Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW6798

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
09/01712 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW6798
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR verklaart de uitlevering aan de Republiek Kroatië toelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/368
NJB 2012/1480
RvdW 2012/793
NBSTRAF 2012/255
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01712 U

Zitting: 01 februari 2012

Mr. Hofstee

Schriftelijke samenvatting inzake:

[De opgeëiste persoon]

I Inleiding

1. Bij arrest van 25 oktober 2011 heeft de Hoge Raad vernietigd de uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden, zitting houdende te Groningen, van 22 april 2009, inhoudende de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (naar ik begrijp: in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek). De opgeëiste persoon is, daartoe opgeroepen op bevel van de Hoge Raad op de zitting van de Hoge Raad van 1 februari 2012 verschenen, alwaar hij op het verzoek tot zijn uitlevering is gehoord.

2. Op het onderhavige uitleveringsverzoek is - naast de Uitleveringswet - van toepassing het Europees Verdrag betreffende de Uitlevering (EUV) en het Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag betreffende de Uitlevering.

3. Bij de stukken van het geding bevindt zich het tweede of - zo men wil - hernieuwde(1) verzoek van de Republiek Kroatië van 12 november 2008 onder kenmerk 720-04/07-01/256 tot uitlevering van de opgeëiste persoon met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van drie jaren, waartoe hij bij vonnis van de Rechtbank (County Court) te Vukovar van 10 december 2004 bij verstek is veroordeeld "for having committed a criminal offence against humanity and international law - war crimes against civilians - as specified under Section 120, Paragraph 1 of the Basic Criminal Law of the Republic of Croatia". Dit vonnis is blijkens daarop gezette stempels in kracht van gewijsde gegaan en uitvoerbaar geworden op 15 februari 2005.

4. Bij het onderhavige uitleveringsverzoek heeft de verzoekende Staat de volgende (bewijs)stukken overgelegd (inclusief een Engelse en Nederlandse vertaling): (i) een origineel dan wel gewaarmerkt afschrift van het vonnis van de Rechtbank te Vukovar van 10 december 2004, nummer K-28/02; (ii) een origineel dan wel gewaarmerkt afschrift van het internationaal aanhoudingsbevel van de Rechtbank te Vukovar van 16 maart 2005, nummer IK-I-63/05 (de Warrant of proclamation for international arrest); (iii) een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, de tijd waarop en de plaatsen waar de feiten zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen; (iv) een afschrift van die toepasselijke wetsbepalingen en een verklaring aangaande het toepasselijke recht, evenals de identiteits- en nationaliteitsgegevens van de opgeëiste persoon; (v) een verklaring van het Kroatische Ministerie van Justitie van 27 augustus 2007, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon tegen het verstekvonnis van de Rechtbank te Vukovar een rechtsmiddel kan instellen. In zowel het eerste uitleveringverzoek van 3 september 2007 als het tweede uitleveringsverzoek van 12 november 2008 wordt benadrukt dat dit recht zal worden gerespecteerd, zulks in overeenstemming met art. 3 van het Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag betreffende de Uitlevering.

5. Uit de gedingstukken blijkt dat de opgeëiste persoon niet de Nederlandse nationaliteit heeft en staatsburger van de Republiek Kroatië is. Reden voor twijfel aan de identiteit van de opgeëiste persoon is er niet. Op de zitting van Uw Raad van 1 februari 2012 heeft de betrokkene in zoveel woorden verklaard de opgeëiste persoon te zijn.

6. Het verzoek tot uitlevering is schriftelijk en langs ministeriële weg gedaan. De stukken voldoen aan de eisen van art. 12 EUV en art. 18 Uitleveringswet (verder: UW) met betrekking tot de genoegzaamheid van de stukken.

7. Op Uw zitting van 1 februari 2012 heeft de geachte raadsvrouw aan de hand van haar toen en aldaar overgelegde pleitaantekeningen (verder: de pleitaantekeningen) namens de opgeëiste persoon een betoog gehouden, leidend tot haar slotsom dat op verschillende gronden Uw Raad primair de verzochte uitlevering ontoelaatbaar zou moeten verklaren. Subsidiair, indien Uw Raad de uitlevering toelaatbaar mocht achten, wordt Uw Raad verzocht in een advies ex art. 30, tweede lid, UW nadrukkelijk aan de Minister mee te geven zowel het feit dat art. 33 Vluchtelingenverdrag aan uitlevering in de weg staat, alsook het feit dat er een flagrante en onherstelbare schending van art. 6 EVRM heeft plaatsgevonden.

8. Voorts heeft Uw Raad op die zitting van 1 februari 2012 op mijn verzoek de behandeling van het uitleveringsverzoek aangehouden tot heden, om mij in de gelegenheid te stellen de pleitaantekeningen nader te bestuderen alvorens mede in het licht daarvan een definitief inhoudelijk standpunt over het uitleveringsverzoek in mijn schriftelijke samenvatting in te nemen. Intussen heb ik kennis genomen van de inhoud van de pleitaantekeningen waarin een aantal interessante stellingen en standpunten wordt ingenomen met betrekking tot het onderhavige uitleveringsverzoek. Ik stel vast dat de pleitaantekeningen in vier hoofdonderwerpen is ingedeeld, te weten: (i) de dubbele strafbaarheid, (ii) de verstekveroordeling, (iii) het non-refoulementbeginsel (de status van de opgeëiste persoon als verdragsvluchteling) en (iv) de flagrante schending van art. 6 EVRM.

9. Gezien de pleitaantekeningen nodigt de raadsvrouw - vooral in het kader van de vaststelling of al dan niet aan de voorwaarde van de 'dubbele strafbaarheid' is voldaan - Uw Raad als uitleveringsrechter uit tot een actievere opstelling bij de inhoudelijke beoordeling of toetsing van nogal wat uiteenlopende aspecten van het uitleveringsverzoek. In algemene termen gezegd, verzoekt de raadsvrouw Uw Raad de gehele 'Kroatische' strafprocedure tegen het licht te houden, dat wil zeggen zowel "het deel van de procedure dat wij al achter de rug hebben" alsook "dat deel dat [de opgeëiste persoon] mogelijk nog in Kroatië voor de boeg heeft" (p.21). Daarbij heeft de raadsvrouw het oog op:

- de schriftelijke mededelingen van de verzoekende staat (de Republiek Kroatië);

- het feitelijk onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van de buitenlandse rechter (de Rechtbank te Vukovar);

- het vonnis van deze Rechtbank; en

- de bevoegdheidsverdeling tussen onze Minister en de uitleveringsrechter inzake de in de Uitleveringswet genoemde voorwaarden of beletselen.

