Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW4983

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11/01055
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW4983
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ten onrechte door openbaar ministerie aan bestolen eigenaar afgegeven auto zonder beslissing rechtbank op door koper ex art. 552a Sv. ingediend klaagschrift af te wachten. Staat niet verplicht tot schadevergoeding nu eigenaar terecht beroep op art. 3:86 lid 3 BW doet (HR 25 juni 1991, LJN ZC8663, NJ 1991/823); bestolen eigenaar herkreeg daardoor bezit, art. 3:117 lid 1 BW; uitdrukkelijk opeisen niet noodzakelijk, beroep op eigendomsrecht tegenover derde-verkrijger volstaat. Koopprijs geen ‘gemaakte kosten’ in de zin van art. 3:120 lid 2 BW. Geen schending retentierecht; overschrijding grenzen rechtsstrijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/961
NJB 2012/1691
NJ 2013/42 met annotatie van H.J. Snijders
JWB 2012/360
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/01055

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 27 april 2012

CONCLUSIE inzake:

De Staat der Nederlanden,

eiser tot cassatie,

adv.: mr. J.W.H. van Wijk,

tegen:

[Verweerder],

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

Aanleiding voor deze zaak is de teruggave door de officier van justitie van een strafvorderlijk inbeslaggenomen en (volgens de officier:) gestolen auto binnen drie jaar na de diefstal aan degene die volgens de officier van justitie oorspronkelijk rechthebbende was. Centraal staat de vraag of die teruggave bewerkstelligt dat de derde-verkrijger te goeder trouw onder wie de auto in beslag genomen was, geen beroep toekomt op de bescherming van art. 3:86 lid 1 BW. Voorts rijst onder meer de vraag of, indien de beslagene als eigenaar moet worden aangemerkt en de Staat jegens deze schadeplichtig is, de voor vergoeding in aanmerking komende schade zich laat vaststellen op de waarde van de auto dan wel ten hoogste op de kosten van revindicatie door de beslagene jegens degene aan wie de auto is teruggegeven.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1):

(i) [Betrokkene 1] heeft een autobedrijf genaamd [A] te Rotterdam. Op 27 april 2005 kwam [betrokkene 2] in de zaak. Hij bood voor een vriend een auto van het type BMW 323ci Cabrio (met lichte schade) te koop aan. Voor een prijs van € 17.000,- was [betrokkene 1] bereid de auto te kopen op voorwaarde dat de vriend er bij zou zijn of dat [betrokkene 2] eerst de auto op zijn naam zou laten zetten. Nadat [betrokkene 2] de BMW op zijn naam had laten zetten, is de koop dezelfde dag afgerond, heeft contante betaling plaatsgevonden en is de auto overgeschreven op naam van [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] kreeg hierbij alle kentekenbewijsdelen en een originele sleutel van de auto. [betrokkene 2] heeft zich met zijn rijbewijs gelegitimeerd.

(ii) Later op die dag is namens [betrokkene 3], die op dat moment met vakantie was, bij de politie telefonisch melding gemaakt van vermoeden van diefstal van eerdergenoemde BMW en is de BMW in afwachting van aangifte als gestolen gesignaleerd in het Nationale Schengen Informatie Systeem. Op 9 mei 2005 heeft [betrokkene 3] aangifte van diefstal gedaan, waarbij hij verklaarde dat onder meer de kentekenpapieren van de BMW in de auto hebben gelegen.

(iii) Op 28 mei 2005 heeft [betrokkene 1] de BMW willen verkopen aan een klant, maar de overschrijving van de BMW op naam van deze klant kwam niet tot stand omdat de auto als gestolen stond gesignaleerd. [Betrokkene 1] heeft de kwestie gemeld bij de politie. Op 13 juni 2005 heeft de politie onder [betrokkene 1] beslag gelegd op de BMW op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). [Betrokkene 1] is in het politieonderzoek verdachte van heling geweest. De strafzaken tegen onder andere [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn begin juli 2006 geseponeerd wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

(iv) Het openbaar ministerie heeft in augustus 2006 de BMW niet aan [betrokkene 1] teruggegeven, maar aan [betrokkene 3] als degene die redelijkerwijs als rechthebbende werd aangemerkt.(2) Van het voornemen tot teruggave aan [betrokkene 3] is [betrokkene 1] niet conform art. 116 lid 3 Sv schriftelijk in kennis gesteld.

(v) [Betrokkene 1] heeft op 30 november 2006 zijn (gestelde) vorderingen op de Staat, de verkoper, de oorspronkelijke eigenaar van de BMW en eventuele anderen, welke vorderingen zouden voortvloeien uit de koop en inbeslagneming van de BMW, aan zijn toenmalige advocaat [verweerder] gecedeerd, waartoe [verweerder] € 21.500,- als vergoeding van door [betrokkene 1] geleden schade heeft betaald.(3)

(vi) [Betrokkene 1] en [verweerder] hebben op 25 januari 2007 een klaagschrift ex artikel 552a Sv(4) ingediend bij de raadkamer in strafzaken van de rechtbank 's-Gravenhage, strekkende tot teruggave van de BMW primair aan [verweerder] en subsidiair aan [betrokkene 1]. In haar uitspraak van 8 mei 2007(5) heeft de rechtbank alleen [betrokkene 1] als klager aangemerkt en overwogen:

"(...) In raadkamer heeft de officier van justitie verklaard dat het beslag niet juist is afgewikkeld. Abusievelijk is teruggave van de auto aan [betrokkene 3] gelast terwijl teruggave aan [betrokkene 1], de beslagene, had dienen plaats te vinden. Tevens is [betrokkene 1], alvorens tot afgifte van de auto aan [betrokkene 3] over te gaan, niet van de afgifte op de hoogte gesteld.

De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de personenauto reeds is afgegeven aan [betrokkene 3]. Dit laat onverlet dat de rechtbank zal dienen te beslissen over het klaagschrift nu de wettelijke regeling inzake de kennisgeving met betrekking tot de auto niet is nageleefd. Zoals volgt uit het standpunt van de officier (...) dient teruggave aan klager plaats te vinden."

De rechtbank heeft het klaagschrift van [betrokkene 1] gegrond verklaard en de teruggave van de BMW aan [betrokkene 1] gelast.

(vii) [Verweerder] heeft de Staat bij brief van 22 mei 2007(6) verzocht om vergoeding van de schade geleden door onrechtmatig handelen.

1.2 Bij inleidende dagvaarding van 31 januari 2008 heeft [verweerder] gevorderd dat de rechtbank 's-Gravenhage de Staat veroordeelt tot betaling van een bedrag ad € 21.500,- ter zake van schadevergoeding en van een bedrag van € 2.512,38 wegens buitengerechtelijke kosten, deze bedragen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 30 november 2006 respectievelijk 31 januari 2008.

[Verweerder] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [betrokkene 1] op grond van art. 3:86 lid 1 BW op 27 april 2005 eigenaar van de BMW is geworden, dat de Staat door de teruggave van de auto aan [betrokkene 3] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [betrokkene 1] en dat [betrokkene 1] daardoor een schade heeft geleden ter grootte van de waarde van de BMW ad € 21.500,-, waarna [betrokkene 1] zijn vordering tot schadevergoeding ter zake aan [verweerder] heeft gecedeerd.(7)

De Staat heeft als verweer onder meer aangevoerd: primair dat [betrokkene 1] bij de aankoop van de BMW niet te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 lid 1 BW; subsidiair dat sprake was van diefstal en dat [betrokkene 3] de BMW gedurende drie jaar als zijn eigendom had kunnen opeisen op de voet van art. 3:86 lid 3 BW; meer subsidiair dat de schade ten hoogste de door [betrokkene 1] en/of [verweerder] te maken revindicatiekosten beloopt.(8)

1.3 Bij vonnis van 11 november 2009 heeft de rechtbank de vorderingen van [verweerder] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat vaststaat dat de Staat niet kan voldoen aan de last tot teruggave van de BMW aan [betrokkene 1] als bevolen bij beschikking van 8 mei 2007, nu de BWM reeds is teruggegeven aan [betrokkene 3]; voorts dat het niet (kunnen) voldoen aan een last tot teruggave niet zonder meer betekent dat de Staat schadeplichtig is op grond van onrechtmatige daad jegens degene ten behoeve van wie de last tot teruggave is gegeven, in casu [betrokkene 1]. Voor het aannemen van schadeplichtigheid van de Staat moet volgens de rechtbank komen vast te staan dat [betrokkene 1] op 27 april 2005 rechtmatig eigenaar is geworden van de BMW en dat hij (dus) daadwerkelijk schade heeft geleden doordat de auto niet aan hem maar aan een ander is teruggegeven, in welk verband de rechtbank verwijst naar HR 10 december 1999, NJ 2000, 7. Stelplicht en bewijslast te dier zake rusten bij [betrokkene 1] (rov. 4.2). Volgens de rechtbank is onbetwist dat [betrokkene 2] beschikkingsonbevoegd was. Tegenover de stelling van [verweerder] dat [betrokkene 1] eigenaar is geworden van de BMW op grond van art. 3:86 lid 1 BW heeft de Staat als verweer gevoerd dat [betrokkene 1] niet te goeder trouw was in de zin van die bepaling. De rechtbank heeft dat verweer gehonoreerd omdat [betrokkene 1] naar haar oordeel meer onderzoek naar de bevoegdheid van [betrokkene 2] had moeten doen (rov. 4.3).

