Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5516

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
12/00509
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 7 Verordening (EG) Nr. 261/2004, compensatie bij langdurige vertraging. HvJEU 19 november 2009 (Sturgeon), LJN BK4714, NJ 2010/137, nog geldend recht? Hoge Raad houdt uitspraak aan in afwachting van nieuwe uitspraak HvJEU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/858
NJB 2013/1304
S&S 2013/108
JWB 2013/261
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/00509

Mr. P. Vlas

Zitting, 11 mei 2012

Conclusie inzake:

Martinair Holland N.V.

(hierna: Martinair)

tegen

1) [Verweerster 1]

2) [Verweerder 2]

(hierna: [verweerder] c.s.)

Deze zaak gaat over het recht op compensatie bij langdurige vertraging van de vlucht op grond van art. 7 van de Verordening (EG) Nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening).(1) Aan de orde is de vraag of de rechtbank Haarlem, sector kanton, de zaak had moeten aanhouden om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de toepassing van art. 7 van de Verordening dan wel om de uitkomst van reeds bij het HvJ EU aanhangige (vergelijkbare) zaken af te wachten.(2) Voorts komt aan de orde of de kantonrechter ten onrechte (ongemotiveerd) voorbij is gegaan aan het beroep van de vervoerder op verlaging van de compensatie. Gelijktijdig met deze zaak wordt heden geconcludeerd in zeven andere zaken die betrekking hebben op dezelfde materie en waarin onder meer soortgelijke vragen aan de orde komen.(3)

1. Feiten en procesverloop

1.1 De relevante feiten in cassatie zijn als volgt.(4) [Verweerder] c.s. (hierna ook wel aangeduid als 'de passagiers') hebben bij Martinair een vlucht van Miami naar Amsterdam (Schiphol) geboekt. Op basis van de overeenkomst tussen partijen zou Martinair de passagiers op 31 januari 2009 om 20.00 uur lokale tijd vanuit Miami per vliegtuig met vluchtnummer MP 646 vervoeren.

1.2 Vlucht MP 646 heeft een vertraging van 3 uur en 30 minuten opgelopen in verband met een 'weight and balance' probleem. De passagiers hebben op de vluchthaven van Miami een voucher ter waarde van 12 USD ontvangen.

1.3 In de onderhavige procedure vorderen [verweerder] c.s. veroordeling van Martinair tot betaling van € 1.378, 50(5), te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat Martinair op grond van de compensatieregeling van de Verordening bij een vertraging van meer dan 3 uur en gezien de afstand van de vlucht een compensatie van € 600,- per passagier verschuldigd is geworden.

1.4 Martinair heeft gemotiveerd verweer gevoerd en, kort gezegd, aangevoerd dat het recht op compensatie van de passagiers in strijd is met het IATA-arrest,(6) het Verdrag van Montreal,(7) de tekst van de Verordening, de bedoelingen van de Europese wetgever, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Martinair heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden totdat het HvJ EU op de over deze materie in andere procedures reeds gestelde prejudiciële vragen heeft geantwoord. [Verweerder] c.s. hebben zich tegen aanhouding van de zaak verzet.

1.5 Bij tussenvonnis van 12 oktober 2011 heeft de kantonrechter te Haarlem geoordeeld dat hij geen aanleiding ziet om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording door het HvJ EU van één of meerdere prejudiciële vragen, maar wel termen aanwezig acht om de zaak aan te houden in afwachting van de beslissing van het hof Amsterdam in een appelprocedure tegen het vonnis van de kantonrechter te Haarlem van 15 juli 2010.(8) Iedere verdere beslissing is aangehouden.

1.6 Bij arrest van 6 december 2011 heeft het hof Amsterdam(9) het vonnis van de kantonrechter te Haarlem van 15 juli 2010 bekrachtigd en, kort gezegd, geoordeeld dat het Sturgeon-arrest(10) het geldende recht weergeeft en terzake van de compensatie bij langdurige vertraging geen sprake is van strijd tussen de Verordening en het Verdrag van Montreal.