Concreet wordt Uw Raad gevraagd nauwgezet de juistheid te onderzoeken en te beoordelen van(2): 1. de brief met bijlagen van de Kroatische autoriteiten (Nikola Besenski) d.d. 16 maart 2009, waarin antwoord is gegeven op een zestal aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie (p. 6/7); 2. de brief van de Kroatische Minister van Justitie van 27 augustus 2007, die, nu sprake is van een verstekvonnis van de rechtbank te Vukovar, volgens de raadsvrouw niet voldoet aan het vereiste dat het recht van [de opgeëiste persoon] op waarborging van een nieuw proces met alle verdedigingsrechten wordt gegarandeerd (p. 14/15); 3. het vonnis van de Rechtbank te Vukovar van 10 december 2004, in het bijzonder aangaande haar bewijsvoering (waaronder haar beslissingen inzake de verzoeken van de 'Kroatische' verdediging tot het horen van getuigen), en de wijze waarop het feitencomplex (de aard van het conflict) door haar is bewezen verklaard en is gekwalificeerd (p. 5 e.v.), te weten als "onmenselijke behandeling, het plunderen van vermogen, het angst aanjagen van de civiele bevolking, het dwingen tot dwangarbeid, en het in gevaar brengen van de lichamelijke integriteit" (p.8); 4. de nexus tussen de aan [de opgeëiste persoon] verweten gedragingen en het gewapende conflict (p. 7); 5. het oordeel van de Rechtbank te Vukovar dat sprake is van een niet-internationaal conflict dat naar het eigen statelijk recht onder het oorlogsrecht kan worden gerangschikt in relatie tot het te beschermen rechtsgoed (p. 5 e.v.); 6. of de door de Rechtbank te Vukovar bewezenverklaarde feiten in overeenstemming zijn met de hiervoor geldende eisen en naar Nederlands recht op vergelijkbare wijze zijn te kwalificeren als in het vonnis van de Rechtbank te Vukovar, waarbij het te beschermen rechtsgoed een prominente plaats inneemt (p. 9 e.v.);

7. de vraag of hier sprake is van een voorbeeld van systematische discriminatie en schending van in het EVRM neergelegde rechten, waaraan Nederland op grond van art. 1 EVRM niet verplicht is mee te werken (p. 22).

10. In deze schriftelijke samenvatting zal ik nader ingaan op hetgeen de raadsvrouw ten aanzien van deze hoofdonderwerpen heeft aangevoerd. En zoals ik in mijn conclusie van 20 september 2011 al heb aangekondigd, zal ik mij thans (ook) uitspreken over de vraag of naar mijn mening sprake is van 'dubbele strafbaarheid' in de zin van art. 2, eerste lid, EUV en art. 5, eerste lid, UW. Ik vang echter aan met een korte beschouwing over het vertrouwensbeginsel, omdat daarop een deel van het betoog en van de verzoeken van de raadsvrouw afstuit.

II Het vertrouwensbeginsel

11. In het internationale rechtshulpverkeer worden de Verdragspartijen geacht elkaar in een zo ruim mogelijke mate bijstand te verlenen, zulks op basis van twee grondbeginselen, te weten het vertrouwensbeginsel en het wederkerigheidsbeginsel. Beide beginselen geven in zekere zin invulling aan het toepassingsbereik van de dubbele strafbaarheid als voorwaarde voor het verlenen van rechtshulp door Nederland aan andere staten. Het beginsel van wederkerigheid tussen staten brengt immers met zich mee dat het onderlinge rechtshulpverkeer beperkt blijft tot feiten die naar beider recht strafbaar zijn. Het vertrouwensbeginsel omvat het dragend fundament voor het vertrouwen dat de aangezochte staat heeft in de juistheid van de door de verzoekende staat overgelegde stukken. Daarover nu iets meer.

12. Het door een Verdrag omgeven uitleveringsrecht impliceert dat de staten over en weer vertrouwen hebben in de deugdelijkheid van elkaars strafrechtssysteem. Dit wederzijdse vertrouwen is als beginsel verankerd in de internationale rechtshulp in strafzaken, waartoe de uitlevering gerekend wordt, en vormt tegelijkertijd de ruggengraat van het internationale rechtshulpverkeer. Zonder dat wederzijdse vertrouwen zal onderlinge rechtshulp niet mogelijk zijn. De betekenis en strekking van dit vertrouwensbeginsel reikt binnen de dimensies van het internationale rechtshulpverkeer ver. Zo zal in het licht daarvan de aangezochte staat behoren aan te nemen dat de inhoud van de door de verzoekende staat overgelegde stukken - inclusief het feitenexposé of de uiteenzetting van de feiten - juist is en op waarheid berust. Daaruit vloeit voort dat de procesvoering en de bewijsbeslissingen van de rechter van de verzoekende staat aan de daarvoor geldende rechtsnormen voldoen en voor deugdelijk worden gehouden.

13. Met name staten die zijn toegetreden tot het Europees Uitleveringsverdrag dienen het vertrouwensbeginsel in hun onderlinge verhoudingen te respecteren. Dit heeft in het bijzonder te gelden ingeval deze staten bovendien Partij zijn van Mensenrechtenverdragen zoals het EVRM. Ik meen dat met betrekking tot die staten kan worden gezegd dat, nu zij zich hebben gecommitteerd aan wederzijdse rechtshulp en -bijstand, hier in de vorm van uitlevering, er een internationaalrechtelijke verplichting geldt om zoveel als mogelijk solidair en loyaal met elkaar te zijn in de uitvoering daarvan. In dit verband wijs ik erop dat de Hoge Raad al in zijn arrest van 1 juli 1985, NJ 1986, 162 heeft geoordeeld dat aangenomen moet worden dat Nederland slechts uitleveringsverdragen pleegt te sluiten met landen waarvan verwacht mag worden dat vervolging en bestraffing plaatsvindt met eerbiediging van algemeen aanvaarde beginselen in de zin van het EVRM. En korte tijd later, in zijn arrest van 17 februari 1987, NJ 1987, 873, overweegt de Hoge Raad dat wanneer beide staten Partij zijn van het EVRM in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de verdragsbepalingen van het EVRM zal naleven. Wel houdt de Hoge Raad hier rekening met bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het vertrouwensbeginsel zouden kunnen rechtvaardigen.

