Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW6875

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
10/04721 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW6875
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/877
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04721 E

Mr. Machielse

Zitting 13 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 3 februari 2010 voor: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 5000.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. P.W.H. Stassen, advocaat te Eindhoven, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

3. Alvorens in te gaan op de afzonderlijke klachten geef ik eerst de bewezenverklaring en relevante overwegingen van het hof weer. Daarna bespreek ik de regelgeving en de plaats daarin van de vogels om welke het gaat. Deze bespreking vergt veel ruimte vanwege de complexiteit van de Europese en nationale regelgeving. Daarna kom ik toe aan een bespreking van de middelen.

4.1. Bewezen verklaard is dat

"1. zij, in de periode van 7 november 2005 tot en met 12 januari 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, aangewezen krachtens artikel 5 van de Flora- en faunawet bij de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten van de Flora- en faunawet in artikel 4 (en genoemd in Bijlage A bij de basisverordening) te weten 2 vogels van de zogeheten Haliaeetus spp (Zeearenden) in het bijzonder van de soort Haleaeetus pelagicus (CITES document EE 05-033, male ID: 15688, transponder: 00-0617-BEAF, born 03-05-2005 en CITES document EE 05-034, male ID: 15687, transponder: 00-0615-37F3, born 30-04-2005) heeft verworven en onder zich heeft gehad;

2. zij in de periode van 17 augustus 2005 tot en met 12 januari 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, aangewezen krachtens artikel 5 van de Flora- en faunawet bij de Regeling aanwijzing dier - en plantensoorten van de Flora- en faunawet in artikel 4 (en genoemd in Bijlage A bij de basisverordening) te weten 2 vogels van de zogeheten Haliaeetus spp (Zeearenden) in het bijzonder van de soort Haleaeetus pelagicus (CITES document EE 05-014, Male, ID: 15161, Ring 1-2004, born 26.04.2004 en CITES document EE 05-015, Female, ID 15163, Ring: 2-2004, born 21.05.2004) heeft verworven en onder zich heeft gehad;

3. zij, in de periode van 2 juli 2004 tot en met 12 januari 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, aangewezen krachtens artikel 5 van de Flora- en faunawet bij de Regeling aanwijzing dier - en plantensoorten van de Flora- en faunawet in artikel 4 (en genoemd in Bijlage A bij de basisverordening) te weten 2 vogels van de zogeheten Haliaeetus spp (Zeearenden) in het bijzonder van de soort Haleaeetus pelagicus (CITES-document 54931, microchip 0000-6459-17, hatched 21-03-2004 en CITES FR 03-078-18183-K, Feminin, ringnummer 978 000 000 080 889, geboren op 17-04-2003) onder zich heeft gehad."

4.2. Voorts is in het arrest het volgende te lezen:

"Verweren van de verdediging

Voor zover het pleidooi van de raadsman van de verdachte rechtspersoon een herhaling van standpunten bevat die reeds ter terechtzitting in eerste aanleg zijn aangevoerd, neemt het hof de overwegingen van de rechtbank Rotterdam met betrekking tot die verweren in het vonnis van 4 juni 2008 over en beschouwt die als in dit arrest te zijn ingelast.

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd op de gronden die zijn weergegeven in de pleitnota zoals aangevuld ter terechtzitting in hoger beroep. Ten eerste is er namens de verdachte betoogd dat de CITES-documenten in het dossier innerlijk tegenstrijdig zijn. Voorts is betoogd dat het handelen in strijd met in een vergunning gegeven voorwaarde niet is tenlastegelegd waardoor dit niet kan leiden tot strafbaarstelling van de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Wat er ook zij van de geldigheid van de onderhavige CITES-documenten, de verdachte mocht de vier zeearenden op grond van die documenten niet vrijelijk verwerven en onder zich houden. Ook indien moet worden aangenomen dat de CITES-documenten vanuit administratief oogpunt bepaalde onjuistheden bevatten, doet dat niet af aan het bewijs van het tenlastegelegde en de strafbaarheid van het feit, aangezien de Flora- en faunawet de tenlastegelegde gedragingen met betrekking tot de zeearenden alleen toelaat, indien de houder op grond van een rechtsgeldig EG-certificaat hiertoe gerechtigd is.

Als gevolg van het voorgaande stuiten alle overige verweren omtrent het bewijs reeds om die reden af.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging."

En:

"Strafbaarheid van de verdachte met betrekking tot feit 3

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, nu de verdachte erop mocht vertrouwen dat Avifauna gerechtigd was de vogels aan medeverdachte, Wooning, te lenen.

Naar het oordeel van het hof komt de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toe, aangezien tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een verontschuldigbare onbewustheid van het verboden zijn van de in de bewezenverklaring nader omschreven handelingen, noch dat er anderszins sprake is geweest van de afwezigheid van alle schuld. Gelet op de vogel met CITES-document FR-03-078-18183-K kon verdachte er ook niet op vertrouwen dat hij verontschuldigbaar handelde, nu hij dit document naar eigen zeggen zelf niet goed had gecontroleerd en het document ook overigens geen andere aanwijzingen bevatte die het houden van die vogel konden rechtvaardigen. Voorts wijst het CITES-document vogelpark Avifauna te Alphen aan de Rijn aan als plaats waar de desbetreffende vogel moet worden gehouden. Deswege mocht de zeearend niet door verdachte worden gehouden. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt derhalve verworpen.

Het hof is evenwel van oordeel dat Avifauna bevoegd was om de vogel met CITES-document 54931, met name gelet op de inhoud van voormeld certificaat, vrijelijk te verhandelen, zodat de verdachte gerechtigd was deze vogel onder zich te hebben. Ten aanzien van dit onderdeel van het onder 5 tenlastegelegde zal zij dan ook ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

Er is voor het overige geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar."

