Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5324

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-08-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
11/00459
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verkrijging door verjaring rechtsvordering tot beëindiging bezit, art. 3:105 BW. Goede trouw opvolgende bezitter(s) niet vereist. Art. 3:102 BW niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/484
NJB 2012/1823
RvdW 2012/1045
RVR 2012/101
JWB 2012/383
P.H. Bossema-de Greef annotatie in JIN 2012/182

Conclusie

11/00459

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 4 mei 2012

CONCLUSIE inzake:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

eisers tot cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen,

tegen:

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

3. [Verweerder 3],

4. [Verweerster 4],

5. [Verweerder 5],

verweerders in cassatie,

advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei.

Deze zaak betreft in cassatie de vraag of [eiser] c.s. op de voet van art. 3:105 BW eigenaar zijn geworden van een strook grond.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.(1)

a. Eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) zijn sinds 1999 eigenaar van het perceel [a-straat 1] te [plaats]. In de periode van 1978 tot 1999 woonde [betrokkene 1] op dat adres.

b. De tuin van [eiser] c.s. grenst aan het perceel [b-straat 1], dat sinds 22 mei 2007 in eigendom toebehoort aan verweerders in cassatie (hierna: [verweerder] c.s.). De vorige eigenaar van het perceel [b-straat 1] is [betrokkene 2].

c. Op het perceel van [verweerder] c.s. bevindt zich een loods. Deze loods staat op enkele meters afstand van de kadastrale erfgrens met een aantal percelen aan de [a-straat]. In 1981 is ter hoogte van [a-straat 1] op enkele meters afstand van de kadastrale erfgrens en evenwijdig aan die erfgrens - in het verlengde van de loods - een muur gebouwd.

d. De strook grond van enkele meters tussen de muur in het verlengde van de loods en de kadastrale grens met [a-straat 1] (hierna: de strook grond) is (als tuin) bij [eiser] c.s. in gebruik sinds zij in 1999 in dat pand zijn gaan wonen.(2)

1.2 Bij inleidende dagvaarding van 17 oktober 2007, gevolgd door een akte wijziging van eis, hebben [eiser] c.s. in conventie gevorderd dat de rechtbank Alkmaar 1) voor recht verklaart dat door verkrijgende verjaring voornoemde strook grond door [eiser] c.s. in eigendom is verkregen en 2) de grenslijn aanwijst als de lijn lopend in het verlengde van de erfgrens tussen [a-straat 1] en [2] tot tegen de thans nog aanwezige muur, vandaar lopend tegen die muur tot aan het perceel [c-straat 1].

Zij hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de strook grond sinds 1979 exclusief in gebruik is bij de eigenaar van [a-straat 1], zodat sprake is van verkrijgende verjaring door die eigenaar.(3)

[Verweerder] c.s. hebben ten verwere tegen de vorderingen in conventie in de eerste plaats betwist dat de strook grond gedurende twintig jaar is gebruikt door [eiser] c.s. en hun rechtsvoorganger. Als tweede verweer hebben zij aangevoerd dat [eiser] c.s. bezitter te kwader trouw zijn, zodat op grond van art. 3:102 lid 2 BW de verjaringstermijn die is verlopen vóórdat [eiser] c.s. de grond kochten niet meetelt. Ten derde hebben zij aangevoerd dat de verjaring van de revindicatievordering is gestuit doordat [betrokkene 1] en [eiser] c.s. het eigendomsrecht van [betrokkene 2] hebben erkend.(4)

Op dezelfde gronden hebben [verweerder] c.s. in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis 1) voor recht verklaart dat de strook grond eigendom is van [verweerder] c.s. en 2) [eiser] c.s. gelast de strook grond te ontruimen en ontruimd te houden en vrij ter beschikking te stellen aan [verweerder] c.s. op straffe van een dwangsom.

[Eiser] c.s. hebben de vorderingen in reconventie gemotiveerd weersproken.