III De dubbele strafbaarheid

14. Artikel 5, eerste lid, UW bepaalt dat uitlevering alleen kan plaatsvinden voor een feit dat zowel in Nederland als in de verzoekende staat strafbaar is. In deze bepaling is het vereiste van de 'dubbele strafbaarheid' tot uitdrukking gebracht. Bovendien is het vereiste van de dubbele strafbaarheid in art. 5, eerste lid aanhef en onder a en b, UW gekwalificeerd: voor dat feit moet in beide staten een vrijheidsstraf van minimaal een jaar kunnen worden opgelegd. Voor de executie-uitlevering geldt de extra voorwaarde dat de opgelegde sanctie moet voldoen aan de eisen van het toepasselijke Uitleveringsverdrag en onze Uitleveringswet. Zo dient ingevolgde art 2, eerste lid, EUV en art. 5, eerste lid aanhef en onder b, UW de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie minimaal vier maanden te belopen. Als de opgeëiste persoon, zoals [de opgeëiste persoon], bij verstek is veroordeeld en hij, zoals in casu, blijkens mededelingen van de verzoekende staat in de gelegenheid zal worden gesteld een rechtsmiddel tegen het vonnis aan te wenden (bijvoorbeeld verzet) en hij dus alsnog de verdediging zal kunnen voeren, kan worden betoogd dat in zoverre de vervolging nog gaande is en dat in dat geval van een vervolgingsuitlevering sprake is (in die zin HR 3 mei 1983, NJ 1984, 634). Dit punt zou van belang kunnen zijn bij de vraag of sprake is van verjaring, ingevolge art. 9 UW een uitleveringsbeletsel. Wat de onderhavige zaak betreft, zal ik onder 28 op de dubbele strafbaarheid in de bovengenoemde gekwalificeerde zin terugkomen. Eerst iets over de inhoud van de dubbele strafbaarheid en de betekenis daarvan zelf.

15. Tot beantwoording van de vraag of aan de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid is voldaan, strekt het bepaalde in art. 18 UW dat over de genoegzaamheid van de door de verzoekende staat over te leggen stukken handelt, in dit verband uiteraard de kenbron bij uitstek. Aan de hand daarvan zal de uitleveringsrechter kunnen en moeten nagaan of de in die stukken verwoorde 'uiteenzetting van de feiten' een strafbaar feit naar Nederlands recht oplevert.

16. Als ik het goed zie wordt in de vakliteratuur algemeen aangenomen, en is onbestreden, dat onder de werking van het vertrouwensbeginsel er geen redenen zijn om het vereiste van de dubbele strafbaarheid al te rigide op te vatten en toe te passen. Zolang er maar geen evidente, tot tegenovergestelde inzichten van de Verdragspartijen te herleiden opvattingen zijn met betrekking tot het te beschermen rechtsgoed en de strafwaardigheid van de feiten waarop het uitleveringsverzoek berust.(3) Hierboven onder 12 en 13 heb ik er al op gewezen dat het vertrouwensbeginsel als principieel uitgangspunt in zich sluit dat de aangezochte staat, ook in de procedure voor de uitleveringsrechter, uitgaat van de deugdelijkheid van de procesvoering en de bewijsbeslissingen van de rechter van de verzoekende staat. Verder vloeit uit het vertrouwensbeginsel voort dat equivalentie of congruentie niet nodig is: het materiële feitencomplex hoeft niet over en weer op dezelfde wijze te zijn gekwalificeerd in de eigen nationale wetgeving. Voldoende is dat dit feitencomplex hetzelfde te beschermen rechtsgoed betreft en onder de reikwijdte van een strafbepaling van beide staten kan worden begrepen. Ik verwijs naar onder meer HR 30 oktober 1979, NJ 1980, 76 en HR 25 mei 1999, NJ 1999, 587. Daaraan voeg ik toe dat de uitleveringsrechter - in de woorden van naar ik mij meen te herinneren Remmelink - geen Überprüfungsrichter is en zich met betrekking tot de vaststelling van de dubbele strafbaarheid van een toetsing in concreto onthoudt. Volstaan wordt met een toetsing in abstracto. Dat betekent onder meer dat, als gezegd, onze uitleveringsrechter niet de uitspraak van de buitenlandse rechter ten gronde doorlicht (op de bewijsvoering, het al dan niet bestaan van strafuitsluitingsgronden of strafverhogende omstandigheden, etc.).

17. Onder verwijzing naar 9. betreffen de, in mijn nummering, eerste vier verzoeken van de raadsvrouw een nauwgezet inhoudelijk onderzoek door Uw Raad naar de juistheid van de brief met bijlagen van de Kroatische autoriteiten d.d. 16 maart 2009, de brief van de Kroatische Minister van Justitie van 27 augustus 2007, het vonnis van de Rechtbank te Vukovar voor wat betreft haar bewijsvoering, haar bewezenverklaring en haar kwalificatie van de bewezenverklaring en de nexus tussen de aan [de opgeëiste persoon] verweten gedragingen en het gewapende conflict. Ik meen dat het vertrouwensbeginsel, zoals hierboven uiteengezet, geen ruimte biedt voor inwilliging van deze verzoeken. Daarbij neem ik in aanmerking dat Kroatië Partij is van zowel het Europees Uitleveringsverdrag (sinds 25 april 1995) als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (sinds 5 november 1997). Op grond van dit vertrouwensbeginsel zal, in weerwil van de raadsvrouw, dus ook dienen te worden aangenomen dat het recht van [de opgeëiste persoon] op waarborging van een nieuw proces met alle verdedigingsrechten daadwerkelijk zal worden gegarandeerd en geëffectueerd.

18. Hoe dient in de onderhavige zaak de dubbele strafbaarheid verder, nu in relatie tot de uiteenzetting van de materiële feiten, te worden beoordeeld?

