Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW6674

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
11/03613 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW6674
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag, beslag, art. 552a Sv. HR wijst één beschikking. Voortduring beslag en rechtsbijstand. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het door klaagster en klager gestelde belang bij (gedeeltelijke) opheffing van de ex art. 94a Sv gelegde beslagen zwaarder dient te wegen dat het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag. Het door het Hof in het verband van die afweging in zijn overwegingen betrekken van de omstandigheid dat het voortduren van het beslag in de omstandigheden van het geval in strijd is met het recht op rechtsbijstand dat klaagster en klager o.g.v. art. 6 EVRM toekomt geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat klaagster en klager bij voortduring van het beslag niet in staat zijn de kosten van hun raadsman te betalen levert geen schending op van art. 6.3 onder c EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/803
NJB 2012/1426
NJ 2012/354
JOW 2012/81
NBSTRAF 2012/258
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03613 B

Mr. Knigge

Zitting: 13 maart 2012

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 6 juni 2011 een klaagschrift van klaagster ex. art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van een gedeelte (ter hoogte van € 104.431,25) van het onder klaagster gelegde conservatoir beslag ex art. 94a Sv, gegrond verklaard.

2. Tegen deze uitspraak is door de Advocaat-Generaal bij het Hof cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Door de plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Hof is één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder met betrekking tot de bij een beklag ex art. 552a Sv aan te leggen maatstaf en het bepaalde in art. 6 EVRM, althans onvoldoende met redenen is omkleed. Centraal daarbij staat de vraag of de beklagrechter in het feit dat een op grond van art. 94a Sv gelegd beslag op het gehele vermogen van een klager tot gevolg heeft dat die klager de rekening van zijn advocaat niet kan betalen, een reden kan vinden om de (gedeeltelijke) opheffing van dat beslag te bevelen.

4.2. Voor een goed begrip eerst het volgende. De onderhavige zaak en de zaak tegen [klager] - waarin ik zoals reeds is aangegeven vandaag eveneens concludeer - vinden hun oorsprong in één klaagschrift. Daarin geeft [klager] te kennen dat hij tevens handelt als bestuurder van [B] B.V., die bestuurder en enig aandeelhouder is van klaagster ([klaagster]). In het klaagschrift verzoeken [klager] en klaagster het Hof de teruggave te gelasten van een bedrag van € 104.431,25, zodat klagers de honoraria kunnen betalen die zij hun raadsman verschuldigd zijn wegens verleende rechtsbijstand. Onderscheid tussen het honorarium dat klaagster en het honorarium dat [klager] verschuldigd was, werd daarbij niet gemaakt. Het Hof heeft twee afzonderlijke beschikkingen gewezen, waarin het beklag gegrond is verklaard en waarin de gedeeltelijke opheffing(2) van het gelegde conservatoir beslag is bevolen tot het in het klaagschrift genoemde bedrag van € 104.431,25. Daarbij heeft het Hof verstaan dat opheffing van het onder klaagster gelegde beslag tevens geldt als opheffing van het onder [klager] gelegde beslag.

4.3. Het conservatoir beslag is gelegd ter bewaring van het recht op verhaal van een door de rechter op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de bestreden beschikking blijkt dat op het gehele vermogen van klaagster beslag is gelegd. Tevens is - als afgegaan mag worden op de beschikking in de zaak [klager] - op het gehele vermogen van [klager] beslag gelegd. Op welke strafbare feiten de onderliggende strafzaken betrekking hebben, wordt uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet erg duidelijk. Ik meen te mogen begrijpen dat die strafbare feiten verband houden met een coffeeshop die door klaagster en [klager] direct of indirect wordt geëxploiteerd.

4.4. Namens klagers is aangevoerd dat de rechtsbijstand waarop de verschuldigde honoraria betrekking hebben, niet door de Raad voor Rechtsbijstand wordt vergoed. Daarbij is een schrijven overgelegd van de Raad voor Rechtsbijstand, gericht tot de raadsman van klagers.(3) Dat schrijven houdt het volgende in:

"Met verwijzing naar uw brief d.d. 5 augustus 2010 en het telefonisch onderhoud met uw secretaresse van 13 augustus 2010, bericht ik u als volgt.

Na einde rechtsbijstand wordt door de Raad geen toevoeging met terugwerkende kracht verstrekt. Artikel 28 lid 1 sub a Wrb.

Uiteraard kan eventueel voor het hoger beroep wat volgens mededeling van uw secretaresse nog moet plaatsvinden om toevoeging worden verzocht.

Ik wijs u er nog op dat een BV nimmer voor toevoeging in aanmerking komt."

Bij de (vervolg)behandeling van het klaagschrift in raadkamer op 23 mei 2011 heeft de raadsman van klaagster meegedeeld dat de verschuldigde honoraria betrekking hebben op werkzaamheden die zowel in de strafrechtelijke als de bestuursrechtelijke procedure zijn verricht in de periode voorafgaande aan de beslaglegging en de periode daarna. Tevens deelde de raadsman mee dat de Raad voor Rechtsbijstand voor wat de appelfase betreft inmiddels een last tot toevoeging heeft verstrekt in de zaken tegen [klager]. Hij voegde daaraan toe, wijzend op het schrijven van de Raad voor Rechtsbijstand waarin wordt gesteld dat aan een B.V. nimmer een toevoeging wordt verstrekt: "Indien het klaagschrift ongegrond wordt verklaard zal ik niet langer als raadsman in de zaken tegen cliënte optreden".

4.5. Blijkens de bestreden beschikking heeft het Hof het volgende overwogen en beslist:

"Klaagster stelt zich - kort en zakelijk weergegeven - op het standpunt dat de weigering van het openbaar ministerie om de honoraria van de gekozen raadsman te voldoen in strijd is met het bepaalde in artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uit voornoemde bepaling vloeit immers het recht op vrije keuze van een raadsman voort. Door de weigering van het openbaar ministerie om het beslag op te heffen, wordt die keuzevrijheid ondermijnd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat uit het door de raadsman aangehaalde artikel niet een absoluut recht op een gekozen raadsman voortvloeit in die zin dat de overheid die keuze steeds onverkort zou dienen te faciliteren. In het geval dat klaagster niet (meer) over de middelen beschikt om een gekozen raadsman te bekostigen, rust op de overheid slechts de verplichting op haar kosten een raadsman toe te voegen.