1.3 In haar tussenvonnis van 4 juni 2008(5) heeft de rechtbank het stuitingsverweer verworpen (rov. 4.4) en geoordeeld dat art. 3:102 lid 2 BW in het kader van een beroep op verjaring als bedoeld in art. 3:105 BW niet van toepassing is en derhalve niet in de weg staat aan voltooiing van de verjaring van de revindicatievordering op enig moment vóór de datum van dagvaarding (rov. 4.5). Gelet op de gemotiveerde betwisting van de stelling van [eiser] c.s. dat (naar de rechtbank begrijpt:) [eiser] c.s. en hun rechtsvoorgangers de strook grond al meer dan 20 jaar in hun bezit hebben (gehad) (rov. 4.6 i.v.m. 4.3), heeft de rechtbank [eiser] c.s. toegelaten feiten en/of omstandigheden te bewijzen dat zij door bevrijdende verjaring de eigendom hebben verkregen van de strook grond, in die zin dat [verweerder] c.s., dan wel hun rechtsvoorgangers, gedurende een periode van 20 jaar niet het bezit gehad hebben van de strook grond en dat [eiser] c.s. aan het einde van die periode het bezit daarvan hadden.

1.4 In haar eindvonnis van 2 september 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] c.s. zijn geslaagd in de gegeven bewijsopdracht. Volgens de rechtbank is op grond van getuigenverklaringen komen vast te staan dat [betrokkene 1] de strook in 1981 in bezit heeft genomen, zodat de verjaring van de rechtsvordering van [verweerder] c.s. tot revindicatie van de strook grond in 1981 is aangevangen. Nu tevens is komen vast te staan dat [eiser] c.s. 20 jaar later, te weten in 2001, bezitter waren van de strook grond en dat [verweerder] c.s. noch hun voorgangers in de periode 1981 tot 2001 het bezit hiervan hebben gehad, is de verjaring van de rechtsvordering van [verweerder] c.s. tot revindicatie van de strook grond voltooid. Van stuiting van de verjaring is, zoals reeds in het tussenvonnis is overwogen, niet gebleken. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] c.s. de eigendom van de strook grond op grond van art. 3:105 BW hebben verkregen (rov. 2.13).

De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen in conventie toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen.

1.5 [Verweerder] c.s. zijn van de vonnissen van de rechtbank van 4 juni 2008 en 2 september 2009 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam met conclusie dat het hof de bestreden vonnissen vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen in conventie alsnog afwijst en de vorderingen in reconventie alsnog toewijst. De grieven 1 en 2 richten zich tegen de door de rechtbank gegeven omschrijving van het geschil. Grief 3 komt op tegen de verwerping van het stuitingsverweer, grief 4 tegen het oordeel van de rechtbank dat art. 3:102 lid 2 BW in casu niet van toepassing is, en de grieven 5 t/m 9 tegen de bewijswaardering.

[Eiser] c.s. hebben het beroep gemotiveerd weersproken.

1.6 In zijn arrest van 26 oktober 2010 heeft het hof de vonnissen van 4 juni 2008 en 2 september 2009 vernietigd en alsnog de door [verweerder] c.s. in reconventie gevorderde ontruiming van de strook grond toegewezen op straffe van een dwangsom, met afwijzing van het door [eiser] c.s. in conventie gevorderde.

Daartoe heeft het hof overwogen, kort samengevat, dat [eiser] c.s. bij hun bezitsverwerving in 1999 niet te goeder trouw zijn geweest, zodat in 1999 een nieuwe verjaringstermijn van twintig jaar is aangevangen, die ten tijde van het aanspannen van de onderhavige procedure nog niet was voltooid. Het beroep van [eiser] c.s. op verjaring faalt derhalve, aldus het hof.

1.7 [Eiser] c.s. hebben tijdig(6) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten nog schriftelijk toegelicht, alsmede gerepliceerd en gedupliceerd.

2. Beoordeling van het cassatieberoep

Eerste, derde, vierde en vijfde middel

2.1 Het cassatieberoep omvat vijf middelen. Het eerste, derde, vierde en vijfde middel scharnieren om hetzelfde thema en lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Deze middelen klagen over 's hofs oordeel in de rechtsoverwegingen 5.4 en 5.6-5.10.

2.2 Daarin (en in rov. 5.5) heeft het hof - samengevat - als volgt overwogen. Voorop wordt gesteld dat uit het bepaalde in art. 3:102 lid 2 BW volgt dat de verkrijger onder bijzondere titel alleen dan de tijd, die het bezit bij zijn rechtsvoorganger(7) heeft geduurd, bij zijn eigen bezit kan optellen, indien de verkrijger bij zijn verkrijging te goeder trouw was (rov. 5.4). Het hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat sprake is van bezit van de strook grond door [betrokkene 1] sinds 1981, zijnde het jaar waarin de muur is geplaatst (rov. 5.5). [Eiser] c.s. zijn in 1999 eigenaar geworden van het perceel [a-straat 1] en hebben daarbij onder bijzondere titel het bezit van [betrokkene 1] voortgezet. Vaststaat dat [eiser] c.s. bij die bezitsverwerving niet te goeder trouw zijn geweest, nu zij bij de verkrijging van het perceel de registers hebben geraadpleegd en daarbij hebben opgemerkt dat de strook grond niet tot het perceel behoorde. Als bezitter te kwader trouw hebben zij de lopende verjaring niet voortgezet (rov. 5.6). In 1999 heeft een nieuwe termijn van twintig jaar voor verjaring een aanvang genomen. Deze termijn was nog niet was voltooid ten tijde van het aanspannen van de procedure in 2007, zodat het beroep van [eiser] c.s. op verjaring faalt (rov. 5.7). Grief 4 treft derhalve doel. Daarmee kunnen de overige grieven onbesproken blijven. De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd (rov. 5.8). De vordering tot ontruiming op straffe van een dwangsom is toewijsbaar (rov. 5.9) en [eiser] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten (rov. 5.10).

2.3 Naar de kern klagen de middelen dat het hof ten onrechte art. 3:102 lid 2 BW heeft toegepast, nadat het eerder (in rov. 5.2) had vastgesteld dat het ging om een beroep op verkrijging op de voet van art. 3:105 jo 3:306 BW. De regel neergelegd in art. 3:102 lid 2 BW - inhoudende dat een lopende verjaring wordt voorgezet door de bezitter te goeder trouw die het bezit van een ander anders dan onder algemene titel heeft verkregen - geldt voor verkrijging op de voet van art. 3:99 BW, maar niet voor verkrijging als bedoeld in art. 3:105 BW. Bij de termijn uit art. 3:99 BW gaat het om de duur van het bezit, terwijl het in art. 3:105 BW gaat om de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot revindicatie. Bij verjaring van die vordering tot revindicatie na twintig jaren verkrijgt de bezitter van het betreffende goed op dat moment daarvan de eigendom, onverschillig of hij te kwader trouw is geweest bij aanvang van zijn bezit, aldus de klachten.

2.4 De middelen treffen doel, en wel op grond van het volgende.

2.5 Er dient wat betreft de 'verkrijging door verjaring' (vgl. het opschrift van Afdeling 3 van Titel 4 van Boek 3 BW) een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de verkrijging in de zin van art. 3:99 BW en anderzijds de verkrijging als bedoeld in art. 3:105 BW. De wetgever beschouwt beide wijzen van verkrijging als een vorm van verkrijgende verjaring.(8) Ten aanzien van art. 3:105 BW wordt echter ook wel gesproken van bevrijdende verjaring(9) of - zuiverder - van verkrijging in aansluiting op de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit.(10) Beide regelingen berusten op de gedachte dat het recht zich na zeker tijdsverloop bij de feitelijk gegroeide toestand moet aansluiten.(11)

2.6 Art. 3:99 BW legt het accent op het bezit van de niet-rechthebbende: het promoveert de bezitter te goeder trouw van een goed na een onafgebroken bezit van drie dan wel tien jaar tot rechthebbende van dat goed. Onder oud recht kon de bezitter, teneinde aan de vereiste bezitstermijn te voldoen, zijn eigen bezit optellen bij het bezit van degene van wie hij het goed had verkregen.(12) Het is deze gedachte die in het huidige wetboek tot uitdrukking wordt gebracht in art. 3:102 BW.(13) Op grond van het tweede lid van deze bepaling zet een bezitter te goeder trouw die het bezit anders dan onder algemene titel heeft verkregen een 'lopende verjaring' - die een voorgaande bezitter te goeder trouw veronderstelt(14) - voort.