19. De raadsvrouw heeft Uw Raad ook verzocht nauwgezet het volgende te onderzoeken: het oordeel van de Rechtbank te Vukovar dat sprake is van een niet-internationaal conflict dat naar het eigen statelijk recht onder het oorlogsrecht kan worden gerangschikt, en of de door de Rechtbank te Vukovar bewezenverklaarde feiten naar Nederlands recht op vergelijkbare wijze zijn te kwalificeren als in het vonnis van de Rechtbank te Vukovar, waarbij het te beschermen rechtsgoed een prominente plaats inneemt (de verzoeken 5 en 6 in mijn nummering onder 9). Deze verzoeken dienen, vanzelfsprekend zou ik zeggen, te worden ingewilligd, al was het maar omdat het vereiste van de dubbele strafbaarheid in het uitleveringsrecht noopt tot beantwoording door de uitleveringsrechter van de vraag of sprake is van eenzelfde of vergelijkbaar te beschermen rechtsgoed. Daarbij benadruk ik evenwel dat volgens de heersende leer voor een al te rigide interpretatie daarvan geen plaats is (zie 16).

20. In dit verband heb ik kennis genomen van het oordeel van de Rechtbank in haar uitspraak van 3 september 2008, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs. De slotsom van de Rechtbank luidt:

"Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen waarvoor de opgeëiste persoon door de rechtbank te Vukovar is veroordeeld, in Nederland niet zijn te brengen onder enige van toepassing zijnde strafbepaling, waardoor niet wordt voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 5 van de Uitleveringswet en artikel 2 van het EUV."

21. Het bij de Rechtbank door het Openbaar Ministerie ingenomen standpunt, verwoord in de notitie 'Dubbele strafbaarheid in de zaak [de opgeëiste persoon]' (met bijlagen) van 2 april 2009 luidt anders. Ik kom daarop straks terug.

22. Wat de uiteenzetting van de feiten in relatie tot de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid betreft, zal toch vooral moeten worden afgegaan op hetgeen de Rechtbank te Vukovar daarover in haar vonnis heeft vastgesteld, met aanname van de juistheid en deugdelijkheid daarvan, als tenminste aan het vertrouwensbeginsel gestalte wordt gegeven.

23. Blijkens de in het vonnis van de Rechtbank te Vukovar vervatte feiten, vond in de periode van 1992 tot en met medio mei 1995 (ook) in Bapska een niet-internationaal gewapend conflict plaats, waarbij het toenmalige Joegoslavische Volksleger (JNA) als bezetter betrokken was. Tegen het eind van deze periode was de opgeëiste persoon deelraadvoorzitter in Bapska. In die hoedanigheid heeft de opgeëiste persoon, een uniform van het Joegoslavische Volksleger dragend en tevens gewapend, tezamen met anderen tegen alle mannen die ter plaatse tot de Kroatische bevolkingsgroep behoorden gezegd dat zij onmiddellijk naar Šid moesten gaan dan wel deze mannen gedwongen weg te gaan. Tegen die mannen hebben de opgeëiste persoon en zijn mededaders gezegd dat hun vrouwen zouden volgen als zij hun hele vermogen achter zouden laten aan de machthebbers van Krajina. Voorts heeft hij personen behorende tot de Servische bevolkingsgroep in de huizen laten trekken. Ook is hij met geweld het huis van een zekere [betrokkene 11] binnengedrongen. Voorts valt in het vonnis van de Rechtbank te Vukovar te lezen dat de opgeëiste persoon ten tijde van de bezetting samen met anderen de internationale verdragen heeft geschonden ten opzichte van civiele burgers, bedreigende maatregelen heeft genomen en terreur heeft uitgeoefend, onmenselijk heeft gehandeld ten opzichte van die burgers en deze burgers heeft gedwongen tot dwangarbeid, het vermogen van de bevolking heeft geplunderd, de bewoners groot leed heeft aangedaan en hun gezondheid heeft beschadigd, en de bewoners gedwongen heeft laten verhuizen naar elders.

24. In de loop van de onderhavige uitleveringsprocedure heeft de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken zich namens de (toenmalige) Officier van Justitie per brief van 3 februari 2009 gericht tot de Kroatische autoriteiten om aan de hand van een zestal vragen de aan het vonnis van de Rechtbank te Vukovar ten grondslag gelegde feiten nader te beschrijven. Aanvullende informatie daarover is verstrekt per brief met bijlagen van 16 maart 2009 (inclusief een Engelse en Nederlandse vertaling). Daarin wordt benadrukt dat de opgeëiste persoon is schuldig bevonden aan het - in een niet-internationaal gewapend conflict - plegen van een oorlogsmisdrijf tegen burgers, strafbaar gesteld in art. 120, eerste lid, van het Algemeen Wetboek van Strafrecht van de Republiek Kroatië, waarbij - gelijk in voormeld vonnis - tevens wordt verwezen naar een schending van de artikelen 3, 27, 33, 51, tweede lid, en 53, van - kort gezegd - de Vierde Geneefse Conventie en art. 4, tweede lid, van het Aanvullend Protocol bij de Geneefse Conventie. In het bijgevoegde schrijven van 4 maart 2009 wordt nog medegedeeld dat in de uitleveringszaak van de opgeëiste persoon er niet meer is dat de Rechtbank te Vukovar kan toevoegen aan hetgeen in haar vonnis van 10 december 2004 staat vermeld. Voorts wordt in die brief het zestal vragen van de (toenmalige) Officier van Justitie beantwoord, en wel als volgt (in de Nederlandse vertaling):

"(...)

1) Wij kunnen niet melden welke vorm van geweld de verdachte [de opgeëiste persoon] heeft gebruikt toen hij genoemd huis tegen de wil van de eigenaar [betrokkene 11] binnenging.

2) De mannen die naar Šid gingen waren van hun vrijheid beroofd, omdat zij voordat zij naar Šid gingen dwangarbeid verrichten in Apševci, en een bewaker hadden zodat zij niet konden weglopen. De verdachte [betrokkene 7] had hun naar Šid gebracht.

3) [De opgeëiste persoon] was aanwezig toen de mannen die dwangarbeid verrichtten werd gezegd dat hun vrouwen hun zouden volgen naar Šid, d.w.z. dat de verdachten [de opgeëiste persoon] en [betrokkene 7] de enige aanwezigen waren en zij hebben beide hetzelfde gezegd.

