essentie ervan versta ik aldus dat zij in de nacht van 3 op 4 juli 1993 op de [b-straat] is gearriveerd, dat zij niet weet wat er toen en daar zou zijn gebeurd, en dat haar verklaringen geheel of ten dele zijn gevoed door hetgeen de politie van haar wilde horen.

Alleen [Jane H.] is meer specifiek over de wijze waarop zij tijdens de verhoren een en ander over de toedracht van het misdrijf zou hebben vernomen. Haar zouden bij de verhoren vier foto's van de PD zijn getoond. Haar werd meegedeeld dat en welke van haar verklaringen waren gelogen. Haar is verteld wat de medeverdachten hadden verklaard, en de politie heeft met haar een aantal routes gereden die zij mogelijk met [mw. M.] had gelopen.

Uiteraard hoeven de mededelingen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] niet voor zoete koek te worden geslikt. Wel geven zij aanleiding om deze mededelingen tegen het licht te houden van passages uit de interviews met getuigen en met de rechercheurs.

8.3. De verklaringen van [Miranda H.] en [Lucy C.]

8.3.1. [Miranda H.]

[Miranda H.] heeft bij gelegenheid van het interview met het evaluatieteam onder meer het volgende verklaard:

"Ik heb tijdens de politieverhoren volgens mij wel gezegd dat de moord was gebeurd voordat die jongens over de vloer kwamen aan de [a-straat]. Dat staat me bij. Ik zat toen voor die overvallen vast en toen begon de politie over die moord. De politie wilde van mij maar niet geloven dat die Marokkanen tijdens de moord nog niet aan de [a-straat] kwamen. Ze vonden dat ik uit mijn nek lulde, maar ik raakte daardoor wel in twijfel en wist niet meer hoe het zat.

(...).

Alles wat ik bij de politie in verhoor zei was nooit genoeg. Het was nooit genoeg bij de politie, zodat ik echt dacht: "wanneer houdt dat vragen nu eens op." Het ging zo ver bij de politie dat mijn verklaring steeds veranderd werd door mij. Ik werd gepakt op mijn woorden. Ik werd continu verhoord. Mijn hele vertrouwen naar de politie werd ondermijnd. (...).

Kijk ik werd gehoord voor de dingen waar ik voor vast zat. Ik dacht toen dat ik tijdens de moord die jongens nog niet kende. En dat wilde ik de politie steeds wijsmaken. Alle verhoorders maakten mij wel in de war tijdens het verhoor. (...). Ik wilde op een gegeven moment alleen maar met rust gelaten worden. Zoveel verhoren en zo lang. Je was gewoon in de war. (...). Op een gegeven moment was ik een verhoor zo zat, dat ik niks meer wilde verklaren. Ze bleven maar verhoren over de moord en ze riep maar: "je weet meer, je weet meer". Maar ik wist niks. (...).

Ik kan me niets meer herinneren over een verklaring met betrekking tot Opsporing Verzocht en Aniel of een valse getuigenverklaring van Jane. Als dat in verklaringen staat dan komt dat vooral tot stand omdat ze steeds maar zeiden: "Je weet er meer van. Je weet er meer van". Ik wist toen niets en nu nog niets over de moord. Tot mijn aanhouding heb ik niet zo gedacht en geleefd met het idee dat deze mannen en vrouwen iets wisten over de moord. Tijdens het verhoor komt de politie met vragen en dan ga je vlagen invullen, maar eigenlijk wist ik niets. Je zei dan wat in je verklaring bij de politie. De politie reageert daarop door iets te zeggen over de zaak. Je hoort dan weer terug en daar bouwde je een verklaring mee op. Ik kan daar nu niet meer van zeggen wat nu de waarheid was en wat de politie mij toen heeft ingegeven. Daarvoor is het te lang geleden. Wat u mij voorlas kan ik niet herinneren dat ik dat verklaard heb. Je zat in een web bij de politie. Ik noem het verloop van onderzoek een rot onderzoek om eerder genoemde reden. Ik heb toen meer gezegd dan ik wist. Het is op diverse fronten iets kapot gemaakt bij mij. Mijn vertrouwen in de politie is kapot gemaakt door de manier van werken. Ze gingen verkeerd met mij om. Ik heb de verklaringen ook gewoon ondertekend. Dan was je ervan af."

8.3.2. [Lucy C.]

[Lucy C.] heeft in het interview op 12 januari 2011 onder meer het volgende meegedeeld:

"Ik heb nooit iets van de dood van [mw. M.] geweten. Dat hoorde ik pas toen de politie mij dit vertelde. Dat was bijna een jaar na de dood van die vrouw. Ik wist het niet. Ik ben daarvoor aangehouden geweest. (...). Ik werd bij [Karin] thuis aangehouden. Ik heb wel verslagen van [Karin] gelezen over wat ze gezegd had bij de politie. (...). Toen ik vast zat hoorde ik van de politie dat [Karin] ook vast zat. Ik schrok. Ik hoorde van de politie dat ze ging praten en dat ze betrokken was bij de dood van [mw. M.] en dat iedereen had meegedaan. Iedereen was erbij betrokken. [Karin] kende die jongens wel eerder dan ik.

Kijk, [Karin] was een naïef en gevoelig meisje. Ze was in staat om eenvoudig mee te praten. Ze was heel makkelijk te beïnvloeden. Ik kan niet zeggen of ze nu eenvoudig met de politie mee praatte of nu juist met die jongens. Dat weet ik gewoon niet. En nu weet ik het nog niet of ze het wel of niet gedaan heeft. Ze heeft wel bij de politie verklaard, dus het zal wel zo zijn, maar mijn gevoel zegt dat ik er tot de dag van vandaag mijn twijfels over heb of [Karin] hier wel echt bij betrokken is.

Die cel was gewoon onmenselijk. Er zaten mieren in de cel. Dat vond ik vies. Als ik naar boven moest om te praten zeiden ze steeds: "geef maar toe, want hun zeggen dat en dat." Ik weet niet of ze me dingen lieten lezen. Wat ik wel weet dat ik foto's kreeg te zien van die dode vrouw. Ik herinner me nog wel het gezicht van die vrouw. Ik herinner me bloed en blauwe plekken. Ik weet dat zeker. Als ik die foto's zag, dan zei de politie: "Geef maar toe dat je het gedaan had." Maar ik gaf niet toe want ik had het niet gedaan. Ze zeiden: "Als je niet toegeeft, dan kun je niet naar je oma." Die oma betekende heel veel voor mij. Dat wisten ze. "Zeg maar wat je weet van hun". Dat soort vragen.

Ik weet niet meer welke foto's ik te zien kreeg. Ja, die dode vrouw, maar ik herinner me niet meer hoe ze er op stond afgebeeld of dat het restaurant op die foto's stond. Het lijkt alsof ik me daarvoor heb kunnen sluiten, maar ik vond het verschrikkelijk voor die vrouw. Dat weet ik nog. Ik vond dat niet menselijk zoals die politie dat deed. Voor de politie was ik de dader al. Ik moest alleen nog mijn handtekening zetten. Mijn verhaal werd omgedraaid. Als ik iets bedoelde. De politie formuleerde dan wat, maar dat werd dan op een heel andere manier geformuleerd dan ik gezegd had. Voor de politie zat er geen tijdsverschil in dat ik die jongens tijdens de dood van [mw. M.] kende, maar dat was helemaal niet zo. De politie wilde maar horen dat ik ze al kende, wat niet zo was. Ik ging met heel iemand anders om, namelijk een Turkse man waar ik de naam niet van weet. (...).

Ik had het gevoel dat de politie gewoon wilde hebben dat er iemand vast zat voor de dood van [mw. M.]. Drammen, dat was hetgeen de politie deed. Ze wilde maar gewoon horen wat ze horen wilde.

Op een gegeven moment kreeg ik het gevoel, van: "Het maakt me niet meer uit als ik hiervoor gestraft word. Ik zit mijn straf uit en de waarheid komt dan later toch wel boven tafel. Ik was hier eerst boos over. Later had ik zoiets van: "Ik zeg maar wat". Ik vond het goed. Kijk, hun hadden macht en ik kon niemand zien, niemand bellen. Ik had zoiets van dat de politie mij wilde beïnvloeden en als iemand niet sterk in zijn schoenen zou staan, dan ga je mee met de politie om er van af te zijn. Ik heb me overeind kunnen houden.

Wat ik ook zo vreemd vond was dat ik in de beperking zat. Ik mocht alleen mijn advocaat spreken. Ik zat alle dagen in de beperking. (...).

Vraag: Jij kent [Karin] goed. Je weet hoe jij behandeld ben. Een beetje suggestieve vraag misschien, maar hoe zou [Karin] reageren op de manier zoals jij door de politie werd behandeld?

[Karin] zou meegaan in het verhaal van de politie. Daar ken ik haar goed genoeg voor.

De verhoren duurden soms heel kort en soms heel lang. Soms kwamen ze met hun drieën. Dan ging er in het verhoor iemand af en dan kwam er iemand anders bij. Verhoren duurden een hele middag. Niet een hele dag. Ik weet niet meer of ik naar wens drinken en eten kreeg. Ik zat op een bureau in Breda dat nu afgebroken is. Ik zat in de kelder en werd boven verhoord. (...).

Sommige politiemensen waren heel vrolijk en anderen waren heel erg streng. Zo was het en je had niets in te brengen. Soms liep er een uit de verhoorkamer en dan kwam die weer terug en dan zei hij: "Die zegt dat of dat" en die politie vond dan dat ik dat ook maar moest zeggen en dat werd herhaald en herhaald. Zo ging dat.

Ik kreeg voornamelijk verklaringen van Jane te horen. Die naam werd vaak genoemd. Ook de verklaringen van [Karin] werden wel gebruikt. Ik weet niet meer hoe ik die informatie kreeg voorgehouden.

