Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5642

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
10/03378
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5642
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 408.1.c Sv; niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. De door de Officier van Justitie bij de behandeling van de vordering tot verlenging van de gevangenhouding gedane mededeling m.b.t. de datum waarop de zaak door de Politierechter zou worden behandeld, kan - in aanmerking genomen dat de ervaring leert dat zo’n mededeling een voorlopig karakter niet kan worden ontzegd - niet zonder meer worden aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting verdachte tevoren bekend was ex art. 408.1.c Sv. Het middel klaagt terecht over de niet-ontvankelijkverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/796
NJ 2012/347
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/03378

Mr. Silvis

Zitting 6 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 8 juni 2010 door het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Namens verdachte heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof verdachte ten onrechte niet- ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, althans dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is.

4. In zijn arrest heeft het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid in hoger beroep het volgende overwogen en beslist:

"De inleidende dagvaarding is niet aan de verdachte in persoon betekend. De verdachte is niet ter terechtzitting van 11 mei 2007 van de politierechter verschenen. Bij vonnis van 11 mei 2007 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld.

De vraag rijst of zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van die terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Ingeval van bevestigende beantwoording van die vraag had verdachte - gelet op het bepaalde in artikel 408 eerste lid, aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering - zijn hoger beroep moeten instellen binnen veertien dagen na de einduitspraak van de politierechter.

Een zodanige omstandigheid is te dezen gelegen in het feit dat - blijkens het proces verbaal van het verhandelde in raadkamer van 28 maart 2007 - tijdens het verhoor van verdachte in raadkamer in het kader van een vordering verlenging van de gevangenhouding door de officier van justitie de datum van de zitting van de politierechter, te weten 11 mei 2007, aan de verdachte en diens raadsman is medegedeeld. De dag van de terechtzitting was verdachte derhalve van tevoren bekend.

Gelet op deze omstandigheid had verdachte binnen veertien dagen na het vonnis d.d. 11 mei 2007 van de politierechter hoger beroep moeten instellen.

Het hoger beroep is door de raadsman van de verdachte ingesteld op 6 juni 2007 en derhalve niet binnen veertien dagen na voormeld vonnis d.d. 11 mei 2007. Dit brengt mee dat de verdachte niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn."

5. Genoemd proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van 28 maart 2007 bevind zich onder de stukken en houdt -voor zover voor het middel van belang- het volgende in:

"De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

Er zijn geen nieuwe stukken bijgekomen. Ik vorder de verlenging voor 60 dagen. Het onderzoek is afgerond.

Gronden: gezondheid of veiligheid van personen.

Zitting: PR 11 mei 2007."

6. Het proces-verbaal van het behandelde in raadkamer bevat enkel de vermelding dat de officier van justitie heeft verklaard "Zitting: PR 11 mei 2007". Niet blijkt of de officier van justitie heeft medegedeeld of die datum definitief is, of dat slechts het voornemen bestond om deze zaak op die dag te behandelen. Voorts blijkt niet dat de dag van de terechtzitting op dat moment formeel al was vastgelegd in een dagvaarding. De akte van uitreiking bij de inleidende dagvaarding houdt in dat eerst op 18 april 2007 getracht is deze te betekenen aan verdachte.

7. Ik meen dat de vaststelling dat de officier van justitie tijdens het verhoor van verdachte in raadkamer de datum van de (voorgenomen) zitting van de politierechter aan de verdachte en diens raadsman heeft medegedeeld, op zich niet onbegrijpelijk is. Maar is daarom de dag van de terechtzitting aan de verdachte te voren bekend? Het blijkt niet dat de dag van de terechtzitting als een vermoedelijke of als reeds bepaalde datum is genoemd.

8. Gelet op het voorgaande acht ik 's hofs oordeel dat de dag van de terechtzitting verdachte van te voren bekend was, nu tijdens het verhoor van verdachte in raadkamer door de officier van justitie de datum van de zitting van de politierechter is medegedeeld, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk.

9. Het middel slaagt.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, met terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG