Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW6670

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
10/05534
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW6670
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO. Overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05534

Mr. Vellinga

Zitting: 12 juni 2012

Aanvullende conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Op 10 april jl. heb ik in de onderhavige zaak geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep wegens het mijns inziens niet voldoen van de schriftelijke volmacht van de raadsman aan de medewerker ter griffie aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010/102 gestelde eis dat deze volmacht de verklaring van de advocaat moet inhouden dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het cassatieberoep. In zijn arrest van 29 mei 2012, LJN BW6670 oordeelde de Hoge Raad dat de schriftelijke volmacht van de raadsman wel aan genoemde eis voldoet. De zaak is vervolgens naar de rolzitting verwezen teneinde mij in de gelegenheid te stellen mij alsnog bij aanvullende conclusie uit te laten over de voorgestelde middelen. Van die gelegenheid maak ik bij deze aanvullende conclusie gebruik.

4. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek van de verdediging tot het horen van D.R.A. Uges als getuige-deskundige(1).

5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof genoemd verzoek had dienen te beoordelen aan de hand van de maatstaf van het verdedigingbelang en niet, zoals het Hof volgens de toelichting op het middel in het bestreden arrest zou hebben gedaan, aan de hand van het noodzaakcriterium. Dit zou temeer gelden nu het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2010 herhaalde verzoek tot het horen van Uges als getuige-deskundige mede op nieuwe informatie berustte, en daarmee het verdedigingsbelang zou herleven.

6. Het Hof heeft het verzoek van de verdediging om D.R.A. Uges als getuige-deskundige te horen ter terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2010 afgewezen(2) omdat het naar zijn oordeel te algemeen en onvoldoende concreet was en derhalve de verdediging door de afwijzing van het verzoek niet in haar belangen is geschaad. Het Hof heeft dus - anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld - aan zijn beslissing het verdedigingscriterium ten grondslag gelegd. Het middel mist daarom feitelijke grondslag.

7. Kennelijk wordt er in de toelichting op het middel aan voorbijgegaan dat de in het arrest (p. 9) op basis van het noodzaakcriterium genomen beslissing de beslissing van het Hof betreft op het verzoek van de verdediging tot het doen van nader onderzoek, niet op het verzoek tot het horen van Uges als getuige-deskundige.

8. Overigens merk ik op dat het oordeel van het Hof dat het verzoek te algemeen en onvoldoende concreet is om voor toewijzing in aanmerking te komen, en derhalve wordt afgewezen, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Door de verdediging is ter onderbouwing van het verzoek immers niet meer aangevoerd dan dat de resultaten van het door Lusthof verrichte onderzoek naar de op de achterruit van de auto en op de lippen van het slachtoffer aangetroffen gele substanties, voor de verdediging niet duidelijk heeft gemaakt wat wel en niet kan worden uitgesloten, terwijl niet wordt aangegeven waarin die onduidelijkheid precies zou bestaan, noch waarom Uges als getuige-deskundige ter opheldering van die onduidelijkheid zou kunnen bijdragen.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt over 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het doen verrichten van nader onderzoek.

11. In aanmerking genomen dat het Hof aan de afwijzing van genoemd verzoek ten grondslag heeft gelegd dat het onderzoek door patholoog-anatoom Maes van het lichaam van het slachtoffer en het onderzoek door toxicoloog Lusthof van de zich in het bloed van het slachtoffer bevindende toxines niet tot de bevinding heeft geleid dat zich bij het slachtoffer een allergische en/of toxicologische reactie (mogelijk ten gevolge van vervuilde drugs) heeft voorgedaan, en het nadere onderzoek door toxicoloog Lusthof van de op de achterruit van de auto en op de lippen van het slachtoffer bevindende gele substanties voorts niet tot herziening van de bevindingen en conclusies van genoemde deskundigen heeft geleid, terwijl ter onderbouwing van het verzoek niet meer is aangevoerd dan dat een frisse blik van een nieuwe deskundige wenselijk zou zijn en Uges als uiterst deskundig heeft te gelden(3), is 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het doen verrichten van nader onderzoek naar vergiftiging als mogelijke doodsoorzaak van het slachtoffer, niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed.

