Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW4995

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
11/01769
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW4995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Causaal verband tussen schade en gestelde onrechtmatige gedraging; motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/919
JWB 2012/337
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/01769

Mr. L. Timmerman

Zitting 27 april 2012

Conclusie inzake

1. [Eiser 1]

2. [Eiser 2]

3. [Eiser 3]

Eisers tot cassatie

tegen

[Verweerder]

Verweerder in cassatie,

niet verschenen

1. Inleiding

1.1 Aan de orde is in cassatie een geschil tussen buren over schade die één van hen heeft geleden doordat een paard zou zijn verschrikt door werkzaamheden die de ander, met zijn zoon en schoonzoon heeft verricht aan de afgrenzing van de percelen van beide buren. Het paard, waarvoor kort daarvoor een verkoopovereenkomst met een derde was gesloten met een verkoopprijs van € 45.000,-, heeft uiteindelijk door een dierenarts een dodelijke injectie toegediend gekregen.

1.2 Eiser tot cassatie sub 1 wordt hierna aangeduid als [eiser 1], eisers gezamenlijk als [eiser] c.s. en verweerder in cassatie als [verweerder].

2. Feiten en procesverloop

2.1 De feiten en het procesverloop worden hierna verkort weergegeven. Voor een volledig overzicht verwijs ik naar rov. 1.3 - 3.2 van het in deze procedure gewezen tussenarrest(1) van 10 februari 2009 en rov. 2.1 - 2.8 van het bestreden eindarrest(2) van 19 oktober 2010.

2.2 [Eiser 1] en [verweerder] waren buren. Op enig moment is een conflict ontstaan over de kadastrale grens tussen hun percelen, in verband met een inrit van [verweerder], die volgens [eiser 1] de perceelgrens had overschreden. De voorzieningenrechter te Middelburg heeft bij vonnis(3) van 4 januari 2002 [verweerder] veroordeeld om de grond van [eiser 1] die hij in gebruik had genomen te ontruimen. Dat vonnis was niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op 29 januari 2002 heeft een kadastrale grensvaststelling plaatsgevonden waarbij het Kadaster de perceelgrens vaststelde. [Verweerder] was tegen het voornoemde vonnis in beroep gekomen. Bij arrest(4) van 29 januari 2003 heeft het hof Den Haag het voornoemde vonnis vernietigd, maar [verweerder] wel veroordeeld om een stuk grond van [eiser 1] te ontruimen, deze maal gebaseerd op de kadastrale vaststelling. Tegen het arrest is geen cassatie ingesteld.

2.3 Al voor het wijzen van het voornoemde arrest had [eiser 1] [verweerder] in de gelegenheid gesteld de op het betreffende stuk grond aanwezige bestrating zelf te verwijderen. Toen dat niet gebeurde, heeft hij [A] B.V. opdracht gegeven de bestrating te verwijderen. Dat is, na aankondiging aan [verweerder], gebeurd op 9 september 2002. [Eiser] c.s. hebben bij de werkzaamheden geholpen.

2.4 [Verweerder] heeft bij de rechtbank Middelburg gevorderd dat [eiser] c.s. worden veroordeeld tot betaling van schade die hij zou hebben geleden bij de werkzaamheden. De gevorderde schadevergoeding ter hoogte van totaal € 51.548,05 (plus rente en incassokosten) zag op schade aan opstallen en objecten en op schade door annulering van de verkoop van een paard ter waarde van € 45.000,-.

2.5 De rechtbank heeft bij tussenvonnis(5) van 18 februari 2004 overwogen dat de schadevordering m.b.t. het paard niet voor toewijzing in aanmerking kwam, nu [verweerder] onvoldoende had gesteld om causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade aan te kunnen nemen. Voor het overige is [verweerder] tot bewijslevering toegelaten m.b.t. de andere schadeposten. Bij eindvonnis(6) van 23 februari 2005 heeft de rechtbank de vorderingen deels toegewezen en [eiser] c.s. veroordeeld € 1.570,- (plus wettelijke rente en proceskosten) te vergoeden.