Voorts heeft de advocaat-generaal zijn ingenomen standpunt gegrond op de omstandigheid dat de geschatte omvang van het onder klaagster gelegde en tot op dit moment gehandhaafde conservatoir beslag lager (of in ieder geval gelijk is aan) dan het bedrag dat door het openbaar ministerie is gevorderd ter ontneming van het door de klaagster wederrechtelijk verkregen voordeel.

Na onderzoek in raadkamer is het hof tot het volgende oordeel gekomen.

In artikel 6, derde lid, sub c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft zich te laten bijstaan door een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.

Het hof stelt op grond van de door de raadsman overgelegde urenverantwoording vast dat de raadsman zowel in de straf - als in de bestuurszaak tegen klaagster in de periode voorafgaande aan de beslaglegging en de periode daarna werkzaamheden voor klaagster heeft verricht.

Uit een zich in het dossier bevindende brief van de Raad voor Rechtsbijstand d.d. 13 augustus 2010 leidt het hof af dat aan een besloten vennootschap geen toevoeging wordt verstrekt.

Anders dan door de advocaat-generaal is gesteld, komt klaagster dan ook niet in aanmerking voor een toevoeging van de Raad over de periode waar het klaagschrift betrekking op heeft.

Het hof acht - evenals de advocaat-generaal - voldoende aannemelijk geworden dat het op 15 oktober 2009 vrijgekomen bedrag ad € 285.000,- is aangewend ter voldoening van de loonkosten van (oud) personeel van coffeeshop [A]. Bovendien blijkt uit de inhoud van de schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal d.d. 1 november 2010 dat er thans geen sprake meer is van beslagen die door derden zijn gelegd.

In bovengenoemde feiten en omstandigheden, waaruit het hof opmaakt dat klaagsters belangen door het handhaven van het beslag op disproportionele wijze worden geschonden, ziet het hof aanleiding het klaagschrift gegrond te verklaren en het openbaar ministerie te gelasten het beslag gedeeltelijk, te weten tot een bedrag van € 104.431,25, op te heffen teneinde klaagster in de gelegenheid te stellen de honoraria van haar raadsman te voldoen."

4.6. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken (a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en (b) of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.(4) Het middel klaagt dat het Hof deze maatstaf heeft miskend. Die klacht is in elk geval op het eerste gezicht gegrond. Het oordeel van het Hof dat klaagsters belangen - gelet op kort gezegd art. 6 lid 3 sub c EVRM, de omstandigheid dat de raadsman zowel in de straf- als in de bestuurszaak tegen klaagster in de periode voorafgaande aan de beslaglegging en in de periode daarna werkzaamheden voor klaagster heeft verricht en de omstandigheid dat klaagster niet in aanmerking komt voor een toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand over de periode waarop het klaagschrift betrekking heeft - door het handhaven van het beslag op disproportionele wijze worden geschonden, lijkt niet te passen in het door de Hoge Raad voorgeschreven beslissingsschema. Enige voorzichtigheid is hier echter op haar plaats. Ik merk in dat verband het volgende op.

4.7. In de eerste plaats kan worden opgemerkt dat het bedoelde beslissingsschema niet uitputtend is. Zo oordeelde de Hoge Raad in HR 15 januari 2008, LJN BB9890, NJ 2008/63 dat de aan te leggen maatstaf niet een onderzoek vergt "naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van de eventueel op te leggen geldboete of van het te ontnemen bedrag". Toch - zo voegde de Hoge Raad daaraan toe - kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat de beklagrechter er in de motivering van zijn beslissing blijk van dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht. Met het aanleggen van de juiste maatstaf is de beklagrechter dus niet altijd klaar. Soms is een verdergaand onderzoek vereist en is nadere motivering verplicht. Dat kan moeilijk iets anders betekenen dan dat de beklagrechter het beklag kan honoreren op een andere grond dan de gronden die in de aan te leggen maatstaf besloten liggen. De vraag is vervolgens of een dergelijke "andere grond" zich alleen voordoet in het geval van de door de Hoge Raad bedoelde disproportionaliteit. Het gaat bij deze proportionaliteitstoets in wezen om een uitwerking van de vraag of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vergt. Dat belang vergt immers niet dat er meer voorwerpen in beslag worden genomen dan nodig is om de executie van de geldboete of de ontnemingsmaatregel veilig te stellen. De vraag is of ook een andere vorm van disproportionaliteit, namelijk de disproportionaliteit tussen het belang van de strafvordering enerzijds en de belangen van de klager anderzijds, een reden kan opleveren om het beklag gegrond te verklaren. In de richting van een bevestigend antwoord wijst HR 24 mei 2005, LJN AS9296, een beschikking die betrekking had op een beslag dat was gelegd op grond van art. 94 Sv. De Rechtbank had geoordeeld dat het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag zwaarder diende te wegen dan de belangen van klager bij teruggave van het beslaggoed. De Hoge Raad oordeelde niet dat de aan te leggen maatstaf een dergelijke belangenafweging uitsloot, maar beoordeelde het oordeel van de Rechtbank op begrijpelijkheid. Dat impliceert dat ook deze vorm van disproportionaliteit tot de gegrondbevinding van het beklag kan leiden. Een reden waarom dat bij een beslag ex art. 94a Sv anders zou liggen, heb ik niet kunnen bedenken.(5)

4.8. In de tweede plaats verdient opmerking dat het door de Hoge Raad voorgeschreven beslissingsschema niet mag leiden tot resultaten die strijden met - in het bijzonder - de door het EVRM gewaarborgde rechten van de belanghebbende. Denkbaar is derhalve dat dit beslissingsschema moet worden losgelaten in gevallen waarin anders strijd met het Verdrag zou ontstaan. Meer voor de hand ligt echter dat de ruimte die de Hoge Raad laat om het beklag op "andere gronden" te honoreren, wordt benut om strijd met het verdragsrecht te vermijden.