1.7 Bij eindvonnis van 28 december 2011 heeft de kantonrechter te Haarlem, met verwijzing naar het voornoemde arrest van het hof Amsterdam, geoordeeld dat hij de in het Sturgeon-arrest gegeven uitleg van art. 5 t/m 7 van de Verordening zal volgen. De kantonrechter heeft Martinair veroordeeld tot betaling van € 1.200,- (met wettelijke rente) en van de proceskosten. Zie rov. 3 van het vonnis:

'(...) De kantonrechter stelt in het kader van de beoordeling van de onderhavige vordering passagiers van vertraagde vluchten dan ook gelijk aan passagiers van wie de vlucht is geannuleerd. Een aanspraak op compensatie ontstaat volgens het Sturgeon-arrest wanneer de passagier door een vertraging van de vlucht drie of meer uren tijd heeft verloren. Het Hof [hiermee is bedoeld Hof Amsterdam 6 december 2011; A-G] overweegt verder -kort gezegd- dat de nationale rechter gebonden is aan het in het IATA-arrest gegeven oordeel dat de compensatievordering op grond van de Verordening niet in strijd is met het Verdrag van Montreal. Tenslotte heeft het Hof ten aanzien van eventuele strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel samenvattend geoordeeld dat uit het Sturgeon-arrest valt op te maken dat eventuele strijdigheid met de hiervoor genoemde beginselen niet opweegt tegen het met Verordening nr. 261/2004 nagestreefde doel om vergelijkbare situaties niet verschillend te behandelen.

De kantonrechter concludeert dan ook dat de lijn van het Sturgeon-arrest zal worden gevolgd. Toepassing op deze vordering van de in het Sturgeon-arrest ontwikkelde jurisprudentie leidt tot de slotsom dat de vordering in hoofdsom (€ 1.200,00) zal worden toegewezen.'

1.8 Martinair heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het tussenvonnis en het eindvonnis van de kantonrechter. Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend. Martinair heeft haar standpunt zowel schriftelijk als mondeling toegelicht.(11)

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel keert zich hoofdzakelijk tegen de beslissing van de kantonrechter om geen prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EU althans om zijn uitspraak niet aan te houden in afwachting van de uitkomst in de bij het HvJ EU aanhangige procedures (onderdeel 1). Voorts klaagt het middel erover dat de kantonrechter ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het beroep van Martinair op verlaging van een (eventueel) verschuldigde compensatie (onderdeel 2).

2.2 Allereerst rijst de vraag of Martinair ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Art. 80 lid 1 RO geeft een opsomming van de gronden waarop cassatie mogelijk is tegen niet voor appel vatbare uitspraken van kantonrechters in burgerlijke zaken.(12) Tot de cassatiegronden behoort niet schending van het recht(13), maar wel het ontbreken van de gronden waarop de uitspraak van de kantonrechter berust (art. 80 lid 1 sub a RO).(14) Motiveringsklachten die niet kunnen worden beoordeeld zonder daarin de juistheid van de door de kantonrechter gehuldigde rechtsopvatting te betrekken, vallen buiten de door art. 80 RO getrokken grenzen van de taak van de cassatierechter.(15) De in art. 80 lid 1 RO genoemde cassatiegronden zijn niet exclusief. De Hoge Raad heeft immers aanvaard dat, gelet op de ontwikkelingen op het gebied van de fundamentele beginselen van procesrecht onder invloed van art. 6 EVRM en de daarop gevormde rechtspraak, in het kader van de cassatietoetsing op de voet van art. 80 lid 1 RO van niet voor appel vatbare uitspraken van de kantonrechter de Hoge Raad ook toezicht kan uitoefenen op de naleving van fundamentele rechtsbeginselen die gelden voor de behandeling van de zaak: 'Daarom moet tevens als grond voor cassatie worden aanvaard dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals het geval is bij het niet inachtnemen van het contradictoire beginsel, waartoe behoort hoor en wederhoor, en van het recht op gelijke behandeling (equality of arms)'.(16)

2.3 In de onderhavige zaak klaagt Martinair onder meer erover dat de bestreden vonnissen ondeugdelijk zijn gemotiveerd, omdat de kantonrechter ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het beroep van Martinair op verlaging van een (eventueel) verschuldigde compensatie (cassatiedagvaarding, p. 16, nr. 2). Gelet op nr. 2.2 van mijn conclusie biedt deze klacht voldoende grond om Martinair te ontvangen in haar cassatieberoep.

2.4 Onderdeel 1 betoogt dat de beslissing van de kantonrechter om geen prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU althans om zijn beslissing niet aan te houden in afwachting van de uitkomst van de bij het HvJ EU aanhangige procedures, gelet op de redelijke twijfel over de geldigheid en/of de uitleg van de Verordening op grond van het Sturgeon-arrest, in strijd is met een fundamentele verplichting van Unierecht. De beslissing van het HvJ EG in het Sturgeon-arrest, inhoudende dat de Verordening voorziet in compensatie bij vertraging, staat volgens het middel op gespannen voet met het eerder gewezen IATA-arrest van de Grote Kamer van het HvJ EG (cassatiedagvaarding, p. 11, nr. 23). Het is niet aan de nationale gerechten van de EU-lidstaten om te kiezen tussen beide uitspraken, maar de nationale gerechten zijn verplicht prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen om duidelijkheid te verkrijgen over de verhouding tussen beide arresten althans de behandeling van lopende zaken aan te houden totdat het HvJ EU zich heeft uitgesproken over de verhouding tussen beide arresten (cassatiedagvaarding, p. 11-12, nr. 24).