Mijn verklaring werd getypt. Ik mocht die dan lezen en moest ik er mijn handtekening op zetten. Ik heb mijn verklaringen wel gelezen toen. Op alles wat ik de politie vertelde probeerde de politie mij op mijn woorden te pakken. Ik weet niet of dat later of gelijk al in het verhoor was. Naar mijn weten nu is niet alles wat ik bedoelde goed op papier gekomen. Het ging dan vooral over die jongens die ik nog niet kende. Dat wilde de politie gewoon niet horen. Daar gaven ze geen aandacht meer aan.

Vraag: Op welk gebied heb je toen niet de waarheid tegen de politie verteld?

Er zijn toen geen dingen ontkend of niet verteld die ik nu anders zou zeggen. Er werd bijvoorbeeld gezegd dat ik mishandeld werd. Dat was gewoon niet waar. U zegt dat er geschoten is op mijn kamer. Dat klopt wel. Ik heb gezien dat er kogelgaten zaten, maar ik was er niet bij toen dit gebeurde.

Vraag: wat heb je niet verteld wat achteraf wel beter was geweest?

Kijk, ieder had zijn eigen verhaal. Er werd gezegd dat wij meiden door die jongens mishandeld werden. Ik zie dat als iets wat gezegd werd omdat het Marokkanen waren, maar ik heb daar gewoon niet van gemerkt. Ik ben nooit mishandeld."

8.3.3. Conclusies

In de verklaringen van [Miranda H.] en [Lucy C.] komen verscheidene elementen voor die we ook in andere verklaringen tegenkomen. Zo verklaart [Lucy C.] evenals [Jane H.] dat haar ([Lucy C.]) bij gelegenheid van de verhoren eveneens foto's van de PD zijn getoond en dat zij door tussenkomst van de verhoorders op de hoogte kwam van de inhoud van de verklaringen van medeverdachten (met name van die van [Jane H.]).

[Miranda H.] geeft thans een beschrijving van het psychologisch proces dat haar heeft gebracht tot het doen van mededelingen die zij onder meer normale condities niet zou hebben gedaan.

8.4. De interviews met rechercheurs

8.4.1. Het is vrijwel ondoenlijk alle interviews met rechercheurs afzonderlijk te bespreken en ik meen dat dit overbodig is voor het trekken van conclusies. In bijlage 103 van het verslag van het evaluatieonderzoek wordt hetzelfde onderwerp besproken.

8.4.2. Het verhoor van [Karin N.]

[betrokkene 35], een ervaren rechercheur, heeft onder meer het volgende verklaard over de verhoren van [Karin N.] bij gelegenheid van zijn op 18 november 2010 aangevangen interview:

"Vraag: Jij hebt je samen met [betrokkene 26] hoofdzakelijk bezig gehouden met het verhoor van [Karin N.]. Hoe was [Karin N.] in het verhoor?

Emotioneel en door haar emoties openhartig. Dat duurde enkele dagen, na een aantal verhoren.

(...).

Bij het maken van die tekening was er een punt van ontlading en werd zij emotioneel. Blijkbaar veroorzaakte het maken van de tekening haar tot een stuk herbeleving. Zij stak met de punt van het potlood op de tekening op de plek waar [mw. M.] volgens haar gelegen had. Zij was ook degene die zei dat er op het lichaam van [mw. M.] was gespuugd. Volgens mij kwam dat verhaal van haar zelf. Ik weet niet of ze de eerste was die hierover verklaarde. Anderen hebben er volgens mij ook over verklaard. Ik zag het als een daderwetenschap.

Ze was gespannen en zenuwachtig tijdens het verhoor. [Karin] kwam uit een soort internaat. Het waren allemaal meiden die al het een en ander achter de kiezen hadden en volgens mij waren het geen doetjes.

Ik ben altijd heel neutraal gebleven in het verhoor. Volgens mij was [Karin] na het maken van die tekening en de ontlading van haar emoties wat meer ontspannen. Ik had op dat moment dat zij de tekening maakte echt de indruk dat ze in dat restaurant was geweest.

Ik weet niet meer hoe die tekening van haar tot stand is gekomen. Wij hebben haar niet bijgestuurd over de bijzonderheden, want [betrokkene 36] en ik kenden die keuken helemaal niet.

(...).

Vraag: Je vertelde tevens dat je steeds het gevoel hebt gehad dat de bekentenis van [Karin] en haar emoties oprecht waren. Kan je omschrijven waardoor je dat gevoel kreeg?

In baseer me op mijn ervaring met andere verhoren. In andere verhoren had ik wel eens het gevoel belazerd te worden. Bij haar had ik dat zeker niet. Mede gelet op haar emoties. Kijk ik zet geen ongeoorloofde druk in het verhoor. Verhalen als de good en bad guy bestaan voor mij niet. Ik blijf formeel bij de feiten. Ik stel de vragen die gesteld moeten worden. Ik beschouw mezelf als een serieuze verhoorder. Ik probeer te horen te krijgen wat er gebeurd is.

(...).

Vraag: Ik begrijp van je dat de verhoren met [Karin] contactueel toch wel goed verliepen?

Nou daar valt wel wat over te zeggen. Als ze druk voelde dan merkte je wel weerstand, maar dat is dan ook logisch. Ze was op een zeker moment wel lamgeslagen. Dat moment was vlak voor het moment dat ze doorsloeg. Dan bedoel ik het maken van de tekening. Kennelijk was de druk voor haar zo groot geworden dat door confrontaties en omsingelingen zij haar mond over het gebeurde niet meer kon houden. [Karin] schold niet tegen ons. Kijk als we het gevoel hadden dat we goed zaten, dan lieten we ook niet los.

Vraag: Hoe groot is de kans dat [Karin] aan de hand van jouw confrontaties de waarheid is gaan invullen?

Ik acht het mogelijk, maar die tekening en haar emoties die daarbij gepaard gingen wekten bij mij de indruk dat ze daar binnen is geweest. Kijk ik heb de doodsoorzaak nooit geweten van die mevrouw. [Karin] zei dingen over het slaan met de pan op het hoofd en het spugen. Ik en [betrokkene 36] kenden deze details niet. Ik heb zeker niet alles weggegeven aan daderinformatie in het verhoor. Ik heb zeker ook niet gezegd: "Als je het zegt, dan ben je ervan af."

Vraag: In hoeverre hebben jullie foto's gebruikt in het verhoor?

Dat weet ik niet meer.

Vraag: Hoe ging je met de waarheidswisselingen van [Karin] om?

Ik kan me dat zo niet herinneren.

Vraag: Hoe groot acht je de kans dat [Karin] jullie naar de mond is gaan praten om van jullie af te zijn?

Ik acht ook die kans wel aanwezig, maar dan kon ze niet alles verzinnen wat ze vertelde. Je zegt dat [Karin] op een aantal onderwerpen wel heel makkelijk overstag gaat in de aanpassing van haar verklaring. Ik weet nu niet meer of me dat is opgevallen... Kijk ik zou, zonder daderschap weg te geven, de lijn vast houden en haar houden aan de tekening die ze zelf maakte. Daarin tekende ze tenslotte dingen die alleen iemand die ter plaatse was geweest kon weten.

Vraag: Hoe zou [Karin] op een andere manier aan informatie hebben kunnen komen die ze als basis heeft laten dienen voor haar verklaring?

Ja dat weet ik niet. Dan zou je naar haar stukken in de voorgeleiding moeten kijken en na moeten gaan of ze andere verdachten heeft kunnen spreken. In het verhoor kunnen het hooguit de confrontaties zijn geweest waar ze dan uit putte.

Van foto's zal ze het niet hebben, want als ik haar foto's had laten zien, dan had ik dat in het proces-verbaal gemeld.

Vraag: In het verhoor komen naast de naam van Aniel ook opeens de namen van Appie en Achmed voor. Wie heeft die namen als eerste genoemd?

Die namen hebben wij in het verhoor niet weggegeven. Dat zijn namen waar [Karin] zelf mee gekomen is. Als je vraagt wie er over een gokkast is begonnen, dan is dat [Karin] geweest en niet wij als verhoorders.

Je vraagt mij hoe die tekening tot stand kwam?

Die kwam tot stand in een gesprek voordat we begonnen met typen. [Karin] kwam in een fase dat ze het moeilijk kreeg en dat er druk bij haar ontstond tijdens het door haar beschrijven van de situatie. Ik heb haar toen gezegd, teken het maar, dat is misschien beter. Door het te tekenen zag ze het voor zich. Ik zelf ben nooit binnen geweest in het restaurant. Als ik het nu lees, zijn we in het verhoor over de droom uit haar vorige verklaring begonnen. Tijdens de beschrijving van haar droom kwamen er emoties bij [Karin] los. Ik zag dat ze moeite had met het uitleggen van haar gevoel, waarop ik haar heb voorgesteld om te tekenen. Het tekenen werkte als een soort geleide herinnering. Daarna tekende ze gedecideerd deze tekening.

Een dergelijke tekening kan je niet verzinnen als je er niet geweest bent.

De druk die [Karin] in het verhoor ervoer was vooral druk die bij [Karin] zelf leefde, omdat ze zelf dingen had gezien die druk veroorzaakten. Deze druk kon ze denk ik niet aan. De inhoud van de verklaring van [Karin], direct na het maken van de tekening, kwam geheel van [Karin] zelf.

(...)

Vraag: [betrokkene 37] zei dat hij met werkbonnen werkte. Hij zei ook dat hij opdracht van de officier van justitie had om de verklaringen van de meisjes tegenover elkaar uit te spelen en dat daar gerichte opdrachten voor gemaakt werden? Wat kun je daar nog over zeggen?

Ik heb nooit een opdrachtbon gezien. Ik weet wel dat in de briefing 's ochtends de verklaringen besproken werden en de aandachtspunten naar voren kwamen. Aan de hand daarvan keken we dan waar de haken en ogen zaten en namen deze mee naar het verhoor."

8.4.3. Algemeen en conclusies

Thans komt wederom de vraag aan de orde welke informatie door de verhoorders bij gelegenheid van de verhoren aan de verdachte is prijsgegeven. Overigens moet bij lezing van de interviews worden bedacht dat (ook) voor de geïnterviewde rechercheurs geldt dat met hem of haar is gesproken over gebeurtenissen van 16 á 17 jaar geleden.

[Betrokkene 35] beschrijft het gebruik van verhoortechnieken als "omsingelen" en "confronteren". Vooral dat laatste doet vermoeden dat aan (in dit geval) [Karin N.] informatie is voorgehouden die afkomstig is van medeverdachten. Belangwekkender nog is de vraag of [Karin N.] ook foto's van de PD zijn voorgehouden. [Betrokkene 35] weet dat niet meer, kan het kennelijk niet uitsluiten, maar voegt eraan toe dat, zo dat het geval is, het proces-verbaal daarvan melding zou maken.

In de kern is het voorgaande betrekkelijk representatief voor hetgeen de rechercheurs bij gelegenheid van hun interviews hebben verklaard. Men weet niet goed meer of er informatie is prijsgegeven dan wel foto's zijn getoond, doch zo ja, dan zou het proces-verbaal daarvan blijk moeten geven.

De processen-verbaal van verhoor geven slechts bij hoge uitzondering blijk van het confronteren van de verhoorde verdachte met mededelingen van een medeverdachte. In het 6e verhoor van [Karin N.] (20 april 1994) wordt haar uitdrukkelijk voorgehouden (kort gezegd) "dat Jane beweert dat één van ons heeft gesproken met iemand bij [de P.]." Bij het 11e verhoor (25 april 1994) wordt haar eveneens een verklaring van [Jane H.] voorgehouden. [Jenny L.] is bij haar 2e verhoor (28 april 1994) geconfronteerd met bijzonderheden van de zaak, het proces-verbaal van de RCID incluis.

Al met al meen ik, gelijk het evaluatieteam, dat onvoldoende kan worden uitgesloten dat [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] op enig moment foto's van de PD onder ogen hebben gehad. Dat het tonen van foto's werkelijk heeft plaatsgehad, is niet onwaarschijnlijk. Ik baseer mij daarbij op mededelingen van [Jane H.] en [Lucy C.], die daarbij overigens een weinig specifieke beschrijving hebben gegeven van hetgeen op de foto's te zien was. De interviews met de rechercheurs nemen in elk geval mijn zorgen op dit punt niet weg.

Evenzeer kan niet worden uitgesloten dat de bekennende verklaringen van de vrouwen (in elk geval ten dele) zijn opgebouwd uit informatie die afkomstig is van de medeverdachten. Ook [Jenny L.] verklaarde daarover reeds op 30 mei 1994 (zie 5.4.5). Daardoor houd ik voor niet onwaarschijnlijk dat gelijkenissen in de bekentenissen moeten worden toegeschreven aan informatieoverdracht in een tegengestelde richting dan waartoe het verhoor van een verdachte dient. Als gevolg hiervan is niet meer na te gaan op grond waarvan [Karin N.] bij haar beschrijving van de keuken van het restaurant naast merkwaardige missers per saldo toch boven kansniveau scoort. Dit resultaat hoeft dus niet zonder meer te wijzen op daderwetenschap.

Als voorbeelden van daderwetenschap noemt rechercheur [betrokkene 35] in het met hem gehouden interview de facetten van het misdrijf die door [Karin N.] in het verhoor zelf aan de orde zouden zijn gesteld, te weten: het slaan met de pan op het hoofd van [mw. M.], het spugen, de gokkast, en het maken van een tekening van de keuken/PD: "Een dergelijke tekening kan je niet verzinnen als je er niet geweest bent," aldus [betrokkene 35].

Klaarblijkelijk had bij [betrokkene 35] de overtuiging van schuld zich reeds genesteld, want anders kan ik deze uitlating niet begrijpen. [Betrokkene 35] geeft immers zelf toe dat hij en zijn collega helemaal niet wisten of [mw. M.] met een pan (i.e. de wadjang met lange steel) op het hoofd was geslagen, niet wisten of [mw. M.] was bespuugd en niet wisten wat de doodsoorzaak was. De rechercheurs wisten dus niet of [Karin N.] naar waarheid verklaarde. Toch werd dat zonder meer aangenomen.

Deze uitlatingen van [Karin N.] zijn dus niet exemplarisch voor daderwetenschap. Thans weten wij dat het waarheidsgehalte van de mededelingen van [Karin N.] hoogst twijfelachtig is. De braak op de door [Karin N.] genoemde gokkast was dan weer wel correct, maar dat betrof informatie die al naar buiten was gebracht (zoals we in 8.5 zullen zien).

Ten slotte wederom [Karin N.]s plattegrond van de keuken (de PD). [Betrokkene 35] wist naar eigen zeggen niet wat daarvan juist was en wat niet. Dat blijkt ook wel, want [Karin N.] maakte in haar schets evidente fouten.

8.4.4. [Jane H.]

Wat [Jane H.] betreft wil ik nog wijzen op de volgende uitlatingen van [betrokkene 9], die als beleidsverantwoordelijk wijkteamchef de teamleider van het tweede politieonderzoek aanstuurde. Hij heeft bij gelegenheid van zijn interview door het evaluatieteam over [Jane H.] onder meer het volgende verklaard:

"Jane was toentertijd al geen onbekende. Zij was gewoon zielig. Alles wat mis kon gaan in een jeugd is bij haar misgegaan. Zij heeft ook bij de stichting [het opvangtehuis] gelopen. Zij was bekend in de zorg. Er was iets met begeleid wonen aan de [a-straat]. Daar is van alles misgegaan, waarvan je hoopt dat je eigen dochter daar niet in terecht komt. (...). Die meid heeft een afweermechanisme opgebouwd, toen al, die zou nog ontkennen dat zij geboren zou zijn. Dus een pathologisch leugenaar, niet om te liegen, maar er zit een heel beschermingsschild om heen.

(...).

Vraag: Je betitelt Jane als een pathologisch leugenaar. Zij is veelvuldig gehoord en stelt elke keer haar verklaring bij. Op basis waarvan kan je nu stellen dat haar verklaring betrouwbaar was?

Niet.

Vraag: Hoe kritisch is daar dan naar gekeken?

Dat weet ik niet. Wellicht niet kritisch genoeg."

Deze inlichtingen omtrent de persoon van [Jane H.] rechtvaardigen bepaald geen onbegrensd vertrouwen in het waarheidsgehalte van haar verklaringen. De na [Jane H.] aangehouden (andere) verdachten zijn niettemin haar verklaringen voorgehouden met de kennelijke pretentie dat zij enige basis in de werkelijkheid hadden.

8.5. Daderwetenschap

Zoals eerder gezegd getuigt het indertijd samengestelde justitiedossier niet van onderzoek naar de vraag welke informatie over het delict voorafgaande aan de verhoren via publieke bronnen bekend was geworden. Bijlage 103 van het evaluatierapport betreft een rapport van de criminaliteitsanaliste, waarin zij verslag doet van haar analyse van potentiële daderwetenschappen. Mede hieraan ontleen ik de volgende inventarisatie.

[Karin N.] was in de ochtend van 4 juli 1993 werkzaam in de snackbar [de cafetaria], die gelegen is naast het restaurant [de P.]. De eigenaar van [de cafetaria] ([betrokkene 13]) heeft het stoffelijk overschot van [mw. M.] zien liggen. Hij heeft [Karin N.] verteld dat [mw. M.] was doodgeslagen en dat ze alle kleuren van de regenboog zag. Aan zijn zuster heeft [betrokkene 13] verteld dat [mw. M.] in een grote plas met bloed lag.

Aangezien [Karin N.] en [Jane H.] werkzaam waren naast het restaurant, kunnen zij met eigen ogen hebben gezien dat aan de buitenzijde van het restaurant geen braaksporen zichtbaar waren.

De snackbar werd door het gealarmeerde politiepersoneel en door de rechercheurs min of meer als bedrijfskantine benut, waardoor niet uitgesloten is dat het snackbarpersoneel ([Karin N.], en later die middag ook [Jane H.]) informatie heeft opgevangen.

In de buurt deden diverse geruchten de ronde. Hieronder bevonden zich de verhalen dat [mw. M.] was doodgeslagen, dat haar hersens met een pan waren ingeslagen of de nek was afgeknepen, dat het slachtoffer was gewurgd, dat zij in een plas bloed gevonden moest zijn en dat zij flink was toegetakeld.

Overigens verbleven [Jane H.] en [Karin N.] die week in de woning aan de [b-straat 2], zodat zij zich niet alleen beroepshalve maar ook in privé in de buurt ophielden toen de geruchtenstroom op gang kwam.

In de regionale kranten stond vermeld dat [mw. M.] door geweld om het leven was gebracht en dat het motief roof kon zijn, aangezien de gokkast was opengebroken. In de krantenberichten is gemeld dat het slachtoffer in de keuken was gevonden, dat er een schermutseling heeft plaatsgevonden en dat het incident tussen 00.00 uur en 06.00 uur zou hebben plaatsgehad. In een krantenartikel dat [Appie T.] op zak had ten tijde van zijn aanhouding stonden de initialen vermeld van de verdachten die binnenkort aangehouden zouden gaan worden (!). Ook op de kabelkrant is informatie beschikbaar gesteld, doch de criminaliteitsanaliste heeft niet kunnen achterhalen welke informatie langs dat kanaal is geopenbaard.

