Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW5002

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
11/00465
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2010:BN3512
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5002
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gerechtvaardigd vertrouwen? Het Hof heeft op straffe van nietigheid niet uitdrukkelijk een met reden omklede beslissing gegeven op het verweer strekkende tot n-o van het OM in de vervolging. Het middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Voor n-o van het OM in de vervolging is buiten de in de wet geregelde gevallen slechts plaats in uitzonderlijke situaties. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het OM gedane, of aan het OM toe te rekenen, uitlatingen bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden i.v.m. de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege kan blijven evenwel in de regel niet worden ontleend. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld kan zich voorts voortdoen indien door met opsporing of vervolging belaste ambtenaren in de loop van het vooronderzoek een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, en daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Vzv. het verweer betrekking had op hetgeen tijdens of in verband met een bespreking aan de orde is geweest, berustte het op stellingen betreffende het optreden van met controle en aanslagregeling belaste ambtenaren van de Belastingdienst. Wat er zij van de vraag of die in het verweer omschreven handelwijze bij verdachte redelijkerwijs verwachtingen heeft kunnen wekken m.b.t. het verdere verloop van het controle-onderzoek, konden die verwachtingen om de hiervoor genoemde redenen niet het vertrouwen rechtvaardigen dat het OM verstoken zou zijn van het recht om ter zake tot strafvervolging van verdachte over te gaan. Ook vzv. het verweer inhield dat de (uit uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeiende) betekenis die aan zogenoemde detacheringsverklaringen moet worden gehecht, had behoren mee te brengen dat de juistheid en/of rechtskracht van die verklaringen geen voorwerp van het opsporingsonderzoek had mogen zijn, kon het verweer geen doel treffen omdat de omstandigheid dat de met opsporing en vervolging belaste functionarissen aan die detacheringsverklaringen niet de gestelde betekenis zouden hebben toegekend geen inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde kan vormen waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van diens belangen tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de onderhavige strafzaak. Nu het verweer door het Hof slechts had kunnen worden verworpen, kan het middel niet tot cassatie leiden. De HR verwijst de zaak naar een rolzitting teneinde de AG in de gelegenheid te stellen zich alsnog over de andere middelen uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/712
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00465

Mr. Hofstee

Zitting: 20 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verzoeker bij arrest van 9 augustus 2010 wegens feit 3: "opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht" en feit 4, 5, en 6 telkens: "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd", veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr. H. Veldman, advocaat te Peize, een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft verzuimd te beslissen op het door de verdediging gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard in zijn vervolging.

4. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 26 juli 2010 heeft de raadsman van verzoeker het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde en aan voormeld proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze houdt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende in (zie pag. 11 en 12):

"3. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Onder verwijzing naar hetgeen ik in paragraaf 2.2 hiervoor heb opgemerkt stel ik mij op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zal moeten worden verklaard in diens vervolging tegen [verdachte]. Als argumenten daarvoor voer ik aan dat de Belastingdienst door zich niet te houden aan de afspraken zoals die zijn gemaakt op 7 augustus 2001 en na ontvangst van de ingediende 'aangifte' ruim twee jaren niets van zich te laten horen, het vertrouwen heeft gewekt dat het allemaal in orde was. Dit geldt temeer nu het voor de [B]elastingdienst onmiskenbaar was dat de ingediende 'aangifte' niet in overeenstemming was met het standpunt van de Belastingdienst als verwoord tijdens het gesprek op 7 augustus 2001 en er dus des temeer reden was om contact op te nemen met [verdachte]. Deze handelwijze van de Belastingdienst zal zijn weerslag moeten vinden met betrekking tot het recht van vervolging van het Openhaar Ministerie door deze niet ontvankelijk te verklaren. In dit verband had ik graag nog inzage willen verkrijgen in de ATV stukken, maar die inzage is mij door de Advocaat-generaal geweigerd, zodat ik niet kan beoordelen of op grond van de ATV richtlijnen op goede gronden voor een strafrechtelijke afwikkeling is gekozen in plaats van een afwikkeling volgens het belastingrecht. Een tweede argument om te komen tot een niet ontvankelijkheid is daarin gelegen dat er in weerwil [van] Europese regelgeving opsporingshandelingen zijn verricht met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de detacheringsverklaringen, terwijl het onderzoek naar en de toetsing van, zoals in paragraaf 2.2 hiervoor uiteengezet, relevante feiten dienaangaande enkel is voorbehouden aan de uitzendende lidstaat. Bovendien zijn de opsporingshandelingen verricht nadat de IKK Niedersachsen reeds kenbaar had gemaakt dat de detacheringsverklaringen niet zullen worden ingetrokken. Kortom, ik concludeer tot niet ontvankelijkheid van bet Openbaar Ministerie."

5. Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als behelzende een (uitdrukkelijk) beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging, onder meer vanwege een schending van het vertrouwensbeginsel. Het aangevoerde moet immers worden opgevat als een 'uitdrukkelijk voorgedragen verweer' waarop het Hof ingevolge art. 358, derde lid, in verband met art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Nu het Hof dit blijkens zijn arrest niet heeft gedaan, dient ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid te volgen.

6. Het middel is terecht voorgesteld.

7. Ik meen gelet op het voorgaande dat de overige middelen geen bespreking behoeven, maar ben in het geval Uw Raad daarover anders mocht oordelen uiteraard graag bereid nader aanvullend te concluderen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G