4.9. De overwegingen van het Hof maken niet duidelijk wat zijn precieze gedachtegang is geweest. De verwijzing naar art. 6 lid 3 sub c EVRM kan betekenen dat het Hof van oordeel is dat het onbeperkt voortduren van het beslag in de omstandigheden van het geval in strijd is met het recht op rechtsbijstand dat de klaagster op grond van art. 6 EVRM toekomt. Mogelijk is echter ook dat het Hof met zijn verwijzing naar art. 6 EVRM niet meer heeft willen zeggen dan dat klaagsters recht op rechtsbijstand een zwaarwegend belang oplevert waaraan derhalve bij de op grond van het nationale recht toe te passen belangenafweging een groot gewicht toekomt. Ik zal beide mogelijke gedachtegangen op hun houdbaarheid in cassatie toetsen.

4.10. Ik begin met de eerste mogelijke lezing van 's Hofs overwegingen en dus met de vraag of art. 6 EVRM in dit geval dwingt tot het (gedeeltelijk) opheffen van het beslag. Ik stel daarbij voorop dat het antwoord op die vraag niet besloten ligt in de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgens welke art. 6 EVRM in beginsel niet van toepassing is op de beklagprocedure.(6) Het gaat in casu immers niet om de vraag of de beklagprocedure voldoet aan de eisen die art. 6 EVRM aan een eerlijk proces stelt, maar om de vraag of het voortduren van het beslag in strijd is met art. 6 EVRM. Dat is een vraag die geheel los staat van (de inrichting van) de beklagprocedure en die dan ook in een ander kader zou kunnen worden gesteld en beantwoord.(7) Bij wijze van vergelijking wijs ik op het beklag tegen de inbeslagneming van vertrouwelijke correspondentie tussen de raadsman en de verdachte. Aan de stelling dat die inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave in strijd is met art. 6 EVRM zal de beklagrechter niet voorbij mogen gaan met het argument dat art. 6 EVRM in de beklagprocedure toepassing mist.

4.11. Het oordeel van het Hof heeft mede betrekking op de werkzaamheden die de raadsman in de bestuurszaak tegen klaagster heeft verricht en de kosten die op grond daarvan dienen te worden vergoed. Het Hof heeft niet aangegeven wat het karakter is van het bestuursrechtelijke geschil waarin klaagster was of nog steeds is verwikkeld, zodat onduidelijk is of het daarin ging of gaat om een vaststelling van klaagsters "civil rights and obligations" dan wel van een "criminal charge against him". Alleen als dat het geval is, kan een beroep gedaan worden op art. 6 EVRM.(8) Ik laat dat verder rusten omdat het middel hiervan geen punt maakt.(9)

4.12. Het mag inmiddels communis opinio heten dat art. 6 lid 3 sub c EVRM zowel betrekking heeft op de strafzaak zelf als op de daarmee samenhangende ontnemingszaak. In zoverre is het beroep dat het Hof doet op de daarin vervatte verdragsbepaling dus in elk geval niet misplaatst.

4.13. Art. 6 lid 3 sub c EVRM luidt als volgt:

"Everyone charged with a criminal offence has the following minimum rights:

c) to defend himself in person or through legal assistance of his own choosing or, if he has not sufficient means to pay for legal assistance, to be given it free when the interests of justice so require."

De vrijheid van de verdachte om zich te laten bijstaan door een raadsman van eigen keuze is niet onbeperkt. Dat het niet om een absoluut recht gaat, komt duidelijk naar voren in de zaak Croissant tegen de Bondsrepubliek Duitsland (EHRM 25 september 1992, Publ. ECHR Series A, vol. 237-B, NJ 1993/526). Daarin oordeelde het EHRM de toevoeging van een derde "Pflichtverteidiger" (naast de twee raadslieden die Croissant zelf al had gekozen) tegen de uitdrukkelijke wil van Croissant (die voor de extra kosten opdraaide) niet in strijd met art. 6 EVRM. Het EHRM overwoog daarbij dat bij een dergelijke (gedwongen) toevoeging rekening moest worden gehouden met de wensen van de verdachte, maar dat de toevoegende instantie "can override those wishes when there are relevant and sufficient grounds for holding that this is necessary in the interests of justice".

4.14. In de zaak Croissant ging het om een verdachte die geld genoeg had om zelf een advocaat te betalen. Als de verdachte on- of minvermogend is, is er nog minder reden om het recht op bijstand door een zelf gekozen raadsman te verabsoluteren. Men kan wellicht zelfs zeggen dat het recht om zich door een advocaat van eigen keuze te laten bijstaan, vooronderstelt dat de verdachte over de financiële middelen beschikt om zelf een raadsman te betalen. Dat de on- of minvermogende verdachte feitelijk niet in de positie verkeert dat hij zelf een raadsman kan kiezen, levert zo gezien niet een beperking van zijn recht op vrije advocatenkeuze op. Juist daarom - zou men kunnen zeggen - volstaat art. 6 lid 3 sub c EVRM niet met het recht op vrije advocatenkeuze. Voor het geval de verdachte de rechtsbijstand niet zelf kan betalen, is het recht op gratis rechtsbijstand geschreven. Daarmee wil niet betoogd zijn dat het recht op gratis rechtsbijstand en het recht op vrije advocatenkeuze geheel los van elkaar staan en dat de on- of minvermogende verdachte dus niets te willen heeft. Te verdedigen valt dat ook bij de toevoeging van een gratis advocaat rekening moet worden gehouden met de wensen van de verdachte.(10) Niet zonder betekenis is echter dat het recht op gratis rechtsbijstand niet is geformuleerd als een recht op betaling door de overheid van de advocaat die de verdachte zelf heeft gekozen. De overheid wordt niet verplicht om de raadsman van de verdachte te betalen, maar om gratis rechtsbijstand te verschaffen. De belangrijkste eis die het EHRM aan die gratis rechtsbijstand stelt, is dat die bijstand voldoende effectief is.(11) In die constructie vindt de keuzevrijheid van de verdachte een grens. Het moge zo zijn dat bij de toevoeging met zijn wensen rekening moet worden gehouden, maar dat gaat niet zo ver dat de overheid de toptarieven moet neertellen die de advocaat die de verdachte zich wenst, hanteert. Een systeem van gefinancierde rechtsbijstand dat meebrengt dat de on- of minvermogende verdachte genoegen moet nemen met een raadsman die bereid is zijn bijstand tegen de door de overheid vastgestelde tarieven te verlenen, kan dan ook denk ik niet in strijd met art. 6 lid 3 sub c EVRM worden genoemd.