1.4 [Verweerder] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof 's-Gravenhage met conclusie dat het hof het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen alsnog toewijst. Met grief 1 komt [verweerder] op tegen de door de rechtbank in rov. 4.2 gehanteerde bewijslastverdeling. Grief 2 klaagt over het honoreren van het verweer van de Staat dat [betrokkene 1] niet te goeder trouw was in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW. Grief 3 betoogt dat een concrete schadebegroting moet plaatsvinden, gebaseerd op teruggave van de auto aan [betrokkene 1], waarbij de rechtbank in de beoordeling had moeten betrekken de kans dat [betrokkene 3] daadwerkelijk een procedure tot revindicatie van de auto tegen [betrokkene 1] zou zijn gestart. Grief 4 strekt ertoe dat het hof de Staat beveelt het volledige strafprocesdossier over te leggen.

De Staat heeft zijn verweren uit de eerste aanleg gehandhaafd.(9)

1.5 In zijn arrest van 23 november 2010 heeft het hof grief 2 geslaagd geacht, nu naar het oordeel van het hof [betrokkene 1] bij de aankoop van de BMW te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 lid 1 BW (rov. 3.3). Naar aanleiding van grief 1 heeft het hof geoordeeld dat vaststaat dat [betrokkene 1] op 27 april 2005 eigenaar is geworden van de BMW, dat hij uit hoofde daarvan rechtsgeldig aanspraak kon maken op deze inbeslaggenomen auto en dat hij schade heeft geleden doordat deze niet aan hem, maar aan [betrokkene 3] is teruggegeven. Volgens het hof is de Staat schadeplichtig en heeft [betrokkene 1] bij grief 1 verder geen belang (rov. 3.4). Gelet op het slagen van grief 2 behoeven de grieven 3 en 4 geen bespreking (rov. 3.5).

Het verweer van de Staat dat [betrokkene 3] de BMW op de voet van artikel 3:86 lid 3 BW als zijn eigendom had kunnen opeisen, zodat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door de BMW aan [betrokkene 3] terug te geven, althans [betrokkene 1] daardoor geen schade heeft geleden, is door het hof verworpen met een verwijzing naar art. 3:120 BW (rov. 3.6). Het hof heeft de schade van [betrokkene 1] vastgesteld op € 17.000,-, geoordeeld dat van [betrokkene 1] niet kan worden gevergd dat hij na teruggave van de auto aan [betrokkene 3] deze zou aanspreken voor revindicatie en het beroep van de Staat op de schadebeperkingsplicht dan wel eigen schuld van [verweerder] verworpen (rov. 3.8(10)).

Het hof heeft het bestreden vonnis van de rechtbank dan ook vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Staat veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 17.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2006 tot de dag der algehele voldoening.

1.6 De Staat is tijdig(11) van dit arrest in cassatie gekomen. [Verweerder] is niet verschenen; tegen hem is verstek verleend. De Staat heeft zijn standpunt schriftelijk doen toelichten.

2. Inleidende beschouwingen

2.1 Bij inbeslagneming op basis van art. 94 Sv staat, onder meer, de waarheidsvinding centraal.(12) Indien dit strafvorderlijk belang niet meer aanwezig is, beëindigt de officier van justitie het beslag en doet hij het voorwerp teruggeven. Volgens de hoofdregel geschiedt teruggave aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen (art. 116 lid 1 Sv). Bij wijze van uitzondering kan het voorwerp worden teruggeven aan een ander dan de beslagene indien deze ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De officier van justitie dient daartoe vooraf de beslagene schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen tot zodanige beslissing en van de bevoegdheden van de beslagene tot beklag. Teruggave aan de derde-rechthebbende kan eerst worden gelast indien de beslagene zich niet binnen veertien dagen na de kennnisgeving over voormeld voornemen heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is art. 552a Sv van overeenkomstige toepassing (art. 116 lid 3 jo lid 2 sub a Sv; art. 552ca Sv).(13)

2.2 Indien het inbeslaggenomen voorwerp aan een derde-belanghebbende is teruggegeven zónder dat de voorgeschreven schriftelijke kennisgeving van het voornemen daartoe aan de beslagene is gedaan, is de beslagene, in weerwil van de beëindiging van het beslag, ontvankelijk in een beklagprocedure. Het beklag heeft dan het rechtskarakter van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden.(14)

2.3 In geval van beklag door de beslagene op de voet van art. 552a Sv tegen de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv, dat het openbaar ministerie voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, te weten degene die - naar het oordeel van het openbaar ministerie - redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, dient de rechter te beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.(15)

Bij de beoordeling van die vraag zal de beklagrechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal hij daarbij wel civielrechtelijke aspecten (zoals de regeling van art. 3:86 BW(16)) mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp.(17)

2.4 Indien de rechter het beklag van de beslagene gegrond acht, geeft hij een last tot teruggave aan de beslagene (art. 552a lid 7 Sv).

2.5 Uit het voorgaande volgt dat de rechter ook in het hiervoor onder 2.2 bedoelde geval in overeenstemming met de hoofdregel teruggave van het voorwerp aan de beslagene zal gelasten, tenzij hij onder de gegeven omstandigheden de overtuiging heeft gekregen dat een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende op dat voorwerp kan worden aangemerkt.(18)

2.6 Het afgeven aan een derde zonder voorafgaande schriftelijke kennisgeving in de zin van art. 116 lid 3 Sv moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad jegens de beslagene.(19) Hetzelfde geldt voor het niet nakomen van een door de rechter gegeven last tot teruggave aan de beslagene.(20) De laatste kan jegens de Staat in beginsel aanspraak maken op volledige vergoeding van de door het onrechtmatig handelen veroorzaakte schade, te berekenen volgens het civiele schadevergoedingsrecht (art. 6:162 BW e.a.) en zo nodig vast te stellen door de civiele rechter.(21)

2.7 Indien de civiele rechter tot het oordeel komt dat de beslagene volgens het civiele recht niet rechtsgeldig aanspraak kan maken op het inbeslaggenomen voorwerp, kan de beslagene door het niet nakomen van de last tot teruggave geen schade hebben geleden.(22)

2.8 In beginsel kan de beslagene slechts rechthebbende van het beslagen voorwerp zijn geworden door overdracht, indien deze overdracht steunt op een levering krachtens geldige titel, verricht door een beschikkingsbevoegde (art. 3:84 lid 1 BW). Op dit laatste overdrachtsvereiste wordt een uitzondering gemaakt in art. 3:86 lid 1 BW. Op grond van deze bepaling is een overdracht van (onder meer) een roerende zaak(23) ondanks onbevoegdheid van de vervreemder geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Is aan de in lid 1 genoemde vereisten voldaan, dan wordt de verkrijger op het moment van de levering rechthebbende.(24)

2.9 Op deze beschermingsregel van art. 3:86 lid 1 BW ten gunste van de verkrijger te goeder trouw wordt vervolgens een uitzondering geformuleerd in art. 86 lid 3 BW, luidende: 'Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen.' Deze bevoegdheid geldt echter niet in de in lid 3 onder a en b genoemde gevallen van, kort gezegd, consumentenkoop in een gewone winkel respectievelijk overdracht van geld dan wel toonder- of orderpapier. Het bepaalde in lid 3 is na een lange en bewogen totstandkomingsgeschiedenis van het ontwerp voor art. 3:86 BW alsnog daaraan toegevoegd bij Derde Nota van Wijziging Invoeringswet 3, 5 en 5.(25) Hiermee is beoogd tegemoet te komen aan de bezwaren die uit een oogpunt van misdaadbestrijding aan een algehele bescherming van verkrijgers te goeder trouw zijn verbonden.(26)

2.10 Reeds onder vigeur van art. 2014 lid 2 BW (oud), waarbij art. 3:86 lid 3 BW - ten dele ook wat de redactie betreft - aansluit(27), is in de literatuur de vraag aan de orde gesteld naar de goederenrechtelijke positie van de gedeposseerde en de verkrijger te goeder trouw gedurende de termijn van 3 jaar. Volgens de toentertijd heersende leer bleef de eigendom bij de oorspronkelijke eigenaar en werd de verkrijging van de derde te goeder trouw opgeschort; indien de oorspronkelijk eigenaar echter niet binnen drie jaar had teruggevorderd, werd de derde met terugwerkende kracht eigenaar.(28) Door dit laatste was er praktisch nog maar weinig verschil met de opvatting dat de verkrijger te goeder trouw meteen eigenaar werd, behoudens een terugvorderingsrecht van de oude eigenaar.(29)

2.11 Met betrekking tot art. 3:86 lid 3 BW spreekt de wetgever van een revindicatierecht van de gedepossedeerde gedurende een termijn van drie jaar.(30) Volgens hem brengt de opzet van art. 3:86 BW - waarin lid 3 is geformuleerd als een uitzondering op lid 1 - mee

"dat na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn de voorafgaande leden hun volle werking hernemen, zodat iemand die intussen de zaak te goeder trouw en anders dan om niet verkreeg, van het tijdstip van het verstrijken van de termijn af volledig beschermd wordt en aldus, ook jegens de bestolene, met terugwerkende kracht tot het tijdstip van zijn verkrijging de eigendom verwerft. (...)