2.6 [Verweerder] heeft hoger beroep ingesteld m.b.t., voor zover in cassatie van belang, de overwegingen van de rechtbank omtrent het ontbreken van causaal verband tussen de onrechtmatige gedragingen en de schade aan / door verlies van het paard. De, nu nader uitgewerkte, stellingen van [verweerder] komen neer op het volgende. Het paard, Sir Boxbergen, stond in een box op ong. 5 meter van de erfgrens. Het paard was kort voor de werkzaamheden, op 1 september 2002, verkocht aan [betrokkene 1] voor € 45.000,-. Het paard verkeerde, aldus [verweerder], voor de werkzaamheden in goede gezondheid, maar is daarna zeer nerveus en agressief geworden en had hoofdwonden. [Betrokkene 1] heeft op 15 september 2002 van de koop afgezien. Een dierenarts, [betrokkene 2], heeft het paard meerdere keren bekeken en behandeld en het paard is enige tijd bij een paardentrainer, [betrokkene 3], ondergebracht om het weer handelbaar te maken. Dat is niet gelukt en uiteindelijk heeft [verweerder] het paard op advies van de paardentrainer op 27 januari 2004 laten inslapen.

2.7 Bij tussenarrest van 10 februari 2009 heeft het hof Den Haag [verweerder] toegelaten tot bewijs dat de werkzaamheden door [eiser] c.s. op grove wijze zijn uitgevoerd in de nabijheid van de paardenbox, dat het paard daardoor verschrikt is, onverkoopbaar werd en uiteindelijk als gevolg van e.e.a. is afgemaakt. Als getuigen zijn gehoord [verweerder] zelf, [betrokkene 4] (overbuurman), [betrokkene 5] (verzorgster van het paard), [betrokkene 1] (voornoemde koper), [betrokkene 2] (voornoemde dierenarts) en [betrokkene 3] (voornoemde paardentrainer). Tijdens een contra-enquête zijn gehoord [eiser] c.s. en [betrokkene 6] (een leverancier van paardenvoer). De resultaten van de getuigenverhoren(7) zijn door het hof verkort weergegeven in rov. 2.2 - 2.8.

2.8 Het hof heeft in zijn bestreden arrest van 19 oktober 2010 geoordeeld dat [verweerder] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs en heeft [eiser] c.s. veroordeeld tot vergoeding van de schade ter hoogte van € 51.140,01 (plus wettelijke rente en proceskosten). De in cassatie relevante overwegingen van het hof zijn te vinden in rov. 3.1 - 3.6.

2.9 [Eiser] c.s. zijn tijdig, bij dagvaarding van 19 januari 2011, in cassatie gekomen. [Verweerder] is niet verschenen en aan hem is verstek verleend. [Eiser] c.s. hebben hun cassatiemiddel schriftelijk toegelicht.

3. Bespreking van het middel

3.1 De cassatiedagvaarding bevat één middel, dat zich met een aantal (motiverings)klachten richt tegen rov. 3.1 - 3.5 van het bestreden arrest (in samenhang met rov. 3.6 en het dictum).

3.2 Onderdeel 1.1 is slechts een inleiding en bevat geen klacht. In onderdelen 1.2 en 1.4 kan ik (ook) geen cassatieklacht ontdekken.

3.3 Onderdeel 1.3 merkt in de eerste plaats op dat het hof uitdrukkelijk de stellingen van [eiser] c.s. onbesproken heeft gelaten dat gevallen bekend zijn waarin de conditie van een paard van de ene op de andere dag - bedoeld is m.i.: zonder aanwijsbare aanleiding - (ernstig) verslechterde, zodanig dat men deze paarden uiteindelijk heeft moeten laten inslapen. Ook in deze opmerking lees ik geen klacht. Voor zover bedoeld is te klagen dat het hof de stellingen onbesproken heeft gelaten en dat het bestreden arrest in dat opzicht zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, meen ik dat het feitelijke grondslag mist. Het hof heeft de stelling niet onbesproken gelaten. De overweging in rov. 3.3 van het bestreden arrest, dat het hof aan de verklaringen van partijgetuigen [eiser] c.s. dat zij dergelijke gevallen kennen voorbijgaat omdat er in het onderhavige geval wel een oorzaak is aan te wijzen, geldt als een afwijzing van de stellingen van [eiser] c.s.

3.4 Onderdeel 1.3 klaagt tevens dat een verklaring van de dierenarts, dat het paard waarschijnlijk een inwendige bloeding heeft gehad, wat echter bij paarden zeer moeilijk is vast te stellen, ten onrechte 'in het luchtledige is blijven hangen' doordat er geen vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden. Dit zou ten onrechte zijn, omdat de juistheid van de constatering van de dierenarts de 'lawaai-oorzaak' zou hebben uitgesloten of nader onderzoek zou hebben gevergd. In het midden kan blijven of de klacht voldoet aan de daaraan te stellen eisen, omdat het is gebaseerd op een onjuist uitgangspunt. Als de inschatting van de dierenarts juist zou zijn gebleken, zou dat - naar het kennelijke oordeel van de dierenarts en van het hof - niet betekenen dat de oorzaak niet bij het veroorzaakte lawaai zou liggen, maar juist een nadere uitwerking zijn van die verklaring. Het lawaai zou er juist voor hebben gezorgd dat het paard is geschrokken en verwond is geraakt, met de inwendige bloeding en alle overige consequenties tot gevolg.

3.5 Onderdeel 1.3 bedoelt, zo meen ik op te kunnen maken, voorts te klagen dat het hof ten onrechte een bewijsaanbod van [eiser] c.s., tot bewijs in de vorm van een specialistisch onderzoek, zou hebben gepasseerd. Anders dan de klacht stelt, is in par. 54 van de memorie van antwoord ("MvA") van [eiser] c.s. een dergelijk aanbod m.i. niet te lezen, zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Er wordt slechts gewezen op de naam van paardendeskundige [betrokkene 7]. Deze verwijzing dient te worden gezien in het licht van de stelling in par. 23 MvA, dat deze deskundige zich zou moeten uitlaten over de vraag "of een paard als gevolg van werkzaamheden zodanig gestrest kan raken dat dit paard uiteindelijk moet worden afgemaakt". Ook als de klacht in het licht van die par. 23 MvA zou moeten worden gelezen, mist deze feitelijke grondslag. Daar wordt immers geen bewijsaanbod gedaan m.b.t. de concrete toedracht, maar gezinspeeld op benoeming van een deskundige m.b.t. mogelijke stress als gevolg van werkzaamheden bij paarden in het algemeen.

3.6 Voor zover een klacht zou moeten worden gelezen in de opmerking in onderdeel 1.3 dat het hof ten onrechte geen consequenties ten nadele van [verweerder] aan de onmogelijkheid van een dergelijk onderzoek naar de oorzaak zou hebben verbonden nu deze het bewijsmateriaal voortijdig heeft vernietigd, mist deze m.i. feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld - er kan niet als vaststaand worden aangenomen - dat een onderzoek onmogelijk was doordat [verweerder] het bewijsmateriaal voortijdig zou hebben vernietigd.

3.7 Onderdeel 1.5 klaagt dat, naar ik begrijp, het bestreden arrest zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn waar het hof de stelling van [eiser] c.s. dat geen van de andere paarden hinder hebben ondervonden van de werkzaamheden onbesproken zou hebben gelaten. De klacht mist in de eerste plaats feitelijke grondslag, omdat de stelling niet onbesproken is gelaten. In rov. 3.3 oordeelt het hof dat het feit "dat ten tijde van de werkzaamheden in de paardenboxen ook andere paarden hebben gestaan die daarvan geen blijvende hinder hebben ondervonden" er niet toe leidt dat het causale verband tussen het lawaai en de schade aan Sir Boxbergen niet is bewezen, "mede omdat over de leeftijd van die paarden en hun kwetsbaarheid niets bekend is." Het oordeel van het hof is verder een kwestie van bewijswaardering, dat in belangrijke mate is verweven met overwegingen van feitelijke aard en in cassatie slechts in beperkte mate aan de orde kan komen. Het is m.i. niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het hof heeft de opmerking van de dierenarts waar [eiser] c.s. naar verwijzen: "Van het overgrote deel van de paarden die ik ken, kun je een reactie verwachten als in dit geval" kennelijk niet doorslaggevend geacht. Dat vind ik niet onbegrijpelijk. Daarbij is mede van belang dat uit het oordeel van het hof blijkt dat het hof verschillende factoren in ogenschouw heeft genomen en de dierenarts in zijn verklaring ook heeft opgemerkt dat het ene paard meer geëxciteerd reageert dan het andere, de gevolgen afhankelijk zijn van de vraag of het paard zich beschadigt en dat jonge paarden gevoelig zijn voor prikkels. In het licht daarvan behoefde het oordeel van het hof m.i. geen nadere motivering dan is gegeven.

3.8 Onderdeel 1.6 klaagt dat het hof in rov. 3.1 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat aan 'gedetailleerde stellingen' 'geen betekenis' toekomt. De gedetailleerde stellingen betreffen, naar ik begrijp uit rov. 3.1, stellingen van [eiser] c.s., dat twee politieagenten aanwezig waren, toezicht hielden op de werkzaamheden en geen reden hebben gezien om in te grijpen of nadere instructies te geven, waaruit zou volgen dat de paarden onrustig waren. Als ik de klacht goed begrijp, neemt die als uitgangspunt dat het hof de stelling buiten beschouwing zou hebben gelaten en/of dat [eiser] c.s. zich niet op de houding van de agenten mocht beroepen. Dat is m.i. een onjuiste lezing van de rechtsoverweging, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat, doordat [eiser] c.s. pas in het late stadium van de procedure met de stellingen zijn gekomen, er geen ruimte meer is voor een getuigenverhoor en dat ook geen proces-verbaal is overgelegd. Bewijs van de hand van de agenten ontbreekt dus. De stellingen van [eiser] c.s. zelf heeft het hof, mede in het licht daarvan, niet willen aanvaarden. Dat betreft een afweging die in belangrijke mate feitelijk van aard is en die m.i. niet onbegrijpelijk is, met name in het licht van de verklaringen van de andere (deels niet aan partijen verbonden) getuigen.

3.9 Onderdeel 1.7 klaagt dat het hof stellingen van [eiser] c.s. ten onrechte onbesproken zou hebben gelaten (en, naar ik aanneem, dat het bestreden arrest in dat opzicht onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is), dat (i) [verweerder] vooraf was geïnformeerd over het tijdstip van de werkzaamheden, zodat hij voorzorgsmaatregelen had kunnen nemen; en (ii) dat [eiser] c.s. in de periode na de werkzaamheden niet op de hoogte zijn gebracht van de situatie van het paard en pas bij de MvG op de hoogte zijn gebracht van het feit dat men het paard had laten inslapen, waardoor elk recht op tegenonderzoek illusoir was gemaakt. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 3.3 respectievelijk 3.4 wel op voornoemde kwesties is ingegaan. Het hof heeft in rov. 3.3 overwogen dat [verweerder] de risico's bij de door [eiser] c.s. te verrichten werkzaamheden niet had hoeven voorzien "zodat evenmin van hem gevergd kon worden maatregelen te nemen door het in een andere stal plaatsen van het paard Sir Boxbergen". Daarin ligt besloten dat het hof ook de situatie in ogenschouw heeft genomen dat [verweerder] op de hoogte was van de aanstaande werkzaamheden. In rov. 3.4 heeft het hof onder meer overwogen dat in de inleidende dagvaarding duidelijk was gemaakt dat de verkoop van het paard was geannuleerd en dat het paard in een africhtingstal was om weer verkoopgereed te worden gemaakt. Voorts heeft het hof, in cassatie onbestreden, overwogen dat (de advocaat van) [verweerder] [eiser] c.s. bij twee brieven (naar uit de inleidende dagvaarding blijkt van 26 september 2002 en 23 december 2002) aansprakelijk heeft gesteld voor de genoemde schade en - weliswaar later, maar toen het paard nog leefde - die brieven ook als productie heeft ingebracht. Het hof oordeelt vervolgens: "Onder deze omstandigheden gaat het verweer van [eiser] c.s. dat [verweerder] niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht niet op en is het aan [eiser] c.s. te wijten dat zij niet hebben verzocht om het paard van hun zijde door een deskundige te laten beoordelen."

