Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5514

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
11/05366
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5514
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 7 Verordening (EG) Nr. 261/2004, compensatie bij langdurige vertraging. HvJEU 19 november 2009 (Sturgeon), LJN BK4714, NJ 2010/137, nog geldend recht? Hoge Raad houdt uitspraak aan in afwachting van nieuwe uitspraak HvJEU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1477
RvdW 2012/859
JWB 2012/298
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/05366

Mr. P. Vlas

Zitting, 11 mei 2012

Conclusie inzake:

TUI Airlines Nederland B.V., h.o.d.n. ArkeFly

(hierna: ArkeFly)

tegen

1) [Verweerster 1]

2) [Verweerder 2]

(hierna: [verweerder] c.s.)

Deze zaak gaat over het recht op compensatie bij langdurige vertraging van de vlucht op grond van art. 7 van de Verordening (EG) Nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening).(1) Aan de orde is de vraag of de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, de zaak had moeten aanhouden om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de toepassing van art. 7 van de Verordening dan wel om de uitkomst van reeds bij het HvJ EU aanhangige (vergelijkbare) zaken af te wachten.(2) Voorts komt de vraag aan bod of de kantonrechter een fundamenteel beginsel van procesrecht (het recht op pleidooi) heeft geschonden. Gelijktijdig met deze zaak wordt heden geconcludeerd in zeven andere zaken die betrekking hebben op dezelfde materie en waarin onder meer soortgelijke vragen aan de orde komen.(3)

1. Feiten en procesverloop

1.1 De relevante feiten in cassatie zijn als volgt.(4) ArkeFly is een chartermaatschappij. Zij sluit geen luchtvervoerovereenkomsten rechtstreeks met passagiers, maar uitsluitend met touroperators.

1.2 [Verweerder] c.s. hebben via een touroperator een reis geboekt naar Gran Canaria (Spanje). Zij zouden door ArkeFly van Amsterdam Schiphol Airport naar Airport Gran Canaria te Las Palmas en weer terug vervoerd worden.

1.3 De oorspronkelijk geplande vertrektijd vanuit Amsterdam op 16 januari 2009 was om 7.00 uur (lokale tijd); de oorspronkelijk geplande aankomsttijd op Gran Canaria was op diezelfde dag om 10.40 (lokale tijd). De geboekte vlucht is uiteindelijk op 16 januari 2009 om omstreeks 16.40 uur op het vliegveld te Gran Canaria geland met een vertraging van meer dan vijf uur ten opzichte van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd.

1.4 In de onderhavige procedure stellen [verweerder] c.s. zich op het standpunt dat, gelet op de vertraging waarmee de geboekte vlucht is uitgevoerd, zij krachtens art. 7 van de Verordening in verbinding met het Sturgeon-arrest van het HvJ EG(5) recht hebben op compensatie van ArkeFly ter grootte van € 978, 50.

1.5 ArkeFly heeft gemotiveerd verweer gevoerd en onder andere aangevoerd dat een beslissing in de onderhavige zaak moet worden aangehouden opdat prejudiciële vragen kunnen worden voorgelegd aan het HvJ EU, althans dat een aanhouding voor de hand ligt gelet op de aan het HvJ EU naar aanleiding van het Sturgeon-arrest gestelde prejudiciële vragen door andere gerechten. Een beslissing zou voorts moeten worden aangehouden in afwachting van een bij een gerechtshof aanhangige zaak en een mogelijke vordering tot cassatie in het belang der wet bij de Hoge Raad.

1.6 Bij vonnis van 29 augustus 2011 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton(6), ArkeFly veroordeeld tot betaling aan [verweerder] c.s. van compensatie van € 800,- met wettelijke rente en voorts ArkeFly veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de kantonrechter, voor zover van belang, het volgende overwogen:

'5.2 De vraag is (...) of ArkeFly gelet op het bepaalde in de Verordening gehouden is [verweerders] te compenseren voor het feit dat zij meer dan 5 uur later dan de geplande aankomsttijd zijn aangekomen op de luchthaven van bestemming.

5.3 Het HvJ EU heeft zich over deze rechtsvraag uitgelaten in de zaken die hebben geleid tot het (...) Sturgeon-arrest. In dat arrest heeft het HvJ EU (...) beslist, dat op het in de Verordening toegekende recht op compensatie als bedoeld in artikel 7 ook aanspraak bestaat in het geval van een langdurige vertraging, tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat deze vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redegelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. Van een langdurige vertraging is naar het oordeel van het HvJ EU sprake indien de eindbestemming drie of meer uren na de oorspronkelijk door de luchtvaartmaatschappij geplande aankomsttijd wordt bereikt.