4.3. De Haliaeetus Pelagicus, ook wel Stellers zeearend genaamd, is een van de grootste roofvogels ter wereld. Deze soort behoort tot de orde der Falconiformes, de familie der Accipitridae (sperwer/havikachtigen) en het geslacht Haliaeetus (zeearenden).(2) De Falconiformes zijn opgenomen in lijst II van de CITES.(3) Volgens artikel II van de CITES worden op lijst II alle soorten opgenomen die nog niet met uitsterven worden bedreigd, maar die wel kwetsbaar zijn en die kunnen uitsterven als de handel in deze soorten niet strikt wordt gereguleerd. Artikel IV van het Verdrag noemt de voorwaarden voor het verlenen van een uitvoervergunning van dieren en planten van lijst II. Zonder zo een vergunning mag zo een dier of plant niet worden ingevoerd.

4.4.1. De Basisverordening ter bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten(4) implementeert de CITES in de Europese rechtsorde. De lidstaten kunnen strengere maatregelen nemen dan de Verordening verlangt. Speciale bepalingen zijn nodig voor specimens die in gevangenschap zijn geboren. Voor certificaten die gebaseerd zijn op de Basisverordening moeten gemeenschappelijke regels worden vastgesteld over afgifte, geldigheid en gebruik. De Basisverordening kent als bijlagen vier lijsten. Bijlage A noemt de soorten die de meeste bescherming verdienen. In bijlage A is opgenomen "Haliaeetus spp." oftewel de zeearenden. Artikel 7 lid 1 onder a bepaalt dat op specimens van bijlage A die in gevangenschap zijn geboren en gefokt, de bepalingen van toepassing zijn die gelden voor specimens van soorten die in bijlage B zijn genoemd met uitzondering van de toepassing van artikel 8. Artikel 8 luidt als volgt:

" Bepalingen betreffende de controle op handelsactiviteiten

1. De aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, is verboden.

2. De Lid-Staten kunnen het in bezit hebben van specimens, met name van tot de in bijlage A genoemde soorten behorende levende dieren, verbieden.

3. In overeenstemming met de voorschriften van andere Gemeenschapswetgeving betreffende de instandhouding van wilde fauna en flora kan per geval ontheffing van de in lid 1 genoemde verbodsbepalingen worden verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat door een administratieve instantie van de Lid-Staat(5) waarin de specimens zich bevinden, indien de specimens:

(...)

c) in de Gemeenschap werden binnengebracht overeenkomstig de bepalingen van deze verordening en bestemd zijn om te worden gebruikt voor doeleinden die het voortbestaan van de betrokken soort niet nadelig beïnvloeden; of

d) in gevangenschap geboren en gefokte specimens zijn van een diersoort of kunstmatig gekweekte specimens van een plantesoort of een deel van zo'n dier of zo'n plant zijn of daaruit zijn verkregen; of

(...)

f) bestemd zijn voor fok- of kweekdoeleinden en dientengevolge zullen bijdragen tot de instandhouding van de betrokken soorten;

(...)."

Artikel 9 van de Basisverordening stelt voorwaarden aan elk vervoer binnen de Gemeenschap van een levend exemplaar van een in bijlage A genoemde soort. De inhoud van deze bepaling is - voor zover relevant - aldus:

"Vervoer van levende specimens

1. Voor elk vervoer binnen de Gemeenschap van een levend specimen van een soort opgenomen in bijlage A van de plaats die vermeld wordt op de invoervergunning of op een certificaat dat in overeenstemming met deze verordening is afgegeven, is de voorafgaande toestemming vereist van een administratieve instantie van de Lid-Staat waarin het specimen zich bevindt. In de overige gevallen van vervoer moet de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer in voorkomend geval het bewijs van de wettelijke oorsprong van het specimen kunnen leveren.

2. Toestemming wordt:

a) alleen verleend wanneer de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van die Lid-Staat of - indien het vervoer naar een andere Lid-Staat plaatsvindt - wanneer de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van deze laatste zich ervan heeft vergewist dat de geplande accommodatie op de plaats van bestemming van een levend specimen voldoende is uitgerust om het in stand te houden en goed te verzorgen;

b) bevestigd door afgifte van een certificaat; en

c) indien van toepassing, onmiddellijk meegedeeld aan een administratieve instantie van de Lid-Staat waarnaar het specimen zal worden verzonden.

(...)."

Voorts zijn de artikelen 10 en 11 van de Basisverordening nog relevant:

"Artikel 10

Af te geven certificaten

Wanneer zij van de betrokkene een van de nodige bewijsstukken vergezelde aanvraag ontvangt en wanneer is voldaan aan de voorwaarden inzake afgifte, kan een administratieve instantie van een Lid-Staat een certificaat afgeven voor de doeleinden van artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, lid 3, artikel 5, lid 4(6), artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 2, onder b).

Artikel 11

Geldigheid van en speciale voorwaarden met betrekking tot vergunningen en certificaten

1. Onverminderd strengere maatregelen die de Lid-Staten kunnen aannemen of handhaven zijn vergunningen en certificaten die overeenkomstig deze verordening door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten zijn verstrekt, in de hele Gemeenschap geldig.

2. a) Elke vergunning of elk certificaat evenwel, alsmede elke vergunning of elk certificaat die/dat op basis daarvan werd afgegeven, wordt als nietig beschouwd indien door een bevoegde autoriteit of door de Commissie in overleg met de bevoegde autoriteit die de vergunning of het certificaat heeft afgeleverd, wordt bewezen dat dit is geschied aan de hand van de foute veronderstelling dat aan de voorwaarden voor afgifte was voldaan."

Artikel 16 van de Basisverordening schrijft de lidstaten voor de nodige maatregelen te nemen om er tenminste voor te zorgen dat sancties worden opgelegd als in strijd met artikel 8 wordt gehandeld.

