Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5354

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
11/02357
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verbintenissenrecht. Aandelenoverdracht. Uitleg akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/893
JWB 2012/326
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/02357

Mr. L. Timmerman

Zitting 4 mei 2012

Conclusie inzake:

[Eiseres]

eiseres tot cassatie,

tegen

Apotheek Rijnsoever B.V.

verweerster in cassatie,

(hierna: Rijnsoever)

Verkorte conclusie

1 In dit geschil is aan de orde of [eiseres], na de levering van haar aandelen in Rijnsoever aan Livius Beheer B.V. (hierna: Livius) en na de door haar bij die gelegenheid aan Rijnsoever verleende kwijting, nog aanspraak kan maken op uitbetaling van € 114.722, - door Rijnsoever uit hoofde van rekening-courant of haar (voormalige) aandeelhouderschap. Bij arrest van 10 augustus 2010 heeft het hof te 's-Gravenhage het afwijzende vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 11 maart 2009 bekrachtigd. [Eiseres] heeft tegen dit arrest tijdig cassatieberoep ingesteld.(1) Rijnsoever is in cassatie niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.

2 Het hof heeft in het in cassatie bestreden arrest overwogen dat de rechtbank de vordering van [eiseres] op twee zelfstandige gronden heeft afgewezen, namelijk (a) dat de in de akte van aandelenoverdracht door [eiseres] verleende finale kwijting mede betrekking heeft op het (voorschot)dividend van € 114.722, - en (b) dat uit art. 8.2 van deze akte volgt dat [eiseres] geen aanspraak meer heeft jegens Rijnsoever uit hoofde van de door haar eerder gehouden aandelen. Het hof oordeelt dat de tegen grond (b) gerichte grief faalt en de tegen grond (a) gerichte grieven geen bespreking behoeven.

Bespreking van het cassatiemiddel

3 Het cassatiemiddel bestaat uit elf onderdelen. Onderdelen 1-4 en 10-11 bevatten geen zelfstandige klacht. In de overige middelonderdelen ontwaar ik twee zelfstandige klachten.

4 De eerste klacht (onderdelen 5-7) klaagt kort samengevat dat het hof (de toelichting op) de grieven I-IV niet onbesproken mocht laten, omdat voor de beoordeling van grief V de toelichting op de grieven I-IV van belang was, zoals ook aangegeven in de MvG.

5 De klacht kan niet tot cassatie leiden. Niet opgekomen wordt tegen 's hofs oordeel in rov. 3 dat de afwijzing van de vordering berust op twee zelfstandige gronden. Het hof kan er dan ook mee volstaan om alleen de tegen één van die gronden gerichte grieven te bespreken, mits het hof tot de conclusie komt dat deze falen. Wat van de tegen de andere zelfstandige grond gerichte grieven dan ook zij, indien zij terecht zijn voorgesteld leidt dat niet tot toewijzing van de vordering zodat die grieven in beginsel ook geen bespreking behoeven. De uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan het hof. De aan het hof gegeven uitleg aan de grieven komt mij niet onbegrijpelijk voor. De grieven I-IV hebben betrekking op de afwijzing van de vordering op grond van grond (a) en grief V op grond (b). Grieven I-IV bepalen met betrekking tot grond (b) niet meer of anders dan grief V, zodat het hof deze grieven ook om die reden niet hoefde te bespreken.

6 De tweede klacht (onderdeel 8-9) betreft 's hofs uitleg van de akte van aandelenoverdracht.

7 Als uitgangspunt geldt dat de uitleg van de akte van aandelenoverdracht is voorbehouden aan het hof. Die uitleg kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Het hof heeft in rov. 4 overwogen dat art. 8.2 zonder enige beperking aangeeft dat alle aan de aandelen verbonden rechten, dus ook de reeds op 31 december 2004 bestaande dividendaanspraken, overgaan op Livius. Het door Rijnsoever vastgestelde dividend was een zodanig aan de aandelen verbonden recht dat het met de aandelen overging op Livius. Aan art. 8.5, dat bepaalt dat alle na 1 januari 2005 op de verkochte aandelen te declareren dividenden toekomen aan Livius, kan volgens het hof geen argument worden ontleend voor de door [eiseres] voorgestane uitleg van art. 8.2 dat deze bepaling alleen ziet op rechten en verplichtingen in de toekomst en niet op rechten en verplichtingen die al bestonden ten tijde van het verlijden van de akte van aandelenoverdracht op 15 maart 2005. Art. 8.5 vormt een aanvulling op art. 8.2, nu dat volgens het hof uitdrukkelijk ziet op dividendaanspraken vanaf 1 januari 2005. De in art. 8.4 voorkomende verwijzing naar art. 6:248 BW maakt het voorgaande volgens het hof niet anders, nu eventuele aan de overdracht klevende gebreken enkel tegen Livius kunnen worden ingeroepen en niet tegenover Rijnsoever.

8 Dat het hof geen acht heeft geslagen op het feit dat de dividenduitkering is vastgesteld op 31 december 2004 en art. 8.2 niet heeft beschouwd in het licht van de overige bepalingen van de akte van aandelenoverdracht, zoals onderdeel 8 en 9 aanvoeren, zie ik niet in. Het hof doet dit alles wel en is juist op basis daarvan van mening dat de dividendaanspraak op Livius is overgegaan. Dat [eiseres] een andere uitleg van de akte van aandelenoverdracht voorstaat doet 's hofs overweging nog niet onjuist of onbegrijpelijk zijn. 's Hofs uitleg van het bepaalde in art. 8.2 en 8.5 van de akte van aandelenoverdracht acht ik overigens ook niet onbegrijpelijk. Dat de op 31 december 2004 vastgestelde dividendaanspraak aan [eiseres] zou toekomen is in de betreffende bepalingen niet te lezen. [Eiseres] heeft, ook de overige grieven in aanmerking nemend, onvoldoende aangevoerd ter ondersteuning van de door haar voorgestane uitleg. Onderdeel 9 voert verder nog aan dat 's hofs overweging over het bepaalde in art. 8.4 onjuist, dan wel onbegrijpelijk is. Nog daargelaten dat 's hofs overweging aangaande art. 8.4 mij niet onjuist of onbegrijpelijk lijkt, verzuimt het onderdeel aan te geven wat aan 's hofs overweging mankeert. Aldus zijn ook de tweede en derde klacht tevergeefs voorgesteld.

9 Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 Ro.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De cassatiedagvaarding is op 9 november 2010 uitgebracht.