4. De verkrijger te goeder trouw van wie de zaak ingevolge het derde lid teruggevorderd wordt zal (...) voor wat betreft de door hem eventueel ten behoeve van de zaak gemaakte kosten, verhaal hebben op de bestolene overeenkomstig de regels van art. 3.5.14(31). Het gaat hier immers om een bezitter te goeder trouw, van wie de zaak door de rechthebbende wordt teruggevorderd. Voor deze kosten zal de verkrijger ook krachtens art. 3.5.14 lid 3 een retentierecht kunnen uitoefenen. (...)"

8. (..) de in het derde lid bedoelde termijn (...) moet worden gezien als een vervaltermijn van bijzondere aard in dier voege dat het antwoord op de vraag of zij al dan niet verstreken is, niet alleen beslissend is voor het vervallen van de rechtsvordering tot opeising doch ook voor de vraag of de bestolene nog eigenaar is dan wel een eventuele verkrijger te goeder trouw eigenaar is geworden."(32)

In de literatuur pleegt het bepaalde in lid 3 aldus te worden weergegeven dat de bestolen eigenaar nog gedurende drie jaren na de diefstal bevoegd is tot revindicatie.(33) Er wordt de gevolgtrekking aan verbonden dat de bestolen eigenaar gedurende drie jaar na de diefstal de eigendom behoudt(34) althans als rechthebbende heeft te gelden.(35) Het gaat om tijdelijk behoud van het recht van revindicatie in weerwil van lid 1; het ongebruikt verstrijken van de vervaltermijn bewerkstelligt dat de derde-verkrijger te goeder trouw onverkort bescherming geniet door lid 1, hetgeen meebrengt dat hij zijn verkrijging ook tegen de gedepossedeerde kan tegenwerpen alsof hij van meet af aan rechtsgeldig heeft verkregen.(36) Anders gezegd: mits aan alle eisen van lid 1 voldaan is, wordt de derde-verkrijger eigenaar, en wel met terugwerkende kracht tot het moment waarop de zaak aan hem werd geleverd.(37) Indien sprake is van een van de in lid 3 sub a en b genoemde uitzonderingsgevallen geldt de bescherming van lid 1 onverkort en wordt de derde die aan de daar gestelde eisen voldoet onmiddellijk eigenaar.

2.12 Zie voor een illustratieve toepassing van art. 3:86 lid 3 BW de beschikking van de Hoge Raad van 20 januari 2009(38) op een beklag ex art. 552a Sv, waarin, uitgaande van het ten tijde van de beoordeling van het klaagschrift door de rechtbank reeds verstreken zijn van de termijn van drie jaren als bedoeld in art. 3:86 lid 3 BW, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis wordt geoordeeld dat het eerste lid zijn volle werking heeft hernomen, zodat voor de beantwoording van de vraag of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd, beslissend is of hij het inbeslaggenomen voorwerp anders dan om niet en te goeder trouw heeft verkregen.(39)

2.13 In het thans ter beoordeling voorliggende geval heeft de officier van justitie zonder voorafgaande kennisgeving als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv de op de voet van art. 94 Sv onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen BMW afgegeven aan [betrokkene 3]. Op het daartegen gerichte beklag van [betrokkene 1] heeft de rechtbank gelast de auto aan deze terug te geven, aan welke last door de Staat niet kon worden voldaan. In het onderhavige civiele schadevergoedingsgeschil tegen de Staat heeft de rechtbank, tot uitgangspunt nemende dat voor schadeplichtigheid van de Staat bepalend is of [betrokkene 1] op 27 april 2005 eigenaar is geworden van de auto, geoordeeld dat [betrokkene 1] niet te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 lid 1 BW en de vordering reeds op die grond afgewezen. In hoger beroep heeft het hof, toepassing gevend aan evenvermelde maatstaf, geoordeeld dat [betrokkene 1] te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 lid 1 BW en de vordering grotendeels toegewezen. In het cassatieberoep wordt niet opgekomen tegen de door het hof gehanteerde maatstaf, noch tegen het oordeel dat [betrokkene 1] te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 lid 1.(40) Het cassatieberoep strekt onder meer tot betoog dat het hof de betekenis van art. 3:86 lid 3 BW voor het geval van teruggave aan de bestolene na strafvorderlijk beslag heeft miskend.

3. Beoordeling van het cassatieberoep

3.1 Het cassatiemiddel komt in vijf onderdelen en meerdere subonderdelen op tegen rov. 3.4, 3.6 en 3.8(41) van het arrest van het hof.

3.2 Onderdeel 1 ziet op rov. 3.4, waarin het hof heeft overwogen:

"3.4 Het hof leest (...) overweging 4.2 van de rechtbank niet anders dan dat de rechtbank tot uitdrukking heeft gebracht op wie de stelplicht én bewijslast rust van het eigenaarschap (...) en het daadwerkelijk geleden hebben van schade in een procedure als deze waarin schadevergoeding gevorderd wordt van de Staat. Het hof is van oordeel dat de rechtbank hierbij een juiste maatstaf heeft aangelegd en, deze maatstaf toepassend, staat voor het hof vast dat [betrokkene 1] op 27 april 2005 eigenaar is geworden van de BMW, dat hij uit hoofde daarvan rechtsgeldig aanspraak kon maken op deze inbeslaggenomen auto en dat hij schade heeft geleden doordat deze niet aan hem is teruggegeven, maar aan [betrokkene 3]. De Staat is schadeplichtig op grond van onrechtmatige daad nu hij niet heeft kunnen voldoen aan de last tot teruggave. (...)"

3.3 Subonderdeel 1.1 keert zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] op 27 april 2005 eigenaar is geworden van de BMW. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof met dit oordeel - dat kennelijk (mede) voortbouwt op de slotsom in rov. 3.3 dat [betrokkene 1] bij de aankoop van de BMW te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 lid 1 BW - de in art. 3:86 lid 3 BW opgenomen uitzondering op art. 3:86 lid 1 BW miskent, althans miskent dat, evenals opeising van zijn eigendom door de bestolen eigenaar binnen drie jaar op de voet van art. 3:86 lid 3 BW tot gevolg heeft dat de derde-verkrijger te goeder trouw geen eigenaar is geworden, ook teruggave door het openbaar ministerie aan de bestolene binnen drie jaar tot gevolg heeft dat de verkrijger te goeder trouw geen eigenaar is geworden.

Subonderdeel 1.2 klaagt subsidiair dat, indien en voor zover het hof het in onderdeel 1.1 gestelde niet miskent, 's hofs oordeel dat [betrokkene 1] op 27 april 2005 eigenaar is geworden van de BMW onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheid dat de BMW in augustus 2006, dus in ieder geval binnen drie jaren na de (in cassatie minst genomen veronderstellenderwijs aan te nemen) diefstal (op of omstreeks 27 april 2005) aan [betrokkene 3] is teruggegeven.

Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof in ieder geval onvoldoende gemotiveerd omdat het hof in het kader van rov. 3.4 niet is ingegaan op het beroep van de Staat op art. 3:86 lid 3 BW, althans heeft het hof de (positieve zijde van de) devolutieve werking van het appel miskend.

Tot slot klaagt het subonderdeel dat indien en voor zover rov. 3.4 van het bestreden arrest zo moet worden gelezen dat het hof ervan uitgaat dat geen sprake is geweest van diefstal van de BMW, het oordeel van het hof in het licht van de stellingen van de Staat onvoldoende is gemotiveerd. Indien en voor zover het hof uit het enkele feit dat de betrokken strafzaak is geseponeerd heeft afgeleid dat geen sprake is geweest van diefstal, getuigt die benadering van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het subonderdeel.

3.4 Bij de beoordeling van de klachten is het volgende van belang. Inbeslagneming is het onder zich nemen van een voorwerp ten behoeve van de strafvordering (art. 134 lid 1 Sv). Strafvorderlijk beslag is neutraal; het dient uitsluitend de belangen van de strafvordering, zoals verwoord in onder meer art. 94 Sv, en strekt niet ten behoeve van de vaststelling van burgerlijke rechtsverhoudingen tussen particuleren.(42) Het beslag ontneemt de beslagene (die niet verdachte of anderszins bij een strafbaar feit betrokkene hoeft te zijn) weliswaar tegen diens wil de feitelijke macht over het voorwerp, maar het verstoort de eigendomsverhouding niet(43), treedt evenmin in andere civielrechtelijke rechtsverhoudingen en heeft daar ook geen gevolgen voor.(44) Volgens vaste rechtspraak gaan bijvoorbeeld beperkte rechten en het retentierecht niet teniet door een strafrechtelijk beslag.(45) Voorts bepaalt art. 116 lid 6 Sv dat de in die bepaling bedoelde beslissingen omtrent teruggave aan de beslagene dan wel een derde 'ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet' laten. Daarmee is aangegeven dat de strafrechtelijke autoriteiten geen definitieve beslissingen over civielrechtelijke verhoudingen geven; zij zijn daartoe in het kader van een strafrechtelijke procedure niet voldoende toegerust.(46)

3.5 Tegen de achtergrond van het voorgaande dient, zo komt het mij voor, de opvatting waarop de rechtsklacht berust, te weten dat voor de toepassing van art. 3:86 lid 3 BW de afgifte aan de bestolen eigenaar na strafvorderlijk beslag gelijk moet worden gesteld met 'opeising als zijn eigendom' in de zin van die bepaling(47), te worden verworpen. Verdedigbaar is dat evenmin als het strafvorderlijk beslag zelf, de daarop volgende afwikkeling van het beslag gevolgen kan hebben voor de civielrechtelijke posities van de beslagene en derden. Evenals de inbeslagneming en de teruggavebeslissing van de officier geen verschuivingen in de eigendom van het beslagen voorwerp tot gevolg kunnen hebben, zo moet ook de feitelijke teruggave/afgifte aan de bestolen eigenaar geen mutaties in de goederenrechtelijke posities van betrokkenen kunnen bewerkstelligen. Gelijkstelling van afgifte aan de bestolen eigenaar met opeising door deze in de zin van art. 3:86 lid 3 BW zou een dergelijke mutatie teweegbrengen. Ik wijs erop dat het eigendomsrecht van de bestolen eigenaar gedurende de periode van drie jaren na de diefstal - in welke periode het voorwerp geleverd is aan een derde te goeder trouw in de zin van art. 3:86 lid 1 BW - in zoverre een beperking aankleeft dat het door de bestolene moet worden ingeroepen om rechtens effect te sorteren: verstrijkt de termijn onbenut, dan verliest de bestolene zijn eigendom met terugwerkende kracht aan de derde te goeder trouw. Met dit gemankeerde recht van de bestolene (zo men wil: een recht onder 'ontbindende voorwaarde' van niet-inroepen) correspondeert een latent ('voorwaardelijk') recht van de derde-verkrijger te goeder trouw: gedurende het restant van de drie jaarsperiode heeft hij een eigendomsverwachting. Deze eigendomsverwachting - die (met terugwerkende kracht) uitgroeit tot volwaardige eigendom indien de bestolene zijn eigendom niet tijdig opeist - wordt hem ontnomen indien afgifte door het OM aan de bestolene in gevolgen gelijk wordt gesteld met opeising door de bestolene. Het komt mij voor dat een dergelijk gevolg voor de goederenrechtelijke positie van betrokkenen niet verbonden moet kunnen zijn aan de afwikkeling van een overheidsmaatregel die zich geheel buiten de partijen om heeft voltrokken. Dit geldt a fortiori indien, zoals in het onderhavige geval gebeurd is, de officier van justitie niet heeft voldaan aan zijn kennisgevingsverplichting ex art. 116 lid 3 Sv. Voor de beantwoording van de vraag of een derde te goeder trouw in de zin van art. 3:86 lid 1 BW op het moment van levering rechthebbende is geworden, dient mijn inziens van een eventuele teruggave aan de bestolene na strafvordelijk beslag te worden geabstraheerd.(48)

3.6 Als minder principieel argument kan nog worden toegevoegd dat noch de wettekst noch de wetgeschiedenis van art. 3:86 lid 3 BW(49) concrete aanknopingspunten biedt voor de opvatting dat onder de uitzondering van lid 3 mede begrepen moet worden het geval dat de gestolen zaak anders dan via opeising door de bestolen eigenaar weer in diens bezit is gekomen.(50)

De consequentie van de door mij bepleite zienswijze is dat de bestolen eigenaar, wil hij zijn eigendomsrecht niet verliezen, dit alsnog binnen de drie jaarstermijn moet inroepen ofschoon hij, zoals [verweerder] het uitdrukt(51), de zaak door de officier van justitie reeds in de schoot geworpen kreeg. Aan het bezwaar dat de bestolene in die omstandigheid wellicht de neiging zal hebben om achterover te leunen en enig initiatief achterwege te laten wordt eenvoudig tegemoet gekomen indien de officier van justitie die teruggave aan de bestolene gelast, mede ter voorkoming van aansprakelijkheid (en in het verlengde van zijn reeds bestaande naspeurings- en informatieplichten(52)) de bestolene informeert dat het beslag en de teruggave niet hebben bewerkstelligd dat hij, anders dan voor het beslag het geval was, definitief rechthebbende is gebleven en dat hij zich om zijn eigendom veilig te stellen desgewenst tot de beslagene zal hebben te richten.

3.7 Uit het voorgaande volgt dat de rechts- en motiveringsklachten in de subonderdelen 1.1 en 1.2 naar mijn mening moeten falen.

3.8 Echter, ook indien het hiervoor onder 3.5-3.6 betoogde zou moeten worden verworpen en de subonderdelen berusten op een juiste rechtsopvatting - te weten: dat teruggave na strafvorderlijk beslag aan de bestolen eigenaar binnen drie jaar na de diefstal tot gevolg heeft dat degene die het goed inmiddels te goeder trouw geleverd heeft gekregen geen bescherming kan ontlenen aan art. 3:86 lid 1 BW - , kunnen de klachten mijns inziens geen doel treffen.

3.9 De Staat heeft, voor zover hier relevant, in feitelijke instanties (vgl. hiervoor onder 1.2) het (subsidiaire) verweer gevoerd dat, aangenomen dat [betrokkene 1] te goeder trouw heeft verkregen, sprake is geweest van diefstal zodat, nu van de in art. 86 lid 3 sub a bedoelde uitzondering (consumentenkoop) geen sprake was, [betrokkene 3] op de voet van art. 3:86 lid 3 BW de BMW gedurende drie jaar als zijn eigendom had kunnen opeisen en dat, gelet op de gedragingen van [betrokkene 3] na de diefstal en het beslag, hoogstwaarschijnlijk is dat [betrokkene 3] dit, ingeval de auto aan [betrokkene 1] was afgegeven, daadwerkelijk zou hebben gedaan. Dit verweer diende ter ondersteuning van de stelling dat [betrokkene 1] geen schade heeft geleden als gevolg van de teruggave aan [betrokkene 3].(53)

De Staat heeft derhalve in feitelijke instanties geen beroep gedaan op i) art. 3:86 lid 3 BW, ii) de (door de Staat gestelde maar door [verweerder] bestreden(54)) diefstal op 27 april 2005 en iii) de teruggave in augustus 2006 ten betoge dat [betrokkene 1] in weerwil van art. 3:86 lid 1 BW geen eigenaar is geworden omdat de BMW binnen drie jaar na de diefstal door [betrokkene 3] is opgeëist(55), althans aan hem door het OM is teruggegeven. Hierop stuiten alle klachten van de subonderdelen 1.1 en 1.2 af.

3.10 Subonderdeel 1.3 komt op tegen het oordeel van het hof dat vaststaat dat [betrokkene 1] rechtsgeldig aanspraak kon maken op de inbeslaggenomen auto en het oordeel dat hij schade heeft geleden doordat deze niet aan hem maar aan [betrokkene 3] is teruggegeven. Betoogd wordt dat deze oordelen voortbouwen op het door de subonderdelen 1.1 en 1.2 bestreden oordeel van het hof dat [betrokkene 1] op 27 april 2005 eigenaar is geworden van de BWM, zodat ook deze oordelen door de subonderdelen 1.1 en 1.2 getroffen worden.

Nu de vorige subonderdelen falen, deelt subonderdeel 1.3 in dat lot.

3.11 Subonderdeel 1.4 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.4 dat de Staat schadeplichtig is op grond van onrechtmatige daad nu hij niet heeft kunnen voldoen aan de last tot teruggave.

3.12 In de eerste plaats wordt aangevoerd dat het bestreden oordeel voortbouwt op de door de subonderdelen 1.1 tot en met 1.3 bestreden oordelen en aldus geen stand kan houden.

Het subonderdeel faalt nu voornoemde subonderdelen geen doel hebben getroffen.

3.13 Het subonderdeel berust voorts op de lezing dat het hof van oordeel is dat het enkele feit dat de Staat niet heeft kunnen voldoen aan de last tot teruggave meebrengt dat de Staat schadeplichtig is op grond van onrechtmatige daad, ook als in de onderhavige civiele procedure komt vast te staan dat (i) [betrokkene 3] op het moment dat de auto aan hem werd teruggegeven nog steeds eigenaar van de inbeslaggenomen auto was, (ii) [betrokkene 1] geen eigenaar is geworden en (iii) de Staat die auto dus heeft teruggegeven aan de eigenaar. Volgens het hof getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het karakter van de gegeven last tot teruggave. Voorts zou het hof bij deze lezing miskennen dat [verweerder] niet heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.2 van het vonnis van 11 november 2009 dat het niet kunnen voldoen aan een last tot teruggave niet zonder meer betekent dat de Staat schadeplichtig is op grond van onrechtmatige daad jegens degene ten behoeve van wie de last tot teruggave is gegeven.

3.14 Deze klachten falen bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers in navolging van de rechtbank geoordeeld dat schadeplichtigheid van de Staat niet kan worden aangenomen op de enkele grond dat de Staat niet aan de last tot teruggave kan voldoen, maar dat daartoe moet komen vast te staan dat [betrokkene 1] op 27 april 2005 rechtmatig eigenaar is geworden van de BMW en dat hij dus daadwerkelijk schade heeft geleden door teruggave van de auto aan een ander (rov. 3.4 in verbinding met rov. 2.3). Vervolgens heeft het hof in rov. 3.4 vastgesteld dat [betrokkene 1] eigenaar is geworden, uit hoofde daarvan rechtsgeldig aanspraak kon maken op de inbeslaggenomen auto en dat hij schade heeft geleden doordat deze niet aan hem maar aan [betrokkene 3] is teruggegeven.