4.4.2. Artikel 19 van de Basisverordening draagt de Commissie op het model vast te stellen van de in de artikelen 4, 5, 7 en 10 bedoelde documenten. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten had de Commissie aan deze opdracht voldaan door Verordening (EG) 1808/2001 van 30 augustus 2001, L 250/1 het licht te doen zien (verder: de Uitvoeringsverordening).(7) Hoofdstuk 1 van de Uitvoeringsverordening heeft betrekking op definities en formulieren. Artikel 1 luidt aldus:

"Voor de toepassing van deze verordening gelden, naast de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 338/97, de volgende definities:

a) "datum van verwerving": de datum waarop een specimen aan de natuur werd onttrokken, in gevangenschap werd geboren of kunstmatig werd gekweekt;

b) "nakomelingen van de eerste generatie (F1)": specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders waarvan ten minste één in de vrije natuur werd verwekt of aan de vrije natuur werd onttrokken;

c) "nakomelingen van de tweede generatie (F2)" en "nakomelingen van latere generaties (F3, F4, enz.)": specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders die zelf in een gecontroleerd milieu zijn geteeld;

(...)."

Artikel 2 van de Uitvoeringsverordening houdt in zijn derde lid in dat de formulieren voor de in artikel 10 van de Basisverordening bedoelde certificaten en de aanvragen voor deze certificaten moeten overeenkomen met het in bijlage III opgenomen model.

Het derde lid van artikel 4 van de Uitvoeringsverordening heeft als inhoud:

"3. In de vergunningen en certificaten alsmede in de aanvragen met het oog op de afgifte van deze documenten,

a) omvat de omschrijving van de specimens, voorzover daarin is voorzien, één van de in bijlage V vermelde codes;

b) worden voor het aangeven van de hoeveelheid en de nettomassa de in bijlage V vermelde eenheden gebruikt;

c) wordt voor het aangeven van de wetenschappelijke naam van de betrokken soorten gebruikgemaakt van de in bijlage VI vermelde standaardnomenclatuurwerken;

d) wordt waar nodig het doel van de transactie aangegeven door middel van één van de in punt 1 van bijlage VII vermelde codes;

e) wordt de oorsprong van de specimens aangegeven door middel van één van de in punt 2 van bijlage VII vermelde codes, en zulks - indien ten aanzien van het gebruik van die codes aan bepaalde in Verordening (EG) nr. 338/97 of in deze verordening vermelde criteria moet worden voldaan - uitsluitend overeenkomstig de bedoelde criteria.

(...)."

Het derde lid van artikel 20 van de Uitvoeringsverordening heeft betrekking op de certificaten van artikel 8 lid 3 van de Basisverordening en luidt aldus:

"3. In een certificaat voor de in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de betrokken specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort niet vallen onder één of meer verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van die verordening omdat zij:

a) in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht toen de bepalingen betreffende de soorten die in die bijlage, in bijlage I bij de overeenkomst of in bijlage C1 bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 worden genoemd, niet op deze specimens van toepassing waren, of

b) van oorsprong zijn uit een lidstaat en overeenkomstig de op het grondgebied van deze lidstaat geldende wetgeving aan de natuur werden onttrokken, of

c) achtergelaten of ontsnapte specimens zijn, die overeenkomstig de op het grondgebied van de betrokken lidstaat geldende wetgeving in bewaring werden genomen, of

d) in gevangenschap geboren en gefokte dieren of delen daarvan of afgeleide producten daarvan zijn, of

e) mogen worden gebruikt voor één van de in artikel 8, lid 3, onder c) en onder e), f) en g), van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden."

Het vierde lid van artikel 20 van de Uitvoeringsverordening heeft betrekking op de certificaten van artikel 9 van de Basisverordening:

"4. In een certificaat voor de in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de overbrenging van de betrokken levende specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort vanaf de voorgeschreven plaats zoals vermeld in de invoervergunning of in een eerder afgegeven certificaat, wordt toegestaan."

Hoofdstuk III van de Uitvoeringsverordening (artikelen 24 tot en met 26) heeft betrekking op in gevangenschap geboren en gefokte specimens. Voor zover in het onderhavige verband van belang heeft artikel 24 als inhoud:

"Artikel 24

Onverminderd het bepaalde in artikel 25(8) wordt een specimen van een diersoort uitsluitend beschouwd als zijnde in gevangenschap geboren en gefokt indien ten genoegen van een bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit van de betrokken lid-staat, is aangetoond dat:

a) het een nakomeling is, of bestaat uit een afgeleid product van een nakomeling, die in een gecontroleerd milieu is geboren of op enige andere wijze geteeld, hetzij (in het geval van geslachtelijke voortplanting) als gevolg van de paring of een andere vorm van gametenoverdracht tussen ouderdieren in een gecontroleerd milieu, hetzij (in het geval van ongeslachtelijke voortplanting) uit ouderdieren die zich bij het begin van de ontwikkeling van de nakomeling in een gecontroleerd milieu bevonden;

(...)."

Wat een "gecontroleerd milieu" is leert artikel 1 van de Uitvoeringsverordening:

"e) "gecontroleerd milieu": een door menselijke ingrepen bepaald milieu dat is geschapen om dieren van een bepaalde soort te telen, dat op een zodanige wijze is afgesloten dat dieren, eieren of gameten van de betrokken soort het gecontroleerde milieu niet kunnen binnenkomen of verlaten, en dat in het algemeen met name, maar niet uitsluitend, wordt gekenmerkt door kunstmatige behuizing, verwijdering van uitwerpselen, gezondheidszorg, bescherming tegen predatoren en kunstmatige voedselvoorziening".

Hoofdstuk V van de Uitvoeringsverordening betreft de vrijstellingen. Artikel 29 van de Uitvoeringsverordening ziet op de vrijstellingen waar het derde lid van artikel 8 van de Basisverordening over spreekt:

"Artikel 29

1. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder a) tot en met c), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.

2. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit, aantoont dat de betrokken specimens overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 van de onderhavige verordening in gevangenschap zijn geboren en gefokt of kunstmatig zijn gekweekt.

3. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder e) tot en met g), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit, aantoont dat aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.

4. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder h), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat de betrokken specimens in een lidstaat aan de natuur zijn onttrokken overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat."

Ook artikel 31 van de Uitvoeringsverordening heeft betrekking op de ontheffing van de in het derde lid van artikel 8 van de Basisverordening opgelegde verplichtingen:

"Artikel 31

Onverminderd het bepaalde in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 338/97 zijn het verbod om specimens van de in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten voor commerciële doeleinden aan te kopen, te koop aan te bieden of te verwerven en de bepaling in artikel 8, lid 3, van die verordening dat ontheffingen van deze verbodsbepalingen per geval worden verleend door de afgifte van een certificaat, niet van toepassing indien de betrokken specimens:

a) gedekt zijn door één van de in artikel 20, lid 3, bedoelde certificaten en worden gebruikt overeenkomstig het daarin vermelde doel, of

(...)."

Artikel 33 van de Uitvoeringsverordening bepaalt nog dat de lidstaten met het oog op artikel 8 lid 3 onder d) van de Basisverordening aan fokkers die daartoe zijn geaccrediteerd van tevoren certificaten mogen verstrekken op voorwaarde dat zij een fokregister bijhouden.

4.4.3. Bijlage III bij de Uitvoeringsverordening is het door de commissie vastgestelde model van het certificaat waarvan het derde lid van artikel 8 van de Basisverordening spreekt. Bijlage III bestaat uit 20 rubrieken die moeten worden ingevuld en uit een toelichting op die rubrieken. Enige rubrieken zijn in het verband van de onderhavige zaak relevant. Rubriek 1 vraagt naar de houder. Rubriek 2 naar de plaats waar de aan de natuur onttrokken levende specimens van soorten van bijlage A moeten worden gehouden. Rubriek 3 verlangt invulling van de administratieve instantie van afgifte. In rubriek 4 moet de omschrijving van de specimens met inbegrip van merktekens, geslacht en geboortedatum van levende dieren worden ingevuld. Rubriek 9 vraagt naar de oorsprong, waaronder niet is te verstaan het land van herkomst waarnaar immers in rubriek 10 wordt gevraagd. De oorsprong in rubriek 9 moet middels een code worden ingevuld. Die codes zijn vermeld in de toelichting op het formulier. Zo kan men de letter W invullen: aan de natuur onttrokken specimens. De letter D staat voor: overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III bij Verordening (EG) nr. 1808/2001 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan. De letter C heeft betrekking op overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III bij Verordening nr. 1808/2001 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan. F moet worden ingevuld als het gaat om in gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk III bij Verordening (EG) nr. 1808/2001 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan.

Rubriek 18 biedt keuzemogelijkheden die zijn ontleend aan het tweede en het derde lid van artikel 20 van de Uitvoeringsverordening. Zo kan men invullen dat het gaat om in gevangenschap geboren en gefokte dieren.

4.5.1. Dit ingewikkelde Europese stelsel is in het Nederlandse recht vertaald in de Flora- en faunawet en de daaruit voortspruitende nadere regelingen.

Artikel 13 lid 1 van de Flora- en faunawet luidt aldus:

"Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort,

te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

(...)

4. Met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, gelden de in het eerste lid bedoelde verboden noch ten aanzien van (...) dieren (...) behorende tot (...) een beschermde uitheemse diersoort, die is aangewezen om redenen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, indien kan worden aangetoond dat zij:

a. overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde in Nederland zijn gebracht of

(...)." (9)

Artikel 1 van de Flora- en faunawet definieert beschermde uitheemse diersoorten als diersoorten aangewezen krachtens artikel 5. Dat artikel heeft de volgende inhoud:

"1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen als beschermde uitheemse plantensoort of beschermde uitheemse diersoort worden aangewezen plantensoorten onderscheidenlijk diersoorten die niet van nature in Nederland voorkomen en die:

a. in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd, dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten, of

b. niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting, dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.

2. De aanwijzing van een plantensoort of van een diersoort als beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk als beschermde uitheemse diersoort geschiedt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid bij ministeriële regeling indien die aanwijzing noodzakelijk is ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.

3. Bij de aanwijzing van soorten, bedoeld in het eerste of tweede lid, worden deze soorten onderscheiden in categorieën van soorten als bedoeld in onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b van het eerste lid."

De Algemene maatregel van bestuur waarnaar de wet verwijst is de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.(10) Artikel 4 van de Regeling luidt, voor zover relevant, aldus:

"1. Als beschermde uitheemse dier- en plantensoort als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet zijn, voorzover het soorten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de wet betreft, en met uitzondering van de daarin voorkomende beschermde inheemse dier- en plantensoorten, aangewezen:

a. de soorten genoemd in bijlage A bij de basisverordening, met inachtneming van de tot die bijlage behorende opmerkingen over de interpretatie daarvan;

b. de soorten genoemd in bijlage IV bij richtlijn 92/43/EEG, voorzover deze soorten niet vallen onder de basisverordening;

c. de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze regeling.

2. Als beschermde uitheemse dier- en plantensoort als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet zijn, voorzover het soorten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet betreft en voorzover deze soorten niet reeds onder artikel 4, eerste lid, van deze regeling vallen, aangewezen:

a. de soorten genoemd in de bijlagen B, C en D bij de basisverordening, met inachtneming van de tot die bijlage behorende opmerkingen over de interpretatie daarvan, en met uitzondering van de daarin voorkomende beschermde inheemse dier- en plantensoorten;

(...)."

De Flora- en faunawet kent een ingewikkeld stelsel van vrijstellingen. Artikel 75 houdt een algemene regeling in. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten luidden de eerste drie leden van deze bepaling aldus:

"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

2. Indien een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid strekt tot uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, kan de vrijstelling bij ministeriële regeling worden verleend.

3. Onze Minister kan, voorzover niet overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18, 50, 51, 52, 53, 58, 59, tweede lid, 64, tweede lid, en 72, vijfde lid.

(...)"

Het Besluit vrijstelling beschermde dieren- en plantensoorten van 28 november 2000, Stb. 2000, 525, is de in het eerste lid bedoelde Algemene maatregel van bestuur. In het Besluit vrijstelling is geen voorziening getroffen met betrekking tot artikel 13 van de Flora- en faunawet inzake beschermde uitheemse diersoorten.

De Ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, is de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet van 5 maart 2002, Stcrt. 2002, 51. Artikel 2 van de Regeling vrijstelling bepaalt dat de vrijstellingen slechts gelden voor zover onder meer met betrekking tot de afgifte, vorm, inhoud van de certificaten is voldaan aan hetgeen in de Basis- en Uitvoeringsverordening is bepaald. Artikel 10 van de Regeling vrijstelling heeft betrekking op de handel in specimens binnen de Europese Gemeenschap en luidt, voor zover relevant, aldus:

"1. Met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen(11) of het onder zich hebben, geldt een vrijstelling van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor:

a. specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien een certificaat is afgegeven op grond van artikel 8, derde lid, van de basisverordening;

(...)."

Ook artikel 12 van de Regeling vrijstelling is van belang. Ik geef de inhoud weer voor zover deze betrekking heeft op beschermde uitheemse diersoorten:

"1. Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet geldt een vrijstelling voor (...) levende specimens van in gevangenschap geboren en gefokte vogels, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de vogels gefokt zijn, (...) en voorzover:

a. deze vogels zijn voorzien van een naadloos gesloten pootring, met uitzondering van de vogelsoorten, bedoeld in bijlage VIII bij de uitvoeringsverordening, voorzover deze soorten niet van een annotatie zijn voorzien;

b. registratie heeft plaatsgevonden in de administratie, bedoeld in artikel 8 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten;

c. voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels.(12)

2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens voor levende en dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte vogels, behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien deze vogels in overeenstemming met artikel 36 van de uitvoeringsverordening zijn voorzien van een microchiptransponder.

3. (...)

4. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. (...)

b. levende specimens van de soort havik (Accipiter gentilis), behorende tot beschermde inheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening;

c. onverminderd onderdeel b, voorzover het het bezit in het veld betreft, levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A of B bij de basisverordening."

De bedoeling van het vierde lid onder b en c wordt slechts duidelijk door de toelichting. Volgens deze toelichting somt het vierde lid van artikel 12 van de Regeling vrijstelling een aantal uitzonderingen op met betrekking tot de vrijstelling voor gefokte vogels. Het betreft het bezit in het veld van levende specimens van de soorten roofvogels en uilen. De achtergrond van dit gehele verbod is het voorkomen van het beoefenen van de jacht met behulp van andere roofvogels dan met slechtvalken en haviken.(13)

Het tweede lid van artikel 13 van de Regeling vrijstelling heeft de volgende inhoud:

"2. De vrijstelling, bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid, geldt eveneens voor in andere staten dan Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels, die voorzien zijn van een merkteken, dat aantoonbaar overeenkomstig de in die andere staat geldende regelgeving en met inachtneming van artikel 36 van de basisverordening is afgegeven en aangebracht."

Artikel 1 onder i van de Regeling vrijstelling definieert "in gevangenschap geboren en gefokte" specimens van een diersoort door te verwijzen naar artikel 24 van de Uitvoeringsverordening.

4.5.2. Het komt mij voor dat er onduidelijkheid bestaat over de verhouding tussen de vrijstellingen uit hoofde van artikel 10 en van artikel 12 van de Regeling vrijstelling. Artikel 12 van de Regeling vrijstelling is beperkt tot het verbod van het onder zich hebben. Vrijstelling is alleen mogelijk voor vogels van lijst A die in gevangenschap zijn geboren en gefokt. Maar vogels van lijst A mag men wel bijvoorbeeld verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad hebben, verkopen, vervoeren en afleveren, wanneer men over een vrijstelling beschikt. Dat geldt niet alleen voor vogels die in gevangenschap zijn geboren en gefokt. Door de verwijzing in artikel 10, lid 1 onder a naar het derde lid van artikel 8 van de Basisverordening is duidelijk dat ook A-vogels mogen worden verworven als zij bestemd zijn voor fok- of kweekdoeleinden of voor onderzoek of onderwijs. Mijns inziens is het dan redelijk om de verhouding tussen artikel 10 en artikel 12 van de Regeling vrijstelling aldus te zien dat een vrijstelling van de handelsverboden van artikel 13 lid 1 van de Flora- en faunawet meteen ook een vrijstelling voor het onder zich hebben bijvoorbeeld voor fokdoeleinden in zich bergt.

4.6. Het bovenstaande brengt mij tot de volgende voorlopige slotsom. De Haliaeetus Pelagicus is een beschermde uitheemse roofvogel. Hij is opgenomen in bijlage A van de Basisverordening. Zo een roofvogel mag men niet verwerven of onder zich hebben. Van dit verbod is ontheffing mogelijk via een certificaat. Dan moet wel aangetoond worden dat de vogels bijvoorbeeld in gevangenschap geboren en gefokt zijn. Artikel 24 van de Uitvoeringsverordening definieert wanneer een vogel aangemerkt wordt als te te zijn geboren en gefokt in gevangenschap. De Uitvoeringsverordening bevat een model voor het aanvragen van een certificaat.

5.1. In de schriftuur ontwaar ik eerst de klacht dat het hof verdachte ten onrechte heeft veroordeeld voor overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet. Aldus heeft het hof over het hoofd gezien dat het tweede lid van artikel 79 van de Flora- en faunawet een lex specialis is van artikel 13.

5.2. Artikel 79 van Flora- en faunawet heeft de volgende inhoud:

"1. Aan vrijstellingen, ontheffingen of vergunningen kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. De voorschriften en beperkingen kunnen worden gewijzigd. Vergunningen en ontheffingen kunnen worden ingetrokken.

2. Het is verboden te handelen in strijd met de bij een vrijstelling, ontheffing of vergunning gestelde voorschriften en beperkingen.

