Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5330

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
11/02377
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4915
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitleg garantieverklaring, Haviltexmaatstaf, gerechtvaardigd vertrouwen, art. 3:35 BW. Bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/916
RCR 2012/64
NJB 2012/1614
JWB 2012/342
JOR 2013/121 met annotatie van mr. R.I.V.F. Bertrams
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 11/02377

mr. Wuisman

Roldatum: 4 mei 2012

CONCLUSIE inzake:

ABN AMRO Bank N.V.,

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven,

tegen

Atropa Belladonna B.V.,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:((1))

(i) In 2001 heeft [betrokkene 1] als directeur/grootaandeelhouder van verweerster in cassatie (hierna: Atropa) haar aandelen in Atropa verkocht en geleverd aan de Stichting Rosa Mundi (hierna: Rosa Mundi), een te Curaçao gevestigd trustfonds.((2))

(ii) Eiseres tot cassatie (hierna: ABN AMRO) had toen een kantoor te Curaçao (hierna: ABN AMRO Curaçao). Vanuit dit kantoor is aan Rosa Mundi ten behoeve van de financiering van de koopsom van de aandelen een krediet ter grootte van € 186.050,- verstrekt.

(iii) In een tussen ABN AMRO en ABN AMRO Curaçao uitgewisselde Risk Allocation Letter (RAL) van 23 mei 2001 is vastgelegd dat ABN AMRO tot een bedrag van € 186.050 het risico zal dragen van het door ABN AMRO Curaçao aan Rosa Mundi verstrekte krediet.((3))

(iv) [Betrokkene 1] heeft zich in een op 1 juni 2001 ondertekende Corporate Guarantee jegens ABN AMRO tot het bedrag van € 186.050,- garant gesteld voor de stipte nakoming van de aflosverplichtingen uit hoofde van het krediet door Rosa Mundi. De Corporate Guarantee is in september 2003 op naam van Atropa gesteld. Daarna is deze garantie in verband met het oplopen van het krediet aan Rosa Mundi verhoogd tot € 220.000,-.

(v) De laatste door Atropa ondertekende Corporate Guarantee dateert van 30 juni 2005.((4)) Deze had een geldingsduur tot 31 mei 2006. In de considerans van deze garantie is onder meer opgenomen: "dat ABN AMRO NV, statutair gevestigd te Amsterdam, mede kantoor houdende te Willemstad, Curaçao, Nederlandse Antillen, hierna te noemen "ABN AMRO", een of meer (krediet)faciliteit(en) heeft verstrekt of nog zal verstrekken en/of (financiële) contracten heeft aangegaan of zal aangaan, waarbij ABN AMRO (krediet)risico loopt, hierna gezamenlijk te noemen "de Faciliteit" aan Stichting Rosa Mundi (...)". Verder is op blz. 2 onder meer de bepaling opgenomen: "(...) Deze Corporate Guarantee gaat in per datum van ondertekening van de Faciliteit en blijft geldig tot alle verplichtingen uit hoofde van de Faciliteit zijn nagekomen (...)".

(vi) Op 30 maart 2004 heeft Rosa Mundi de aandelen in Atropa verkocht aan Pharminvest Finance S.a.r.l., een in Luxemburg gevestigde vennootschap (hierna: Pharminvest).((5))

(vii) In de periode november/december 2001 tot en met december 2007 is maandelijks een bedrag van € 800,- van de rekening van Atropa bij ABN AMRO afgeschreven, onder vermelding van 'Stichting Rosa Mundi rente lening' en het rekeningnummer van Rosa Mundi.

(viii) Per 1 januari 2006 zijn de activiteiten van ABN AMRO Curaçao overgegaan naar de First Carribean International Bank (hierna: FCB).

(ix) ABN AMRO heeft zich jegens FCB garant gesteld voor de nakoming door Rosa Mundi van haar verplichtingen uit de - volgens ABN AMRO - door FCB overgenomen lening aan Rosa Mundi. Zij heeft in verband met deze garantie aan FCB Atropa herhaaldelijk verzocht een akte tot vrijwaring van ABN AMRO te ondertekenen. Dit heeft Atropa geweigerd.

(x) Op 19 januari 2009 heeft ABN AMRO een bedrag van € 220.000,- van de rekening van Atropa afgeschreven, nadat zij even van te voren door FCB onder de door haar gestelde garantie tot betaling van dat bedrag wegens default van Rosa Mundi was aangesproken en zij dat bedrag aan FCB had voldaan.

1.2 Bij dagvaarding van 12 juni 2008 spant Atropa tegen ABN AMRO de onderhavige procedure aan. Zij vordert een verklaring voor recht dat het in de periode november/ december 2001 tot en met december 2007 maandelijks afschrijven van een bedrag van € 800,- van de rekening van Atropa bij ABN AMRO een onverschuldigde betaling van Atropa aan ABN AMRO vormt, en verder een veroordeling van ABN AMRO tot terugbetalen van een bedrag van € 46.400,- wegens onverschuldigde betaling. De rechtbank wijst de vorderingen bij vonnis d.d. 4 februari af. Zij acht niet aangetoond dat de maandelijks afgeschreven bedragen door ABN AMRO zijn ontvangen.

1.3 Atropa komt van genoemd vonnis van de rechtbank bij het hof te Leeuwarden in appel bij dagvaarding van 20 april 2009. In die dagvaarding formuleert zij vijf grieven. Voor zover met de grieven het oordeel van de rechtbank wordt bestreden dat niet is aangetoond dat het maandelijks afgeschreven bedrag van € 800,- onverschuldigd aan ABN AMRO is betaald, acht het hof de grieven ongegrond. In cassatie speelt dit geschilpunt geen rol meer.

In de dagvaarding vermeerdert Atropa ook nog haar eis. Zij vordert ABN AMRO ook te veroordelen tot het terugbetalen van het bedrag van € 220.000,-, te vermeerderen met rente daarover vanaf 19 januari 2009.((6)) Ook met betrekking tot dat bedrag neemt Atropa het standpunt in dat het onverschuldigd aan ABN AMRO is betaald. De door Atropa aan ABN AMRO verstrekte Corperate Guarantee was om diverse redenen vervallen en heeft dus niet kunnen dienen als grondslag voor het afboeken op 19 januari 2009 van het bedrag van € 220.000,- van de rekening van Atropa ten behoeve van ABN AMRO. Op de herhaalde verzoeken van ABN AMRO om de akte te ondertekenen, die ertoe strekte dat Atropa ABN AMRO zou vrijwaren tegen betalingen die zij eventueel aan FCB zou moeten doen uit hoofde van de aan FCB verstrekte garantie, is zij niet ingegaan. Subsidiair worden als rechtsgronden voor de vordering nog onrechtmatige daad of wanprestatie aangevoerd.

ABN AMRO bestrijdt ook de nieuwe vordering.

1.4 In zijn arrest van 25 januari 2011 acht het hof de hiervoor vermelde nieuwe vordering gegrond en veroordeelt ABN AMRO om aan Atropa een bedrag van € 220.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 januari 2009 tot aan de dag van voldoening. Na eerst de juistheid van een drietal stellingen van Atropa in het midden te hebben gelaten, overweegt het hof daartoe onder meer het volgende. In rov. 9.1 stelt het hof voorop, dat het ABN AMRO volgt in haar stelling dat de lening van Rosa Mundi in 2006 onder bijzondere titel van ABN AMRO is overgegaan naar FCB. Daarop laat het hof in rov. 10 volgen:

"De door Atropa aan ABN AMRO verstrekte garantie strekt blijkens de bewoordingen ervan tot zekerheid voor "de stipte nakoming door de Kredietnemer (lees: Rosa Mundi, hof) van zijn verplichtingen uit hoofde van de Faciliteit" en blijft geldig "tot alle verplichtingen uit hoofde van de Faciliteit zijn nagekomen". Door de overgang van de lening aan Rosa Mundi van ABN AMRO aan FCB had Rosa Mundi vanaf dat moment geen financiële verplichtingen meer aan ABN AMRO. Van een door ABN AMRO aan Rosa Mundi verstrekte (krediet)faciliteit die door Rosa Mundi diende te worden nagekomen was immers niet langer sprake. Op grond van de bewoordingen van de garantie was deze daarmee uitgewerkt, althans in de verhouding russen Atropa en ABN AMRO. Niet onderbouwd gesteld noch gebleken is dat en waarom eventuele uitleg van de garantie (aan de hand van de haviltexmaatstaf) meebrengt dat deze (in weerwil van de duidelijke bewoordingen ervan) na de overgang van de lening naar FCB toch betekenis is blijven behouden in de verhouding tussen Atropa en ABN AMRO."