5.4 De kantonrechter volgt ArkeFly niet in haar standpunt dat het Sturgeon-arrest dwingt tot het stellen van nadere prejudiciële vragen aan het HvJ EU, ook niet na afweging van de belangen van ArkeFly bij aanhouding en die van [verweerders] bij afdoening. Dienaangaande wordt overwogen dat de nationale rechter gebonden is aan hetgeen het HvJ EU heeft beslist over de uitlegging of de geldigheid van een handeling van een instelling van de gemeenschap (zoals de Verordening). Het staat de nationale rechter weliswaar vrij om zich, zo hij dit nodig oordeelt, opnieuw tot het HvJ EU te wenden met nadere prejudiciële vragen, maar in zo'n geval kan niet de geldigheid van het gewezen arrest aan de orde komen (HvJ EU 5 maart 1986 [Wünsche] LJN BE6107). Het Sturgeon-arrest is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk en laat - mede tegen de achtergrond van 's hofs eerdere jurisprudentie betreffende de Verordening, die consistent is - geen ruimte voor twijfel omtrent de geldigheid van de Verordening. (...)'.

Over de samenloop met het Verdrag van Montreal(7) overweegt de kantonrechter als volgt (rov. 5.4):

'(...) In het bijzonder blijkt uit voormelde jurisprudentie dat het HvJ EU de compensatieregeling in de Verordening - al dan niet conform de uitleg die het daaraan in het Sturgeon-arrest heeft gegeven - niet in strijd acht met het bepaalde in artikel 29 van het Verdrag van Montreal, in welk artikel het exclusieve karakter van het Verdrag tot uitdrukking komt. Volgens het HvJ EU ziet het Verdrag van Montreal op de voorwaarden voor het instellen van een vordering tot vergoeding van individuele schade die het gevolg is van een vertraging, terwijl de Verordening ertoe strekt onmiddellijke en gestandaardiseerde compensatie te bieden voor identieke schade die (wat de situatie betreft waarop artikel 7 ziet) bestaat uit het geleden tijdsverlies op zichzélf. De twee regelingen kunnen volgens het HvJ EU om die reden naast elkaar bestaan. De omstandigheid dat in artikel 12 lid 1 van de Verordening is voorzien in de mogelijkheid de toegekende compensatie op grond van de Verordening in mindering te brengen op eventuele verdere compensatie, doet aan het voorgaande niet af'.

De kantonrechter vervolgt:

'Het Sturgeon-arrest geeft de kantonrechter dus geen aanleiding tot het stellen van nadere prejudiciële vragen. Het aan het HvJ EU voorleggen van de door ArkeFly geformuleerde vragen zou, gelet op het voorgaande, in feite neerkomen op het aan de orde stellen van de geldigheid van het Sturgeon-arrest, hetgeen zoals vermeld niet is toegestaan. Voor een aanhouding van de beslissing in afwachting van een antwoord van het HvJ EU op door andere rechters naar aanleiding van het Sturgeon-arrest gestelde vragen, of in afwachting van uitspraken van een nationale appelrechter, ziet de kantonrechter tegen de achtergrond van het vooroverwogene evenmin drijfveren. De kantonrechter ziet verder geen reden te anticiperen op een mogelijk cassatieberoep "in het belang der wet".'

1.7 De kantonrechter heeft de zaak zelf afgedaan en zich daarbij gebaseerd op hetgeen is beslist in het Sturgeon-arrest en andere relevante uitspraken van het HvJ. Het verweer van ArkeFly dat een vertraging van meer dan vijf uur geen aanspraak doet ontstaan op de in art. 7 van de Verordening vermelde compensatie, heeft de kantonrechter verworpen (rov. 5.6). Het beroep van ArkeFly op overmacht als bedoeld in art. 5 lid 3 van de Verordening is eveneens verworpen (rov. 5.7 t/m 5.10).

1.8 ArkeFly is van deze uitspraak tijdig in cassatie gekomen. Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend. ArkeFly heeft haar standpunt zowel schriftelijk als mondeling toegelicht.(8)

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel keert zich hoofdzakelijk tegen de beslissing van de kantonrechter om geen prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EU althans om zijn uitspraak niet aan te houden in afwachting van de uitkomst in de bij het HvJ EU aanhangige procedures (onderdeel 1). Voorts klaagt het middel over het achterwege blijven van de gelegenheid voor, het door ArkeFly verzochte, pleidooi (onderdeel 2).

