Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5470

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
11/01124
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Huur woonruimte; ontbinding en veroordeling tot ontruiming. Procesrecht; hoger beroep verworpen op de grond dat geen grieven zijn voorgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/728
JWB 2012/254
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/01124

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 30 maart 2012

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

Stichting Woonstad Rotterdam

Deze huurzaak, waarin het hof het beroep van appellant heeft "verworpen" omdat hij geen grieven heeft voorgedragen, leent zich voor een verkorte conclusie.

1.1 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis(1) van 17 februari 2010 heeft de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam - voor zover thans van belang - de tussen eiser tot cassatie, [eiser], en verweerster in cassatie, Woonstad, gesloten huurovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis de huurwoning te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken. De kantonrechter heeft Woonstad gemachtigd om, indien [eiser] in gebreke blijft aan een desbetreffende veroordeling te voldoen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie.

De kantonrechter heeft verder voor recht verklaard dat Woonstad geen toestemming heeft verleend aan [eiser] voor het aangaan van een onderhuurovereenkomst en [eiser] veroordeeld om aan Woonstad verschillende geldbedragen te betalen.

1.2 In het namens [eiser] in cassatie overgelegde procesdossier bevindt zich uitsluitend het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 september 2010(2). Daaruit leid ik af dat [eiser] in hoger beroep is gekomen van het eindvonnis en het op 15 juli 2009 gewezen tussenvonnis. Het hof heeft het beroep van [eiser] "verworpen" en hem veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

1.3 Het - tijdig(3) - ingestelde cassatieberoep bevat één middel dat is gericht tegen het oordeel van het hof dat, nu [eiser] tegen het vonnis (lees: de vonnissen, W-vG) waarvan beroep geen grieven heeft voorgedragen, het beroep dient te worden verworpen.

1.4 Het middel klaagt in de kern dat niet kan worden gesproken van een behoorlijke rechtsgang in de zin van art. 6 EVRM nu het hof de juridisch niet onderlegde [eiser] niet heeft geïnformeerd over de gevolgen van de onttrekking van zijn (proces)advocaat, waardoor het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging, te weten: de behandeling van een zaak in twee feitelijke instanties, illusoir wordt. Op grond van deze schending moet, aldus het middel, een uitzondering worden aangenomen op de heersende leer dat het niet dienen van grieven in beginsel tot niet-ontvankelijkheid leidt.

1.5 Het middel faalt omdat het berust op twee onjuiste uitgangspunten.

Voor zover het middel betoogt dat een rechtzoekende een absoluut recht heeft op een behandeling van zijn zaak in twee feitelijke instanties, faalt het omdat dit betoog geen steun vindt in het recht. Het EHRM heeft een aantal malen beslist dat aan art. 6 EVRM in burgerlijke zaken geen recht kan worden ontleend op hoger beroep(4). Ook de Hoge Raad heeft in een aantal gevallen geoordeeld dat art. 6 EVRM niet een onbeperkte mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel waarborgt(5). Andere verdragsbepalingen openen deze mogelijkheid evenmin.

1.6 Het middel faalt voorts voor zover het berust op de gedachte dat op de rechter de plicht rust om een procespartij te informeren over de gevolgen indien niet is voorzien in een voorziening nadat een behandelend procesadvocaat zich aan de zaak heeft onttrokken.

De rechtsverhouding tussen de zich onttrekkende advocaat en zijn (voormalige) cliënt brengt mee dat op eerstgenoemde de plicht rust zijn (voormalige) cliënt te wijzen op de gevolgen van de onttrekking en de noodzaak om een nieuwe advocaat te doen optreden als hij zich in het rechtsgeding wil doen vertegenwoordigen. Het vervolgens vinden van een procesvertegenwoordiger die de door de wet vereiste proceshandelingen wil verrichten, komt volgens vaste jurisprudentie voor risico van de cliënt(6).

1.7 Ik wijs in dat verband nog op het volgende.

Art. 6.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven(7) bepaalt dat de advocaat van een partij die zich op een roldatum aan een zaak wil onttrekken, daarvan bericht geeft met een aan het hof gericht H-formulier. Het artikel bepaalt verder dat de advocaat zijn opdrachtgever over de gevolgen daarvan heeft geïnformeerd en dat de advocaat bij zijn bericht aan het hof bevestigt dat hij deze verplichting is nagekomen(8). Ik heb eerder(9) in een soortgelijke zaak betoogd dat aan deze verplichting terecht geen sanctie is verbonden. De rolrechter zal controleren of een en ander is vermeld, maar of de advocaat zijn opdrachtgever daadwerkelijk heeft geïnformeerd, blijft uiteindelijk een zaak tussen de cliënt en zijn (voormalig) advocaat, zodat het nalaten geen gevolgen met betrekking tot de voortgang van de procedure kan hebben ten nadele van de wederpartij.

1.8 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

2. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De rechtbank heeft bij vonnis van 19 november 2008 een comparitie gelast die op 10 december in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden is gehouden. Vervolgens heeft de rechtbank op 15 juli 2009 een tussenvonnis gewezen, waarin [eiser] is toegelaten tot bewijslevering. Enquête en contra-enquête hebben op 9 oktober resp. 7 december 2009 plaatsgevonden.

2 Op de inventarislijst wordt vermeld dat de appeldagvaarding ontbreekt.

3 De dagvaarding is op 21 december 2010 uitgebracht.

4 Zie hierover: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 9 en de daar aangehaalde rechtspraak.

5 HR 9 februari 1990, LJN AD1021 (NJ 1992, 603 m.nt. EAA), HR 24 april 1992, LJN ZC0585 (NJ 1992, 672 m.nt. PAS), HR 18 november 1992, LJN AD1781 (NJ 1993, 174) en HR 26 november 1999, LJN ZC3037 (NJ 2000, 210 m.nt. PAS).

6 HR 30 november 2001, LJN AD4497; HR 2 februari 2001, LJN AA9764 (NJ 2002, 372 m.nt. H.J. Snijders); HR 18 september 2009, LJN BI7138 (RvdW 2009, 1051). Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick, 2011, nr. 26 met verdere verwijzingen en de noot van Snijders onder HR 2 februari 2001, LJN AA9764 (NJ 2002, 372), nr. 5.

7 Tweede versie (januari 2011), te raadplegen via www.rechtspraak.nl.

8 Zie omtrent het vervolg van de procedure de art. 6.1 tot en met 6.4.

9 Zie mijn conclusie vóór HR 2 februari 2001, LJN AA9764 (NJ 2002, 372 m.nt. H.J. Snijders), onder 2.7.