4) De mannen hebben niet formeel hun bezittingen overgedragen omdat zij uit Apševci, waar zij dwangarbeid verrichtten, werden verbannen naar Šid, maar al hun bezittingen bleven in Bapska en andere mensen zijn in hun huis getrokken en hebben hun roerende goederen meegenomen.

5) Bapska was half oktober 1991 bezet, en het misdrijf werd gepleegd van 1992 tot half mei 1995 en dit betekent dat Bapska tijdelijk bezet gebied van de Republiek Kroatië was toen het misdrijf werd gepleegd.

6) Tijdens de terechtzitting van de verdachte [de opgeëiste persoon] werden de volgende bepalingen van het verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949 toegepast: artikel 133 en 51, lid 2.(...)"

25. De Rechtbank te Vukovar heeft de gedragingen van [de opgeëiste persoon] strafrechtelijk gekwalificeerd als een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal conflict, inhoudend (in de Nederlandse vertaling) "onmenselijke behandeling, het plunderen van vermogen, het angst aanjagen van de civiele bevolking, het dwingen tot dwangarbeid, en het in gevaar brengen van de lichamelijke integriteit." Naar het mij voorkomt wordt hierin het te beschermen rechtsgoed gevormd door de integriteit van iemands lichaam of goederen (bezittingen). De vraag, die de raadsvrouw opwerpt, is of de in het vonnis van de Rechtbank te Vukovar omschreven gedragingen van [de opgeëiste persoon] een oorlogsmisdrijf opleveren. In antwoord daarop merk ik hier alvast op dat HR 7 mei 2004, LJN AF6988, NJ 2007, 276 heeft geoordeeld dat de strafbaarstelling van schendingen van het humanitaire oorlogsrecht in interne gewapende conflicten in art. 6 WIM, niet betekent dat deze handelingen niet (ook) naar het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn en evenmin dat andere gedragingen die in verband met een intern gewapend conflict worden verricht, deswege niet ingevolge het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn.

26. Over de voornoemde kwestie, waarin de opgeworpen vraag van de raadsvrouw is begrepen, heeft het Openbaar Ministerie in eerste aanleg (al) een standpunt ingenomen in zijn notitie met bijlagen van 2 april 2009 over de dubbele strafbaarheid. Daarin is als volgt gemotiveerd uiteengezet dat de feiten ten aanzien waarvan de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht niet alleen als oorlogsmisdrijven strafbaar zijn gesteld in de Wet Internationale Misdrijven (WIM), maar ook als commune delicten in het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ik citeer:

"(...)

1. Wettelijk kader: strafbaarheid van alle oorlogsmisdrijven in Nederland

De strafbaarheid van oorlogsmisdrijven was in het Nederlandse strafrecht sinds de jaren vijftig geregeld in art. 8 van de Wet Oorlogsstrafrecht (WOS), dat luidt:

Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog wordt gestraft...

In 2003 is de Wet internationale misdrijven (WIM) in werking getreden. Aangezien de dubbele strafbaarheid in uitleveringszaken ex-nunc getoetst dient te worden, is het deze wet waar in de uitleveringszaak van [de opgeëiste persoon] naar gekeken moet worden.

Net als in de WOS, heeft de wetgever met de WIM beoogd een naadloze aansluiting te bewerkstelligen met het internationaal humanitair recht. Daartoe zijn in art. 5 van de WIM verschillende specifieke oorlogsmisdrijven in een internationaal gewapend conflict strafbaar gesteld, in art. 6 verschillende oorlogsmisdrijven in een niet-internationaal gewapend conflict, en is met art. 7 in de WIM een 'vangnetbepaling' opgenomen.

Art. 7 WIM bepaalt dat:

Hij die zich in het geval van een internationaal of niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan een schending van de wetten en gebruiken van de oorlog anders dan bedoeld in de artikelen 5 of 6 wordt gestraft...

Daarover stelt de Memorie van Toelichting bij de WIM:

De oorspronkelijke bepaling uit artikel 8 van de WOS is in het onderhavige artikel 7 opgenomen in het eerste lid. Deze bepaling geldt als <<vangnet>>bepaling, om zeker te stellen dat oorlogsmisdrijven die niet specifiek omschreven zijn in de voorgaande leden, en die niet zijn opgenomen in het Statuut voor het Internationaal Strafhof, niet onbestraft blijven. Een beperking tot alleen de specifiek omschreven misdrijven zou immers tot gevolg hebben dat gedragingen die onder de WOS vervolgbaar waren als oorlogsmisdrijf, thans niet meer vervolgbaar zouden zijn. Het opstellen van een alomvattende lijst met specifiek omschreven oorlogsmisdrijven is daarnaast niet mogelijk, enerzijds vanwege de hoeveelheid bepalingen in het humanitair oorlogsrecht en anderzijds vanwege het feit dat het humanitaire oorlogsrecht een zich steeds verder ontwikkelend rechtsgebied is.

Dat betekent dat alle oorlogsmisdrijven in Nederland strafbaar zijn, hetzij omdat ze specifiek zijn strafbaar gesteld in art. 5 of 6 WIM, hetzij omdat ze vallen onder de generieke omschrijving in art. 7 WIM. De vraag of een oorlogsmisdrijf strafbaar is in Nederland, betekent dus feitelijk de vraag of een bepaalde gedraging terecht is aangemerkt als oorlogsmisdrijf. Iedere gedraging die naar internationaal recht als oorlogsmisdrijf gekwalificeerd kan worden, is op grond van de WIM in Nederland strafbaar.

In de zaak [de opgeëiste persoon] gaat het om oorlogsmisdrijven gepleegd in verband met een niet-internationaal gewapend conflict. Art. 6 WIM bevat gedetailleerde delictsomschrijvingen voor dit type misdrijven. Zoals gesteld in de MvT bij de WIM dient de rechter voor de nadere invulling van de delictsomschrijvingen in artikel te rade te gaan bij art. 8 (War Crimes) van het Statuut van het Internationaal Strafhof en Elements of Crimes.

Art. 6 heeft echter geen limitatief karakter. Ook andere oorlogsmisdrijven gepleegd in verband met een niet-internationaal gewapend conflict zijn op grond van de WIM naar Nederlands recht strafbaar, namelijk op grond van art. 7 WIM.

(...)