Op 2 augustus 1993 is in het televisieprogramma "Opsporing Verzocht" uitgebreid aandacht besteed aan de gewelddadige dood van [mw. M.].(105) In deze uitzending werden filmbeelden getoond van het restaurant en de keuken. Van het slachtoffer werd een pasfoto getoond. Kleding werd geëxposeerd, soortgelijk aan de kleding die het slachtoffer droeg toen zij werd aangetroffen. Van de vermiste sieraden werden foto's getoond, alsook van een sleutelbos. Tevens was de gokkast gefilmd, waarbij werd medegedeeld dat die was opengebroken en dat er een bedrag van ƒ 600 werd vermist in guldens en rijksdaalders. Tijdens de uitzending werd naar buiten gebracht dat [mw. M.] oppaste op haar kleinkinderen in de woning van haar zoon (aan de [e-straat 1]), omdat die een paar dagen elders verbleef vanwege de opening van een nieuw restaurant. Naar aanleiding van deze uitzending heeft zich een getuige gemeld die had vernomen dat [mw. M.] de schedel zou zijn ingeslagen. Ook [betrokkene 1] en haar man, en de hieronder nog te noemen getuigen [betrokkene 38] en [betrokkene 39] hebben in deze uitzending aanleiding gezien zich tot de politie te wenden.

De conclusie luidt dat buitengewoon veel gegevens die in potentie voor daderwetenschap hadden kunnen doorgaan reeds waren vrijgegeven, en dit alles ruimschoots voordat de verhoren van de verdachten een aanvang namen. Zoals gezegd werden de verdachten meer dan negen maanden na het delict ter zake aangehouden. Binnen de groep veroordeelden was de belangstelling voor dit misdrijf (in de eigen woonplaats) niet gering, zodat waarschijnlijk is dat allerlei gegevens onderling al waren besproken.

De criminaliteitsanaliste van het evaluatieteam heeft in weerwil van het voorgaande een opsomming gegeven van elementen die naar haar oordeel als daderwetenschap kunnen worden aangemerkt en die zijn opgenomen in de door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch gebezigde bewijsmiddelen. Zij noemt op bladzijde 7 van bijlage 103:

- de Chinese vrouw heeft sleutels van het restaurant;

- zij was gekleed in nachtkleding;

- zij stribbelde tegen en werd in de auto gezet;

- zij is met kracht geslagen;

- tijdstip van het voorval lag tussen 4 en 5 uur 's ochtends;

- slachtoffer lag op de grond;

- zij had een bebloed gezicht en bovenlijf;

- zij was in een wurggreep vastgehouden;

- zij was met een pan geslagen.

Anders dan de analiste meen ik dat deze elementen niet mogen worden bestempeld als daderwetenschap. Een aantal van deze elementen is immers wel degelijk aan de orde gekomen in de inventarisatie van de publiekelijk bekend geworden gegevens, dan wel schurkt daar nauw tegenaan (de sleutels, de nachtkleding, het jegens haar uitgeoefende mechanische geweld, de wurggreep, de ligging op de grond). De resterende elementen komen slechts uit de koker van één of meer van de veroordeelde vrouwen. Van die elementen is niet bekend of zij waarheidsgetrouw zijn. In het bijzonder geldt dit voor het tijdstip van het delict en het gebruik van een auto. Van het slaan met de pan, zoals [Karin N.] heeft verklaard, is nog maar zeer de vraag of dat werkelijk heeft plaatsgehad. Het zij herhaald, op de foto's van de PD is in de keuken volgens mij geen pan of wadjang te zien die aan de door [Karin N.] gegeven beschrijving voldoet, of het moet de (op het oog) kleinere, lichte wok zijn met de niet al te lange steel die keurig op een gaspit staat (en die dus niet op de grond ligt).

8.6. Ontbrekende processtukken

8.6.1. Algemeen

Binnen het bestek van het evaluatieonderzoek is gezocht naar eventuele verschillen tussen het justitiedossier en het politiedossier. Hierbij is ontdekt dat processen-verbaal van een aantal verklaringen en deelprojecten uit het eerste opsporingsonderzoek ten onrechte niet zijn opgenomen in het dossier dat aan justitie ter beschikking is gesteld. Voor een overzicht van een en ander verwijs ik naar paragraaf 13.8 van het evaluatierapport en de bijlage 109 daarbij, bevattende een rapport van mw. A. Roos, de criminaliteitsanalist van het evaluatieteam. Als bijlagen bij die bijlage zijn de ontbrekende stukken alsnog gevoegd.

Een voorbeeld van een deelproject uit het eerste opsporingsonderzoek dat wel degelijk blijkt te zijn "uitgerechercheerd" betreft een onderzoek naar het waarheidsgehalte van de verklaringen van de koks van het Belgische restaurant, [betrokkene 3] en [betrokkene 31]. [betrokkene 3] zou op verzoek van de eigenaar [C.S. M.] de volgende ochtend vlees en/of saus ophalen bij [de P.]. [Mw. M.] zou op 4 juli 1993 omstreeks 9.00 uur de deur van het restaurant ontsluiten om hem daartoe in de gelegenheid te stellen. De kok had zich die ochtend echter verslapen en is rechtstreeks naar het Belgische restaurant gereden, aldus luidt zijn verklaring. Het aan justitie ter beschikking gestelde dossier bevat geen resultaten van onderzoek in vervolg op deze verklaring, hoewel dat onderzoek er wel is geweest. Vier mensen zijn gehoord en er is een historisch overzicht van het gebruik van een telefoon opgevraagd en verkregen. Voor een verdenking jegens [betrokkene 3] en [betrokkene 31] geven deze nadere bevindingen geen aanleiding. Ik voeg hieraan toe dat recent DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat [betrokkene 3] en [betrokkene 31] niet de bron kunnen zijn van de bloedsporen met de nummers 7 en 20.

8.6.2. De voorfase

Ik keer terug naar een onderwerp dat al eerder aan de orde is gesteld. Zoals in 6.3.2 naar voren is gekomen, is er een element in de beschreven toedracht van het misdrijf waaromtrent de bekennende verklaringen na verloop van enige verhoren overeenstemden, namelijk dat [Jane H.] en [Karin N.] veel later dan afgesproken die nacht op de [b-straat] waren aangekomen. De afspraak was dat het gezelschap elkaar rond 02.00 uur 's nachts bij [de P.] zou treffen, maar [Jane H.] en [Karin N.] arriveerden (naar eigen zeggen) pas omstreeks 4.15 - 4.30 uur ter plaatse. [Jenny L.] meent (overigens pas in haar 5e verklaring(106)) dat de verlate aankomst van [Jane H.] en [Karin N.] op een iets eerder moment was gelegen, namelijk om ongeveer 4.00 uur. [Jenny L.] verklaarde over de periode voorafgaande aan dat tijdstip:

"We hebben toen ruim anderhalf tot twee uur gewacht op Jane en [Karin]."

Kortom, volgens de bekennende verklaringen hebben drie mannen en een vrouw in of naast een auto met ontstoken lichten staan wachten bij het doelwit van hun inbraak: restaurant de "[de P.]". Indien juist, moet dat toch iemand zijn opgevallen. Ik heb hiervoor al geschreven dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de bevestiging van deze lezing.

Maar het is nog sterker. Onder de ontbrekende stukken bevinden zich twee verklaringen die deze lezing ontkrachten.(107)

De getuige [betrokkene 38] heeft op 3 augustus 1993 verklaard:

"In de nacht van 3 juli op 4 juli bevond ik mij bij de vader van mijn vriend [betrokkene 39] in de woning gelegen aan de [f-straat] te Breda. (...). Omstreeks 2.30 uur die nacht ben ik samen met [betrokkene 39] en de hond van zijn vader naar buiten gegaan en hebben daar een lange tijd in een bushokje gezeten. Het bushokje is vlak bij het genoemde Chinees restaurant "[de P.]". We hebben daar enkele uren gezeten, maar tot hoe laat weet ik niet. Er zijn slechts enkele auto's voorbij gekomen. (...). Er is me niets bijzonders opgevallen."

Getuige [betrokkene 39] heeft op 3 augustus 1993 verklaard:

"In de nacht van zaterdag 3 juli op 4 juli 1993 bevond ik mij samen met een vriend van mij genaamd (...) [betrokkene 38] op het adres van mijn vader aan de [f-straat] (...) te Breda. (...). Omstreeks 2.30 uur zijn we naar buiten gegaan met medenemen van onze hond om een luchtje te scheppen. We namen plaats in het bushokje gelegen aan de [f-straat] welk ligt ter hoogte van de [b-straat]. We hadden ter plaatse zicht op de kruising van de [f-straat] met de [b-straat]. We hebben daar gezeten tot ongeveer 4.30 uur. We zijn in die tijd niet uit het hokje geweest. Tijdens ons verblijf aldaar is er slechts een enkele maal een auto door de [f-straat] gekomen, waarvan ik me geen merk of kleur kan herinneren. Ik heb geen fietsers of wandelaars gezien. Er is me niets bijzonders opgevallen."

[betrokkene 39] heeft recentelijk volhard in zijn verklaring. Het evaluatieteam heeft [betrokkene 38] niet opnieuw kunnen horen.

Op de betreffende locatie staat ook heden nog een bushokje. Vanaf dat punt heeft de kijker een onbelemmerd zicht op het restaurant en het trottoir van de [b-straat]. De afstand is ongeveer 35 meter. Indien [Jenny L.], [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.] werkelijk meer dan anderhalf uur, wellicht twee uren op het trottoir voor [de P.] hebben gewacht op de komst van [Jane H.] en [Karin N.], is het buitengewoon onwaarschijnlijk dat dit aan [betrokkene 38] en [betrokkene 39] zou zijn ontgaan.