3. Vergunningen en ontheffingen kunnen aan een geldigheidsduur worden gebonden."

5.3. Deze klacht gaat mijns inziens niet op. Het tweede lid van artikel 79 van de Flora- en faunawet bevat niet alle bestanddelen van artikel 13 van die wet, terwijl de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten bevat voor de opvatting dat er niettemin een specialiteitsverhouding tussen beide bepalingen zou bestaan.(14) Beide bepalingen zien op andere situaties. Als een zeearend vergezeld is van een geldig certificaat gelden de verboden van artikel 13 Flora- en faunawet niet. Zonder geldig certificaat is het verboden om een zeearend te verwerven of te bezitten. Een certificaat is een voorwaarde voor het mogen verwerven of voorhanden hebben van de zeearend. Ook wanneer bij de vogel wel een certificaat hoort is een vrijstelling enkel een gegeven als dat certificaat voldoet aan alle eisen. Dat is wat anders dan het niet voldoen aan bepaalde voorschriften die aan de vrijstelling, ontheffing of vergunning zijn verbonden. Artikel 79 ziet op zulke voorschriften en beperkingen die de invulling van het toegestane handelen aan banden leggen.

6.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat verdachte niet beschikte over een certificaat als bedoeld in het derde lid van artikel 8 van de Basisverordening dat vrijstelling verleende voor de verboden van het verwerven en voorhanden hebben. Voor de vogels van feit 1 van de tenlastelegging is blijkens de pleitnota van hoger beroep de stelling betrokken dat de certificaten die door de Estse autoriteit voor deze vogels waren afgegeven telkens de code F inhouden als aanduiding voor de oorsprong. Voorts blijkt uit rubriek 18 der certificaten dat de vogels geboren zijn in gevangenschap. Onder de rubriek 20 is steeds aangegeven dat de vogels slechts gebruikt mogen worden voor niet commerciële doeleinden ten behoeve van het behoud van de soort in het kader van ESB en/of EEP- programma's die worden onderschreven door EAZA. Volgens de steller van de pleitnota moet ervan worden uitgegaan dat de certificaten horende bij de vogels van feit 1 certificaten zijn op de voet van artikel 8 lid 3 onder d van de Basisverordening. Dat betekent dat verdachte wel beschikt over de juiste certificaten. Dat er nog als eis is gesteld dat de vogels ingezet worden voor een fokprogramma is te veel. Die voorwaarde mag niet worden gesteld.

Ook het tweede middel neemt als uitgangspunt dat verdachte over een vrijstelling beschikte en dat daarom artikel 13 van de Flora- en faunawet niet van toepassing is. Het eerste en tweede middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

6.2. Dat verdachte een vrijstelling genoot van de verboden van artikel 13 van de Flora- en faunawet is ook in eerste aanleg aangevoerd. Ik citeer uit het vonnis van de rechtbank:

"Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte rechtspersoon ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat blijkens de door de Estse autoriteiten verstrekte certificaten de verdachte rechtspersoon "in gevangenschap geboren en gefokte vogels" verwierf ten aanzien waarvan op grond van artikel 10 en 12 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet een vrijstelling geldt van de verboden uit artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet. De verdachte heeft aldus niet wederrechtelijk gehandeld.

Dit verweer wordt verworpen.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 10, eerste lid en 12, eerste lid van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet is de houder van een daartoe strekkend EG-certificaat in beginsel gerechtigd tot respectievelijk de handel in en het bezit van de betrokken vogels, indien de vogels in gevangenschap zijn geboren en gefokt. Dit in overeenstemming met artikel 8, derde lid van de EG-verordening 338/97.

In gevangenschap geboren en gefokte vogels worden op het bij de vogels behorend EG-certificaat, conform het bepaalde onder 13 van bijlage I behorende bij de EG-uitvoeringsverordening inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer van 30 augustus 2001 (hierna: Uitvoeringsverordening), in vakje 9 (met betrekking tot de oorsprong) aangeduid met de letters C of D.

In de door de Estse autoriteiten verstrekte certificaten met betrekking tot de vier zeearenden staat het betrokken dier echter telkens in vakje 9 aangeduid met de letter F. Volgens het gestelde onder 13 van bijlage I behorende bij de Uitvoeringsverordening gaat het dan om "in gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk III (c.q. artikel 24) van de voormelde EG-verordening 1808/2001 is voldaan".

Naar het oordeel van de rechtbank sluit bedoelde aanduiding met de letter F ook goed aan bij de clausule onder vakje 20 van de EG-certifïcaten behorende bij de vier zeearenden, welke clausule naar het oordeel van de rechtbank commerciële activiteiten ten aanzien van de betreffende vogels wil uitsluiten. Dientengevolge legitimeren de EG-certificaten behorende bij de vier zeearenden niet de verwerving en het onder zich hebben van die zeearenden, zodat in casu met betrekking tot die zeearenden wederrechtelijk is gehandeld.

Uit het proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst, nummer 0322/051128-02, d.d. 13 december 2005 blijkt dat de verdachte rechtspersoon de EG-certificaten behorende bij de onder feit 3 ten laste gelegde zeearenden onder zich heeft gehad en de hiervoor besproken vermelding van de letter F en de clausule genoemd in vakje 20 heeft kunnen zien. Ter zitting heeft de bestuurder van de verdachte rechtspersoon, tevens de medeverdachte, verklaard dat hij bij het verwerven van de vogels de certificaten heeft gelezen en zowel de letter F als de vermelding onder vakje 20 heeft gezien.

De verdachte rechtspersoon was derhalve op de hoogte van het feit dat de EG-certificaten het verwerven en onder zich hebben van de betreffende zeearenden niet legitimeerden.

(...)