5. Zijn de in het Kroatische vonnis omschreven gedragingen oorlogsmisdrijven?

De vraag die uiteindelijk beantwoord dient te worden om te bepalen of er in het geval van [de opgeëiste persoon] sprake is van dubbele strafbaarheid op grond van de WIM, is of de in het Kroatische vonnis als oorlogsmisdrijven omschreven gedragingen naar internationaal recht een oorlogsmisdrijf opleveren. Luidt het antwoord op die vraag bevestigend, dan is er sprake van dubbele strafbaarheid. Het omgekeerde geldt evenzeer. Het oordeel dat er op grond van de WIM geen sprake is van dubbele strafbaarheid, impliceert dat de bewuste gedragingen naar internationaal recht niet als oorlogsmisdrijf te kwalificeren zijn.

Blijkens de hierboven weergegeven omschrijving van de misdrijven uit het Kroatische vonnis gaat het in deze zaak klaarblijkelijk om drie afzonderlijke oorlogsmisdrijven. die alle strafbaar zijn gesteld in de WIM:

a. opdracht geven tot gedwongen verplaatsing van de burgerbevolking in verband met een niet-internationaal gewapend conflict (art. 6 lid 3 sub i WIM);

b. plundering van het huis van [betrokkene 11] in een niet-internationaal gewapend conflict (art. 6 lid 3 sub e WIM);

c. plundering van de vermogens van de mannen die in Apševci dwangarbeid verrichtten in een niet-internationaal gewapend conflict (art. 45 Sr. jo. art. 6 lid 3 sub e WIM).

ad a. Opdracht geven tot verplaatsing van de burgerbevolking

De delictsomschrijving van art. 6 lid 3 sub i WIM luidt:

Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan een van de volgende feiten:

[...]

i. opdracht geven tot de verplaatsing van de burgerbevolking om redenen verband houdende met het conflict, anders dan verband houdende met de veiligheid van de burgers of indien dringend vereist om redenen van dwingende omstandigheden van het conflict,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Art. 6 lid 3 sub i WIM is gebaseerd op art. 8(2)(e)(xviii), 'War Crime of Displacing Civilians', van het ISH-Statuut. Dit delict bestaat volgens de 'Elements of Crimes' uit de volgende vijf bestanddelen:

1. The perpetrator ordered a displacement of the civilian population.

2. Such order was not justified by the security of the civilians involved or by military necessity.

3. The perpetrator was in a position to effect such displacement by giving such order.

4. The conduct took place in the context of and was associated with an armed conflict not of an international character.

5. The perpetrator was aware of factual circumstances that established the existence of an armed conflict.(4)

Uit het aanvullend stuk van de rechtbank Vukovar d.d. 4 maart 2009 blijkt dat [de opgeëiste persoon] de mannen die dwangarbeid verrichtten in Apševci heeft bevolen naar Šid te gaan en dat deze mannen ook daadwerkelijk naar Šid zijn gebracht, waarbij zij hun bezittingen hebben moeten achterlaten (zie ook de bijgevoegde kaart: Šid ligt over de grens in Servië).

Nemen we alle vaststellingen in het Kroatische vonnis in beschouwing, dan is het niet aannemelijk dat de opgeëiste persoon dit [opdracht geven tot verplaatsing van de burgerbevolking] heeft gedaan in verband met de veiligheid van deze personen dan wel dat dit vereist was in verband met dwingende omstandigheden van het conflict. Immers, de suggestie dat er mogelijk sprake is geweest van een legitieme verplaatsing van de burgerbevolking om veiligheidsredenen is onverenigbaar met de kwalificaties die de Kroatische rechtbank (na feitenonderzoek) aan deze verplaatsing heeft verbonden. Die suggestie is ook niet verenigbaar met de vaststelling van de Kroatische rechtbank dat de verdachten na de gedwongen verplaatsing van de Kroatische burgers Servische burgers in de huizen van de slachtoffers hebben laten trekken. Immers, zou er sprake zijn van veiligheidsredenen of dwingende omstandigheden, dan zouden de ontruimde huizen niet vervolgens bewoond kunnen worden door burgers van een andere etnische bevolkingsgroep. Ook het feit dat de slachtoffers bij de gedwongen verplaatsing hun vermogen moesten wegtekenen ten bate van de machthebbers van de Krajina maakt het (zacht gezegd) onaannemelijk dat [...] sprake is geweest van een verplaatsing om legitieme redenen. Uit de in het Kroatische vonnis aangehaalde getuigenverklaringen blijkt zonneklaar dat er in Bapska sprake is van wat in het gewone spraakgebruik wel 'etnische zuivering' wordt genoemd, gericht tegen burgers van Kroatische afkomst (zie getuigenverklaringen over geweld, discriminerende uitingen, etc.). Ten slotte blijkt ook uit de aanklacht tegen [betrokkene 12] dat er in de SAO SBWS op grote schaal sprake is geweest van deportatie van de Kroatische burgerbevolking.

Ik concludeer derhalve dat het geven van het bevel om naar Šid te gaan en daarbij afstand te doen van alle bezittingen strafbaar is in Nederland op grond van Art. 6 lid 3 sub i WIM.

ad. b. Plundering van het huis van [betrokkene 11]

Plundering in verband met een niet-internationaal gewapend conflict is strafbaar gesteld in art. 6 lid 3 sub e WIM, dat gebaseerd is op art. 8(2)(e)(v) ISH-Statuut.

Volgens de 'Elements of Crimes' bestaat plundering uit de volgende bestanddelen:

1. The perpetrator appropriated certain property.

2. The perpetrator intended to deprive the owner of the property and to appropriate it for private or personal use.

3. The appropriation was without the consent of the owner.

4. The conduct took place in the context of and was associated with an armed conflict not of an international character.

5. The perpetrator was aware of factual circumstances that established the existence of an armed conflict.(5)

Blijkens het Kroatische vonnis heeft [de opgeëiste persoon] zich een huis toegeëigend dat niet hemzelf, maar [betrokkene 11] toebehoorde, en is [de opgeëiste persoon] met geweld in dit huis getrokken (hetgeen ten eerste impliceert dat hij dit huis voor persoonlijk gebruik aanwendde, ten tweede dat hij daarmee [betrokkene 11] het gebruik van het huis ontzegde en ten derde dat [de opgeëiste persoon] zich het huis zonder toestemming van de eigenaar toe-eigende).

