Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW6712

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
12/01192
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW6712
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling met faillietverklaring; art. 350 lid 3 en 5 F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/890
JWB 2012/316
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/01192

Mr. L. Timmerman

Parket: 26 april 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

1. Bij vonnis van 12 juli 2010 is ten aanzien van [verzoeker] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

2. Bij vonnis van 2 december 2011 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch op de voet van art. 350 lid 3 aanhef, sub f en sub c juncto 350 lid 5 Fw de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 14 juli 2011 tussentijds beëindigd met faillietverklaring. Bij de behandeling van zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling had [verzoeker] geen melding gemaakt van het feit dat hij kort voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling diefstallen door middel van braak had gepleegd, warvoor hij bij vonnis van de politierechter van 12 april 2011 was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Indien [verzoeker] de rechtbank hierover wel zou hebben geïnformeerd, zou dit volgens de rechtbank hebben geleid tot afwijzing van zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De diefstallen getuigen immers niet van gedrag op grond waarvan aannemelijk is te achten dat de schuldenaar zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen, aldus de rechtbank. Bovendien is [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank ook gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling de hieruit voortvloeiende de informatieverplichting en de afdrachtverplichting niet naar behoren nagekomen. [Verzoeker] heeft nagelaten de bewindvoerder te voorzien van alle voor de beoordeling van het verloop van de schuldsaneringsregeling benodigde informatie. Ook heeft [verzoeker] geen reguliere afdrachten aan de boedel gedaan, waardoor er een boedelachterstand van EUR 1.732,03 was ontstaan. Omdat de rechtbank niet was gebleken dat de tekortkomingen de schuldenaar niet kunnen worden verweten, heeft zij de toepassing van de schuldsanering tussentijds beëindigd.

3. [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 28 februari 2012 heeft het hof 's-Hertogenbosch het hiervoor bedoelde vonnis bekrachtigd. Het hof heeft daartoe overwogen dat het met [verzoeker] van oordeel is "dat niet zonder meer duidelijk is dat hij niet zou zijn toegelaten tot de schuldsanering indien de rechtbank tijdens de toelatingszitting op de hoogte zou zijn geweest van de strafrechtelijke verdenkingen jegens hem. Een dergelijke algemene conclusie kan niet worden getrokken nu in elke zaak een individuele afweging moet worden gemaakt, waarbij onder meer de ernst van de strafbare feiten, de persoonlijkheid van de schuldenaar en alle overige omstandigheden van het geval een rol spelen." Naar het oordeel van het hof kan dat [verzoeker] alleen niet baten, aangezien de informatieplicht en afdraagplicht heeft verzaakt:

"3.7.3. (..) Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [verzoeker] zich niet voldoende heen ingespannen om de bewindvoerder van de benodigde informatie te voorzien. [Verzoeker] heeft niet betwist dat hij de in overweging 3.6. genoemde stukken niet aan de bewindvoerder heeft doen toekomen en dat hij er van uit ging dat hij daarvoor ook geen moeite hoefde te doen, omdat de bewindvoerder via de postblokkade aan die stukken kon komen. Door deze handelwijze heeft [verzoeker] het de bewindvoerder onmogelijk gemaakt om voldoende toezicht te houden. Door het niet over leggen van stukken is de bewindvoerder bovendien al een jaar niet in staat de boedelbijdrage op de juiste grondslag te berekenen. Van deze gang van zaken kan [verzoeker] een verwijt worden gemaakt, omdat hij met name in het tweede en derde verslag van de bewindvoerder heeft kunnen lezen waaraan het schortte voor wat de informatieplicht betreft. [Verzoeker] heeft zich dus niet (voldoende) gehouden aan de informatieplicht.

3.7.4. Daarbij komt de grote boedelachterstand die [verzoeker] heeft laten ontstaan. [Verzoeker] heeft niet betwist dat hij structureel te weinig aan de boedel afdraagt. [Verzoeker] heeft ter zitting weliswaar geopperd de boedelachterstand in te lopen door voortaan zijn werkgever de boedelbijdrage direct op de boedelrekening te laten storten. Ook het vakantiegeld kan op die wijze direct gestort worden, aldus [verzoeker]. Nog daargelaten het feit dat [verzoeker] zijn voorstel niet concreet heeft onderbouwd, bijvoorbeeld door de overlegging van een financiële planning, hij lijkt zich niet te realiseren dat zodoende alleen het vrijgelaten gedeelte van het vakantiegeld in mindering strekt op de boedelachterstand. Wil hij daarop werkelijk inlopen, dan kan dat alleen met een deel van het VTLB (vrij te laten bedrag). Zoals ter zitting door de bewindvoerder ook is aangegeven, is dat redelijkerwijs niet mogelijk zonder ten aanzien van de vaste lasten nieuwe schulden te doen ontstaan.