2.7 Naast deze 'gewone verjaring van de bezitter te goeder trouw' verschaft art. 3:105 BW een overeenkomstige wijze van verkrijging die ook aan bezitters te kwader trouw ten goede komt. De regeling strekt ter voorkoming van de anomalie dat de werkelijk rechthebbende zijn goed niet meer kan opvorderen terwijl de bezitter, bij gebreke van goede trouw, alleen op bezitsacties kan bogen en niet tot rechthebbende kan uitgroeien.(15) De regeling van art. 3:105 BW legt het accent aan de kant van de rechthebbende, te weten op de extinctieve verjaring van diens rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit. De bepaling verheft tot rechthebbende degene die het goed bezit op het moment dat de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was dat bezit niet te goeder trouw (aldus expliciet lid 1). Bedoelde verjaringstermijn bedraagt in beginsel twintig jaar (art. 3:306).

2.8 De termijn van verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt, aldus art. 3:314 lid 2 BW. Deze bepaling vormt slechts een toepassing van het eerste lid van art. 3:314 BW, waarin bepaald wordt dat de verjaringstermijn van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand - als hoedanig ook het bezit van een niet-rechthebbende valt aan te merken - begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden.(16)

Volgens de wetgever is voor het intreden van de verjaring onverschillig door wie de onrechtmatige toestand in het leven is geroepen of dat er wellicht wisseling heeft plaatsgevonden in de persoon tegen wie de vordering tot opheffing van die toestand moet worden gericht.(17) Ook voor de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is het (derhalve) niet zo dat telkens een nieuwe termijn begint te lopen bij elke wisseling van persoon in wiens handen het goed zich bevindt.(18) Dit zou ongewenst zijn; het resultaat zou immers zijn dat, als het goed maar vaak genoeg in andere handen zou overgaan, de verjaring van art. 3:105 BW nimmer zou worden voltooid.(19) In de literatuur wordt het doorlopen van de verjaring van de revindicatie gerechtvaardigd met een beroep op het karakter van bevrijdende verjaring als zijnde een sanctie op het stilzitten door de rechthebbende: zolang de rechthebbende niet optreedt tegen de bezitter loopt de verjaring door, ongeacht hoeveel bezitters er zijn en hoe zij het bezit hebben verkregen.(20)

2.9 Uit het voorgaande volgt dat voor verkrijging uit hoofde van art. 3:105 BW slechts vereist is dat de verkrijger het bezit heeft op het moment waarop de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Niet relevant is of het bezit al dan niet te goeder trouw is, evenmin hoe lang de actuele bezitter bij het verstrijken van de termijn het bezit van het goed al heeft.(21) Wanneer degene die de onrechtmatige toestand in het leven heeft geroepen (het goed in bezit heeft genomen) het goed heeft overgedragen kan de verkrijger zich op verjaring beroepen zodra de extinctieve verjaringstermijn is verlopen.(22) Noodzakelijk is dus slechts dat de rechthebbende het bezit gedurende twintig jaar heeft moeten ontberen (althans jegens hem sprake is geweest van een aan bezit voorafgaande onrechtmatige toestand), waarbij niet van belang is in hoeveel handen het goed achtereenvolgens is geweest.

2.10 Uit de wetsgeschiedenis, de plaats van art. 3:102 BW in de wet (na art. 3:99 BW en voor art. 3:105 BW) en de grondslag van verkrijging op de voet van art. 3:105 BW (extinctieve verjaring van de rechtsvordering van de rechthebbende) volgt dat de accessio possessionis regel van art. 3:102 BW niet geldt wanneer het een verkrijging ex art. 3:105 BW betreft. Een dergelijke bepaling is overbodig omdat de verjaring van de revindicatie doorloopt zolang iemand in het bezit van het goed is en dus ook als het bezit in andere handen overgaat.(23) Art. 3:102 lid 2 BW is dan ook uitsluitend van toepassing op een lopende verjaring in de zin van art. 3:99 BW.(24)

2.11 De middelen klagen derhalve terecht dat het hof heeft miskend dat voor verkrijging op de voet van art. 3:105 BW de regel van art. 3:102 BW niet geldt en dat (dus) niet relevant is dat [eiser] c.s. bij de verwerving van het bezit niet te goeder trouw waren.