In rov. 11 merkt het hof op dat hetgeen overigens nog is aangevoerd - hiermee doelt het hof op de in rov. 7 samengevatte stellingen van ABN AMRO omtrent hetgeen in de tijd dat de overgang van de lening van ABN AMRO naar FCB aan de orde was tussen haar en Atropa is besproken en voorgevallen - niet tot een ander oordeel voert, want:

"Het feit dat (naar niet is betwist) [betrokkene 1] heeft opgemerkt dat zij wilde 'dat ABN AMRO het beheer over de garantie blijft voeren' en het feit dat (naar ABN AMRO stelt) beide partijen ervan uitgingen dat de bestaande structuur aldus gehandhaafd zou blijven, laten onverlet dat voor juridische gehoudenheid van Atropa jegens ABN AMRO een rechtsgrond is vereist waaruit dat voortvloeit. ABN AMRO heeft, anders dan haar onterechte beroep op de Corporate Guarantee, niet onderbouwd op basis van welke rechtsgrond Atropa gehouden was haar te vrijwaren van aanspraken onder de garantie van ABN AMRO aan FCB of op basis van welke rechtsgrond zij verhaal of regres kon uitoefenen op Atropa nadat deze door haar aan FCB afgegeven bankgarantie was ingeroepen. Het hof kan binnen het door partijen aangevoerde feitelijke raamwerk ook ambtshalve geen rechtsgrond daarvoor aanwijzen."

1.5 Van het arrest van 25 januari 2011 is ABN AMRO bij exploot van 26 april 2011 in cassatie gekomen.((7)) Atropa concludeert voor antwoord tot verwerping van dat beroep. Van beide zijden wordt een schriftelijke toelichting genomen, aan de zijde van ABN AMRO door mrs. F.E. Vermeulen en M.F. Noome en aan de zijde van Atropa door haar advocaat en mede door mr. I.C. Blomsma. Hierop volgt nog een dupliek van Atropa.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel omvat vijf onderdelen.

Onderdelen 1 t/m 4

2.2 De onderdelen 1 t/m 4 strekken ertoe de rov. 10 en 11 te bestrijden. In rov. 10 zet het hof uiteen dat en waarom de Corporate Guarantee naar zijn oordeel geen rechtsgrond voor de afboeking op 19 januari 2009 van het bedrag van € 220.000,- door ABN AMRO van de rekening van Atropa oplevert. In rov. 11 voegt het hof daaraan toe dat ABN AMRO, afgezien van haar onterechte beroep op de Corporate Guarantee, niet onderbouwd heeft op basis van welke rechtsgrond Atropa gehouden was ABN AMRO te vrijwaren tegen aanspraken van FCB uit hoofde van de door ABN AMRO aan FCB verstrekte garantie. Die rechtsgrond acht het hof, zo blijkt uit rov. 11, niet gegeven met de opmerking van [betrokkene 1] (namens Atropa), die zij heeft gemaakt tijdens de bespreking op 9 december 2005 op het kantoor Assen van ABN AMRO over de overgang van de aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit van ABN AMRO naar FCB en in verband daarmee van de aan die faciliteit gekoppelde garantie en die inhield dat zij wilde dat ABN AMRO het beheer over de garantie blijft voeren, en ook niet met het door ABN Amro gestelde feit dat beide partijen ervan uitgingen dat de met betrekking tot de kredietfaciliteit bestaande structuur in stand bleef.((8))