Ik concludeer derhalve dat de plundering van het huis van [betrokkene 11] strafbaar is op grond van art. 6 lid 3 sub e WIM.

ad c. Plundering van de bezittingen van de mannen die in Apševci dwangarbeid verrichtten

Zie voor de definitie van plundering hierboven. Uit het aanvullend stuk van de rechtbank Vukovar d.d. 4 maart 2009 blijkt dat [de opgeëiste persoon] de mannen die dwangarbeid verrichtten in Apševci heeft bevolen naar Šid te gaan en dat deze mannen ook daadwerkelijk naar Šid zijn gebracht, waarbij zij hun bezittingen hebben moeten achterlaten (zie ook de bijgevoegde kaart: Šid ligt over de grens in Servië). Vervolgens zijn andere mensen in hun huis getrokken en hebben die hun roerende goederen meegenomen (zie aanvullend stuk van de rechtbank Vukovar d.d. 4 maart 2009. Toen [de opgeëiste persoon] het bevel gaf om naar Šid te gaan, heeft hij de mannen eveneens opdracht gegeven afstand te doen van hun bezittingen. Daarmee is [de opgeëiste persoon] aan te merken als medepleger van de gepleegde plunderingen.

Ik concludeer derhalve dat de plundering van de bezittingen van de mannen die gedwongen werden naar Šid te gaan strafbaar is op grond van art. 6 lid 3 sub e WIM.

(...)

7. Commune delicten

Tijdens gewapende conflicten blijft het commune strafrecht in beginsel van toepassing. Oorlogsmisdrijven worden vaak vervolgd als commune misdrijven. Dat het commune strafrecht gewoon van toepassing blijft, is ook vastgesteld door de Hoge Raad:

- zie HR 7 mei 2004, LJN AF6988 (Kesbir), r.o. 3.3.7: 'Onjuist is de opvatting dat in het geval van een intern gewapend conflict het humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld.'

- zie ook: Rb Rotterdam 12 december 2005, LJN AU7803 (uitlevering naar Amerika op verdenking van betrokkenheid bij bomaanslagen tegen Amerikaanse troepen in Irak) en de wijze waarop de HR een beroep op legitimerende werking van het oorlogsrecht in een internationaal gewapend conflict afwijst in deze zaak: HR 5 september 2006, LJN AY3440.

Ten minste de volgende commune delicten zijn m.i. toepasselijk op deze feiten:

a) Dwingen Kroatische dwangarbeiders naar Šid te gaan en bezittingen achter te laten:

- Medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr)

- Medeplegen diefstal (in vereniging/met geweld)(art. 310/311/312 Sr)

b) Zeggen dat vrouwen pas achter hun aan komen als dwangarbeiders hele vermogen wegtekenen:

- (Medeplegen) bedreiging met gijzeling (art. 285 Sr)

c) Met geweld in het huis van [betrokkene 11] trekken:

- Diefstal met geweld (art. 312 Sr): immers, een huis is een goed en voor 'wegnemen' van het goed is beslissend of het feitelijk aan de heerschappij van de rechthebbende wordt onttrokken, niet of het wordt verplaatst (zie T&C Sr (6e druk) aant. 8 bij art. 310)

- Gekwalificeerde huisvredebreuk (art. 138 lid 3 Sr, strafmaximum één jaar): het gebruik maken van het in het vonnis geschetste klimaat van vervolging van Kroaten in Bapska kan worden aangemerkt als een middel geschikt om vrees aan te jagen."

27. Hoewel het vereiste van de dubbele strafbaarheid wat betreft hetzelfde te beschermen rechtsgoed zich naar mijn mening met meer kracht van argumenten laat invullen op grond van art. 6 EVRM dan op de zo-even aangehaalde Nederlandse commune delicten, heb ik geen reden om thans namens het Openbaar Ministerie een andersluidend standpunt in te nemen, ook niet naar aanleiding van de pleitaantekeningen van de raadsvrouw en de door haar op de zitting van 1 februari 2012 overgelegde stukken.

28. Wat de dubbele strafbaarheid in de gekwalificeerde zin betreft, merk ik het volgende op. Bij het uitleveringsverzoek is gevoegd de tekst van de wettelijke bepalingen waaruit blijkt dat de feiten naar het recht van de Republiek Kroatië strafbaar zijn en dat voor die feiten een gevangenisstraf van meer dan één jaar kan worden opgelegd (minimaal 5 jaar en maximaal 20 jaar; art. 120, eerste lid, van het Algemeen Wetboek van Strafrecht van de Republiek Kroatië). In dit verband herhaal ik dat mede gelet op het tussen de Verdragspartijen geldende vertrouwensbeginsel bij de beoordeling van het vereiste van de dubbele strafbaarheid behoort te worden uitgegaan van de juistheid van de mededeling van de verzoekende staat dat het feitencomplex, zoals door de eigen rechter op basis van feitelijk onderzoek is vastgesteld, onder het bereik van de nationale delictsomschrijvingen of strafbepalingen valt (vgl. HR 5 februari 1991, NJ 1991, 404). Uit de omschrijving van de feiten volgt dat deze naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn op grond van art. 6, derde lid sub i en sub e, WIM en op grond van een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten: art. 282, 310/311/312, 285 en 138, derde lid, Sr. Voor al die feiten kan ook naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van meer dan één jaar worden opgelegd, terwijl de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf meer dan vier maanden beloopt (art. 5, eerste lid, UW). Dat betekent dat is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid, ongeacht of het hier om een vervolgingsuitlevering - de Rechtbank te Vukovar heeft de opgeëiste persoon bij verstek veroordeeld en de opgeëiste persoon staat hiertegen nog een rechtsmiddel ter beschikking - dan wel een executie-uitlevering gaat. Dit neemt mijns inziens niet weg dat het onderscheid tussen vervolgingsuitlevering en executie-uitlevering hier consequenties kan hebben voor de verjaring van het recht tot uitvoering van de straf (art. 76 Sr) in de zin van art. 9 UW als weigeringsgrond voor de uitlevering, en wel ten aanzien van de genoemde commune delicten, een punt dat ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat.

IV Het non-refoulementbeginsel

29. Evenals de raadsman tegenover de Rechtbank te Leeuwarden, heeft de raadsvrouw in haar pleitaantekeningen gesteld dat de opgeëiste persoon de status van verdragsvluchteling heeft en op grond van het in art. 33 Vluchtelingenverdrag verankerde non-refoulementbeginsel niet mag worden teruggestuurd naar Kroatië.