2.12 Voor zover namens [verweerder] c.s. in cassatie nog is betoogd (s.t. onder 29 i.v.m. 22) dat het slagen van de klacht niet kan leiden tot toewijzing van het gevorderde indien het perceel na aanvang van het bezit van de niet-rechthebbende niet eenmalig gedurende ten minste twintig jaar aan één eigenaar heeft toebehoord voordat deze het perceel aan een volgende eigenaar overdroeg, faalt dat betoog. Op dezelfde gronden als hiervoor onder 2.8 vermeld, moet mijns inziens worden aangenomen dat een door inbezitneming aangevangen extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit niet wordt afgebroken door overdracht - om vervolgens bij de opvolgend eigenaar opnieuw een aanvang te nemen -, maar doorloopt.(25)

Tweede middel

2.13 Het tweede middel ziet op rov. 5.5, waarin het hof overwoog:

"5.5. Partijen hebben gedebatteerd over de vaststelling van het jaar waarin de rechtsvoorganger van [eiser] c.s. de strook grond voor het eerst in bezit hebben genomen. [Eiser] c.s hebben de stelling betrokken dat dit in het jaar 1998 is geweest, of anders 1999. In de inleidende dagvaarding zijn zij uitgegaan "van de niet bestreden datum van 1981" met als consequentie dat de verjaring uiterlijk in 2001 zou zijn voltooid. Deze stelling hebben zij opnieuw ingenomen bij memorie van antwoord. In de contra-enquête hebben de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] verklaard dat men op het terrein van [verweerder] c.s. om de loods heen kon lopen - ook over de strook grond - totdat in 1981 de muur werd gebouwd en verder dat zij dit metterdaad hebben gedaan. Het hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat sprake is van bezit van de strook grond door [betrokkene 1] sinds 1981, zijnde het jaar waarin de muur is geplaatst. Van verjaring kan derhalve op zijn vroegst sprake zijn geweest in 2001."

2.14 Er wordt geklaagd over onbegrijpelijkheid van 's hofs vaststelling dat [eiser] c.s. de stelling hebben betrokken dat dit (het in bezit nemen van de strook grond door hun rechtsvoorganger) in het jaar 1998 is geweest, of anders in 1999. Dit moet volgens de klacht het standpunt zijn geweest van [verweerder] c.s. Dit blijkt uit de daarop volgende overweging van het hof dat [eiser] c.s. blijkens hun inleidende dagvaarding zijn uitgegaan van de niet-bestreden datum van 1981 met als consequentie dat de verjaring uiterlijk in 2011 zou zijn voltooid, welke stelling zij in hun memorie van antwoord opnieuw hebben ingenomen.

2.15 De klacht treft in beginsel doel. De overweging dat [eiser] c.s. de stelling hebben betrokken dat hun rechtsvoorganger voor het eerst in 1998 of anders 1999 de strook grond in bezit heeft genomen, staat haaks op de daarop volgende overweging dat [eiser] c.s. in de inleidende dagvaarding en de memorie van antwoord zijn uitgegaan van de datum van 1981.(26) Daarbij komt nog dat zijdens [verweerder] c.s. is betoogd dat de strook grond ook na 1981 door [betrokkene 2] is gebruikt en onderhouden (CvA onder 5-11) en pas door [eiser] c.s. zelf en niet door [betrokkene 1] in gebruik is genomen (p-v d.d. 21 februari 2008, p. 3 onder '[betrokkene 2]'). Naar door de steller van het middel wordt opgemerkt, heeft dit echter geen consequenties gehad voor 's hofs oordeel, nu het hof veronderstellenderwijs ervan is uitgegaan dat sprake is van bezit van de strook grond door [betrokkene 1] sinds 1981, zijnde het jaar waarin de muur is geplaatst en dat van verjaring derhalve op zijn vroegst sprake kan zijn geweest in 2001. Dit brengt met zich dat [eiser] c.s. geen belang hebben bij de klacht, zodat deze niet tot cassatie kan leiden.

