Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5875

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11/02398
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2011:BP5546
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Besluit tot opzegging huurovereenkomst tussen vereniging en een van haar leden; feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1019
JWB 2012/370
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/02398

Mr. L. Timmerman

Zitting 11 mei 2012

Conclusie inzake:

Vereniging Sauna Fenomeen

eiseres tot cassatie,

(hierna: Fenomeen)

tegen

Vereniging De Binnenpret

verweerster in cassatie,

(hierna: De Binnenpret)

Verkorte conclusie

1 De Binnenpret is erfpachter van een gekraakt complex van gebouwen met woningen en bedrijfsruimten. Fenomeen is lid van De Binnenpret en huurt van haar een ruimte in het complex. Bij arrest van 31 juli 2008 heeft het hof te Amsterdam een eerste besluit tot huuropzegging door De Binnenpret van de tussen partijen bestaande huurrelatie op grond van art. 2:8 BW vernietigd, omdat Fenomeen geen enkele vorm van financiële compensatie is geboden.

2 In dit geschil is aan de orde of De Binnenpret de huurovereenkomst - en daarmee het lidmaatschap - opnieuw aan Fenomeen mocht opzeggen. Bij arrest van 11 januari 2011 heeft dit hof het vonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 4 januari 2010, waarbij de vorderingen van Fenomeen zijn afgewezen, bekrachtigd. Fenomeen heeft tegen dit arrest tijdig cassatieberoep ingesteld.(1) De Binnenpret is in cassatie niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.

3 Van belang is dat partijen naast onderhavige procedure, waarin Fenomeen het besluit tot opzegging van de huurovereenkomst op verschillende gronden aanvecht, verwikkeld zijn in een procedure waarin De Binnenpret kort samengevat een verklaring voor recht vordert dat de door haar aangeboden compensatie redelijk is (hierna: de parallelle procedure). De overwegingen van het hof in het in cassatie bestreden arrest komen op het volgende neer:

* De (on)geldigheid van het opzeggingsbesluit kan worden beoordeeld zonder dat in de parallelle procedure uitspraak is gedaan (rov. 2.7).

* De huurrechtelijke aspecten van de zaak overheersen ten opzichte van de verenigingsrechtelijke aspecten (rov. 2.8).

* Het lidmaatschap van Fenomeen eindigt bij beëindiging van de huurovereenkomst (rov. 2.11).

* Bij opzegging van de huurovereenkomst moeten partijen rekening houden met elkaars redelijke belangen. Het vertrek van Fenomeen betekent niet per definitie haar einde. Niet kan worden gezegd dat De Binnenpret ieder belang bij opzegging ontbeert (rov. 2.8).

* Aan het arrest van 31 juli 2008 komt geen gezag van gewijsde toe, nu in onderhavige procedure een nieuwe vordering naar aanleiding van een nieuwe opzegging door De Binnenpret aan de orde is (rov. 2.9).

* Het bestuur van De Binnenpret was bevoegd tot opzegging (rov. 2.10).

Bespreking van de cassatiemiddelen

4 Tegen het in cassatie bestreden arrest worden zeven middelen in stelling gebracht.

5 Middel 1 hangt samen met middel 5 en wordt op die plaats besproken. Middel 2 komt op tegen rov. 2.6 en 2.7. Het klaagt ten eerste dat het hof is getreden buiten de rechtsstrijd van partijen door te oordelen dat het eindvonnis in eerste aanleg zo moet worden gelezen dat de opzegging van de huurovereenkomst "niet ongeldig" is. Ten tweede wordt geklaagd dat, gezien het arrest van 31 juli 2008, het oordeel over de geldigheid van de opzegging niet los kan worden gezien van het oordeel over de hoogte van de aan te bieden vergoeding. Of die vergoeding redelijk is bepaalt of de opzegging geldig is, aldus het middel. Ten slotte bevat het middel nog een klacht tegen het impliciete oordeel van het hof dat de aangeboden compensatie voldoende is.

6 De klachten van middel 2 falen. 's Hofs oordeel over hoe het vonnis in eerste aanleg moet worden uitgelegd tasten de gronden van 's hofs beslissing niet aan. Overigens is 's hofs overweging ook niet onbegrijpelijk in het licht van de parallelle procedure. Dat het besluit om op te zeggen op de juiste wijze tot stand is gekomen wil nog niet zeggen dat de opzegging geldig is, nu dit mede afhangt van of de aangeboden vergoeding redelijk is. De vraag of de aangeboden vergoeding redelijk is, is niet aan de orde in deze procedure, maar in de parallelle procedure. Bij gebreke van een oordeel over de redelijkheid van de aangeboden vergoeding kan het oordeel in eerste aanleg, dat de opzegging wel aan alle andere eisen voldoet - want daar komt het oordeel in eerste aanleg op neer -, niet anders worden opgevat dan dat de opzegging "niet ongeldig" is op de in de onderhavige procedure geldende gronden. De laatste klacht van het middel berust op een onjuiste lezing van 's hofs arrest. Het hof heeft zich niet - ook niet impliciet - uitgelaten over de redelijkheid van de aangeboden vergoeding. Dit volgt m.i. duidelijk uit de uiteenzetting in rov. 2.7.