3.15 Onderdeel 2 keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.6. Het hof heeft daarin als volgt overwogen:

"3.6 De opmerking van de Staat in de conclusie van antwoord(56), dat [betrokkene 3] de BMW op de voet van artikel 3:86, derde lid, BW als zijn eigendom had kunnen opeisen, zodat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door de BMW aan [betrokkene 3] terug te geven, althans [betrokkene 1] daardoor geen schade heeft geleden, verwerpt het hof. Immers indien [betrokkene 3] de BMW bij [betrokkene 1] had gerevindiceerd, had [betrokkene 1] op grond van artikel 3:120 BW daarbij recht gehad op de door hem ten behoeve van de BMW gemaakte kosten (voor aankoop en reparatie). [Betrokkene 1] had dan van [betrokkene 3] een bedrag gekregen waardoor zijn schade gecompenseerd zou zijn. Door teruggave (direct) aan [betrokkene 3] is [betrokkene 1] dit misgelopen."

3.16 Subonderdeel 2.1 voert aan dat indien en voor zover de oordelen in rov. 3.6 voortbouwen op het door onderdeel 1 bestreden oordeel van het hof in rov. 3.4, zij ook getroffen worden door de klachten in de subonderdelen 1.1 tot en met 1.4.

Gelet op het falen van de subonderdelen 1.1 tot en met 1.4 kan ook dit subonderdeel geen doel treffen.

3.17 Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof miskent dat de Staat niet onrechtmatig handelt jegens de beslagene/verkrijger te goeder trouw door het inbeslaggenomen voorwerp binnen drie jaren na de diefstal terug te geven aan de bestolen eigenaar die dat voorwerp op de voet van art. 3:86 lid 3 BW kan opeisen als zijn eigendom, in welk verband wordt verwezen naar de klachten in de subonderdelen 1.1 tot en met 1.4. Voorts wordt betoogd dat het feit dat de beslagene een vergoeding op grond van art. 3:120 BW is misgelopen, niets zegt over de (on)rechtmatigheid van de teruggave aan de bestolen eigenaar, maar hooguit iets zegt over de vraag of de beslagene daardoor schade heeft geleden.

3.18 De klacht treft geen doel voor zover zij voortbouwt op de tevergeefs voorgestelde subonderdelen 1.1 tot en met 1.4.

Voorts kan zij niet tot cassatie leiden omdat, naar in cassatie niet is bestreden, in hoger beroep ter beoordeling van de schadeplichtigheid van de Staat uitsluitend de vraag voorlag of [betrokkene 1] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat bestaande in het niet nakomen van de last tot teruggave, waartoe beoordeeld moest worden of [betrokkene 1] daadwerkelijk eigenaar is geworden op de voet van art. 3:86 lid 1 BW. Het hof diende daarbij te oordelen vanuit het perspectief van het moment van zijn beoordeling (na afloop van de drie jaarsperiode), en niet, zoals de klacht kennelijk tot uitgangspunt neemt, vanuit het perspectief van het moment van teruggave in 2006 (tijdens de drie jaarsperiode, toen [betrokkene 3] de zaak nog als zijn eigenom kon opeisen). De klacht ziet er, met andere woorden, aan voorbij dat het hof, in navolging van de rechtbank en in cassatie onbestreden, een andere onrechtmatige daad tot uitgangspunt heeft genomen dan aan de inleidende dagvaarding ten grondslag was gelegd.

3.19 Subonderdeel 2.3 klaagt dat het hof miskent dat indien de Staat een inbeslaggenomen voorwerp binnen een termijn van drie jaren als bedoeld in art. 3:86 lid 3 BW heeft teruggegeven aan de eigenaar die dat voorwerp op de voet van die bepaling als zijn eigendom kan opeisen, degene bij wie dat voorwerp in beslag genomen is (de beslagene) door dat handelen van de Staat geen, althans geen voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden. Deze klacht moet worden gelezen in verband met het betoogde in het hierna te noemen subonderdeel 2.6.(57) Volgens subonderdeel 2.4 heeft het hof met zijn op art. 3:120 BW gebaseerde oordeel in strijd met art. 24 Rv de grondslag van de vordering van [verweerder] aangevuld en is het aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het een ontoelaatbare verrassingsuitspraak gewezen. Subonderdeel 2.5 klaagt dat het hof miskent dat tot "de ten behoeve van het goed gemaakte kosten" in de zin van art. 3:120 lid 2 BW niet behoort de eventueel door de bezitter (verkrijger) te goeder trouw voor het goed betaalde koopprijs. Subonderdeel 2.6 klaagt ten slotte dat het hof met zijn op art. 3:120 BW gebaseerde oordeel miskent dat [betrokkene 1] op grond van art. 3:120 lid 2 BW ook recht had en - behoudens verjaring - nog steeds heeft op vergoeding van ten behoeve van de auto gemaakte kosten in de situatie dat de BMW door de Staat aan [betrokkene 3] werd teruggegeven en [betrokkene 3] de BMW dus van de Staat (althans van [betrokkene 1] via de Staat) had ontvangen.

3.20 Ik bespreek eerst subonderdeel 2.4 als klacht met de verste strekking. Dit subonderdeel wordt terecht voorgesteld. [Verweerder] heeft aan zijn vordering geen beroep op art. 3:120 BW ten grondslag gelegd, noch is een beroep op die bepaling anderszins onderdeel van het partijdebat geweest. Het hof heeft derhalve in strijd met artikel 24 Rv de feitelijke grondslag van de vordering van [verweerder] aangevuld, zodat het oordeel in rov. 3.6 geen stand kan houden. Bij het slagen van subonderdeel 2.4 behoeven de overige subonderdelen geen bespreking meer.

3.21 Het slagen van subonderdeel 2.4 leidt echter niet tot vernietiging van het arrest nu het bestreden oordeel mijns inziens geen dragende overweging vormt voor de beslissing van het hof dat de Staat aan [verweerder] een bedrag dient te voldoen van € 17.000,-. De overweging is een reactie op het subsidiaire verweer van de Staat dat [betrokkene 3], indien de BMW aan [betrokkene 1] was teruggegeven, de BMW toch als zijn eigendom zou hebben opgeëist, zodat [betrokkene 1] door de teruggave aan [betrokkene 3] geen schade heeft geleden. Dit verweer, dat was afgestemd op de oorspronkelijk aan de vordering ten grondslag gelegde onrechtmatige daad, is als gevolg van de vaststelling van een andere tot uitgangspunt dienende onrechtmatige daad (zie hiervoor onder 3.18) in feite niet meer relevant. De bestreden overweging ziet op de hypothetische situatie dat [betrokkene 3] eigenaar zou zijn gebleven en herinnert voor dat geval aan het vergoedingsrecht van de bezitter te goeder trouw ex art. 3:120 lid 2 BW. Het hof had evenwel in rov. 3.4 reeds vastgesteld dat [betrokkene 1], achteraf bezien, sedert 27 april 2005 als eigenaar moet worden aangemerkt, zodat dit gegeven uitgangspunt dient te zijn bij de vaststelling van de schade die is ontstaan doordat hij de auto, in strijd met de last, niet heeft teruggekregen.

3.22 Onderdeel 3 komt op tegen rov. 3.8(58), waarin het hof oordeelt dat de schade van [betrokkene 1] dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 17.000,-.

3.23 Subonderdeel 3.1 berust op de lezing dat dit oordeel van het hof voortbouwt op de oordelen van het hof in rov. 3.6 en betoogt dat dat oordeel eveneens getroffen wordt door de klachten in de subonderdelen 2.1 tot en met 2.6.

Het subonderdeel faalt nu het oordeel in rov. 3.8 niet voortbouwt op de oordelen van het hof in rov. 3.6. Zie ook hiervoor onder 3.21 en hierna onder 3.24 en 3.25.

3.24 Subonderdeel 3.2 veronderstelt dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.8 beoogt (i) de schade van [betrokkene 1] vast te stellen op een bedrag ter grootte van de door [betrokkene 1] ten behoeve van de BMW gemaakte kosten op vergoeding waarvan [betrokkene 1] op grond van art. 3:120 BW recht had gehad indien [betrokkene 3] de BMW bij [betrokkene 1] had gerevindiceerd en (ii) deze vergoeding vast te stellen op de waarde van de BMW op het moment van inbeslagneming, althans op het bedrag van de prijs waarvoor [betrokkene 1] de BMW heeft gekocht (de kosten voor aankoop). Het subonderdeel klaagt dat het hof miskent dat art. 3:120 lid 2 BW de bezitter te goeder trouw geen recht geeft op vergoeding van de eventueel voor het goed betaalde koopprijs.

Ook dit subonderdeel mist feitelijke grondslag. Rov. 3.8 biedt geen steun voor de lezing dat het hof met zijn bestreden oordeel heeft beoogd de schade van [betrokkene 1] vast te stellen op een bedrag ter grootte van de door [betrokkene 1] ten behoeve van de BMW gemaakte kosten op vergoeding waarvan [betrokkene 1] op grond van art. 3:120 BW recht zou hebben gehad indien [betrokkene 3] de BMW bij [betrokkene 1] had gerevindiceerd. Het hof is bij de vaststelling van de schade kennelijk en niet onbegrijpelijk uitgegaan van het eigendomsrecht van [betrokkene 1] en heeft daarvan uitgaande de schade bepaald op de waarde van de BMW op het moment van teruggave. Ik verwijs naar deze conclusie onder 3.21 en 3.25.