2.3 Wat in de onderdelen 1 t/m 4 tegen de rov. 10 en 11 wordt aangevoerd, laat zich kort als volgt samenvatten. ABN AMRO heeft de gehoudenheid van Atropa om haar te vrijwaren tegen aanspraken van FCB uit hoofde van de door ABN AMRO aan haar verstrekte garantie gebaseerd op twee 'pijlers', te weten (i) op de laatst geldende Corporate Guarantee en (ii) op hetgeen partijen (Atropa en ABN AMRO) in verband met de overname door FCB van de door ABN AMRO Curaçao aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit omtrent het garant blijven staan van Atropa tegenover ABN AMRO zijn overeengekomen en op hoe aansluitend daarop is gehandeld (onderdeel 2). Het hof heeft ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd geen rechtsgrond voor genoemde gehoudenheid van Atropa aanwezig geacht, want:

a. het hof heeft, voor wat de eerste pijler betreft, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de maatstaf voor het bepalen van het bestaan en de inhoud van een verbintenis; daarbij komt het niet louter aan op de bewoordingen van een schriftelijk stuk maar op alle omstandigheden van het geval gewaardeerd naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen (onderdeel 1);

b. het hof heeft niet, althans niet toereikend gemotiveerd, beslist omtrent het op de tweede pijler betrekking hebbend betoog van ABN AMRO in appel, in ieder geval niet gelet op de in de onderdelen 3 en 4 genoemde, door ABN AMRO aangevoerde en (veronderstellenderwijs) voor vaststaand te houden feiten en omstandigheden (onderdelen 2, 3 en 4);

c. het hof heeft ten onrechte ABN AMRO niet toegelaten tot het door haar in de memorie van antwoord sub 5 en pleitnota in appel sub 40 aangeboden getuigenbewijs (tegenbewijs).

2.4 Zoals al opgemerkt oordeelt het hof dat de Corporate Guarantee geen rechtsgrond oplevert voor de gehoudenheid van Atropa om ABN AMRO te vrijwaren voor aanspraken van FCB uit hoofde van de door ABN AMRO aan haar verstrekte garantie. Tot dit oordeel komt het hof in de eerste plaats op grond van de bewoordingen van de Corporate Guarantee. Naar deze bewoordingen beoordeeld heeft de garantie betrekking op verplichtingen van Rosa Mundi jegens ABN AMRO. Dat betekent, aldus het hof, dat de garantie, althans naar zijn bewoordingen gemeten, was uitgewerkt vanaf het moment dat Rosa Mundi geen verplichtingen jegens ABN AMRO meer had. Als dat moment geldt het moment waarop de door ABN AMRO Curacao aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit overging op FCB. Voor het trekken van de conclusie dat de Corporate Guarantee is uitgewerkt, volstaat het hof echter niet met alleen te letten op de bewoordingen van die garantie. Het hof vraagt zich in rov. 10 ook nog af of de Corporate Guarantee, in weerwil van de duidelijke bewoordingen ervan, na de overgang van de aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit naar FCB toch betekenis is blijven houden in de verhouding tussen Atropa en ABN AMRO. Hieruit valt af te leiden dat het hof tot zijn oordeel, dat de Corporate Guarantee geen rechtsgrond oplevert voor de gehoudenheid van Atropa om ABN AMRO te vrijwaren voor aanspraken van FCB uit hoofde van de door ABN AMRO aan haar verstrekte garantie, niet is gekomen door alleen te letten op de bewoordingen waarmee de Corporate Garantee op schrift is gesteld. Het hof heeft, maar met een negatief resultaat, ook onderzocht of er nog omstandigheden zijn in verband met de overgang van de aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit naar FCB, die meebrengen dat de Corporate Guarantee ondanks die overgang toch van belang is gebleven in de verhouding tussen Atropa en ABN AMRO. Dit onderzoek rechtvaardigt de slotsom dat de hierboven in 2.3 sub a vermelde klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof bereikt zijn oordeel omtrent de Corporate Guarantee niet vanuit de rechtsopvatting dat het voor het bestaan en de inhoud van een op een partij rustende verbintenis louter aankomt op de bewoordingen van een schriftelijk stuk.