12. Het middel faalt.

13. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase is overschreden.

14. Namens verdachte, die gedetineerd is, is op 17 december 2010 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 augustus 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld, en dient te leiden tot strafvermindering.

15. Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

16. Ambtshalve heb ik - afgezien van de hiervoor door mij onder 14 geconstateerde schending van de afdoeningstermijn in cassatie - geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met de inwerkingtreding van de Wet deskundige in strafzaken (Stb. 2009, 33) op 1 januari 2010 (Stb. 2009, 351) wordt in dit verband niet meer gesproken van het horen als getuige-deskundige, maar van het horen als deskundige. Zie Kamerstukken II, 2006-2007, 31 116, nr. 3. p. 18 e.v.

2 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, p. 12.

3 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2010, p. 12.

Nr. 10/05534

Mr. Vellinga

Zitting: 10 april 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Aan de bespreking van de ingediende middelen kom ik gelet op het navolgende niet toe.

4. Bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevindt zich een door de Griffier van het Gerechtshof te Amsterdam ondertekende "akte rechtsmiddel", inhoudende:

"Parketnr: 23-001310-09

Arrestnr:

Op 17 december 2010 kwam ter griffie van dit gerechtshof [griffier], griffier bij het Gerechtshof te Amsterdam,

die-daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte volmacht -

naam [achternaam verdachte]

voornamen [voornaam verdachte]

geboren [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats]

wonende [woonplaats]

die verklaarde beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest d.d. 13 december 2010 alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen tussenbeslissingen

Waarvan akte.

de comparantde griffier

[handtekening] [handtekening]"

5. Aan deze akte rechtsmiddel is gehecht een faxbericht, gericht aan de Strafgriffie van het Gerechtshof te Amsterdam, inhoudende:

"Utrecht, 16 december 2010

Uw ref:23-001310-09

Onze ref. :2010.0443 DV

Inzake:[verdachte]/OM

Geachte heer, mevrouw,

In opgemelde zaak van cliënt, [verdachte], is op 13 december arrest gewezen. De eerste pagina van het arrest sluit ik volledigheidshalve bij. Cliënt wenst tegen dit arrest beroep in cassatie in te stellen, waarvoor ik u onderstaand de volmachtiging daartoe geef.

Hierbij machtig ik, mr. D.C. Vlielander, een van de griffiemedewerkers van het gerechtshof Amsterdam uitdrukkelijk als gevolmachtigde cassatie in te stellen en een akte op te laten maken.

Ik verzoek u vriendelijk de akte cassatie/rechtsmiddel per fax te verzenden aan mij.

U bij voorbaat dankend en in afwachting, teken ik,

Met vriendelijke groet,

D.C. Vlielander

[handtekening]"

6. Een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van dat beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv).(1) Het hiervoor weergegeven faxbericht voldoet niet aan deze eis.(2) Dit brengt mee dat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.(3)

7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010, 102, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.7.

2 Vgl. HR 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010, 102, m.nt. M.J. Borgers en HR 24 januari 2012, LJN BU7345 (niet gepubliceerd), waarin in "namens cliënte" geen bepaaldelijk gevolmachtigd zijn werd gezien, alsmede HR 2 februari 2010, LJN BK2971, NJ 2010, 103, m.nt. M.J. Borgers waarin "hiermede verleent mijn

cliënte" ook niet als bijzondere volmacht werd opgevat.

3 Zie voor gevallen waarin de volmacht van de advocaat aan de griffiemedewerker niet aan genoemde eis voldeed voorts o.m. HR 7 februari 2012, LJN BU8733 (niet gepubliceerd), HR 20 december 2011, LJN BU3480 (niet gepubliceerd), HR 8 november 2011, LJN BT8781 (niet gepubliceerd), HR 25 oktober 2011, LJN BR2343 (niet gepubliceerd) en HR 22 december 2009, LJN BJ7815 (niet gepubliceerd).