8.6.3. Tijdslijn

Bijlage 101 van het evaluatierapport betreft een lezenswaardige tijdslijn die is opgesteld door de criminaliteitsanaliste. Hierin zijn alle relevante verklaringen uit het onderzoek verwerkt, met inbegrip van de verklaringen die ten onrechte niet waren gevoegd in het justitiedossier. Bijlage 102 van het evaluatierapport betreft een analyse van de verklaringen van getuigen die 's nachts in de buurt van [de P.] zijn geweest. De analiste heeft de verklaringen van de veroordeelde vrouwen niet kunnen staven.

8.7. Mededelingen van familieleden van [Anil B.]

Voor de volledigheid wil ik melding maken van enkele uitlatingen van familieleden van [Anil B.]. Een broer(108) en een nicht(109) van [Anil B.] hebben namelijk bij gelegenheid van de recente interviews verklaard dat [Anil B.] hen beiden afzonderlijk heeft meegedeeld dat hij niet had gedaan wat er over hem werd gezegd, maar dat hij er wel bij was geweest en dat de anderen het gedaan hebben. [Anil B.] betwist overigens zich zodanig tegen hen te hebben uitgelaten, en ontkent (nog steeds) iedere betrokkenheid bij het delict.

De waarde van deze mededelingen van de zijde van de broer en de nicht van [Anil B.] is m.i. lastig in te schatten. De broer van [Anil B.] staat naar zijn zeggen iets bij over een meisje dat met een pan heeft geslagen en over het spugen. Een en ander zou hij (mogelijk) hebben vernomen van [Anil B.]. Zoals hiervoor vermeld is voor deze handelingen geen bevestiging gevonden en kan worden betwijfeld of deze handelingen hebben plaatsgehad. Ik kan niet uitsluiten dat de broer van [Anil B.] informatie over de beschuldigingen verwart met informatie over het delict. De vragen die het een en ander oproept laten zich thans in elk geval niet beantwoorden.

8.8. De CID-informatie

Ik kom afsluitend terug op de inlichtingen die het startpunt vormden voor het tweede politieonderzoek. Hierboven in 1.3 heb ik melding gemaakt van inlichtingen die waren opgenomen in een CID-verbaal van 11 maart 1994.(110) In dit CID-verbaal is niet uitsluitend een mededeling opgenomen over de moord op (vermoedelijk) [mw. M.]. Hierin staan namelijk meer misdrijven beschreven, enkele zelfs betrekkelijk concreet: een overval op bewoners van een woning in Breda (waarbij een kluis was geopend), een inbraak in een specifiek genoemde straat in Breda, beroving van een vrouw die geld had gepind, en de afpersing met een vuurwapen van een vrouw met kind. Door het evaluatieteam is tevergeefs getracht om 'mutaties' en aangiftes te achterhalen die betrekking kunnen hebben op deze delicten. Ook overigens is onderzoek van het evaluatieteam naar bevestiging van deze vrij opvallende misdrijven zonder resultaat gebleven.(111) Dit roept de vraag op of deze andere misdrijven werkelijk hebben plaatgevonden. De hierdoor gerezen twijfel over het waarheidsgehalte van de CID-informatie heeft m.i. consequenties voor de geloofwaardigheid van de informatie die de basis vormde voor het tweede politieonderzoek, dat (zoals bekend) heeft geleid tot de aanhoudingen en de veroordelingen van [Anil B.], [Achmed L.], [Appie T.], [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.]. Niet is gebleken dat de politie indertijd reeds dergelijk 'toetsend' onderzoek heeft uitgevoerd.

9. Conclusies en de vordering

9.1. Conclusies en nova

9.1.1. Samenvatting

In de hoofdstukken 4, 5 en 6 heb ik de vragen en onduidelijkheden beschreven die het onderzoek destijds heeft opengelaten en waarvan het hof in algemene zin in zijn arrest melding heeft gemaakt. In hoofdstuk 4 heb ik onderbouwd dat het sporenonderzoek op de PD, uitgevoerd in 1993 - 1995, geen aanwijzingen heeft opgeleverd die steun bieden voor de (onherroepelijke) veroordelingen. Hierbij moet men zich realiseren dat de betekenis van deze conclusie sterk afhankelijk is van de kwaliteit van de middelen en technieken die destijds voor forensisch onderzoek beschikbaar waren.

De in hoofdstuk 5 gegeven analyse van de bekennende verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] wijst uit dat deze, afzonderlijk beschouwd, gebukt gaan onder inconsistenties van dien aard dat zij niet gemakkelijk vergissingen kunnen heten of kunnen worden gekenschetst als een gevolg van het moeizaam opbiechten van een eigen kwalijke rol in het geheel. De inconsistenties die ik heb beschreven kunnen wel worden begrepen als een teken van inschikkelijkheid en meegaandheid jegens de verhorende rechercheurs.

In hoofdstuk 6 heb ik besproken dat de bekennende verklaringen ten opzichte van elkaar veel in het oog springende tegenstrijdigheden te zien geven. De versies van de toedracht van het misdrijf die in de bekentenissen worden geschetst, laten zich op veel punten niet met elkaar rijmen. Wat betreft het ophalen en ontvoeren van [mw. M.] is als gevolg daarvan eenvoudigweg niet vast te stellen hoe dat zich volgens [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] zou hebben voltrokken. Een punt dat grote verbazing wekt is de verklaring van [Karin N.] dat [Jenny L.] geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de uitvoering van de overval.

Bovendien leveren externe omstandigheden rechtstreeks aanwijzingen op dat bepaalde onderdelen van de bekentenissen hoogst onwaarschijnlijk zijn, zo niet onmogelijk kunnen hebben plaatsgehad. Wat betreft dat laatste moet worden gedacht aan de verklaringen over de ernstige (en luidruchtige) mishandeling van [mw. M.] op het trottoir voor [de P.], het schieten met een vuurwapen en het bespugen van [mw. M.]. Ook de lezingen van [Jane H.] en [Karin N.] omtrent de wijze waarop [mw. M.] om het leven is gebracht lopen zeer uiteen.

Enige bevestiging van deze verklaringen in de vorm van bijkomend bewijs dat rechtstreeks betrekking heeft op het delict, zoals getuigenverklaringen of technisch sporenmateriaal, is niet verkregen.

In hoofdstuk 7 heb ik getracht antwoord te vinden op de vraag welke betekenis toekomt aan de resultaten van het recentelijk uitgevoerde forensisch technische onderzoek, met name aan de kleding van het slachtoffer en aan haren die op de PD zijn gevonden. Vanwege de sterke verbetering van de toegepaste onderzoekstechnieken ten opzichte van die in de jaren 1993 - 1995 roept het ontbreken van enig delictgerelateerd spoor dat wijst richting de veroordeelden meer twijfels over hun daderschap op dan destijds het geval was. In het bijzonder de door deskundigenonderzoek gegenereerde informatie omtrent de bloedsporen met de nummers 7 en 20 mag m.i. niet buiten beschouwing worden gelaten.

In hoofdstuk 8 ten slotte heb ik gewezen op de recente verklaringen van [Jane H.] en [Jenny L.], en tot op zekere hoogte ook [Karin N.], waarin zij te kennen hebben gegeven dat hun bekentenissen onjuist waren en mede tot stand gekomen door de duur en de indringendheid van de verhoren, en door de condities waaronder de verhoren hebben plaatsgehad. Voor de geloofwaardigheid van deze "intrekkingen" is van belang dat de in hoofdstuk 5 gegeven analyse van hun verklaringen aanwijzingen oplevert dat een groot deel van de informatie die is vervat in de bekennende verklaringen kan zijn ingegeven door informatie die besloten ligt in de vragen en mededelingen van de verhoorders, met inbegrip van het tonen van foto's van de PD. Verder blijkt uit 8.5 dat veel 'daderwetenschap' waarvan de bekennende verklaringen zouden kunnen getuigen, al bekend kon zijn uit andere bron dan rechtstreeks uit het brein van een dader of deelnemer aan het delict. Een en ander onderstreept nog eens het belang van een precieze vaststelling van hetgeen de verdachte(n) over het delict bekend kan zijn geworden uit andere bron dan de eigen wetenschap.

Bovendien is de recherche bij gelegenheid van de verhoren op specifieke punten uitgegaan van de juistheid van de bekennende verklaringen, zonder zich daarvan door nader onderzoek te vergewissen.

Ten slotte heb ik door de toewijding van het evaluatieteam aan het dossier kunnen toevoegen een tweetal verklaringen van passanten waaraan valt te ontlenen dat ook het lange wachten op het trottoir van [de P.] op de komst van [Jane H.] en [Karin N.] zeer waarschijnlijk niet heeft plaatsgehad. Hierdoor resteren in wezen nog maar zeer weinig aspecten van het misdrijf waarvan ik de weging van de waarschijnlijkheid in het midden heb moeten laten.

Rest mij te zeggen dat het sterk afgenomen vertrouwen in het waarheidsgehalte van de bekennende verklaringen meebrengt dat er geen goede redenen (meer) zijn voor het wantrouwen van de alibiverklaringen die in deze strafzaken ten behoeve van [Appie T.] en [Achmed L.] zijn afgelegd.

Deze vordering is uiteraard gebouwd op het werk van de vele anderen die ik in de voetnoten heb genoemd, zowel in algemene zin als specifiek voor deze strafzaken.