3.25 Subonderdeel 3.3 klaagt dat indien en voor zover het hof met zijn oordeel niet het in subonderdeel 3.2 achter (i) en/of (ii) gestelde beoogt, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is hoe het hof tot het oordeel komt dat de schade van [betrokkene 1] dient te worden vastgesteld op € 17.000,-. Het subonderdeel klaagt voorts dat de gedachtegang van het hof niet consistent is, omdat de vaststelling van de (omvang van de) schade in rov. 3.8 dan niet strookt met het door het hof in rov. 3.6 - naar aanleiding van het verweer van de Staat dat [betrokkene 1] geen schade heeft geleden - gegeven oordeel over de volgens het hof door [betrokkene 1] geleden schade.

Ik acht 's hofs vaststelling van de schade op € 17.000,- niet onbegrijpelijk. Uit rov. 3.8 volgt onmiskenbaar dat het hof met dit bedrag is uitgegaan van de waarde van de BMW op het moment van teruggave, welk bedrag de resultante is van de door [betrokkene 1] betaalde koopprijs, vermeerderd met waardevermeerdering als gevolg van gestelde reparaties en verminderd met de daarmee gelijk te stellen waardevermindering gedurende het (rechtmatig gelegde) beslag. Niet onbegrijpelijk heeft het hof in dit verband kennelijk aansluiting gezocht bij de stelling van partijen(59) dat [betrokkene 1] de BMW voor een inkoopprijs van € 17.000,- heeft aangeschaft.

Ter zake van de klacht over de inconsistente gedachtegang van het hof merk ik op dat ook deze klacht mijns inziens dient te falen nu de door het subonderdeel bedoelde oordelen van het hof zien op twee verschillende verweren. Zoals hiervoor onder 3.21 aan de orde kwam, heeft het oordeel van het hof in rov. 3.6 betrekking op het subsidiaire verweer van de Staat dat [betrokkene 1] geen schade heeft geleden aangezien [betrokkene 3] de BMW had kunnen (en zou) revindiceren (CvA onder 12) en ziet het derhalve op de hypothetische situatie dat [betrokkene 3] eigenaar zou zijn gebleven, terwijl het oordeel van het hof in rov. 3.8, uitgaande van het eigendomsrecht van [betrokkene 1], betrekking heeft op het meer subsidiaire verweer van de Staat dat de schade ten hoogste de kosten van revindicatie door [betrokkene 1] beloopt (CvA onder 4.1.1).

3.26 Onderdeel 4 komt op tegen rov. 3.8 (vijfde volzin) waarin het hof heeft geoordeeld:

"De Staat kan niet van [betrokkene 1] kan vergen dat hij na teruggave van de auto aan [betrokkene 3] deze zou aanspreken voor revindicatie, omdat de Staat zelf onrechtmatig jegens [betrokkene 1] heeft gehandeld door de BMW na het beslag niet aan [betrokkene 1] terug te geven en [betrokkene 1] de wettelijke mogelijkheid heeft om ieder op wie een schadevergoedingsplicht rust, voor de (gehele) schade aan te spreken."

Met dit oordeel verwerpt het hof het (meer subsidiaire) verweer van de Staat dat indien [betrokkene 1] als eigenaar van de BMW moet worden aangemerkt en de Staat schadeplichtig is, hooguit aanleiding zou kunnen bestaan voor vergoeding van de kosten die [betrokkene 1] (en/of [verweerder]) had moeten maken voor revindicatie van de BMW bij [betrokkene 3], aldus het onderdeel (verwezen wordt naar CvA onder 4.1.1).

3.27 Subonderdeel 4.1 wil de regel ingang doen vinden dat indien degene bij wie een voorwerp inbeslaggenomen is (de beslagene) eigenaar is (geworden) van dat voorwerp en dat voorwerp kan revindiceren van degene aan wie de Staat (het openbaar ministerie) het voorwerp heeft teruggegeven, de schade die de beslagene lijdt als gevolg van het feit dat het voorwerp niet aan hem, maar aan een ander is teruggegeven, slechts bestaat uit de kosten van de revindicatie, althans dat in dat geval (mede gelet op art. 6:98 BW(60)) hooguit alleen die kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het subonderdeel voert voorts aan dat als de beslagene nog eigenaar is, het voorwerp bovendien nog deel uitmaakt van zijn vermogen en de beslagene in zoverre geen schade lijdt. Het hof zou dit alles hebben miskend.

3.28 Het onderdeel dient mijns inziens te falen. Het beginsel van concrete schadeberekening(61) brengt mee dat de schade in het door het subonderdeel bedoelde geval in beginsel bestaat in de waarde van het aan de derde niet-eigenaar teruggegeven voorwerp (in welk verband de gedachte dat de eigenaar het voorwerp juridisch nog in zijn vermogen heeft en op die grond geen schade lijdt, mijns inziens dient te worden verworpen). Het subonderdeel komt er in wezen op neer dat van de eigenaar wordt geëist dat hij zijn schade beperkt door de zaak van de niet-eigenaar te revindiceren. De grenzen van een dergelijke schadebeperkingsplicht, die onder het bereik valt van art. 6:101 BW, worden bepaald door hetgeen de redelijkheid in het licht van de omstandigheden van het geval meebrengt.(62) Anders geformuleerd: de plicht van de benadeelde om zijn schade te beperken reikt niet verder dan dat hij gehouden is om datgene te doen wat redelijkerwijs onder de omstandigheden van hem gevergd kan worden.(63) Het middel rechtvaardigt de revindicatieplicht van de voormalig beslagene met de omstandigheid dat aan het stelsel van art. 116 Sv en de klaagschriftprocedure het risico van teruggave aan een ander dan de rechthebbende inherent is. Nu het onvermijdelijk is dat met enige regelmaat voorwerpen worden teruggegeven aan een ander dan de rechthebbende, mag, zo meent de Staat, van de beslagene verwacht worden dat het voorwerp door hem wordt gerevindiceerd (op kosten van de Staat).(64) Mede in het licht van het algemeen gezichtspunt dat bij de beoordeling van het gedrag van de benadeelde niet uit het oog zal mogen worden verloren dat het de dader is geweest die hem in een positie heeft geplaatst die hem tot handelen verplichtte(65), lijkt mij een dergelijke afwenteling op de voormalig beslagene niet onder alle omstandigheden aanvaardbaar. Dit geldt a fortiori indien de teruggave aan een ander dan de rechthebbende heeft kunnen plaatsvinden nadat de officier van justitie het procedurevoorschrift van art. 116 lid 3 Sv niet heeft nageleefd en aldus de rechthebbende zijn beklagmogelijkheid heeft onthouden. De voorgestane regel vindt mijns inziens ook overigens geen steun in het recht.(66)

Daarnaast merk ik op dat de in de stellingname van het subonderdeel besloten liggende voorwaarde dat de beslagen eigenaar het voorwerp kan revindiceren van degene aan wie de Staat het voorwerp heeft teruggegeven in het onderhavige geval niet vervuld is. [Verweerder] heeft immers onbestreden aangevoerd dat terugvordering niet meer mogelijk is, nu de auto na teruggave door de officier van justitie aan [betrokkene 3] op naam is gesteld van de heer Dan(67), die zich als derde te goeder trouw op de bescherming van art. 3:86 BW kan beroepen.(68)

3.29 Subonderdeel 4.2 stelt dat indien en voor zover het oordeel van het hof dat de Staat zelf onrechtmatig jegens [betrokkene 1] heeft gehandeld door de BMW na het beslag niet aan [betrokkene 1] terug te geven, voortbouwt op de oordelen van het hof in rov. 3.4 en rov. 3.6, de klachten in de onderdelen 1.1 tot en met 1.4 en 2.1 tot en met 2.6 ook eerstgenoemd oordeel van het hof vitiëren.

Het subonderdeel faalt. Het oordeel van het hof bouwt niet voort op dat in rov. 3.6, terwijl de tegen het oordeel in rov. 3.4 gerichte klachten geen doel treffen.

3.30 Onderdeel 5 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de zesde volzin van rov. 3.8, waarin het hof het beroep van de Staat op de schadebeperkingsplicht dan wel eigen schuld van [verweerder] verwerpt op de grond dat de daarvoor gestelde omstandigheden volgens het hof in het onderhavige geval daarvoor geen, althans onvoldoende aanleiding geven. Hiermee verwerpt het hof het (meer subsidiaire) verweer van de Staat dat indien [betrokkene 1] als eigenaar van de BMW moet worden aangemerkt en de Staat schadeplichtig is, de gevorderde schade op de voet van art. 6:101 BW geheel, althans gedeeltelijk (namelijk voor zover uitstijgend boven de revindicatiekosten) voor rekening van [verweerder] dient te blijven, aldus het subonderdeel (verwezen wordt naar CvA onder 4.1.1).