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de door de Estse autoriteiten in vakje 20 van de EG-certificaten gestelde voorwaarde niet is toegestaan, omdat deze voorwaarde een ongeoorloofde belemmering inhoudt van het intracommunautaire handelsverkeer, nu blijkens die voorwaarde overdracht van een dier uitsluitend wordt toegestaan in het kader van ESB en/of EEP-programma's geïniteerd door EAZA.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Basisverordening kunnen aan elk certificaat dat overeenkomstig de verordening door een autoriteit is afgegeven, voorwaarden en vereisten worden verbonden die door die autoriteit zijn opgelegd om te garanderen dat aan de bepalingen daarvan wordt voldaan.

Nu de EG-regelgeving, zoals hiervoor reeds is overwogen, de Lid-Staten vrijlaat in het nemen of handhaven van strengere maatregelen dan door de Basisverordening geïnitieerd, kan niet gezegd worden dat een dergelijke voorwaarde dermate vergaand is dat deze niet door de Basisverordening wordt toegelaten.

De onderhavige voorwaarde, die commerciële handel in beschermde dieren tracht uit te sluiten en ten behoeve van het behoud van die dieren nadere regels stelt, is in lijn met zowel de Europese als de Nederlandse regelgeving. Die voorwaarde kan weliswaar de handel tussen de lidstaten belemmeren, maar die mogelijke belemmering wordt gerechtvaardigd door het doel van de regelgeving en het belang dat die regelgeving dient. De voorwaarde is noodzakelijk ter verwezenlijking van dat doel."

6.3. De vermelding van code F in rubriek 9 van het certificaat maakt duidelijk dat de vogels weliswaar in gevangenschap zijn geboren maar niet voldoen aan de criteria van artikel 24 van de Uitvoeringsverordening. De mogelijkheid die onder d) van artikel 8 van de Basisverordening is vermeld is daarmee uitgesloten. De vogels zijn bovendien zo jong dat mogelijkheid a) niet reëel is. Mogelijkheid b) is niet van toepassing op levende vogels. De vogels zijn geen proefdieren en vallen dus niet onder mogelijkheid e). Evenmin is deze zeearend van Europese oorsprong (mogelijkheid h)). Het leef- en broedgebied van het dier is immers het schiereiland Kamchatka, de kust van de zee van Okhotsk, het mondinggebied van de rivieren Amur en Gorin, en Sakhalin en Shantar in Aziatisch Rusland.(15)

Wat overblijft als grond voor ontheffing zijn de mogelijkheden c), f) en g) van het derde lid van artikel 8 van de Basisverordening. Ik ga ervan uit dat de certificaten horende bij de arenden van feit 1 en feit 3 in de rubriek 20 inhouden dat de dieren zijn overgedragen in het kader van en uitsluitend voor opname in ESB (European StudBook) en/of EEP (European Endangered Species Program) die worden gedragen door EAZA (European Association of Zoos and Aquaria).(16) Blijkens het vonnis van de rechtbank heeft de advocaat van verdachte dit gesteld en is de rechtbank hier ook van uitgegaan.

6.4. Volgens overweging (3) van de preambule voor de Basisverordening kunnen de lidstaten strengere maatregelen nemen met inachtneming van het Verdrag met name wat betreft het houden van specimens van beschermde soorten. Nederland heeft in de Regeling vrijstelling een uitzondering opgenomen van het verbod op het onder zich hebben in artikel 13 van de Flora- en faunawet voor vogels van bijlage A als deze in gevangenschap zijn geboren en gefokt. Deze laatste woorden moeten worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis van artikel 24 Uitvoeringsverordening. Door vermelding van de code F op het certificaat in rubriek 9 is aangegeven dat aan deze eis niet is voldaan. Maar dat zegt nog niet alles. Ook als de zeearenden niet in gevangenschap zijn geboren en gefokt in de zin van artikel 24 van de Uitvoeringsverordening, hetgeen kan blijken uit de codering F in rubriek 9, bestaat de mogelijkheid dat andere gedragingen die in het eerste lid van artikel 13 van de Flora- en faunawet zijn verboden, toch op grond van een vrijstelling geoorloofd zijn, welke vrijstelling dan ook geacht moet worden zich uit te strekken tot het met de vrijgestelde gedraging verbonden onder zich hebben. A-zeearenden, voor welke F geldt, kunnen toch, bijvoorbeeld voor fokdoeleinden, in Nederland voorhanden mogen zijn. Maar blijkens bewijsmiddel 3 heeft de bestuurder van verdachte aan verbalisanten verklaard dat de vogels van feit 1 en feit 2 bestemd waren voor een Duitse vogelhandelaar. Ook heeft de bestuurder van verdachte gezegd dat hij niet was aangesloten bij ESB, EEP of EAZA. Het hof heeft kennelijk daaruit afgeleid en af kunnen leiden dat met betrekking tot deze vier zeearenden niet was voldaan aan de voorwaarden van het derde lid van artikel 8 van de Basisverordening. Niet alleen waren de vogels niet geboren en gefokt in gevangenschap in de zin die artikel 24 van de Uitvoeringsverordening aan deze woorden geeft, maar evenmin hadden zij klaarblijkelijk de bestemming om te worden opgenomen in een fokprogramma. Ter terechtzitting van het hof is zo een bestemming ook niet duidelijk door de verdediging onderbouwd.

6.5. Voorts geldt met betrekking tot de zeearenden nog het volgende. Het hof heeft in bewijsmiddel 4 vastgesteld dat bij het Nederlandse CITES Bureau geen verzoek van de Estlandse CITES autoriteit bekend is. Evenmin blijkt dat voor het vervoer van de arenden van Schiphol naar de plaats waar de vogels in beslag zijn genomen vooraf toestemming door de Nederlandse CITES-autoriteiten is verleend. Zo'n toestemming zou alleen maar kunnen worden gegeven na een voorafgaande inspectie van de plaats waar deze vogels worden gehuisvest. Die toestemming moet uit een certificaat, afgegeven door de instantie van het land waar de vogels zich bevinden, blijken (artikel 9 Basisverordening). Dat Nederlandse certificaat ontbreekt. Er is dus niet voldaan aan de vereisten van artikel 9 van de Basisverordening. En dan is er ingevolge artikel 2 van de Regeling vrijstelling geen geldige vrijstelling.