9.1.2. Conclusie en nova

Om de hiervoor vermelde redenen moet thans worden aangenomen dat de bekennende verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.], die de grondslag hebben gevormd voor de onherroepelijke veroordelingen van [Anil B.], [Appie T.], [Achmed L.] alsmede de reeds genoemde [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] waarschijnlijk valse bekentenissen betreffen en dat zij waarschijnlijk niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Hierdoor moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de genoemde personen ten onrechte zijn veroordeeld voor hun deelneming aan het omschreven delict. De hierna te noemen nova doen het ernstige vermoeden ontstaan dat het onderzoek van de zaken zou hebben geleid tot vrijspraken ingeval de rechtbank te Breda en het gerechtshof te 's-Hertogenbosch met die omstandigheden bekend zouden zijn geweest.

Ik draag in deze zaken de volgende nova voor. Zij moeten telkens afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang worden beschouwd:

1. De verklaring van [Jane H.], waarin zij meedeelt dat haar in 1994 - 1995 afgelegde bekennende verklaringen niet stroken met de werkelijkheid (zie 8.2.2).

2. De verklaring van [Karin N.], waarin zij (naar ik haar begrijp) meedeelt dat zij ook in 1993 - 1995 niet heeft geweten wat er op de [b-straat] zou zijn gebeurd (zie 8.2.3).

3. De verklaring van [Jenny L.], waarin zij meedeelt dat zij ook nooit bij de beraming van de overval op [de P.] aanwezig is geweest (zie 8.2.4).

4. Een analyse die uitwijst dat een gedeelte van hetgeen in de bekennende verklaringen is gehouden voor daderwetenschap, informatie betrof die reeds publiekelijk bekend was geworden of bekend was gemaakt (zie 8.5).

5. De verklaringen van [betrokkene 38] en [betrokkene 39] dat zij gedurende hun nachtelijke en langdurige verblijf op de [f-straat] (met zicht op [de P.]) niets opvallends hebben waargenomen (zie 8.6.2).

6. De resultaten van DNA-onderzoek, waaruit ondersteuning voortvloeit voor de hypothese dat de bloedsporen op de PD (met de nummers 7 en 20) afkomstig zijn van één en dezelfde onbekende man, van vermoedelijk Zuidoost-Aziatische c.q. Oceanische afkomst (zie 7.6).

7. De resultaten van DNA-onderzoek, voor zover zij uitsluiten dat de bloedsporen met de nummers 7 en 20 afkomstig zijn van [C.L. M.], bloedverwanten van het slachtoffer, met name genoemde personeelsleden van [de P.] en enkele andere getuigen (zie 7.6).

8. De mededeling van ing. Van der Scheer dat het bij bloedspoor nr. 20 lijkt te gaan om een bloedspat die nog niet is ingedroogd (zie 7.7.5).

9. De resultaten van aanvullend DNA-onderzoek (aan bemonsteringen van kledingstukken van het slachtoffer), morfologisch haaronderzoek en mtDNA-onderzoek, die ook met nieuwste technieken - aan meer sporen c.q. bemonsteringen dan in de periode 1993 - 1995 zijn onderzocht - niet wijzen op de aanwezigheid van een of meer van de veroordeelden op de PD (zie 7.4 en 7.5).

9.2. De vordering

Naar mijn oordeel dienen de volgende onherroepelijke veroordelingen in aanmerking te komen voor herziening. Daartoe vraag ik herziening aan op de hiervoor vermelde gronden, met verwijzing van de hierna te noemen strafzaken naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaken (gelijktijdig) zullen worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 467, eerste lid Sv.

Mijn vordering betreft de onherroepelijke veroordelingen in de strafzaken van:

(1). [Anil B.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer 20.002065/94) ter zake van "medeplegen van: doodslag gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

(2). [Achmed L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002063/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit, straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

(3). [Appie T.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002064/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

(4). [Jane H.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 (parketnummer: 3176/94) wegens "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht.

(5). [Karin N.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 11 oktober 1994 (parketnummer 3208/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht.

(6). [Jenny L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.001423/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te breiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie p. 24-25 van het proces-verbaal van politie.

2 [...]

3 In de zaak tegen [Jenny L.] zijn twee rechercheurs als getuigen gehoord over de verhoren van [Jenny L.]. Niet duidelijk is waarom zij niet ook zijn gehoord in de zaken tegen de andere veroordeelden die hoger beroep hadden ingesteld.

4 Ook gepubliceerd als: E. Havinga e.a., (onder begeleiding van P.J. van Koppen en H. Nelen), De dood in het Chinese restaurant, Een moord met vele verhalen, uit de reeks "Gerede Twijfel", Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008. Een print ervan bevindt zich onder de bijlagen.

5 Zie in Appendix B de hieronder te bespreken rapporten van 16 december 2008, 19 december 2008 en 7 augustus 2009.

6 Wat betreft de risico's van "hindsight bias" en "outcome bias" bij evaluatieonderzoek wil ik graag verwijzen naar de uiteenzettingen over 'betrouwbare kennis' van prof. dr. Giard in zijn oratie. Zie R.W.M. Giard, Dokteren aan het aansprakelijkheidsrecht, in de reeks "Civilologie", nr. 5, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2012, p. 66-70; zie voorts: R.W.M. Giard & H.L.G.J. Merckelbach, 'Nietzsches gelijk: waarom wijsheid achteraf onbillijk is', Nederlands juristenblad 2009 (16), p. 1014 - 1021; R.W.M. Giard, 'Waarheidsvinding: worstelen met wijsheid achteraf', Expertise en Recht 2009 (2), p. 41-45; R.W.M. Giard, '"Dit had niet hoeven gebeuren". De causale verklaring van ongewenste gebeurtenissen en de betekenis van de contrafeitelijke denkfout voor het CSQN-verband', NTBR 2011 nr.9, p. 471-478.

7 Zie handgeschreven Verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 4 juli 1993, p. 32-33 van het stamproces-verbaal. Het oordeel van de rechtbank (vonnissen van 2 november 1994) dat "uit het rapport van de lijkschouwer blijkt, dat het slachtoffer moet zijn overleden na 4.15 uur" is dan ook geen adequate weergave van deze onderzoeksbevinding.

8 Zie ook de verklaring van [C.L. M.]: "Ik zag dat zij nog haar lichtkleurige nachtkleding aan (had)." Zie ook de verklaring van [C.S. M.], p. 125. Bij het evaluatieonderzoek omschreef [C.S. M.] de door zijn moeder gedragen kleding als vrijetijdskleding.

9 Zie p. 37 van het proces-verbaal van politie.

10 Zie de verklaring van [betrokkene 7], p. 225.

11 Voor het voorgaande zie het proces-verbaal van sporenonderzoek op de PD, alsook de verklaringen van de technisch rechercheurs [betrokkene 9], [betrokkene 11] en [betrokkene 10] ter terechtzitting van het hof van 25 april 1995, en van [betrokkene 10] ter terechtzitting van 18 mei 1995.

12 Zie voor dit alles het proces-verbaal van sporenonderzoek op de PD, blz. 41 e.v. van het proces-verbaal van politie, alsmede de sectiebevindingen.

13 Een jongen van drie jaar en een meisje van een jaar.

14 Het echtpaar [M.] heeft nog twee kinderen, te weten een in Nederland wonende dochter en een in Hong Kong wonende en werkende oudste zoon. Zie voor een overzicht van de relaties binnen de familie [M.], p. 111. De dochter heeft haar moeder voor het laatst telefonisch gesproken in de nacht van vrijdag 2 op zaterdag 3 juli, namelijk op zaterdag 3 juli 1993 om 0.15 uur. Zie p. 159 en p. 161.

15 Zie verklaring [C.L. M.], p. 113.

16 Zie de verklaringen van [betrokkene 3] (p. 230-237) en van hulpkok [betrokkene 31] (p. 238-241). Onder 8.6.1. kom ik terug op deze onderzoekslijn.

17 Aldus [C.S. M.], zie p. 122.

18 Zie verklaring [C.S. M.], p. 139.

19 Dat zij de deur van het afhaalgedeelte gebruikte en vervolgens ontsloten liet, verklaarde [betrokkene 2], de kelner, die gebruikelijk als eerste arriveerde (p. 197).

20 Zie de verklaring van [betrokkene 7], p. 224-229.

21 Zie de verklaringen van [betrokkene 2] (p. 196-202), en de twee hulpkoks: [betrokkene 8] (p. 222-223) en [betrokkene 40] (p. 220-221).

22 Zie p. 96 (van het proces-verbaal van politie).

23 Zie matrix B2 in het forensisch dossier.

24 Getuigenverklaring ter terechtzitting van 25 april 1995.

25 Zie proces-verbaal van sporenonderzoek op de PD, bladzijde 15, zijnde van het doorgenummerde stamproces-verbaal bladzijde 55. Ter terechtzitting van 25 april 1995 deelde technisch rechercheur [betrokkene 9] als getuige overigens geheel algemeen mee dat de aangetroffen schoensporen niet konden worden getraceerd.

26 Zie ook de verklaring van technisch rechercheurs [betrokkene 9] en [betrokkene 10] ter terechtzitting van 25 april 1995.

27 Zie het NFI-rapport van 22 september 1993 en het overzicht van 17 mei 1995. Alle forensische rapportage heb ik als bijlage bij deze vordering gevoegd.

28 Dit moet worden afgeleid uit het NFI-rapport van 23 september 1993 en het A4-rapportje van 17 mei 1995.

29 Zie NFI-rapport van 12 april 1995 en het overzichtsrapport van 22 juni 1995.

30 Tevens bladzijde 46 van het stamproces-verbaal. Het proces-verbaal van technisch sporenonderzoek op de PD is als bijlage gevoegd bij deze vordering. Foto nr. 13 is te vinden op p. 67.

31 Bladzijde 52 van het stamproces-verbaal.

32 Bladzijde 8. In het stamproces-verbaal doorgenummerd als bladzijde 48.

33 Getuigenverklaring hof ter terechtzitting van 18 mei 1995. Foto nr. 30 is te vinden op p. 78.

34 Deze behoorde tot de vriendenclub van de drie veroordeelde mannen en werd verdacht van andere strafbare feiten, niet van het hier besproken delict.