4.15. Steun voor een tegengestelde opvatting heb ik in elk geval in de jurisprudentie van het EHRM niet kunnen vinden. Het tegendeel is eerder het geval. In de zaak Visser tegen Nederland (EHRM 14 februari 2002, nr. 26668/95, NJ 2002/378) vroeg de in het gelijk gestelde Visser onder meer vergoeding van advocatenkosten die hij - hoewel hij hoogst waarschijnlijk ook toen recht had op een toevoeging - in het laatste deel van de nationale procedure had gemaakt. Visser voerde aan "that he had been free to choose whether or not to apply for legal aid and the fact that he had chosen not to do so (...) should not be held against him". Het EHRM, voorop stellende dat alleen de noodzakelijk gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen, overwoog dat "it fails to see why the applicant could not have applied for legal aid". "Such a step" - aldus het EHRM - "would not have interfered with the applicant's freedom to select a legal representative of his choice, and neither has it appeared or been argued that the lawyer in question would not have been prepared to represent the applicant at legal aid rates". De vraag is hoe deze zin moet worden begrepen. Was het aanvragen van een toevoeging niet in strijd met het recht op vrije advocatenkeuze omdat de raadsman van Vissers keuze wel bereid zou zijn geweest om tegen "legal aid rates" te procederen? Dat staat er niet. De woorden "and neither" suggereren dat het om twee aparte kwesties gaat, zodat de (door de financiële nood gedwongen) keuze voor een toegevoegde advocaat sowieso niet in strijd is met het recht op vrije advocatenkeuze. De bereidheid - of het gebrek daaraan - van de door Visser gekozen advocaat om op toevoegingsbasis te werken, is dan een factor die alleen een rol speelt bij de vraag of de gemaakte kosten achteraf - in het kader van de toepassing van art. 41 EVRM - noodzakelijk genoemd kunnen worden. Met andere woorden: als de (noodgedwongen) keuze voor een toegevoegde advocaat zou hebben betekend dat Visser een andere advocaat moest nemen, had die beperking van zijn keuzevrijheid geen strijd met art. 6 EVRM opgeleverd. Mij komt die uitleg het meest aannemelijk voor. Het vanzelfsprekende uitgangspunt in de redenering van het EHRM lijkt toch te zijn dat de gratis rechtshulp waarop een on- of minvermogende verdachte recht heeft, tegen door de overheid vastgestelde "legal aid rates" wordt verstrekt.

4.16. Een vermogend man kan door allerlei oorzaken tot de bedelstaf vervallen. Hij kan door de financiële crisis in een faillissement zijn geraakt. Hij kan zijn vermogen ook in het casino hebben vergokt. Ik heb in de rechtspraak van het EHRM geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat de oorzaak van het onfortuin enige rol speelt bij de invulling van het recht op rechtsbijstand. Het moet er daarom voor gehouden worden dat elke verdachte die door wat voor oorzaak dan ook over onvoldoende middelen beschikt om zelf een raadsman te betalen, recht heeft op een toevoeging. Ook zal ongeacht de oorzaak van het onfortuin hebben te gelden dat, als gratis in voldoende effectieve rechtsbijstand is voorzien, van strijd met art. 6 lid 3 sub c EVRM geen sprake is. Dat geldt dan dus ook als de financiële nood waarin de verdachte is komen te verkeren mede in de hand is gewerkt door op zich rechtmatig overheidsoptreden. Men denke aan de ten onrechte genoten uitkering die wordt stopgezet (met terugvordering van de uitgekeerde bedragen) of aan de ontdoken belasting die tot een enorme navorderingsaanslag leidt. Art. 6 EVRM staat aan dergelijk overheidsoptreden niet in de weg, ook niet als dat optreden ertoe leidt dat de verdachte zich zijn zelf gekozen, duur betaalde advocaat niet langer kan veroorloven. Dat wordt mijns inziens niet anders als dat overheidsoptreden bestaat uit de executie van een ontnemingsmaatregel of - vooruitlopend daarop - de beslaglegging op het gehele vermogen. Het Hof noemt in de bestreden beschikking geen EHRM-jurisprudentie die steun biedt aan een tegengestelde opvatting. Van dergelijke jurisprudentie is mij ook niet gebleken. Ik houd het er daarom op dat die steun in de jurisprudentie van het Hof niet gevonden kan worden.

4.17. Ik wil niet verhelen dat mij dat een gelukkige uitkomst toeschijnt. Ik zal dat aan de hand van een eenvoudig voorbeeld verduidelijken. Stel Boris berooft een rijke weduwe van een grote som geld. De gealarmeerde politie is gelukkig snel ter plaatse en weet Boris op zijn vlucht met buit en al in te rekenen. De door Boris in de arm genomen advocaat verzoekt om de teruggave van de inbeslaggenomen buit met het argument dat Boris hem anders niet kan betalen, hetgeen in strijd zou zijn met diens vrije advocatenkeuze. Het OM meent het verzoek te moeten honoreren, waarna de advocaat in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak alle denkbare registers opentrekt. Aan het einde van de rit is nog precies een stuiver over, die door Boris aan de weduwe wordt afgedragen. Zij toont zich daarmee niet tevreden en stelt dat het OM tekortgeschoten is. Zij wijst daarbij op het Eerste Protocol bij het EVRM, op grond waarvan op de Staat de positieve verplichting zou rusten om te zorgen voor een effectieve bescherming van haar eigendom. Ik meen dat de weduwe meer recht van spreken heeft dan Boris' raadsman had. Aan art. 6 EVRM kan bezwaarlijk een recht worden ontleend om op andermans kosten te procederen. Op geld dat wederrechtelijk is verkregen, heeft men hoe dan ook geen recht, dus ook niet als men daarvan zijn advocaat wil betalen.(12) Nu kan tegengeworpen worden - een gehaaide raadsman zal dat zeker doen - dat deze redenering de onschuldpresumptie miskent. Op het moment waarop Boris' advocaat om teruggave van het inbeslaggenomen geld verzocht, moest zijn in alle toonaarden ontkennende cliënt voor onschuldig gehouden worden, zodat toen nog niet vaststond dat het geld door Boris wederrechtelijk was verkregen. Daartegen kan worden ingebracht dat het redelijke vermoeden dat zulks het geval is, een voldoende rechtvaardiging oplevert om in te grijpen. Voorkomen mag - zo niet moet - worden dat achteraf moet worden geconstateerd dat de reële kans dat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgesoupeerd aan advocatenkosten zich heeft verwezenlijkt.