3.31 Het voortbouwende subonderdeel 5.1 faalt reeds nu de in dat subonderdeel genoemde klachten geen doel treffen.

3.32 Subonderdeel 5.2 klaagt dat het hof miskent dat de door de Staat aangevoerde omstandigheden in het onderhavige geval wel voldoende aanleiding geven voor honorering van het beroep op de schadebeperkingsplicht en/of eigen schuld van [verweerder] en dat de vergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW vervalt, althans vervalt voor zover de schade uitstijgt boven de revindicatiekosten. Voorts wordt geklaagd dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Subonderdeel 5.3 berust op de lezing dat het hof aan zijn verwerping van het beroep op de schadebeperkingsplicht en eigen schuld van [verweerder] (mede) de in de vijfde volzin van rov. 3.8 genoemde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd en klaagt dat het hof miskent dat geen van die omstandigheden aan een beroep op art. 6:101 BW en de schadebeperkingsplicht van [verweerder] in de weg staat, althans zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom dat het geval zou zijn.

3.33 De klachten falen. Bij akte van cessie d.d. 30 november 2006 heeft [betrokkene 1] aan [verweerder] overgedragen: "alle (...) aan [betrokkene 1] toekomende rechten op vergoeding van schade die voortvloeien uit de koop van de (..) BMW (..) en de inbeslagname daarvan, uit te oefenen tegen (..) de Staat der Nederlanden (..)".(69) De omvang van de door [betrokkene 1] overgedragen vordering jegens de Staat wordt mede bepaald door een eventuele schadebeperkingsplicht c.q. eigen schuld aan de zijde van [betrokkene 1]. Het hof heeft evenwel, in cassatie tevergeefs bestreden, geoordeeld dat een dergelijke verminderingsgrond zich in casu niet voordoet. [Betrokkene 1] heeft als cessionaris derhalve een vordering tot schadevergoeding ten belope van € 17.000,- verkregen. Niet is gesteld of gebleken dat hem door [betrokkene 1] tevens de eigendom van de auto is overgedragen. Anders dan subonderdeel 5.2 veronderstelt, bestaat er ten aanzien van [verweerder], die als cessionaris in het recht van [betrokkene 1] is getreden, geen grondslag voor het aannemen van een zelfstandige schadebeperkingsplicht of 'eigen' eigen schuld, nog daargelaten dat [verweerder], als niet-eigenaar van de auto, niet in staat zou zijn tot revindicatie of het vorderen van schadevergoeding ter zake jegens [betrokkene 3]. Het oordeel van het hof is mitsdien niet onjuist of onbegrijpelijk.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 1.1-1.2 van het arrest van het hof van 23 november 2010 i.v.m. rov. 2.1 t/m 2.14 van het vonnis van de rechtbank van 11 november 2009.

2 Zie de brief van de officier van justitie d.d. 28 december 2006 (inl. dagv., prod. 1, bijlage 6): ondanks sepot wegens het niet komen vast te staan van diefstal dan wel heling was voor de officier van justitie in voldoende mate aannemelijk dat [betrokkene 3] de eigenaar was van de auto.

3 Zie de vaststellingsovereenkomst en de akte van cessie (inl. dagv., prod. 1, bijlagen 7 en 8).

4 Inl. dagv., prod. 1.

5 Inl. dagv., prod. 2.

6 Inl. dagv., prod. 3.

7 Zie rov. 3.2 van het vonnis van de rechtbank en rov. 2.1 van het arrest van het hof.

8 CvA onder 3.6 e.v., 3.12 e.v. resp. 4.1 e.v.

9 MvA onder 1.2. Zie ook MvA onder 2.1.2.

10 Het arrest van het hof bevat abusievelijk tweemaal een rov. 3.9 en geen rov. 3.8. Ik lees de eerste rov. 3.9 derhalve als rov. 3.8.

11 De cassatiedagvaarding is 23 februari 2011 uitgebracht.

12 HR 28 september 2010, LJN: BL2823, NJ 2010, 654 m.nt. PAMM (hierna: de Overzichtsbeschikking), rov. 2.7.

13 Zie over teruggave na beslag, beklag en schadevergoeding in het algemeen o.m.: T&C Strafvordering (2011) art. 116 (Wöretshofer) aant. 1, 3, 9, 11a, 11b, 11h en 16, en art. 552a (Wöretshofer), aant. 5g, 16, 18d; Handboek Strafzaken (losbl.) (Berkhout-van Poelgeest) 11.6.1, 11.6.4, 11.6.5, 11.6.12, 77.2.6c, 77.2.7; Sdu Commentaar Strafvordering (2011) onderdeel I:244, art. 116 (Brouns), C.1.2.2, C.3, C.4.1-2, D.6, D.8; Melai-Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering (losbl.) art. 116-119a (Wöretshofer), aant. 4-6, en art. 116 (Wöretshofer ), aant. 3, 4.3, 10, 15.

14 Zie o.m. HR 29 maart 2011, LJN: BP0455, NJ 2011, 161, rov. 2.3; HR 20 februari 2007, LJN: AZ1656, NJ 2007, 147, rov. 3.

15 Overzichtsbeschikking, rov. 2.12.

16 Zie Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht (2011), p. 501 en de in voetnoot 700 vermelde jurisprudentie.

17 Overzichtsbeschikking, rov. 2.13, met verwijzing naar HR 2 maart 1993, LJN: ZC9244, NJ 1993, 662; HR 6 mei 2003, LJN: AF3826, NJ 2003, 459, en HR 3 juni 2003, LJN: AF6983. Zie art. 116 lid 6 Sv.

18 HR 13 december 2011, LJN: BQ3661, RvdW 2012, 25, rov. 3.4.

19 HR 10 december 1999, LJN: AA3840, NJ 2000, 7, rov. 3.5. Vgl. HR 25 juni 1991, LJN: ZC8663, NJ 1991, 823 m.nt. C, rov. 4.4-4.5.

20 HR 18 september 2009, LJN: BI7132, NJ 2010, 186 m.nt. MJB, rov. 3.3.1. Vgl. HR 29 januari 1999, LJN: ZC 2832, NJ 1999, 415 m.nt ARB, rov. 4.2.1.

21 HR 25 juni 1991, LJN: ZC8663, NJ 1991, 823 m.nt. C, rov. 4.5, 4.9. Vgl. HR 7 mei 1993, LJN: ZC0950, NJ 1993, 657 m.nt. ThWvV, rov. 3.5.3.

22 HR 10 december 1999, LJN: AA3840, NJ 2000, 7, rov. 3.5. Vgl. HR 25 juni 1991, LJN: ZC8663, NJ 1991, 823, rov. 4.7.

23 Mits deze is geleverd door bezitsverschaffing, zie art. 3:84 lid 1 BW.

24 De discussie of zulks al dan niet van rechtswege geschiedt, laat ik hier buiten beschouwing.

25 Zie over de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:86 BW o.m. Asser/Mijnssen-De Haan-Van Dam 3-I (2006), nr. 322-327; Mon. NBW A-22 (Nieskens/Van der Put) (2002), nr. 16.

26 Brief van de minister, MO II Inv. en NvW 3 Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6) p. 1217, 1220 resp. 1223.

27 NvW 3 Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1223. Art. 2014 BW (oud) luidde: '1. Met betrekking tot roerende goederen (...) geldt het bezit als volkomen titel. 2. Niettemin kan degene, die iets verloren heeft of aan wien iets ontvreemd is, gedurende drie jaren, te rekenen van den dag, waarop het verlies of de ontvreemding heeft plaats gehad, het verlorene of ontvreemde als zijn eigendom terugvorderen van dengenen, in wiens handen hij hetzelve vindt; (...) onverminderd de bepaling van artikel 637.' Art. 637 BW (oud) gaf de derde te goeder trouw recht op vergoeding van de koopprijs indien hij de zaak op een jaar- of andere markt, of op een openbare veiling had gekocht. Voor het nieuwe recht achtte de minister de mogelijkheid tot revindicatie van (ook) verloren goederen uit een oogpunt van misdaadbestrijding niet noodzakelijk, terwijl er in geval van verlies - vaak een kwestie van slordigheid - minder reden bestaat om de oorspronkelijk eigenaar ten koste van de verkrijger te goeder trouw te beschermen. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1220, 1223.

28 Asser-Beekhuis I (Zakenrecht), 1985, nr. 546.

29 H. Drion, Compendium van het Nederlands vermogensrecht, bew. door Jac. Hijma en M.M. Olthof, 1991, nr. 163.

30 MO II Inv. (Antwoord van de Minister), Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1220.

31 Thans art. 3:120 BW.

32 NvW 3 Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1223, 1125.

33 Pitlo/Reehuis & Heisterkamp (2012), nr. 163; Asser/Mijnssen-De Haan-Van Dam 3-I (2006), nr. 342; A.S. Hartkamp, Compendium van het vermogensrecht voor de rechtspraktijk (2005), nr. 94 III.

34 J.E. Fesevur, Justitieel beslag bij de koper te goeder trouw van een gestolen zaak en artikel 3:86 Nieuw BW, in: Castermans e.a. (red), Practicum Nieuw BW, BK-krant jaarboek 1991, p. 13, 14, 17.

35 H.J. Snijders, Goederenrecht (2012), nr. 377.

36 Pitlo/Reehuis & Heisterkamp (2012), nr. 163.

37 Snijders, a.w., nr. 377; Jac. Hijma en M.M. Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht (2011), nr. 152a; Hartkamp, a.w., nr. 94 III.