2.2 Allereerst rijst de vraag of ArkeFly ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Art. 80 lid 1 RO geeft een opsomming van de gronden waarop cassatie mogelijk is tegen niet voor appel vatbare uitspraken van kantonrechters in burgerlijke zaken.(9) Tot de cassatiegronden behoort niet schending van het recht(10), maar wel het ontbreken van de gronden waarop de uitspraak van de kantonrechter berust (art. 80 lid 1 sub a RO).(11) Motiveringsklachten die niet kunnen worden beoordeeld zonder daarin de juistheid van de door de kantonrechter gehuldigde rechtsopvatting te betrekken, vallen buiten de door art. 80 RO getrokken grenzen van de taak van de cassatierechter.(12) De in art. 80 lid 1 RO genoemde cassatiegronden zijn niet exclusief. De Hoge Raad heeft immers aanvaard dat, gelet op de ontwikkelingen op het gebied van de fundamentele beginselen van procesrecht onder invloed van art. 6 EVRM en de daarop gevormde rechtspraak, in het kader van de cassatietoetsing op de voet van art. 80 lid 1 RO van niet voor appel vatbare uitspraken van de kantonrechter, de Hoge Raad ook toezicht kan uitoefenen op de naleving van fundamentele rechtsbeginselen die gelden voor de behandeling van de zaak: 'Daarom moet tevens als grond voor cassatie worden aanvaard dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals het geval is bij het niet inachtnemen van het contradictoire beginsel, waartoe behoort hoor en wederhoor, en van het recht op gelijke behandeling (equality of arms)'.(13)

2.3 In de onderhavige zaak klaagt ArkeFly onder meer erover dat het bestreden vonnis ondeugdelijk is gemotiveerd voor zover de kantonrechter heeft beslist om geen prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU (cassatiedagvaarding, nr. 1.2), alsmede dat de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het recht van ArkeFly op pleidooi en/of een mondelinge behandeling (cassatiedagvaarding, nr. 2, uitgewerkt in onderdeel 2). Gelet op nr. 2.2 van mijn conclusie bieden deze klachten voldoende grond om ArkeFly te ontvangen in haar cassatieberoep.

2.4 Onderdeel 1.1 betoogt dat de beslissing van de kantonrechter om geen prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU althans om zijn beslissing niet aan te houden in afwachting van de uitkomst van de bij het HvJ EU aanhangige procedures, gelet op de redelijke twijfel over de geldigheid en/of de uitleg van de Verordening op grond van het Sturgeon-arrest, in strijd is met een fundamentele verplichting van Unierecht. De beslissing van het HvJ EG in het Sturgeon-arrest, inhoudende dat de Verordening voorziet in compensatie bij vertraging, staat volgens het middel op gespannen voet met het eerder gewezen IATA-arrest(14) van de Grote Kamer van het HvJ EG (cassatiedagvaarding, nr. 19). Het is niet aan de nationale gerechten van de EU-lidstaten om te kiezen tussen beide uitspraken, maar de nationale gerechten zijn verplicht prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen om duidelijkheid te verkrijgen over de verhouding tussen beide arresten althans de behandeling van lopende zaken aan te houden totdat het HvJ EU duidelijkheid heeft verschaft naar aanleiding van reeds aanhangige prejudiciële procedures (cassatiedagvaarding, nr. 22).

2.5 Ingevolge art. 267 VWEU is de hoogste nationale rechter van de EU-lidstaten verplicht - de overige gerechten zijn bevoegd - om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU indien een (voor de behandeling van de zaak relevante) vraag van Unierecht wordt opgeworpen. Hierop geldt een uitzondering wanneer geen twijfel mogelijk is over de juiste uitleg van de rechtsregel (acte clair) of wanneer het HvJ EU die regel al een keer heeft uitgelegd (acte éclairé).(15) De verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen wordt rechtstreeks door art. 267 VWEU opgelegd. Indien een vraag over de uitleg van het Unierecht rijst en een beslissing op dat punt noodzakelijk is voor het geven van een uitspraak door de nationale rechter bij wie de zaak aanhangig is, verplicht art. 267 VWEU de hoogste nationale rechter tot het stellen van prejudiciële vragen ongeacht het bestaan van eventuele bepalingen van nationaal procesrecht van de rechter die daaraan in de weg staan.(16)