Verdere afdoening

2.16 In hun slotsom stellen [eiser] c.s. dat Uw Raad de zaak zelf kan afdoen door de vonnissen van de rechtbank van 4 juni 2008 en 2 september 2009 te bekrachtigen. Mijns inziens is dat niet het geval. Het hof heeft de grieven 5 t/m 9, die zich richten tegen het (bewijs)oordeel van de rechtbank dat [betrokkene 1] en [eiser] c.s. vanaf 1981 gedurende twintig jaar het bezit hebben gehad, onbesproken gelaten en in rov. 5.5 slechts veronderstellenderwijs aangenomen dat sprake is van bezit van de strook grond door [betrokkene 1] sinds 1981, zodat op zijn vroegst in 2001 sprake kan zijn geweest van verjaring. Het hof heeft te dienaangaande dus geen oordeel gegeven, zodat in cassatie hiervan niet als vaststaand feit kan worden uitgegaan. Voorts heeft het hof niet geoordeeld naar aanleiding van grief 3, waarmee wordt betoogd dat de verjaring door erkenning is gestuit. Zou sprake zijn van erkenning, dan kan dat volgens Uw Raad tevens repercussies hebben voor de bezitsvraag.(27)

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing ter verdere afdoening.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 4.1 t/m 4.5 van het arrest van het hof van 26 oktober 2010 i.v.m. rov. 2 van het tussenvonnis van de rechtbank van 4 juni 2008.

2 Zie de kadastrale kaarten, overgelegd als prod. 1 en prod. 3 bij akte wijziging eis tevens akte overlegging producties. Hierop is de strook gearceerd weergegeven.

3 Volgens weergave door de rechtbank in haar tussenvonnis van 4 juni 2008, rov. 3.2.

4 Vgl. tussenvonnis van 4 juni 2008, rov. 3.5.

5 Het voorafgaande tussenvonnis van 9 januari 2008, waarbij een comparitie van partijen werd gelast, wordt in deze conclusie verder buiten beschouwing gelaten.

6 De cassatiedagvaarding is op 19 januari 2011 uitgebracht.

7 Het hof vermeldt kennelijk abusievelijk: 'rechtsopvolger'.

8 MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 419.

9 Aldus de rechtbank in haar vonnis van 4 juni 2008, rov. 4.1 en dictum.

10 Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 344.

11 TM en VV II, Parl. Gesch. Boek 3 , p. 416 resp. p. 417.

12 Art. 1995 BW (oud) bepaalde: 'Om den tot verjaring vereischten tijd te vervullen, kan men bij zijn eigen bezit dat van den vorigen bezitter van wien men de zaak verkregen heeft, voegen, op welke wijze men dezen ook zij opgevolgd, het zij onder eenen algemeenen of bijzonderen titel, hetzij om niet, het zij onder eenen bezwarenden titel.'

13 TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 411.

14 TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 411.

15 TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 416.

16 MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 931.

17 MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 930.

18 Anders s.t. zijdens [verweerder] c.s., onder 28.

19 MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 418.

20 J.E. Jansen, Bezit te kwader trouw, verkrijgende en bevrijdende verjaring (diss. Groningen), 2011, p. 10-11, 13, 294.

21 Losbl. Vermogensrecht (Koopmann), art. 105, aant. 2; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 344, 344a; Asser/Mijnssen-De Haan-Van Dam 3-I, 2006, nr. 431; Mon. Nieuw BW A-14 (Van Schaick), 2003, nr. 97.

22 MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 930.

23 Jansen, a.w., p. 11-13 en 293-294.

24 Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 340a, 344; Asser/Mijnssen-De Haan-Van Dam 3-I, 2006, nr. 435. Vgl. Goederenrecht (Snijders), 2012, nr. 254.

25 Vgl. HR 8 mei 1998, LJN: ZC2644, NJ 1999, 44 m.nt. ThMdB (voor bevrijdende verjaring is wetenschap eigenaar niet noodzakelijk). Een andere opvatting zou er in het onderhavige geval toe leiden dat een eventuele in of na 1979 aangevangen extinctieve verjaring zou zijn afgebroken (en een nieuwe zou zijn aangevangen) in 1998 (toen [betrokkene 2] eigenaar werd) althans in 2007 (toen [verweerder] c.s. eigenaar werden).

26 Zie inl. dagv. onder 5. Zie voorts MvA onder 10 en 19.

27 HR 17 december 2010, LJN: BO1763, NJ 2011, 291 m.nt. FMJV.