35 De samenvatting van technische onderzoeksbevindingen d.d. 8 juni 1994 is dus op dit punt niet geheel correct.

36 NFI-rapport van 12 april 1995.

37 Maar een vermoeden dat de bloedsporen met de nummers 7 en 20 van één en dezelfde persoon afkomstig zijn had wellicht kunnen worden ontleend aan het gegeven dat beide sporen bij gelegenheid van hetzelfde delict zijn ontdekt en dat de typering van de twee overlappende genetische kenmerken overeenkomt (Hp: 2; EAB: BA). Een berekening van de frequentie waarmee de combinatie van deze factoren voorkomt in de Nederlandse populatie ontbreekt echter. Het hier bedoelde vermoeden is evenmin geëxpliciteerd in de betreffende NFI-rapporten van 22 september 1993 en 17 mei 1995, noch ter terechtzitting verwoord door de deskundige Kockx.

38 Getuigenverklaring ter terechtzitting van 18 mei 1995. [betrokkene 10] is ook gehoord op de terechtzitting van 25 april 1995 en deelde bij die gelegenheid mee dat de keuken "erg vet" was.

39 Getuigenverklaring ter terechtzitting van 25 april 1995.

40 Getuigenverklaring ter terechtzitting van 25 april 1995.

41 Schriftelijk requisitoir van 30 juni 1995, p. 11.

42 [betrokkene 34], destijds de vriend van [Jane H.], bevestigt hun verblijf bij hem tussen ongeveer 03.00 en 04.00 uur. Zie p. 312 e.v.

43 [Jenny L.] belde volgens haar aan bij nr. 16 of 18 (zie 15e verhoor). Ook herkende ze de [j-straat] als de straat waar zij samen met [mw. M.] doorheen hebben gelopen.

44 Hij is op 2 mei 1994 aangehouden en verhoord als verdachte, p. 694-698.

45 Zie de tekening die als bijlage is gevoegd bij de 8ste verklaring van [Jenny L.].

46 Brandon L. Garrett, Convicting the Innocent: Where criminal prosecutions Go Wrong, Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press 2011. Voor wie hoofdstuk 2 ("Contaminated confessions", 31 pagina's) te veel is, verwijs ik naar de bespreking van dit boek door H. Israëls in Expertise en Recht 2012 (1), p. 31-33.

47 Zie hoofdstuk 7 van H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen & W.A. Wagenaar, Dubieuze Zaken. De psychologie van strafrechtelijk bewijs, Amsterdam: Contact 1992; H. Israëls & R. Horselenberg, 'Valse bekentenissen', in P.J. van Koppen, H. Merckelbach e.a. (red.), Reizen met mijn Rechter. Psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 765-783; P.J. van Koppen & M. Malsch, Het praktische nut van de rechtspsychologie, Deventer: Kluwer 2008, p. 50-54; een overzichtsartikel van C. Kortlever, 'Verhoormethoden en hun risico's', Expertise en Recht 2011 (1); en het in dit verband zeer lezenswaardige artikel van H. Israëls, 'Bekentenissen: over daderkennis, suggestibiliteit en compliance', Expertise en Recht 2011 (5), p. 179-184.

Zie in het Engelse taalgebied onder veel meer: S.M. Kassin & G.H. Gudjonsson, 'The psychology of confession: A review of the literature and issues', Psychological science in the Public Interest 2004 (5), p. 33-67; M.B. Russano, C.A. Meissner, F.M. Narchet & S.M. Kassin, 'Investigating true and false confessions within a novel experimental paradigm', Psychological Science 2005 (16), p. 481-486; S.M. Kassin & G.H. Gudjonsson, 'The psychology of confessions: A review of the literature and issues', Psychological Science in the Public Interest, 2005 (5), p. 35-67; S.M. Kassin, 'The psychology of confessions', Annual Review of Law and Social Science 2008 (4), p. 193-217; S.M. Kassin, S.C. Appleby & J. Torkildson Perillo, 'Interviewing suspects: Practice, science, and future directions', Legal and Criminological Psychology 2010 (15), p. 39-55; S.M. Kassin, S.A. Drizin, T. Grisso, G.H. Gudjonsson, R.A. Leo & A.D. Redlich, 'Police-Induced Confessions: Risk Factors and Recommendations', Law and Human Behavior 2010 (34), nr. 1.

48 S.A. Drizin & R.A. Leo, 'The problem of false confessions in the post-DNA world', North Carolina Law Review 2004 (82), p. 892-1003.

49 Zie: P.J. van Koppen & M. Malsch, Het praktische nut van de rechtspsychologie, Deventer: Kluwer 2008, p. 52. In de woorden van Van Koppen: "Langdurig verhoren levert een verhoogde kans op een valse bekentenis op. Bekentenissen die niet gemakkelijk worden verkregen, zijn suspect, en hoe langer daarvoor verhoord is, hoe suspecter de bekentenis." P.J. van Koppen, Overtuigend bewijs. Indammen van rechterlijke dwalingen, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2011, p. 195.

50 Garrett, a.w., p. 21.

51 Zie P.J. van Koppen, Overtuigend bewijs. Indammen van rechterlijke dwalingen, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2011, p. 190.

52 De aanhalingstekens staan niet zonder reden: ik hanteer hier een meer diffuus begrip van 'onafhankelijkheid' dan wetenschappers plegen te doen. Twee getuigen van hetzelfde delict verklaren daarover in wetenschappelijke zin immers niet onafhankelijk van elkaar. Het verband is dan gelegen in hun beider waarneming van hetzelfde voorval. Waar het mij hier om gaat, is dat de twee getuigen/verdachten hun informatie niet hebben verkregen uit andere bron dan uit hun beider waarneming van hetzelfde voorval.

53 Kennelijk ontleend aan H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, a.w., p. 186.

54 H. Israëls & R. Horselenberg, 'Valse bekentenissen', in P.J. van Koppen, H. Merckelbach e.a. (red.), Reizen met mijn Rechter. Psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 771-772.

55 M. Malsch, J.W. de Keijser, P.R. Kranendonk & M. de Gruijter, 'Het verhoor op schrift of op band? De gevolgen van het 'verbaliseren' van verhoren voor het oordeel van de jurist', Nederlands Juristenblad 2010 (37), p. 2402-2407; A. Vrij, 'Het verhoren van verdachten', in P.J. van Koppen, H. Merckelbach e.a. (red.), Reizen met mijn Rechter. Psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 723-753.

56 De cursieve voorbeelden zijn geheel fictief en zijn dus niet ontleend aan het dossier.

57 Garrett, a.w., p. 31.

58 Garrett, a.w., p. 33.

59 Zie 13e verhoor [Jane H.] d.d. 28 april 1994.

60 Zie 6e verhoor d.d. 5 mei 1994.

61 Zie 6.3.1.

62 Aldus [C.S. M.], p. 121-122; en p. 138 ("Alleen familieleden wisten dat zij op mijn kinderen paste"). Duidelijker op dit punt is de verklaring van [C.S. M.] van 21 december 2010 ten overstaan van het evaluatieteam in antwoord op de vraag of hij en zijn vrouw vooraf van plan waren om in België te blijven slapen: "Nee, dat was niet de bedoeling. Mijn vrouw zou terug gaan naar Breda. Pas rond 23.00 uur werd besloten om in België te blijven."

63 1e verhoor als verdachte, d.d. 13 april 1994, p. 474.

64 4e verhoor als verdachte, d.d. 20 april 1994, p. 483.

65 Zie vorige voetnoot.

66 P. 496.

67 P. 477 en 478. Zie ook p. 483. De eerste verklaring van [Lucy C.] wijst echter in een andere richting. Terzijde: [Anil B.] is van Surinaamse origine.

68 Zie het "2e" (lees: 3e) verhoor van 19 april 1994 en het "3e" (lees: 4e) verhoor van 21 april 1994 op de bladzijden 368 - 374 van het proces-verbaal.

69 P. 370.

70 Verklaring van 19 maart 1994, p. 692-693. De tekst van deze passage is door mij enigszins aangepast met het oog op de begrijpelijkheid.

71 Zie voor een overzicht van de verschillende - ook andersluidende - verklaringen bijlage 106 van het evaluatierapport.

72 In het voorgaande verhoor deelde [Jenny L.] nog mee dat het achtkoppige gezelschap (inclusief [Jane H.], [Karin N.], [Miranda H.] en [Lucy C.]) omstreeks 02.00 uur die nacht in twee auto's van de [a-straat 1] naar [de P.] was gereden.

73 Zie de rapportage van A. Roos, criminaliteitsanalist, d.d. 10 juni 2010, als bijlage 109 gevoegd in het evaluatiedossier.

74 [betrokkene 41] doet in zijn verklaringen alleen verslag van hetgeen hij heeft vernomen van zijn vrouw.

75 P. 277 e.v. Ter terechtzitting van 16 mei 1995 is [betrokkene 1] (en is trouwens ook haar man) als getuige gehoord. Zij heeft volhard in haar eerdere verklaringen, behoudens het volgende. Zij maakt thans melding van "schimmen" (meervoud) en dacht dat [mw. M.] met personeel van het restaurant afkwam. Bovendien is ze minder zeker dat de stemmen die zij hoorde Chinees waren: "In mijn gedachten waren het Chinese stemmen. Ik vermoedde dat de Chinezen onderling ruzie hadden, maar ik kon dat niet met zekerheid zeggen. Ik herkende toen de stem van [mw. M.] bij het horen van geschreeuw en angstig gekreun." Zij blijft bij de door haar genoemde tijdstippen en de looprichting van [mw. M.]. Ze heeft bovendien (nog steeds) geen auto zien wegrijden.