2.6 Art. 267 VWEU verplicht de kantonrechter tot het stellen van prejudiciële vragen, indien hij als de hoogste nationale rechter geldt in de zin van art. 267 VWEU, en onduidelijkheid bestaat over een vraag van Unierecht, zoals over de vraag of art. 7 van de Verordening recht geeft op compensatie bij vertraging. De hoogste nationale rechter is 'een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie'.(17) Dit behoeft niet altijd de hoogste rechterlijke instantie te zijn, maar kan ook een lagere rechter zijn die in hoogste instantie recht spreekt omdat tegen zijn beslissing geen gewoon rechtsmiddel open staat.(18) Van belang is of de rechtsvragen waarover de lagere rechter zich heeft uitgesproken zonder meer aan een nieuwe rechterlijke beoordeling kunnen worden onderworpen.(19) In de woorden van het HvJ gaat het erom of 'onzekerheid over de uitlegging van het toepasselijke recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht, uiteindelijk tot controle van de hoogste rechter (kan) leiden'.(20) Het cassatieberoep op grond van art. 80 RO voldoet hieraan niet, zodat de kantonrechter in dit geval als hoogste rechter in de zin van art. 267 VWEU moet worden aangemerkt.(21)

2.7 De vraag of de kantonrechter, als hoogste rechter, op grond van art. 267 VWEU gehouden is om prejudiciële vragen te stellen kan slechts beantwoord worden nadat vast is komen te staan dat onduidelijkheid bestaat over het recht op compensatie bij vertraging van vluchten op grond van art. 7 van de Verordening. Dat laatste vergt een inhoudelijke toetsing van de bestreden uitspraak aan het Unierecht en doet in het bijzonder de vraag rijzen naar de verhouding tussen het Sturgeon-arrest en het IATA-arrest alsmede naar de verhouding tussen de Verordening en het Verdrag van Montreal, waarvoor in dit geding geen plaats is gelet op de beperkte toetsingsmogelijkheden op grond van art. 80 lid 1 RO.

2.8 Onderdeel 1.2 betoogt dat de weigering van de kantonrechter om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen en de zaak aan te houden, een schending oplevert van art. 6 EVRM omdat de beslissing op dat punt niet deugdelijk is gemotiveerd althans de kantonrechter zonder deugdelijke motivering voorbij is gegaan aan de stellingen(22) van ArkeFly die er kort gezegd op neerkomen dat twijfel mogelijk is over de juistheid en/of uitleg van de Verordening op grond van het Sturgeon-arrest.

2.9 Het komt mij voor dat de beslissing van de kantonrechter om de zaak niet aan te houden en de behandeling voor te zetten niet onbegrijpelijk is. Uit rov. 5.4 van het bestreden vonnis blijkt dat de kantonrechter de terzake relevante stellingen van ArkeFly heeft betrokken bij de vraag of de zaak moet worden aangehouden. Na afweging van de belangen van ArkeFly bij aanhouding en die van [verweerder] c.s. bij afdoening van de zaak, is de kantonrechter tot de beslissing gekomen om de zaak af te doen, waarbij hij tot uitgangspunt heeft genomen dat het Sturgeon-arrest 'voldoende duidelijk' is en 'geen ruimte voor twijfel' laat omtrent de geldigheid van de Verordening. Of dat uitgangspunt rechtens ook juist is, kan, gelet op art. 80 lid 1 RO, in cassatie niet worden getoetst.

2.10 Onderdeel 2 betoogt dat de kantonrechter ten onrechte vonnis heeft gewezen zonder ArkeFly, overeenkomstig haar verzoek, gelegenheid te bieden voor pleidooi. De overweging van de kantonrechter dat ArkeFly niet heeft gereageerd op de brief van 12 juli 2011 van de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de vraag of zij prijs stellen op pleidooi, is onbegrijpelijk gelet op de faxbrieven van ArkeFly van 29 juli 2011 en 4 augustus 2011 waarin zij aangeeft dat zij gebruik wenst te maken van het recht op pleidooi (zie cassatiedagvaarding, nr. 2.1). Hiermee heeft de kantonrechter bovendien het door art. 134 lid 1 Rv en art. 6 EVRM gewaarborgde recht op pleidooi geschonden (zie cassatiedagvaarding, nr. 2.2).

2.11 Over de procedurele gang van zaken vermeldt rov. 1 van het bestreden vonnis, voor zover van belang, dat de griffier van de rechtbank bij brief van 12 juli 2011 partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de vraag of zij prijs stellen op pleidooi, dat ArkeFly niet heeft gereageerd op deze brief en dat [verweerder] c.s. hebben meegedeeld geen prijs te stellen op pleidooi. Uit de door ArkeFly in het geding gebrachte stukken(23) blijkt echter dat zij tijdig en herhaaldelijk te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van het recht op pleidooi. Aangezien na de conclusie van antwoord geen verschijning van partijen ter terechtzitting is bevolen (vgl. art. 134 lid 1 jo. art 131 Rv), door [verweerder] c.s. geen klemmende redenen tegen het houden van pleidooi zijn aangevoerd en uit het vonnis evenmin blijkt dat het houden van pleidooi volgens de kantonrechter strijdig is met de eisen van een goede procesorde,(24) is de beslissing van de kantonrechter in ieder geval onbegrijpelijk.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voluit: Verordening (EG) Nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91, PbEU 2004, L 46/1.