4.18. Het voorgaande heeft betrekking op toekomstige rechtsbijstand, op rechtsbijstand die nog verleend moet worden in de strafrechtelijke procedures waarin de verdachte is verwikkeld. Toevoeging van een gratis advocaat is dan de remedie die moet voorkomen dat de verdachte van rechtsbijstand verstoken blijft. In de onderhavige zaak gaat het niet, althans niet primair, om rechtsbijstand waarvan een verdachte verstoken dreigt te blijven. De advocatenkosten die de klaagster niet kan betalen, hebben immers betrekking op diensten die al zijn verleend. Het heeft de klaagster dus niet aan rechtsbijstand ontbroken. Niet haar recht op rechtsbijstand is in het geding, maar het recht van haar raadsman om voor die bijstand betaald te worden. Dat die betaling uitblijft, betekent niet dat klaagster als verdachte geen eerlijk proces heeft gehad.

4.19. Tegengeworpen zou kunnen worden dat het uitblijven van betaling voor de reeds verleende diensten indirect ook de toekomstige dienstverlening kan raken. De raadsman zou daarin immers reden kunnen vinden het bijltje er bij neer te gooien. Ik zal niet ontkennen dat dit voor een verdachte vervelend kan zijn, maar het zal niet de enige voor hem vervelende consequentie zijn van het conservatoir beslag dat op zijn vermogen is gelegd. Voor zijn recht op rechtsbijstand geldt wat hiervoor met betrekking tot toekomstige rechtsbijstand is betoogd. Het feit dat de verdachte noodgedwongen genoegen moet nemen met een toegevoegde raadsman levert geen strijd met art. 6 lid 3 sub c EVRM op. Ik merk daarbij op dat zich ook andere situaties kunnen voordoen waarin de verdachte onverhoopt met een andere raadsman in zee moet gaan. De door hem gekozen raadsman kan - om maar wat te noemen - een baan buiten de advocatuur aanvaarden, overspannen worden of door een noodlottig ongeval het leven laten. De noodgedwongen wisseling van raadsman levert geen strijd met art. 6 lid 3 sub c EVRM op, aangenomen dat de nieuwe raadsman voldoende tijd krijgt om zich in te werken. Een reden waarom dat anders zou moeten zijn als de gekozen raadsman van verdere dienstverlening afziet omdat hij niet tegen "legal aid rates" wenst te werken, heb ik niet kunnen bedenken.

4.20. Misschien is dit alles net iets te kort door de bocht. Misschien zijn er uitzonderlijke gevallen te bedenken waarin het feit dat de verdachte als gevolg van een strafvorderlijk beslag niet langer in staat is om zijn advocaat te betalen een schending van art. 6 lid 3 sub c EVRM oplevert. Maar zelfs als dat het geval zou zijn, is daarmee nog niet gezegd dat art. 6 EVRM dwingt tot een (al dan niet gedeeltelijke) opheffing van dat beslag. Dat komt doordat de vraag of de Staat art. 6 EVRM heeft geschonden en de vraag hoe de Staat een eventuele schending moet voorkomen, twee te onderscheiden kwesties zijn. Het EHRM pleegt alleen de eerste vraag te beantwoorden, met de tweede vraag bemoeit het zich in beginsel niet. Het is aan de Staat om de eerbiediging van de mensenrechten te garanderen. In de keuze van de middelen - de wijze waarop eerbiediging van de verdragsrechten wordt gerealiseerd - is de Staat vrij. Welnu, opheffing van het beslag is niet de enige methode om in de hier bedoelde gevallen schending van art. 6 lid 3 sub c EVRM te voorkomen. Dit omdat zich in die gevallen alleen een dergelijke schending laat denken als het systeem van gefinancierde rechtsbijstand niet in de betaling van de desbetreffende advocatenkosten voorziet. Aanpassing van dat systeem is dan ook een serieuze mogelijkheid. In het onderhavige geval kan daarbij in het bijzonder gedacht worden aan een versoepeling van de regel dat geen toevoeging wordt verstrekt voor reeds verleende rechtsbijstand(13) en aan een uitzondering op de regel dat een B.V. niet voor een toevoeging in aanmerking komt.(14) In dit verband verdient opmerking dat de raadsman er in deze zaak ook voor had kunnen kiezen om zich niet bij het schrijven van de Raad voor Rechtsbijstand neer te leggen. Denkbaar was geweest dat hij een besluit had uitgelokt en dat hij dat besluit, mocht het inderdaad negatief zijn uitgevallen, bij de bestuursrechter had aangevochten met het argument dat art. 6 EVRM in dit geval dwingt tot het maken van een uitzondering op de wetgeving en het daarop gebaseerde beleid. Ik zeg niet dat die aanpak succes zou hebben gehad, maar dat die aanpak een andere - en wellicht betere - mogelijkheid biedt om de beweerdelijke schending van art. 6 lid 3 sub c EVRM te redresseren.