3.10 De voorgaande overwegingen geven ook aan waarom het hof geen gevolgen heeft verbonden aan de gedragingen van [verweerder] c.q. de stellingen van [eiser] c.s. hierover. Deze overwegingen zijn in belangrijke mate feitelijk van aard en acht ik, anders dan onderdeel 1.7 kennelijk ook aanvoert, niet onbegrijpelijk.

3.11 Onderdeel 1.7 klaagt voorts, zo begrijp ik, dat het hof ten onrechte een bewijsaanbod van [eiser] c.s. hebben gepasseerd, terwijl zij duidelijk hebben aangegeven welk belang zij zouden hebben bij dat onderzoek. Uit de bewoordingen van onderdeel 1.7 valt af te leiden dat het ook hier een mogelijk onderzoek naar de concrete toedracht bij de dood van Sir Boxbergen betreft, en ook hier wordt verwezen naar par. 54 MvA, zodat de klacht afstuit op hetgeen ik hiervoor in par. 3.6 in dat licht heb opgemerkt.

3.12 Onderdeel 1.7 klaagt tot slot nog dat het oordeel van het hof dat door [eiser] c.s. niet gesteld zou zijn in welk belang zij door de euthanasie zouden zijn geschonden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn. In de eerste plaats meen ik dat de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, met name nu de betreffende rechtsoverweging niet wordt genoemd, de klacht niet duidelijk vermeldt waarom het oordeel 'ten onrechte' zou zijn en ook niet (voldoende duidelijk) verwezen wordt naar gedingstukken waar een dergelijke stelling van [eiser] c.s. wel te vinden zou zijn. Ook als wordt aangenomen dat met de klacht bedoeld is te klagen over het slot van rov. 3.4 van het bestreden arrest en dat de in de rechtsoverweging bedoelde stelling omtrent het door de euthanasie geschonden belang van [eiser] c.s. te vinden zouden zijn in de eerder in de klacht genoemde paragrafen 48-50 en 52 MvA en 48-50 en 52 memorie na enquête, kan het m.i. niet slagen. De genoemde paragrafen handelen over feiten die samenhangen met het door [eiser] c.s. gestelde schenden van de informatie- en schadebeperkingsplichten. Ze zien dus niet op een door de euthanasie zelf getroffen belang, zodat de klacht in deze lezing feitelijke grondslag mist (en het oordeel van het hof m.i. overigens niet onbegrijpelijk is).

3.13 Onderdeel 1.8 klaagt tot slot dat het hof miskend heeft dat, naar ik begrijp, een extra zorgverplichting c.q. schadebeperkingsplicht gold voor [verweerder] nu hij niet alleen was geïnformeerd over de aanstaande werkzaamheden, maar ook bekend was met het bedrag dat gemoeid was met de verkoop van het paard, terwijl [eiser] c.s. daar niet mee bekend waren. Zoals hiervoor al vermeld in par. 3.9, heeft het hof expliciet overwogen dat [verweerder] het risico van de wijze van uitvoering van de werkzaamheden door [eiser] c.s. niet had hoeven voorzien. In de verwijzing naar 'het onderhavige geval' bij dat oordeel, in samenhang met de verwijzing van het hof naar de koopprijs - onder meer in rov. 3.5 van het bestreden arrest - ligt m.i. besloten dat het hof wel oog heeft gehad voor deze omstandigheden. Het betreft verder een feitelijk oordeel. M.i. is het oordeel niet onbegrijpelijk. De klacht maakt niet duidelijk waarom dat wel het geval zou zijn en dient daarom m.i. te falen.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hof Den Haag, 10 februari 2009, zaaknr. 105.003.185/01

2 Hof Den Haag, 19 oktober 2010, zaaknr. 105.003.185/01

3 Vzr. Middelburg, 4 januari 2002, kort geding nr. 262/2001

4 Hof Den Haag, 29 januari 2003, rolnr. 02/138

5 Rechtbank Middelburg, 18 februari 2004, rolnr. 13/03

6 Rechtbank Middelburg, 23 februari 2005, rolnr. 13/03

7 Zie voor een volledige weergave de processen-verbaal (zaanknr. 105.003.185) d.d. 2 juni 2009 en 9 september 2009.