30. In het uitleveringsrecht is sprake van een bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te oordelen en de Minister die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en, zo ja, onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan. Deze bevoegdheidsverdeling brengt mee dat het oordeel of een opgeëiste persoon te vrezen heeft voor discriminatoire vervolging in de verzoekende staat, tot de competentie van de Minister behoort (art. 10 UW). Bij dat oordeel zal de Minister de vluchtelingenstatus van de opgeëiste persoon kunnen betrekken. Dat een persoon onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag valt, kan voor de uitleveringsrechter geen grond bieden de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, zo heeft reeds HR 13 januari 1987, NJ 1987, 835 m.nt. Swart geoordeeld: art. 33 van het Vluchtelingenverdrag heeft geen betrekking op de procedure inzake de toelaatbaarverklaring van uitlevering. Dit betekent, lijkt mij, dat beantwoording van de vraag of zich een mogelijk geval van refoulement voordoet aan de Minister (en dus niet ook aan de rechter) is voorbehouden. Het onderhavige geval maakt dat niet anders, dunkt mij.

31. De vraag of een opgeëiste persoon in het land waarnaar hij dreigt te worden uitgeleverd mogelijk discriminatoir zal worden vervolgd, staat ter beoordeling van de Minister. Dat zou als ik het betoog van zowel de raadsman, zoals voor de Rechtbank gevoerd en waarnaar de raadsvrouw in haar pleitaantekeningen verwijst, als dat van de raadsvrouw goed heb begrepen in deze zaak uitzondering moeten leiden omdat de raadsman verteld is dat de Minister van plan is iets aan de vluchtelingenstatus van de opgeëiste persoon te doen. Deze enkele mededeling van de raadsman levert niet al de aannemelijkheid op dat door het toelaatbaar verklaren van de uitlevering de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat jegens hem art. 6 EVRM wordt geschonden doordat de Minister in strijd zal handelen met de hier van toepassing zijnde rechtsbeginselen. Daarbij wijs ik erop dat in de 'aantekeningen OM' valt te lezen dat de toets van de vluchtelingenstatus bij de Minister in goede handen is en dat de Minister niet voornemens is uit te leveren voordat de verblijfsstatus van de opgeëiste persoon is herzien. De IND is gevraagd te bezien of hiertoe gronden bestaan. Ik heb op 31 januari jl. hierover navraag laten doen bij de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie (Directoraat-Generaal Rechtspleging & Rechtshandhaving). Een medewerkster van deze Afdeling deelde telefonisch mede dat mogelijk de status van de betrokken persoon in een nog lopende IND procedure wordt herzien, maar dat zijn verblijfsvergunning vooralsnog niet zal worden ingetrokken.

V Flagrante schending van art. 6 EVRM

32. Voor zover de raadsman of raadsvrouw van mening is dat er sprake is van een flagrante schending van art. 6 EVRM heeft naar mijn mening het volgende te gelden. De rechter kan de uitlevering ontoelaatbaar verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering concreet zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op een hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. Het uitgangspunt dient echter te zijn dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek, dat op een Uitleveringsverdrag is gebaseerd, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwensbeginsel, het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon en de daarop betrekking hebbende algemeen aanvaarde beginselen, welke onder meer zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR, zal respecteren. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht dat dit aan de op Nederland rustende verplichting tot uitlevering in de weg zou staan (zie de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse vóór HR 27 mei 2003, NJ 2003, 573). In de onderhavige zaak is echter geen sprake van een voltooide schending dan wel een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM. De opgeëiste persoon staat immers de weg van het verzet, althans van een rechtsmiddel, tegen het vonnis van de Rechtbank te Vukovar open. Dat de opgeëiste persoon niet van dit rechtsmiddel zou kunnen gebruik maken, is in het licht van hetgeen ik hierboven onder 4 ad (v) en 14 heb opgemerkt niet dan wel onvoldoende aannemelijk.

VI Uitleiding

33. Er is mij (ook overigens) niet gebleken van het bestaan van gronden die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. Zo blijkt uit de inhoud van het uitleveringsverzoek en de daarbij overgelegde stukken niet dat in casu sprake is van een of meer politieke, militaire dan wel fiscale delicten. De verjaring als weigeringsgrond in de zin van art. 9 UW, verdient hier wel enige aandacht. Met betrekking tot art. 6 WIM is geen sprake van verjaring van het recht tot strafvordering (art. 70 Sr), noch van het recht tot uitvoering van de straf (art. 76 Sr). Dat ligt, als ik het goed heb, wat het recht tot strafvordering betreft anders bij de eerder door mij genoemde commune strafbepalingen, te weten art. 282, 310-312, 285 en 138, derde lid, Sr. Los van deze kanttekening (zie ook onder 28), kan lijkt mij ingevolge de toepasselijke Verdrags- en wetsbepalingen de verzochte uitlevering derhalve toelaatbaar worden verklaard.

34. De opgeëiste persoon is niet gedetineerd. De Hoge Raad kan de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevelen (gelet op art. 27, eerste lid, en 31, achtste lid, UW), maar is daartoe niet verplicht. Een reden voor de gevangenneming van de opgeëiste persoon acht ik niet aanwezig. Ik neem daarbij in aanmerking dat op 6 september 2007 de Officier van Justitie ten aanzien van de opgeëiste persoon de onmiddellijke invrijheidstelling heeft gelast en dat de opgeëiste persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

35. Deze samenvatting strekt ertoe de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het eerste uitleveringsverzoek dateert van 3 september 2007 onder kenmerk van 514-05-01-01-07-5. In haar eerste uitspraak van 3 september 2008 heeft de Rechtbank te Leeuwarden, zitting houdende te Groningen, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Kroatië ontoelaatbaar verklaard.

2 De nummering is van mij.

3 Aldus H.G. van der Wilt, in: Duisterwinkel-Melai, Internationale en interregionale samenwerking in strafzaken, III.2.2-2-6.

4 Elements of Crimes, Article 8(2)(e)(xviii), War Crime of Displacing Civilians.

5 Elements of Crimes, Article 8(2)(e)(v), War Crime of Pillaging.