4.21. Binnen de Nederlandse rechtsorde ligt het mijns inziens meer voor de hand om de oplossing te zoeken in een incidentele of structurele aanpassing van het systeem van de gefinancierde rechtsbijstand dan in de gedeeltelijke opheffing van het gelegde beslag. Daarvoor zijn verschillende redenen aan te voeren, waarvan ik er enkele kort aanstip. De belangrijkste reden is misschien wel dat deze oplossing zuiverder is. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt immers niet opgesoupeerd (vgl. punt 4.17). Een ander voordeel is dat, gegeven het feit dat de vraag of art. 6 lid 3 sub c wordt geschonden nauw verweven is met de vraag of gefinancierde rechtsbijstand mogelijk is, de Raad voor Rechtsbijstand en de bestuursrechter beter dan de beklagrechter in staat zijn om daarover oordelen. Voorts geldt dat de inpassing in het systeem van de gefinancierde rechtshulp uit een oogpunt van kostenbeheersing te verkiezen valt boven een oplossing waarin de advocaat alles krijgt uitbetaald wat hij zijn cliënt in rekening heeft gebracht. Aandacht verdient voorts dat opheffing van het beslag niet tot het beoogde resultaat behoeft te leiden. De verdachte kan niet verplicht worden het vrijgekomen bedrag aan zijn advocaat uit te betalen. Denkbaar is bijvoorbeeld dat er andere crediteuren zijn aan wie de verdachte, misschien wel terecht, de voorkeur geeft. Als de verdachte failliet is verklaard, kan en mag hij zijn advocaat zelfs niet met het vrijgekomen bedrag betalen. Dat geldt ook als er naast het strafvorderlijke beslag nog andere beslagen op de desbetreffende voorwerpen en rekeningen rusten.

4.22. Mijn conclusie is dat art. 6 lid 3 sub c EVRM er in geen geval toe dwingt om een overigens rechtmatig gelegd strafvorderlijk beslag op te heffen als het gevolg van dat beslag is dat de verdachte of de veroordeelde zijn gekozen raadsman niet kan betalen. Als in 's Hofs overwegingen gelezen moet worden dat de gedeeltelijke opheffing van het beslag nodig is om strijd met de genoemde verdragsbepaling te voorkomen, berusten die overwegingen derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Dat kan uiteraard ook iets voorzichtiger worden verwoord. Gezegd kan worden dat de beslissing van het Hof kennelijk berust op de opvatting dat het enkele feit dat het laten voortduren van een ex art. 94a Sv gelegd beslag maakt dat de betrokkene zijn advocatenkosten niet kan betalen, een schending oplevert van art. 6 lid 3 sub c EVRM. Die opvatting is onjuist. Dat leidt dan eveneens tot cassatie wegens schending van het recht.

4.23. Nu is als gezegd ook een andere lezing van 's Hofs overwegingen mogelijk. De grond voor de gedeeltelijke opheffing van het beslag is bij die lezing niet gelegen in art. 6 EVRM, maar in de disproportionaliteit van het gelegde beslag. Dat maakt wel enig verschil. Bij de vraag of de betrokkene door het gelegde beslag onevenredig in zijn belangen is getroffen, is niet beslissend of art. 6 EVRM is geschonden, terwijl ook andere belangen dan het belang van goede rechtsbijstand een rol kunnen spelen. Ik noem het belang dat de goede verstandhouding met de gekozen raadsman niet wordt verstoord en dat de betrokkene van diens diensten gebruik kan blijven maken. Dat neemt niet weg dat deze andere maatstaf mijns inziens zelden of nooit tot een andere uitkomst zal kunnen leiden. Dit omdat, aangenomen dat er in de jurisprudentie van de Hoge Raad ruimte is om een conservatoir beslag op grond van de disproportionaliteit ervan onrechtmatig te oordelen, die ruimte bijzonder klein lijkt te zijn. Het zal moeten gaan om uitzonderlijke gevallen. Dat is begrijpelijk vanwege het belang dat met het conservatoir beslag is gediend, namelijk dat voorkomen wordt dat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd (vgl. punt 4.17), terwijl aan dat beslag inherent is dat de betrokkene in zijn bestedingsmogelijkheden wordt beperkt en aldus in zijn belangen wordt geschaad. Daar komt dan bij dat het belang dat de raadsman wordt betaald voor zijn diensten toch in de eerste plaats een belang van die raadsman is. Hij is degene die door de betalingsonmacht van zijn cliënt in zijn belangen wordt getroffen.

4.24. Ik denk niet dat het belang van de raadsman kan worden aangemerkt als een belang dat (via de omweg van het algemene belang van een goede rechtsbijstand) kan meewegen bij de vraag of de beslagene disproportioneel in zijn belangen is getroffen. Voor het geval dat daarover anders wordt geoordeeld, merk ik het volgende op. Tot het normale ondernemingsrisico van de advocaat behoort dat zijn cliënten de rekening niet betalen. Het kan daarbij zijn dat de advocaat de betalingsmogelijkheden of de betalingsbereidheid van zijn cliënt vooraf te optimistisch heeft ingeschat. Het kan ook zijn dat een min of meer onvoorziene verandering in de financiële situatie van zijn cliënt er debet aan is dat de rekening niet wordt betaald. Tegen beide risico's kan de advocaat zich indekken door de betaling van een voorschot te verlangen. Daarbij verdient opmerking dat het in strafzaken niet mogelijk is om op basis van een voorwaardelijke toevoeging te procederen (art. 34g lid 2 Wrb). Een toevoeging onder bijvoorbeeld de ontbindende voorwaarde dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen (zodat de cliënt weer geld genoeg heeft om de rekening te betalen), behoort dus niet tot de mogelijkheden. Daarbij sluit aan dat het ook niet mogelijk is om, als op basis van een toevoeging is geprocedeerd, de kosten op basis van art. 591a lid 2 Sv vergoed te krijgen (art. 44a Wrb). De achterliggende gedachte is dat de keuze voor de wijze van vergoeding vooraf moet worden gemaakt. Vanaf het begin moet de rechtsbasis voor de dienstverlening duidelijk zijn, aldus de Minister.(15) Een en ander betekent dat het risico voor de gemaakte keuze bij de advocaat wordt gelegd. Erg tegemoetkomend betoont de wetgever zich daarbij niet. Als achteraf blijkt dat de cliënt de rekening niet kan of wil betalen, heeft de advocaat als crediteur geen bevoorrechte positie. Hij kan net als ieder andere crediteur op grond van de artt. 700 e.v. Rv conservatoir beslag leggen, zij het dat daarvoor voorafgaand overleg met de Deken vereist is.(16) Dat beslag wordt, als de advocaat zich een executoriale titel heeft verschaft die voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, na betekening omgezet in een executoriaal beslag (art. 704 lid 1 Rv). Als er ook door andere crediteuren beslag is gelegd, moet de netto-opbrengst van de executie naar evenredigheid van ieders vordering worden verdeeld (art. 3:277 lid 1 BW). Noch in de artt. 3:283 e.v. BW, noch elders in de wetgeving is aan de vordering van een advocaat voorrang verleend.