[Verzoeker] heeft dus niet voldaan aan de afdrachtverplichting en zal hieraan naar het oordeel van het hof ook in de toekomst niet kunnen voldoen. Ook hiervan valt [verzoeker] een verwijt te maken. In het tweede verslag heeft [verzoeker] kunnen lezen dat er sprake was van een boedelachterstand van € 562,66. Blijkens het derde verslag is de achterstand opgelopen tot € 1.732,03. Thans bedraagt de achterstand € 3.070,81. Een en ander kan [verzoeker] niet zijn ontgaan, maar zelfs ter zitting van het hof geeft hij niet concreet aan hoe hij dit probleem denkt op te lossen.

3.7.5. Ten overvloede overweegt het hof dat het geen aanleiding ziet om, zoals ter zitting is besproken, de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen om [verzoeker] zodoende de gelegenheid te geven alsnog correct aan al zijn verplichtingen te voldoen. Het hof gaat daartoe slechts over indien de vastgestelde tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen niet of in mindere mate verwijtbaar zijn. Uit hetgeen hiervoor in 3.7.4 in fine en 3.7.5 in fine is overwogen blijkt, dat de tekortkomingen van [verzoeker] wel degelijk aan hem te verwijten zijn, zodat van een eventuele verlenging geen sprake kan zijn."

4. [Verzoeker] is van deze beschikking tijdig1 in cassatie gekomen. In het eerste cassatiemiddel komt [verzoeker] op tegen de overweging van het hof dat [verzoeker] zijn informatieplicht niet is nagekomen. Het middel voert aan dat [verzoeker] er als gevolg van de postblokkade gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat van hem niet gevergd kon worden en dat hij bovendien niet in staat was om de bewindvoerder van stukken te voorzien. Dat de bewindvoerder steekproefsgewijs de post controleert, zou [verzoeker] - naast en combinatie met zijn persoonlijke omstandigheden - niet tegengeworpen mogen worden. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] had het volgens het onderdeel op de weg van de bewindvoerder gelegen "zich actiever jegens [hem] op te stellen en op basis van volledige opening van de onder zijn beschikking zijnde correspondentie en gegevens, en niet op basis van steekproefsgewijs geopende correspondentie, gerichte vragen aan verzoeker te stellen, voor zover nodig. Uit het feit dat de bewindvoerder steekproefsgewijs de correspondentie van de saniet heeft gecontroleerd, kan volgens het onderdeel niet worden afgeleid dat de bewindvoerder niet of onvoldoende is geïnformeerd of dat verzoeker niet (voldoende) heeft meegewerkt aan zijn informatieverplichting.

5. De postblokkade is een instrument voor de bewindvoerder "om zijn wettelijke taken - bewaring en beheer van de boedel - naar behoren te kunnen uitoefenen. Zo moet hij periodiek aan de rechter-commissaris rapporteren omtrent de boedel op basis van informatie die bij voorkeur niet alleen afkomstig is van de schuldenaar zelf. Een postblokkade verkleint de kans dat via de post buiten de bewindvoerder om betalingen aan de schuldenaar plaatsvinden, of dat aanwijzingen van schuldeisers omtrent vermogensbestanddelen de bewindvoerder niet zouden bereiken.."2 Zoals mijn ambtgenoot A-G Wuisman terecht opmerkte in par. 2.4 van zijn conclusie voor HR 13 juli 2007, LJN BA9462, RvdW 2007, 702, ontslaat het enkele feit dat van een postblokkade sprake is, een schuldenaar niet van zijn verplichting de bewindvoerder zowel gevraagd als ongevraagd van wijzigingen in haar situatie en overige relevante informatie op de hoogte te brengen.3 De postblokkade is niet bedoeld om de benodigde informatie te verzamelen teneinde de bewindvoerder in staat te stellen de voortgang van de schuldsaneringsregeling te kunnen beoordelen, maar dient slechts ter controle of de schuldenaar zich aan zijn verplichtingen houdt. De postblokkade ontheft de schuldenaar dan ook niet van de op hem rustende (spontane) informatieplicht. De klacht faalt.

6. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het hof in zijn oordeel dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet (voldoende) is nagekomen, geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met [verzoeker]s persoonlijke omstandigheden. Ik begrijp de klacht aldus dat wordt aangevoerd dat [verzoeker], gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, geen verwijt zou kunnen worden gemaakt ter zake van het niet nakomen van de voor hem uit de schuldsanering voortvloeiende omstandigheden. De door [verzoeker] aangedragen omstandigheden -dat hij als gevolg van zijn scheiding verslaafd en aan lagerwal is geraakt en een zwervend bestaan is gaan leiden - kunnen, hoe vervelend ook voor hem, die gevolgtrekking evenwel niet dragen. Ook deze klacht faalt.

7. Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is op 1 maart 2012ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.

2 Kamerstukken II 1997-1998, 25 672, nr. 3, blz. 5-6. Zie ook Kamerstukken II 1997-1998, 25 672, nr. B, blz. 1.

3 Zie ook Wessels, Insolventierecht deel IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (2009), nr. 9058e.