7 Middel 4 hangt gedeeltelijk samen met middel 2, zodat het op deze plaats wordt besproken. Het middel betreft rov. 2.9. Ik lees het middel aldus dat daarin wordt betoogd dat het hof op grond van het gezag van gewijsde dat toekomt aan het arrest van 31 juli 2008 niet heeft kunnen beslissen over de rechtsgeldigheid van de tweede opzegging.

8 Het gezag van gewijsde dat aan het arrest van 31 juli 2008 toekomt ten aanzien van de eerste opzegging, staat niet in de weg aan de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een opvolgende opzegging waarin geprobeerd wordt een eerder door het hof geconstateerde fout te herstellen. Het middel faalt in zoverre. Voor zover het middel voorbouwt op middel 2 is het eveneens tevergeefs voorgesteld.

9 In middel 3 worden klachten gericht tegen rov. 2.8. Geklaagd wordt dat het hof met het oordeel dat gelet op al hetgeen tussen partijen tot de dag van vandaag is voorgevallen kan worden gezegd dat De Binnenpret ieder belang bij opzegging ontbeert, buiten de grenzen van partijen is getreden, althans dat dit oordeel feitelijke grondslag mist. Het met dit middel samenhangende middel 6, dat is gericht richt tegen rov. 2.11, wordt hier eveneens besproken, nu de daarin geformuleerde klachten voornamelijk lijken te zien op rov. 2.8. Het middel voert kort samengevat aan dat de belangenafweging door het hof gebreken vertoont, omdat niet is voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht die geldt bij beëindiging van een samengestelde rechtsverhouding als onderhavige.

10 Voor zover middel 6 voortbouwt op middel 2 deelt het het lot daarvan. Ook voor het overige falen de middelen. Ik lees daarin geen klacht tegen 's hofs overweging dat de huurrechtelijke aspecten in dit geval overheersen ten opzichte van de verenigingsrechtelijke aspecten. Zoals het hof ook overweegt in rov. 2.11, onder verwijzing naar dat wat in eerste aanleg is overwogen en waarover in cassatie niet wordt geklaagd, volgt uit art. 5 lid 1 van de statuten dat beëindiging van de huurverhouding tussen partijen beëindiging van het lidmaatstap van De Binnenpret tot gevolg heeft, maar dat bij beëindiging van de huurrelatie partijen rekening hebben te houden met elkaars redelijke belangen. Ook dit heeft het hof niet uit het oog verloren. Het hof concludeert in rov. 2.8, naar aanleiding van wat namens Fenomeen ter gelegenheid van pleidooi is aangevoerd, dat het beëindigen van de huurrelatie niet noodzakelijkerwijs het einde van het bestaan van Fenomeen betekent. Dit is niet onbegrijpelijk en wordt in cassatie overigens ook niet weersproken. Anderzijds oordeelt het hof dat niet kan worden gezegd dat De Binnenpret ieder belang bij opzegging ontbeert. Ook dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd, gelet op de lange voorgeschiedenis van het onderhavige geschil waarover in het uitvoerige procesdossier veel is te vinden.

11 Middel 1 komt op tegen rov. 2.2.3, waarin het hof de gang van zaken die heeft geleid tot de (tweede) opzegging van de huurovereenkomst door De Binnenpret omschrijft, en de afwijzing van de eerste grief in rov. 2.6-2.7. Volgens het middel is sprake van een nietig bestuursbesluit, omdat verschillende fouten zijn opgetreden bij het oproepen van Fenomeen voor de ledenvergadering van 28 april 2009 waarbij het besluit in stemming is gebracht. In middel 5 wordt opgekomen tegen rov. 2.10. Gesteld wordt dat op grond van art. 5 lid 7 van de statuten de algemene ledenvergadering bevoegd is de relatie met Fenomeen te beëindigen.

12 De middelen zijn tevergeefs voorgesteld. In de eerste plaats wordt opgekomen tegen de door het hof vastgestelde feitelijke gang van zaken. Deze feitenvaststelling is in cassatie onaantastbaar. Dat het hof in rov. 2.2.3 heeft geconcludeerd dat de opzegging van de huurovereenkomst geldig is, zoals het middel lijkt te betogen, lees ik daarin niet. In de tweede plaats valt niet in te zien in hoeverre het hof deze feitenvaststelling heeft betrokken in de beoordeling van de eerste grief, nu die betrekking heeft op de verhouding tussen de onderhavige en parallelle procedure. Voor zover wordt bedoeld te verwijzen naar 's hofs overweging in rov. 2.10, geldt m.i. dat het hof geen betekenis heeft toegekend aan gebreken in de oproeping van Fenomeen, omdat uit art. 5, lid 2 van de statuten van De Binnenpret volgt dat het bestuur bevoegd was tot opzegging. Deze niet onbegrijpelijke uitleg van de statuten brengt mee dat gebreken in de oproeping voor de algemene vergadering niet relevant zijn. Daarbij komt dat de bij De Binnenpret geldende regel dat opzegging van de huurovereenkomst beëindiging van het lidmaatschap van De Binnenpret tot gevolg heeft, niet op de een of andere wijze impliceert dat de bevoegdheid de huurovereenkomst op te zeggen bij de algemene ledenvergadering komt te liggen. Ik wijs in dit verband op lid 6 van art. 5 van de statuten van De Binnenpret.

13 Middel 7 bevat geen zelfstandige klacht.

14 Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 Ro.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De cassatiedagvaarding is op 11 april 2011 uitgebracht.