2.5 Ingevolge art. 267 VWEU is de hoogste nationale rechter van de EU-lidstaten verplicht - de overige gerechten zijn bevoegd - om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU indien een (voor de behandeling van de zaak relevante) vraag van Unierecht wordt opgeworpen. Hierop geldt een uitzondering wanneer geen twijfel mogelijk is over de juiste uitleg van de rechtsregel (acte clair) of wanneer het HvJ EU die regel al een keer heeft uitgelegd (acte éclairé).(17) De verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen wordt rechtstreeks door art. 267 VWEU opgelegd. Indien een vraag naar de uitleg van Unierecht rijst en een beslissing op dat punt noodzakelijk is voor het geven van een uitspraak door de nationale rechter bij wie de zaak aanhangig is, verplicht art. 267 VWEU de hoogste nationale rechter tot het stellen van prejudiciële vragen ongeacht het bestaan van eventuele bepalingen van nationaal procesrecht van de rechter die daaraan in de weg staan.(18)

2.6 Art. 267 VWEU verplicht de kantonrechter tot het stellen van prejudiciële vragen, indien hij als de hoogste nationale rechter geldt in de zin van art. 267 VWEU, en onduidelijkheid bestaat over een vraag van het Unierecht, zoals over de vraag of art. 7 van de Verordening recht geeft op compensatie bij vertraging. De hoogste nationale rechter is 'een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie'.(19) Dit behoeft niet altijd de hoogste rechterlijke instantie te zijn, maar kan ook een lagere rechter zijn die in hoogste instantie recht spreekt omdat tegen zijn beslissing geen gewoon rechtsmiddel open staat.(20) Van belang is of de rechtsvragen waarover de lagere rechter zich heeft uitgesproken zonder meer aan een nieuwe rechterlijke beoordeling kunnen worden onderworpen.(21) In de woorden van het HvJ gaat het erom of 'onzekerheid over de uitlegging van het toepasselijke recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht, uiteindelijk tot controle van de hoogste rechter (kan) leiden'.(22) Het cassatieberoep op grond van art. 80 RO voldoet hieraan niet, zodat de kantonrechter in dit geval als hoogste rechter in de zin van art. 267 VWEU moet worden aangemerkt.(23)

2.7 De vraag of de kantonrechter, als hoogste rechter, op grond van art. 267 VWEU gehouden is om prejudiciële vragen te stellen kan slechts beantwoord worden nadat vast is komen te staan dat onduidelijkheid bestaat over het recht op compensatie bij vertraging van vluchten op grond van art. 7 van de Verordening. Dat laatste vergt een inhoudelijke toetsing van de bestreden uitspraken aan het Unierecht en doet in het bijzonder de vraag rijzen naar de verhouding tussen het Sturgeon-arrest en het IATA-arrest alsmede naar de verhouding tussen de Verordening en het Verdrag van Montreal, waarvoor in dit geding geen plaats is gelet op de beperkte toetsingsmogelijkheden op grond van art. 80 lid 1 RO.

2.8 Onderdeel 2 betreft een motiveringsklacht en houdt in dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op het beroep van Martinair op verlaging van een (eventueel) verschuldigde compensatie. De passagiers hebben € 1.200,- aan vertragingsschade gevorderd. Martinair heeft als verweer aangevoerd dat sprake is van een vertraging van minder dan 4 uur(24), zodat het gepretendeerde recht op compensatie moet worden verlaagd met 50%. Bij eindvonnis van 28 december 2011 heeft de kantonrechter het gevorderde bedrag volledig toegewezen, zonder te responderen op de onbetwiste stelling van Martinair dat de vertraging minder dan 4 uur bedroeg.