Beide middelen falen.

7.1. Het derde middel wijst erop dat het hof zich ten onrechte heeft aangesloten bij het oordeel van de rechtbank over standpunten die de verdediging in eerste aanleg heeft betrokken. De rechtbank heeft overwogen dat verdachte de vogels onder zich zou hebben voor commercieel gewin. De verdediging heeft dat steeds bestreden. Verdachte had de vogels onder zich om deze te leveren aan een derde die ermee zou fokken, waardoor de instandhouding van de soort zou worden bevorderd.

7.2. Zoals ik al schreef bij mijn bespreking van de eerste twee middelen is het hof niet onbegrijpelijk tot de slotsom gekomen dat de arenden voor verdachte handelswaar waren, bestemd voor Duitse vogelhandelaars. Ik wijs er in dit verband nog op dat de bestuurder van verdachte in eerste aanleg heeft verklaard dat, als hij een vogel verkoopt, de verkoopprijs hoger is dan de aankoopprijs omdat hij nu eenmaal ook kosten maakt. Met andere woorden, verdachte is bedrijfsmatig en winstgericht in de vogelhandel bezig. Dat zij wellicht ook wel eens verkoopt aan een dierentuin die met de vogels wil gaan fokken maakt dit niet anders. Het middel faalt.

8.1. Het vierde middel klaagt weer over een overweging van de rechtbank waarbij het hof zich heeft aangesloten. Het betreft de passage waarin de rechtbank uitlegt dat de EG-regelgeving het aan de lidstaten toestaat om strengere maatregelen te nemen dan de Basisverordening zelf inhoudt.

Het middel klaagt dat rechtbank noch hof aangeven waarom de ene lidstaat gebonden is aan strenge voorwaarden die door een andere lidstaat aan een ontheffing zijn verbonden. De steller van het middel heeft klaarblijkelijk het oog op de voorwaarde die onder rubriek 20 is geformuleerd en die inhoudt dat de arenden of nakomelingen zijn bestemd voor het ESB en/of het EEP onder auspiciën van de EAZA.

8.2. Het middel ziet echter over het hoofd dat het in Nederland verboden is om dergelijke zeearenden te verwerven of voorhanden te hebben. Nogmaals, verdachte heeft de arenden onder zich gehad om die te verkopen aan Duitse vogelhandelaars. Zij had de arenden niet onder zich in het kader van een door het derde lid van artikel 8 van de Basisverordening gelegitimeerd doel. Hoe de voorwaarde in rubriek 20 van het certificaat ook is verwoord, een uitzondering op het verbod op het verwerven en voorhanden hebben was hier niet aanwezig.

Het middel faalt.

9.1. Het vijfde middel klaagt dat het hof ten onrechte in de motivering van de opgelegde straf ervan is uitgegaan dat zeearenden zoals die bij verdachte zijn aangetroffen zeldzaam zijn. Dat is namelijk niet het geval.

9.2. De pleitnota van hoger beroep stelt dat de Steller zeearend een vogel is waarmee behoorlijk veel wordt gefokt en waaraan zeker geen tekort is. Onder 28 van de pleitnota wordt herhaald dat de vogels niet zeldzaam zijn.

9.3. De soort is bedreigd en kwetsbaar. In totaal wordt het aantal van deze vogels geschat op 5000, jaarlijks afnemend.(17) De International Union for Conservation of Nature (IUCN) is een internationale natuurbeschermingsorganisatie.(18) De IUCN geeft een rode lijst uit van bedreigde diersoorten. De Haliaeetus pelagicus komt op die rode lijst voor, omdat van deze soort slechts een kleine en afnemende populatie bestaat. Dat het hof deze zeearend als zeldzaam heeft aangemerkt is dus niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

10. De voorgestelde middelen falen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Er bestaat samenhang tussen onderhavige zaak en de zaak met nummer 10/04715 E. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

2 Volledige taxonomie; Animalia (Rijk), Chordata (Stam), Aves (Klasse), Falconiformes, of ook wel: Accipitriformes (Orde), Accipitridae (Familie), Haliaeetus (Geslacht), Pelagicus.

3 Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora, Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantensoorten, van 3 maart 1973 (Washington), Trb. 1975, 23.

4 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61).

5 Voor Nederland: CITES-bureau van de Dienst Regelingen te 's-Gravenhage.

6 Deze onderdelen van artikel 5 hebben betrekking op uitvoer of wederuitvoer.

7 Deze Uitvoeringsverordening is ingetrokken door Verordening (EG) nr. 865/2006 van 4 mei 2006 (L 166, 19.6.2006, p. 1-69), dus na de tenlastegelegde feiten.

8 Artikel 25 van de Uitvoeringsverordening heeft betrekking op de medewerking die aan de autoriteiten moet worden verleend met het oog op de bepaling van de afstamming van een dier.

9 HR 2 maart 2010, LJN BK6326.

10 Regeling van 5 maart 2002, Stcrt. 2002, 51 inwerking getreden 1 april 2002.

11 Geregeld in de artikelen 7 en 8 van de Regeling vrijstelling.

12 Het betreft de administratieve eisen gesteld in de Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten, Regeling van 5 maart 2002, Stcrt. 2002, 51.

13 Stcrt. 13 maart 2002, nr. 51/pag. 32, blz. 11 en 12.

14 HR 17 mei 2011, LJN BP0183.

15 Avibase.bsc-eoc.org.

16 Volgens de EAZA loopt sinds 1995 een ESB in Moskou: http://www.eaza.net/activities/cp/Pages/EEPs.aspx

17 Avibase.bsc-eoc.org, zoekwoord Haliaeetus pelagicus.

18 De Nederlandse afdeling kent 35 leden, waaronder de Nederlandse Staat: www.iucn.nl/over_iucn.nl/.