4.25. Uit de positie die de wet aan de advocaat als crediteur toekomt, ligt een waardering ten grondslag van het belang dat de advocaat voor zijn diensten wordt betaald. Dat belang weegt kennelijk niet zwaarder dan het belang van andere crediteuren. Daaraan kan een voorzichtig argument worden ontleend tegen de redelijkheid van de door het Hof gemaakte belangenafweging. Ook voor de toegewezen ontnemingsvordering van het openbaar ministerie geldt dat daaraan geen voorrang is verleend.(17) Dat betekent in geval van executie dat, even aangenomen dat ook de raadsman conservatoir beslag heeft gelegd, het openbaar ministerie en de raadsman de netto-opbrengst naar evenredigheid van hun vorderingen moeten verdelen. Dat kan betekenen dat de raadsman niet zijn hele vordering uitbetaald krijgt. De door het Hof gegeven last tot gedeeltelijke opheffing van het strafvorderlijke beslag heeft als beoogd gevolg dat de rekening van de raadsman wel in haar geheel wordt voldaan. In feite wordt dus aan de raadsman een sterkere positie toegekend dan hem op grond van het burgerlijk (proces)recht toekomt. Een goede reden is daarvoor mijns inziens niet te geven.

4.26. Het belang niet van advocaat te hoeven veranderen, kan als gezegd wel als een belang van de verdachte worden aangemerkt. De vraag is wel hoeveel gewicht aan dat belang kan worden toegekend. In dit verband zijn de Gedragsregels voor advocaten 1992 niet zonder betekenis. Op grond van gedragsregel 9 lid 3 geldt dat, als de advocaat zijn opdracht teruggeeft, hij dat op zorgvuldige wijze moet doen en dat hij ervoor dient zorg te dragen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. Gelet daarop is het de vraag of zich snel de situatie zal voordoen dat de cliënt disproportioneel in zijn belangen wordt getroffen als de raadsman zich terugtrekt omdat de verdachte niet langer kan betalen.

4.27. Uitzonderlijke omstandigheden waarom de belangen van klaagster in dit geval op disproportionele wijze zijn geschonden, zijn door het Hof niet vastgesteld. In zoverre kan gesproken worden van een motiveringsgebrek. Ik meen echter dat er in dit geval genoeg reden is om van een schending van het recht te spreken. Uit het feit dat het Hof in het geheel geen aandacht schenkt aan de bijzonderheden van het geval kan worden afgeleid dat het Hof de opvatting is toegedaan dat het enkele feit dat de klaagster als gevolg van het op haar vermogen gelegde beslag niet in staat is haar advocatenkosten te betalen, maakt dat klaagster op disproportionele wijze in haar belangen is getroffen. Die opvatting vindt geen steun in het recht.

4.28. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het middel slaagt. De bestreden beschikking getuigt, hoe ook gelezen, van een onjuiste rechtsopvatting.

4.29. Ik heb mij afgevraagd wat hiervan de consequentie moet zijn. Het komt mij voor dat zich hier een geval voordoet waarin zonder bezwaar kan worden vastgehouden aan het bepaalde in art. 448 lid 1 Sv. Volgens dat artikellid dient de Hoge Raad ingeval van vernietiging de zaak zelf af te doen. Het ingediende klaagschrift was enkel gebaseerd op de stelling dat "de weigering van het Openbaar Ministerie om de honoraria van de gekozen raadsman te voldoen in strijd [is] met het bepaalde in art. 6 EVRM". Omdat die stelling onjuist is, had het Hof het beklag slechts kunnen afwijzen. De Hoge Raad kan dat alsnog doen. Ik merk daarbij op dat niets eraan in de weg staat dat de klaagster opnieuw een klaagschrift indient als zij meent dat er (inmiddels) andere gronden zijn die tot de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het beslag nopen.

5. Het middel slaagt

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot de verdere afdoening van de zaak als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak [klager] (11/03614 B), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 De vraag is of een bevel tot opheffing van het beslag de met gegrondbevinding van het klaagschrift overeenkomende last is als bedoeld in art. 552a lid 7 Sv. In het klaagschrift werd om de teruggave van het geld verzocht, hetgeen beter aansluit bij de in art. 552a Sv opgesomde beklagmogelijkheden. Ik laat die vraag verder rusten.

3 Zie Bijlage 1 bij het schrijven van de raadsman aan het Hof van 18 augustus 2010.

4 Zie onder meer HR 28 september 2010, LJN: BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.14.

5 Vgl. R. Kuiper, 552a-beklag tegen 94(a)-beslag, Strafblad 2008, p. 106 (noot 170). Kuiper wijst op HR 13 september 2005, LJN AS8833, maar daarin ging het niet om de gegrondheid van het beklag, maar om de ontvankelijkheid van de klager. Het ging daarbij om een onder de klager (de derde) gelegd conservatoir derdenbeslag. Omdat de klager door dat beslag niet onevenredig in zijn belangen was getroffen, was hij volgens de Hoge Raad geen belanghebbende in de zin van art. 552a Sv.

6 Zie o.m. HR 6 september 2011, LJN BQ8028, NJ 2011/417 waarin de Hoge Raad oordeelde dat in de beklagprocedure geen rechten of verplichtingen van burgerlijke aard worden vastgesteld en evenmin - voeg ik daaraan toe - wordt beslist over een criminal charge.