2.9 In cassatie staat vast dat de passagiers ten minste drie uur vertraging hebben gehad bij hun vlucht vanuit Miami naar Amsterdam. Daarmee is voldaan aan de in het Sturgeon-arrest vermelde voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de compensatie als bedoeld in art. 7 van de Verordening. In het Sturgeon-arrest is echter bepaald dat deze compensatie met 50% kan worden verlaagd indien voldaan is aan de voorwaarden van art. 7 lid 2. In rov. 63 oordeelde het HvJ EG dat 'het bedrag van de compensatie die verschuldigd is aan de passagier van een vertraagde vlucht die drie of meer uren na de geplande aankomsttijd zijn eindbestemming bereikt, overeenkomstig artikel 7, lid 2, sub c, van verordening nr. 261/2004 met 50 % kan worden verlaagd wanneer de vertraging voor een niet onder artikel 7, lid 2, sub a en b, vallende vlucht minder dan vier uur bedraagt'. Volgens art. 7 lid 2 Verordening geldt de eventuele verlaging van de aangeboden compensatie in het geval de passagiers 'een andere vlucht naar hun eindbestemming wordt geboden', hetgeen in casu niet het geval is, nu zij immers met dezelfde (vertraagde) vlucht (MP 646) naar Amsterdam zijn vervoerd. De kantonrechter heeft daarom aan de stelling van Martinair voorbij kunnen gaan, zonder daarvan een uitdrukkelijke motivering te geven. De feitenrechter is niet gehouden in te gaan op alle door partijen ter ondersteuning van hun standpunten ingebrachte stellingen en argumenten.(25) Het onderdeel faalt derhalve.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voluit: Verordening (EG) Nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91, PbEU 2004, L 46/1.

2 Voor zover mij bekend, zijn thans bij het HvJ EU de volgende vergelijkbare zaken aanhangig: C-629/10 en C-581/10 (gevoegde zaken), C-255/11, C-315/11, C-413/11, C-594/11. In zaak C-315/11 zijn prejudiciële vragen gesteld door rechtbank Breda, sector kanton, 25 mei 2011, LJN BQ5967. Zie ook nr. 2.5 van mijn conclusie van heden in zaak 12/00508.

3 Het betreft zaken 11/05366, 12/00508, 12/00510, 12/00511, 12/00512, 12/00514, alsmede zaak 12/00187.

4 Zie het bestreden tussenvonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, van 12 oktober 2011, onder het kopje 'De feiten'.

5 Dit bedrag is opgebouwd uit de hoofdsom van € 1.200,- en de buitengerechtelijke incassokosten van € 178,50.

6 HvJ EG 10 januari 2006, zaak C-344/04, Jur. 2006, p. I-403, NJ 2006/372, m.nt. M.R. Mok.

7 Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, Montreal, 28 mei 1999, Trb. 2000, 32; 2001, 91 (Nederlandse vertaling); zie ook PbEG 2001, L 194/39.

8 LJN BN2126; NJF 2010/369.

9 LJN BU6840. Heden concludeer ik eveneens in het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep (zaaknummer: 12/00508).

10 HvJ EG 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, Jur. 2009, p. I-10923, NJ 2010/137, m.nt. M.R. Mok.

11 Op 23 maart 2012 heeft een gecombineerde mondelinge behandeling plaatsgevonden in deze zaak, alsmede in zaken 11/05366, 12/00508, 12/00510, 12/00511, 12/00512 en 12/00514. In deze zaken is een gecombineerde pleitnota overgelegd.

12 Tegen de vonnissen van de kantonrechter in de onderhavige zaak staat geen hoger beroep open, omdat de vordering niet meer beloopt dan € 1.750,- (zie art. 332 Rv).

13 Zie hierover Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 130.

14 Zie voor een recente toepassing van deze cassatiegrond: HR 13 januari 2012, LJN BU1987, RvdW 2012/112.

15 HR 10 juli 2009, LJN BH9156, NJ 2009/362, rov. 3.4.4. Zie verder Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 131.

16 HR 16 maart 2007, LJN AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.7.2. Zie voor een geval waarin het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht genomen was: HR 21 januari 2011, LJN BP1498, RvdW 2011/145.

17 Zie HvJ EG 6 oktober 1982, zaak 283/81, Jur. 1982, p. 3415, NJ 1983/55 (Cilfit).

18 R. Barents, EU-procesrecht, 2010, p. 358.

19 HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01, Jur. p. I-10239, NJ 2004/160, m.nt. MRM, rov. 34 (Köbler); zie ook HvJ EG 17 juli 1997, zaak C-334/95, Jur. p. I-4517, rov. 53 (Krüger).

20 R. Barents, EU-procesrecht, 2010, p. 374.

21 K. Lenaerts/D. Arts, Europees procesrecht, 2003, p. 76.

22 HvJ EG 4 juni 2002, zaak C-99/00, Jur. 2002, p. I-4839, NJ 2003/120, rov. 17 (Lyckeskog).

23 In dezelfde zin H.B. Krans, De kantonrechter als hoogste rechter, WPNR 2004/6595, p. 829; M.R. Mok, Noot bij Lyckeskog-arrest, SEW 2003, p. 31; vgl. W.T. Eijsbouts e.a, Europees Recht - Algemeen Deel, 2010, p. 296.

24 Conclusie van antwoord par. 2 en 14; conclusie van dupliek par. 2.

25 Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 122