2 Voor zover mij bekend, zijn thans bij het HvJ EU de volgende vergelijkbare zaken aanhangig: C-629/10 en C 581/10 (gevoegde zaken), C-255/11, C-315/11, C-413/11, C-594/11. In zaak C-315/11 zijn prejudiciële vragen gesteld door de rechtbank Breda, sector kanton, 25 mei 2011, LJN BQ5967. Zie ook nr. 2.5 van mijn conclusie van heden in zaak 12/00508.

3 Het betreft zaken 12/00508, 12/00509, 12/00510, 12/00511, 12/00512, 12/00514, alsmede zaak 12/00187.

4 Zie rov. 2.1 t/m 2.3 van het bestreden vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, van 29 augustus 2011.

5 HvJ EG 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, Jur. 2009, p. I-10923, NJ 2010/137, m.nt. M.R. Mok.

6 LJN BU7710, NJF 2012/64.

7 Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, Montreal 28 mei 1999, Trb. 2000, 32 (Engelse en Franse tekst), Trb. 2001, 91 (Nederlandse vertaling). Het verdrag is voor Nederland in werking getreden op 28 juni 2004 (zie Trb. 2004, 167).

8 Op 23 maart 2012 heeft een gecombineerde mondelinge behandeling plaatsgevonden in deze zaak, alsmede in zaken 12/00508, 12/00509, 12/00510, 12/00511, 12/00512 en 12/00514. In deze zaken is een gecombineerde pleitnota overgelegd.

9 Tegen het vonnis van de kantonrechter in de onderhavige zaak staat geen hoger beroep open, omdat de vordering niet meer beloopt dan € 1.750,- (zie art. 332 Rv).

10 Zie hierover Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 130.

11 Zie voor een recente toepassing van deze cassatiegrond: HR 13 januari 2012, LJN BU1987, RvdW 2012/112.

12 HR 10 juli 2009, LJN BH9156, NJ 2009/362, rov. 3.4.4. Zie verder Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 131.

13 HR 16 maart 2007, LJN AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.7.2. Zie voor een geval waarin het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht genomen was: HR 21 januari 2011, LJN BP1498, RvdW 2011/145.

14 HvJ EG 10 januari 2006, zaak C-344/04, Jur. 2006, p. I-403, NJ 2006/372, m.nt. M.R. Mok.

15 Zie HvJ EG 6 oktober 1982, zaak 283/81, Jur. 1982, p. 3415, NJ 1983/55 (Cilfit).

16 Zie R. Barents, EU-procesrecht, 2010, p. 358.

17 HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01, Jur. p. I-10239, NJ 2004/160, m.nt. MRM, rov. 34 (Köbler); zie ook HvJ EG 17 juli 1997, zaak C-334/95, Jur. p. I-4517, rov. 53 (Krüger).

18 R. Barents, EU-procesrecht, 2010, p. 374.

19 K. Lenaerts/D. Arts, Europees procesrecht, 2003, p. 84, nr. 76.

20 HvJ EG 4 juni 2002, zaak C-99/00, Jur. 2002, p. I-4839, NJ 2003/120, rov. 17 (Lyckeskog).

21 In dezelfde zin H.B. Krans, De kantonrechter als hoogste rechter, WPNR 2004/6595, p. 829; M.R. Mok, Noot bij Lyckeskog-arrest, SEW 2003, p. 31; vgl. W.T. Eijsbouts e.a, Europees Recht - Algemeen Deel, 2010, p. 296.

22 Zie voor vindplaatsen van deze stellingen de opsomming onder 1 t/m 5 in nr. 1.2.1 van de cassatiedagvaarding.

23 Zie de als bijlagen bij de cassatiedagvaarding te vinden faxbrieven van 29 juli 2011 en 4 augustus 2011.

24 Vgl. o.a. HR 11 juli 2003, LJN AF7676, NJ 2003/567, rov. 3.4. Zie voorts HR 27 januari 2012, LJN BU8513, NJ 2012/76, alsmede LJN BU7254, NJ 2012/77.