76 Zie p. 279.

77 Zie foto nr. 4 op p. 103. De recherche concludeerde bij onderzoek ter plaatse dat [betrokkene 1] de waarneming mede vanwege de lichtinval inderdaad heeft kunnen doen (p. 282). Zie voorts: p. 283-284.

78 In [Jane H.]s eerste versie werd [mw. M.] opgehaald op de [e-straat 1] en heeft [mw. M.] de [g-straat] niet betreden.

79 In haar eerste versie zijn [Achmed L.], [Jane H.] en [Karin N.] zonder haar [mw. M.] gaan ophalen. In de tweede versie is [mw. M.] opgehaald vanaf de [e-straat 1].

80 Dat is dus anders dan in het verslag van 25 maart 1994 wordt gerapporteerd (p. 39 = p. 285). Daarin schrijft de verbalisant namelijk dat [betrokkene 1] hem op 24 maart 1994 heeft meegedeeld een auto te hebben zien wegrijden in de richting van de [f-straat]. Dat is in haar getuigenverklaring van 5 augustus 1993 echter uitdrukkelijk niet te lezen. In haar verklaring ter terechtzitting van het hof van 16 mei 1995 evenmin.

81 Niet ongebruikelijk liep [mw. M.] een andere route vanaf de [e-straat 1] dan wel vanaf het restaurant [de P.], en dat is over een stukje [f-straat], en vervolgens rechtsaf de [g-straat] in. Die route loopt wel langs de woning van [betrokkene 1]. Zie ook p. 39 van het politiedossier. Weer een andere mogelijkheid betreft een smal steegje achter de flats van de [f-straat], lopend vanaf de [e-straat] naar de [g-straat]. Indien [mw. M.] die route zou hebben gelopen, zou zij vanaf [e-straat 1] linksaf de weg hebben moeten oversteken. Ook deze route zou [mw. M.] langs de woning van [betrokkene 1] hebben gebracht. Zoals gezegd betreft dit echter niet de door [Jenny L.] beschreven en ingetekende route.

82 Het weerstation Gilze-Rijen heeft de avond van 3 juli 1993 en de vroege ochtend van 4 juli 1993 onder meer de volgende omgevingstemperaturen gemeten op 1,50 m hoogte: 18.00 uur: 23,3°; 21.00 uur: 18,4°; 24.00 uur: 17,5°; 03.00 uur: 16,7°. Bron: KNMI.

83 Dat voornemen werd overigens bevestigd door de getuigenverklaringen van [Lucy C.] (p. 482) en (vermoedelijk) [betrokkene 14] (p. 693).

84 P. 266.

85 P. 268.

86 P. 270.

87 P. 287.

88 Bijlage bij 10e verhoor, alsook bijlage bij 19e verhoor.

89 Zie 6.3.2 (De voorfase).

90 De raadsman van [Jenny L.] heeft bezwaar gemaakt tegen de weergave van deze laatste twee volzinnen in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 april 1995. Zie zijn brief van 15 mei 1995 (bijlage proces-verbaal van de zitting van 16 mei 1995). Volgens hem had [betrokkene 28] wel degelijk toegegeven één keer de verdachte [Jenny L.] een gedeelte van de verklaring van een getuige te hebben voorgehouden, doch is dit onderdeel van zijn verklaring abusievelijk niet in het proces-verbaal van de terechtzitting opgenomen.

91 Dat is destijds niet goed onderzocht. Foto's van het restaurant geven geen uitsluitsel. Het proces-verbaal van sporenonderzoek maakt daarvan geen melding. De eigenaar, [C.S. M.], beschrijft in zijn politieverklaringen het sluiten van het restaurant (p.122) en het plaatsen van nieuwe sloten (p.127). Hij doet mededelingen over de sleutels van het restaurant (p. 128), maar verklaart niets over een alarminstallatie. Hetzelfde geldt voor de hoofdkelner, [betrokkene 2], aan wie het afsluiten van het restaurant vaak werd overgelaten. Hij geeft hiervan een beschrijving (p. 196 en p. 200) en maakt melding van het uitschakelen van de stroom van de gokkast (p. 197). Ook hij doet geen uitspraken over een alarminstallatie. Mijn conclusie is dat die er niet was.

92 Verhoor van 20 april 1994, p. 484.

93 Zie de NFI-rapporten van 19 december 2008, van 21 oktober 2010 en van 28 april 2011 / 22 juli 2011.

94 Rapportage dr. Kal (NFI) van 20 april 2012. Twee voorbehouden: 1. de mogelijkheid van zogeheten laboratoriumfouten wordt hierbij buiten beschouwing gelaten, 2. populatiegenetische frequenties betrffen die van de Nederlandse bevolking. Overigens heeft het (partiële) DNA-profiel van de sporen met de nummers 7 en 20 in de DNA-databank tot op heden geen 'match' opgeleverd.

95 Het resultaat van DNA-verwantschapsonderzoek. Zie de al genoemde rapportage van 20 april 2012. Voor algemene informatie over dit onderwerp, zie: A.J. Meulenbroek, K. Slooten e.a., 'DNA-verwantschapsonderzoek in de strafrechtpraktijk', Expertise en Recht 2012 (2), p. 55-82, en het themanummer over dit onderwerp.

96 Paragrafen 7.7.2 en 7.7.3 zijn ontleend aan: D.J.C. Aben, 'Absence of evidence', Expertise en Recht 2012 (3).

97 Zie onder veel meer: A.P.A. Broeders, Op zoek naar de bron, over de grondslagen van de criminalistiek en de waardering van het forensisch bewijs (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2003, en A.P.A. Broeders, 'Individualisatie in de traditionele criminalistiek', in: M.J. Sjerps & J.A. Coster van Voorhout (red.), Het onzekere bewijs, Deventer: Kluwer 2005; M.J. Sjerps, 'Forensische statistiek en kansrekening: interpretatie van bewijs', in A.P.A. Broeders & E.R. Muller (red.), Forensische wetenschap, Deventer: Kluwer 2008, p. 467 e.v.; B. Robertson & G.A. Vignaux, Interpreting Evidence: Evaluating Forensic Science in the Courtroom, Chichester, New York, Brisbane, Toronto and Signapore: John Wiley and Sons 1995; C. Aitken & F. Taroni, Statistics and the evaluation of evidence for forensic scientists, Chichester: John Wiley & Sons Ltd. 2004. Ofschoon Van Koppen zich geen voorstander toont van een 'rekenende rechter' propageert ook hij m.i. een scenariogestuurde bewijswaardering in: P.J. van Koppen, Overtuigend bewijs. Het indammen van rechterlijke dwalingen, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2011. In een reeks van drie artikelen hebben principal scientist van het NFI prof. dr.ir. C. Berger en ik getracht deze werkwijze te onderbouwen en toe te lichten: zie C.E.H. Berger & D.J.C. Aben, 'Bewijs en Overtuiging', deel 1, 2 en 3, Expertise en Recht 2010, afl. 2, 3 en 5/6. Zie voorts: D.J.C. Aben, 'De facto', RM Themis 2010 (5/6), p. 223-232.

98 Vgl. A.P.A. Broeders, 'Enige overwegingen bij het gebruik van waarschijnlijkheidsconclusies in het forensisch onderzoek', Delikt en Delinkwent 1999, 29 (5), p. 389-407.

99 De mogelijkheid dat het (vermeende) slachtoffer liegt en de verdachte malicieus als de dader aanwijst, laat ik thans buiten beschouwing. Dat mag de rechter uiteraard niet.

100 HR 16 maart 2010, LJN BK3359, NJ 2010/314.

101 Of, zoals Broeders het formuleert in de context van de zaak Mariëlla de Geus: "... absence of evidence [is] althans wanneer er een grondig sporenonderzoek heeft plaatsgevonden op de plaats delict (..) wel degelijk op te vatten als evidence of absence, zij het niet als proof of absence". Zie: A.P.A. Broeders, Ontwikkelingen in de criminalistiek - van vingerspoor tot DNA-profiel, van zekerheid naar waarschijnlijkheid', Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2005, p. 24.

102 De keuze van deze twee hypothesen is uiteraard een vereenvoudiging van de meer complexe werkelijkheid. In theorie lenen bijvoorbeeld ook de volgende twee a priori minder waarschijnlijke hypothesen zich voor beschouwing:

1. de verdachte was wel aanwezig op de PD, maar heeft geen sporen achtergelaten;

2. de verdachte was wel aanwezig, met (al dan niet bewuste) achterlating van een vals spoor.

103 Althans, indien men de mogelijkheid van laboratoriumfouten waarbij ten onrechte wordt geconcludeerd tot een non-match buiten beschouwing laat.

104 Memo van mw. mr. E.E. van der Bijl d.d. 24 januari 2011, waarin de uitlatingen van ing. M.J. van der Scheer zijn opgetekend. Zie ordner B, alsook de ordner met forensische rapportage van het evaluatieonderzoek

105 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 105, is wat betreft de inhoud van die uitzending weinig informatief.

106 In het voorgaande verhoor deelde [Jenny L.] nog mee dat het achtkoppige gezelschap (inclusief [Jane H.], [Karin N.], [Miranda H.] en [Lucy C.]) omstreeks 02.00 uur die nacht gezamenlijk en in twee auto's van de [a-straat 1] naar [de P.] was gereden.

107 Zie bijlage 109, daarvan bijlage i, en daarvan de processen-verbaal met de nummers 7.68 en 7.67.

108 Bijlage 82 van het evaluatieverslag.

109 Bijlage 81 van het evaluatieverslag.

110 Zie p. 24 - 25 van het proces-verbaal van politie.

111 Zie paragraaf 11.5 van het evaluatieverslag.