38 HR 20 januari 2009, LJN: BG3454, RvdW 2009, 229.

39 Vgl. o.m. HR 4 februari 1997, LJN: ZD0634, NJ 1997, 390 (beklag ex art. 552a Sv tegen voornemen als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv): het oordeel dat de derde-verkrijger bij aankoop bedrijfsmatig handelde en de bestolene de gestolen zaken daarom ingevolge art. 3:86 lid 3 BW als zijn eigendom kon opeisen geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

40 Vgl. cassatiedagvaarding onder 1 en s.t. onder 3.5.

41 Zie voetnoot 10 van deze conclusie.

42 MvT, TK 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 46.

43 Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht (2011), p. 473.

44 P.A.M. Mevis, noot onder HR 22 januari 2008, LJN: BB8980, NJ 2008, 300 (m.n. onder 1 en 6).

45 HR 22 januari 2008, LJN: BB8980, NJ 2008, 300 m.nt. PAMM, verwijzend naar HR 21 mei 1996, DD 96.328. In deze laatste beschikking wordt zonder nadere motivering overwogen dat door strafrechtelijk beslag een op een voorwerp rustend beperkt recht of een daarop rustend retentierecht niet tenietgaat. In zijn conclusie voor deze beschikking (aan deze conclusie gehecht) heeft A-G Meijers, ten betoge dat een retentierecht niet door strafrechtelijke inbeslagneming tenietgaat, verwezen naar HR 13 mei 1988, LJN: AC3068, NJ 1989, 201 m.nt. WMK. Daarin werd met betrekking tot verbeurdverklaring beslist dat deze niet tot gevolg heeft dat een gevestigd beperkt recht of een tevoren ontstaan retentierecht tenietgaat, zulks op de grond dat de wettelijke regeling daarin niet voorziet.

46 MvT, TK 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 7, 14. Zie voorts de jurisprudentie, vermeld onder 2.3 van deze conclusie, en Melai-Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering (losbl.) aant. 116 (Wöretshofer), aant. 4.3 en 15.

47 Zie ook s.t. onder 4.5.

48 Vgl. J.E. Fesevur, Justitieel beslag bij de koper te goeder trouw van een gestolen zaak en artikel 3:86 Nieuw BW, in: Castermans e.a. (red), Practicum Nieuw BW, BK-krant jaarboek 1991, p. 25-26.

49 Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1204-1227.

50 Indien de derde-verkrijger te goeder trouw de zaak vrijwillig afgeeft aan de gedepossedeerde, moet het ervoor worden gehouden dat hij zich niet op de bescherming van art. 3:86 lid 1 BW beroept althans afstand daarvan doet, zodat hij reeds op die grond geen eigendom heeft verkregen en aan de uitzondering van lid 3 niet wordt toegekomen. Anders dan s.t. onder 4.3 meen ik dan ook dat vrijwillige teruggave door de verkrijger deze niet de - ongerijmde - mogelijkheid biedt om aan de werking van art. 3:86 lid 3 BW te ontkomen.

51 MvG p. 9.

52 Zie art. 552a lid 5 en art. 552ca Sv, waarover MvT, TK 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 46; Melai-Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering (losbl.) art. 552ca (Wöretshofer), aant. 6.1-6.4. Het tot 1 januari 1993 geldende art. 552c Sv (oud) bepaalde dat het OM, zodra het bemerkt dat een inbeslaggenomen voorwerp tijdens het begaan van het strafbare feit toekwam aan een ander dan de verdachte, die ander in kennis stelt van zijn bevoegdheden tot beklag. Volgens Melai-Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering (losbl.) art. 552ca (Wöretshofer), aant. 6.3 is de officier van justitie ook onder vigeur van het huidige art. 552ca Sv in iedere fase van het strafproces bevoegd tot een dergelijke kennisgeving aan degene van wie hij vermoedt dat het inbeslaggenomen voorwerp hem toebehoort.

53 CvA onder 3.12-3.15; MvA onder 2.1.2, 2.3.4-2.3.8.

54 Zie inl. dagv. onder 22-29; CvA onder 3.13-3.15; p-v d.d. 20 maart 2009, p. 2, 3; MvG onder 7-9; MvA onder 2.3.7.

55 Vgl. s.t. onder 4.4-4.5. De aldaar vermelde 'aanspraak', die [betrokkene 3] op 15 juni 2006 bij het OM zou hebben gemaakt, ziet op het antwoordformulier d.d. 15 juni 2006 (MvA prod. 1) waarin [betrokkene 1] aangeeft over de strafzaak te willen worden geïnformeerd en schade te hebben geleden. (Ook) dit formulier is uitsluitend aangevoerd te betoge dat hoogstwaarschijnlijk is dat [betrokkene 3] de auto, indien deze aan [betrokkene 1] was teruggegeven, zou hebben opgeëist (MvA onder 2.3.4)

56 Het hof doelt kennelijk op CvA onder 3.12.

57 Aldus s.t. onder 6.1 en 6.8.

58 Zie voetnoot 10 van deze conclusie.

59 Inl. dagv. onder 37; CvA onder 4.2.1. In MvA onder 2.2.10 heeft de Staat nog in zeer algemene zin betwist dat dit bedrag een marktconforme prijs was, maar niet betwist dat [verweerder] dit bedrag heeft betaald.

60 S.t. onder 7.2 en 7.5.

61 Zie o.m. T&C BW (2011), art. 6:97 (Oosterveen/Frenk), aant. 2.

62 R.J.B. Boonekamp, Schadevergoeding (losbl.), art. 101, aant. 40, met literatuurverwijzingen, waaronder Keirse, Schadebeperkingsplicht (diss.), 2003, p. 117.

63 R.J.B. Boonekamp, Schadevergoeding (losbl.), art. 101, aant. 37.

64 S.t. onder 7.4-7.5.

65 R.J.B. Boonekamp, Schadevergoeding (losbl.), art. 101, aant. 40, onder a en Keirse, a.w., p. 118-121.

66 Zie in dat verband HR 25 juni 1991, LJN: ZC8663, NJ 1991, 823 m.nt. C. Weliswaar kwam de Hoge Raad in die beschikking terug van zijn rechtspraak dat de beslagene jegens wie onrechtmatig was gehandeld omdat na gegrondbevinding van een beklag op de voet van art. 552a Sv op de grond dat de officier van justitie zonder kennisgeving van zijn voornemen daartoe het inbeslaggenomen voorwerp reeds aan een ander heeft doen afgeven, als regel kan worden overgegaan tot uitbetaling van de in het tweede lid van art. 119 Sb bedoelde prijs (d.i. de geschatte verkoopprijs), maar de Hoge Raad deed dat teneinde bij bepaling van de schadevergoeding rekening te kunnen houden met de onderliggende civielrechtelijke (eigendoms)verhoudingen tussen de betrokkenen. De Hoge Raad heeft zich daarbij rekenschap gegeven van het bestaan van omstandigheden waaronder voor uitbetaling van de waarde van het inbeslaggenomen voorwerp als vergoeding van de schade die de beslagenen heeft geleden als gevolg van het verzuim van het Openbaar Ministerie, onvoldoende grond bestaat (rov. 4.7). Dit laat echter onverlet dat buiten die omstandigheden, dus in het geval dat de beslagene die schadevergoeding vordert ook daadwerkelijk rechthebbende blijkt te zijn, vergoeding van de waarde van het voorwerp nog steeds wel mogelijk is. Zie ook rov. 4.5: "Wel kan de beslagene jegens de Staat aanspraak maken op volledige vergoeding van de schade welke hij lijdt doordat wegens onrechtmatig optreden van het Openbaar Ministerie, als hiervoor bedoeld, niet kan worden voldaan aan de ingevolge art. 552a vijfde lid Sv door de rechter aan de gegrondbevinding van het beklag te verbinden last tot teruggave aan de beslagene van het inbeslaggenomen voorwerp, maar die schade behoeft niet gelijk te zijn aan de prijs die het inbeslaggenomen voorwerp bij verkoop door de bewaarder redelijkerwijs had moeten opbrengen." Deze formulering laat ruimte voor de uitleg dat bedoelde schade wel gelijk kan zijn aan die verkoopwaarde. Zie voorts Corstens in zijn noot onder het arrest, onder 7: "De beslagene zal nu, bij gegrondbevinding van het beklag, bij de Staat schadevergoeding moeten zien te verkrijgen of bij de derde het voorwerp moeten opvorderen." Zie verder de conclusie van A-G Vranken voor HR 7 mei 1993, LJN: ZC0950, NJ 1993, 657 m.nt. ThWvV.

67 Rechtbank en hof zijn van deze tenaamstelling uitgegaan, zie rov. 1.1 van het bestreden arrest i.v.m. rov 2.6 van het vonnis van de rechtbank.

68 Inl. dagv. onder 30-33. De Staat heeft zulks niet bestreden en slechts betoogd dat ingeval revindicatie niet (meer) mogelijk zou blijken te zijn, [verweerder] zijn schade had moeten beperken door schadevergoeding van [betrokkene 3] te vorderen (CvA onder 4.1.1).

69 Inl. dagv., prod. 1, bijlage 8.