7 Denkbaar is bijvoorbeeld dat de verdediging zich bij de behandeling van de zaak op de openbare terechtzitting op het standpunt stelt dat de beslaglegging het recht op rechtsbijstand zodanig heeft gefrustreerd dat een eerlijk proces niet meer mogelijk is (zodat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging).

8 T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, Het EVRM en het Nederlandse bestuursrecht, Deventer: 2011, p. 42-45. J. vande Lanotte en Y. Haeck (red.), Handboek EVRM, deel 2 Artikelsgewijs Commentaar, Volume I, Intersentia 2004, p. 386-416.

9 Wel merk ik nog op dat op art. 6 lid 3 sub c EVRM alleen een beroep gedaan kan worden als het bedoelde geschil de oplegging van een bestuurlijke boete (een criminal charge) betreft. Erg belangrijk is dat overigens niet. In geschillen die de vaststelling van civil rights and obligations betreffen, heeft het EHRM namelijk een recht op (gratis) rechtsbijstand geconstrueerd op basis van het eerste lid van art. 6 EVRM, meer in het bijzonder op het recht op toegang tot een rechter. Zie o.m. EHRM 9 oktober 1979, Publ. ECHR Series A, vol. 32 (Airey tegen Ierland).

10 Vgl. Taru Spronken, Verdediging, Deventer 2001, p. 449 e.v. Spronken beroept zich op een overweging in de zaak Pakelli tegen de Bondsrepubliek Duitsland (EHRM 25 april 1983, Publ. ECHR Series A, Vol. 64, par. 31). Daarin buigt het EHRM zich over een verschil in de Engelse en Franse tekst van art. 6 lid 3 sub c EVRM. Terwijl de drie rechten die in de verdragsbepaling zijn opgesomd in de Engelse tekst telkens verbonden worden door het woordje "or", staat in de Franse tekst de eerste keer "ou" en de tweede keer "et". Volgens het EHRM geeft de Franse tekst de bedoeling beter weer, hetgeen leidt tot de volgende interpretatie. "Accordingly, a "person charged with a criminal offence" who does not wish to defend himself in person must be able to have recourse to legal assistance of his own choosing; if he does not have sufficient means to pay for such assistance, he is entitled under the Convention to be given it free when the interests of justice so require." Volgens Spronken slaan de woorden "such assistance" en "to be given it free" terug op "legal assistance of his own choosing", zodat de verdachte in beginsel recht heeft op toevoeging van de advocaat van zijn eigen keuze". Ik betwijfel of dit taalkundige argument erg sterk is. Het EHRM had bij zijn overweging helemaal niet het oog op de vraag of de onvermogende verdachte bij de toevoeging van een gratis advocaat veel te wensen heeft. De interpretatievraag rees naar aanleiding van het door de Duitse regering wat halfslachtig voorgedragen verweer dat Pakelli geen recht op gratis rechtsbijstand had omdat hij de mogelijkheid had om zich in persoon te verdedigen. Door het tweede woordje "of" te lezen als "en" bereikte het EHRM dat twee mogelijkheden tegenover elkaar kwamen te staan: verdediging in persoon en verdediging met behulp van een advocaat. Dat maakte de weg vrij voor de conclusie dat ook voor de onvermogende verdachte geldt dat hij de keuze heeft tussen beide mogelijkheden. Als hij zich niet in persoon wenst te verdedigen, heeft ook hij recht op rechtsbijstand (mits de belangen van een behoorlijke rechtspleging dat eisen). De - door Spronken niet geciteerde - slotsom luidde dan ook als volgt. "Thus Mr. Pakelli, although authorised by German law to appear in person before the Federal Court, could claim such assistance to the extent that the conditions laid down by Article 6 para. 3 (c) (art. 6-3-c) were satisfied." Het taalkundige argument is daarmee niet van tafel, maar gezien de strekking van de overweging is het toch de vraag of hetgeen daarin kan worden gelezen, ook zo door het EHRM is bedoeld.

11 Zie in het bijzonder de zaak Kamasinski tegen Oostenrijk (EHRM 19 december 1989, Publ. ECHR Series A, vol. 168, NJ 1994/28). De door Kamasinski bij herhaling geventileerde ontevredenheid over het optreden van de toegevoegde raadsman maakte niet dat die raadsman vervangen had moeten worden, nu van manifest wanpresteren geen sprake was.

12 Daar denkt L.F. Keyser-Ringnalda (Boef en buit, Gouda Quint, Arnhem: 1994, p. 351) kennelijk anders over. Zij wijst erop dat een raadsman "van iemand die ervan verdacht wordt over een aanzienlijk crimineel vermogen te beschikken" een civiele vordering heeft op zijn cliënt, die hij in rechte kan laten vaststellen. In een ontnemingszaak zou de rechter bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vervolgens de vastgestelde vordering van de advocaat in mindering kunnen brengen. De raadsman kan volgens Keyser-Ringnalda namelijk aangemerkt worden als "benadeelde derde" in de zin van art. 36e lid 6 Sr. Mij lijkt dat niet juist. De raadsman is niet benadeeld door het strafbare feit waarop de ontnemingsvordering betrekking heeft. Als het wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn zakken verdwijnt, is hij veeleer aan te merken als een door het strafbare feit bevoordeelde derde.

13 Zie in het bijzonder art. 28 Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag wordt ingediend nadat de rechtsbijstand reeds feitelijk is verleend.

14 Toevoeging van een raadsman aan een rechtspersoon is op zich mogelijk (zie art. 36 Wrb). Art. 12 lid 2 sub e Wrb bepaalt echter dat geen rechtsbijstand wordt verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van en zelfstandig beroep of een bedrijf betreft. In het artikellid worden overigens wel uitzonderingen op deze regel geformuleerd.

15 Kamerstukken II, 2003-2004 29 756 nr. 3, p. 1.

16 Zie gedragsregel 27 lid 7 van de Gedragsregels voor advocaten 1992.

17 Zie Borgers in: Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 3.2 op art. 574.