2.5 Het onderzoek of er nog omstandigheden zijn in verband met de overgang van de aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit naar FCB, die meebrengen dat de Corporate Guarantee ondanks die overgang toch van belang is gebleven, raakt de tweede pijler waarop ABN AMRO haar standpunt baseert dat er voor de afboeking van het bedrag van € 220.000,- van de rekening van Atropa een rechtsgrond was. Hetgeen het hof in rov. 11 overweegt, is, gelet op wat het hof in aanmerking neemt, mede te zien als een nadere onderbouwing van de negatieve uitkomst van dat onderzoek in rov. 10. De hierboven in 2.3 sub b vermelde klacht, die betrekking heeft op de beoordeling door het hof van de tweede pijler, vormt dan ook een bestrijding door ABN AMRO van die negatieve uitkomst. Naar de mening van ABN AMRO zijn er zodanige vaststaande, althans veronderstellenderwijs voor vaststaand te houden, omstandigheden in verband met de overgang van de aan Rosa Mundi kredietfaciliteit verstrekte naar FCB, dat onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is het oordeel dat niet onderbouwd gesteld en ook niet gebleken is dat Corporate Guarantee van belang is gebleven ondanks de overgang van de door ABN AMRO Curacao aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit naar FCB. Schiet de motivering van dit oordeel inderdaad tekort? Dat is, naar het voorkomt, het geval.

2.6 De in onderdeel 3 sub (ii) vermelde, voor vaststaand althans veronderstellenderwijs voor vaststaand te houden omstandigheden geven aan dat Atropa na kennisneming van de overgang van de aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit naar FCB als reactie daarop niet heeft besloten niet langer bij die kredietfaciliteit betrokken te willen zijn. Het laten voortzetten van de maandelijkse afboekingen van € 800,- naar de rekening van Rosa Mundi en het instemmen met de verlenging van 31 mei 2006 tot 31 augustus 2006 van de interne garantie van ABN AMRO aan ABN AMRO Curaçao met betrekking tot de door ABN AMRO Curaçao aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit wijzen veeleer op het tegendeel. Tegen die achtergrond laat de in onderdeel 3 sub (i) vermelde aantekening van het gesprek met [betrokkene 1] op 9 december 2005: "zij wil dat ABN Amro het beheer over deze garantie blijft voeren", zich heel wel verstaan als dat [betrokkene 1], toen met haar in verband met de voorgenomen overgang van de door ABN AMR Curaçao verstrekte kredietfaciliteit naar FCB werd gesproken over de garantie van Atropa aan ABN AMRO ten behoeve van die kredietfaciliteit, ermee instemde dat Atropa het aan die faciliteit verbonden risico in de vorm van een garantie wilde blijven dragen ondanks de overgang van die faciliteit naar FCB, zij het in de vorm van een garantie aan ABN AMRO. Dat kan worden begrepen als een instemmen met het continueren tegenover ABN AMRO van de Corporate Guarantee, met dien verstande dat deze garantie nu betrekking zou hebben op verplichtingen van Rosa Mundi jegens FCB. Een en ander past geheel in de stelling van ABN AMRO dat beide partijen ervan uitgingen dat de bestaande structuur aldus gehandhaafd zou blijven. Aan die stelling wordt gerefereerd in onderdeel 3 sub (iii), evenals aan de stellingen van ABN AMRO dat de aan Atropa ter ondertekening voorgelegde vrijwaringsakte er louter toe strekte om de reeds tot stand gekomen (gewijzigde) verbintenis te formaliseren en dat Atropa als reden voor de weigering van de ondertekening niet heeft opgegeven dat zij niet jegens ABN AMRO gebonden wilde zijn. Deze stellingen bevatten omstandigheden, die aanvullende steun kunnen bieden aan het door ABN AMRO ingenomen standpunt dat door Atropa bij het kennisnemen van de overgang van de aan Rosa Mundi verstrekte kredietfaciliteit naar FCB heeft ingestemd met het continueren, zij het aangepast, van de Corporate Guarantee. De laatstgenoemde stelling relativeert de betekenis van de weigering van Atropa om de vrijwaringsverklaring te tekenen als contra-argument tegen de door ABN AMRO gestelde instemming van haar met het continueren van de Corporate Guarantee.

Kortom, gelet op de hiervoor weergegeven, door ABN AMRO gestelde al dan niet veronderstellenderwijs voor vaststaand te houden omstandigheden, valt niet goed te begrijpen hoe het hof tot de slotsom is kunnen komen in rov. 10 dat niet onderbouwd gesteld noch gebleken is dat en waarom eventuele uitleg van de garantie (Corporate Guarantee) meebrengt dat deze in weerwil van de duidelijke bewoordingen ervan na de overgang van de lening naar FCB toch betekenis is blijven houden in de verhouding tussen Atropa en ABN AMRO, of in rov. 11 dat ABN AMRO niet onderbouwd heeft op basis van welke rechtsgrond Atropa gehouden was ABN AMRO te vrijwaren van aanspraken onder de garantie van ABN AMRO aan FCB. De motiveringsklacht hierboven in 2.3 sub b vermeld treft, naar het voorkomt, dan ook doel.

2.7 De hierboven in 2.3 sub c vermelde klacht over het passeren van het bewijsaanbod van ABN AMRO mist bij gegrondbevinding van de hiervoor besproken motiveringsklacht belang. Bij de verdere behandeling van de zaak na vernietiging van het arrest van het hof kan het aanbod, voor zoveel nodig, alsnog in aanmerking worden genomen. Overigens heeft het hof het geschil over het bestaan van een rechtsgrond op zodanige wijze beslist dat het bewijsaanbod voor het hof geen rol heeft gespeeld. Het hof is, afgezien van de uitleg van de Corporate Guarantee naar zijn bewoordingen, tot het niet aanwezig achten van een rechtsgrond gekomen, omdat ABN AMRO daartoe naar zijn oordeel niet voldoende onderbouwd heeft gesteld. Dan bestaat er geen aanleiding voor het bieden van ruimte voor bewijsvoering en dus ook niet om aandacht aan een bewijsaanbod te schenken.

Onderdeel 5

2.8 Bij gegrondbevinding van de hierboven in 2.3 sub b vermelde motiveringsklacht treft ook onderdeel 5, dat mede op die klacht voortbouwt, doel. Verdere bespreking behoeft het onderdeel niet, want het mist naast de onderdelen 1 t/m 4 zelfstandige betekenis.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1. De feiten zijn, voor zover niet anders aangegeven, ontleend aan rov. 2 t/m 2.9 van het arrest van het hof Leeuwarden d.d. 25 januari 2011.

2. Destijds was [betrokkene 1] (mede)bestuurster van Rosa Mundi en blijkens het als productie 5.3 bij memorie van antwoord in het geding gebrachte uittreksel uit het Curaçao Foundations Register was zij dat in januari 2009 nog steeds.

3. Zie productie 14 bij de appeldagvaarding. De RAL is te zien als een 'garantie' met slechts werking binnen het bancaire bedrijf van ABN AMRO. In de processtukken wordt over de RAL ook gesproken als 'een bankgarantie met slechts interne werking'; zie bijvoorbeeld memorie van antwoord, sub 9.

4. De garantie is in appel in het geding gebracht als productie 22 bij de memorie van grieven.

5. Door Atropa - onbestreden - gesteld in de appeldagvaarding, sub 35.

6. In een kort geding procedure had Atropa reeds veroordeling gevorderd van ABN AMRO tot terugbetaling van het bedrag van € 220.000,-, dat ABN AMRO uit hoofde van de garantie van haar rekening heeft afgeschreven. Bij vonnis van 20 februari 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen deze vordering afgewezen. Atropa is niet van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Het vonnis in kort geding d.d. 20 februari 2009 is als productie 4 bij de memorie van antwoord in hoger beroep in het geding gebracht.

7. Het beroep is tijdig ingesteld. Omdat 25 april 2011 een algemeen erkende feestdag was, is de termijn voor het instellen van cassatieberoep met een dag verlengd naar 26 april 2011; zie artikel 1, lid 1 van de Algemene termijnenwet.

8. Het hof refereert hiermee aan de Pleitnotities in appel van mr. Van Rijswijk, sub 22, 23 en 24.