Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW4301

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
11/00813
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW4301
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige aanhouding medewerkers Holland Casino? De HR verstaat ’s Hofs oordeel aldus dat het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat geen sprake was van ontdekking op heterdaad en dat het optreden van de Holland Casinomedewerkers daarom niet kan worden aangemerkt als een aanhouding a.b.i. art. 53 Sv. Dat oordeel geeft, in het licht van ’s Hofs vaststellingen omtrent de aanleiding voor het optreden van de medewerkers, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte pas is aangehouden door de opsporingsambtenaren. ’s Hofs oordeel dat deze aanhouding rechtmatig is geschied op de grond dat de opsporingsambtenaren daartoe eerst zijn overgegaan nadat ze a.d.h.v. camerabeelden hadden vastgesteld dat jegens verdachte voldoende verdenking van een strafbaar feit bestond, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/713
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00813

Mr. Knigge

Zitting: 14 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 27 januari 2011 verdachte wegens "opzettelijk gebruik maken van een valse pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalste, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden en in beslag genomen klantenpassen verbeurd verklaard.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J.F. van den Brugge, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was.

4.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 januari 2011 heeft de raadsman van de verdachte aldaar, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd.

"Het bewijs is onrechtmatig verkregen, als gevolg van de onrechtmatige aanhouding en fouillering van cliënt. Medewerkers van Holland Casino hebben cliënt naar een aparte ruimte in het Casino meegenomen. Cliënt kon op dat moment niet weglopen en was dus in feite reeds aangehouden toen de politie aankwam. Er is dus sprake geweest van een burgeraanhouding. Op dat moment was er echter geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit en had cliënt niet mogen worden aangehouden. De beveiligers van het casino hebben slechts waargenomen dat cliënt van Roemeense afkomst was en dat hij twee keer heeft geprobeerd geld te pinnen Dat is onvoldoende om een verdenking te doen ontstaan. Dat hij zenuwachtig overkwam, is een subjectief criterium, terwijl objectieve criteria gelden bij de beoordeling of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering."

4.3. Het Hof heeft het gevoerde verweer in zijn verkorte arrest als volgt verworpen:

Onrechtmatige aanhouding?

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen (pag. 4 e.v.) heeft de beveiligingsmedewerker [betrokkene 1] als volgt over zijn waarnemingen verklaard. Op 24 februari 2010 kwam een Roemeense man bij Holland Casino binnen. Door middel van het in het casino aanwezige camera-systeem werd deze man geobserveerd. Hij zag op deze beelden dat de man bij twee pinautomaten probeerde te pinnen. Het lukte niet en de man liep zenuwachtig heen en weer ter hoogte van de pinautomaten. De man was aan het telefoneren, liep de toiletruimte in en liep kort daarna opnieuw in de richting van de pinautomaten. Hierop is [betrokkene 1] naar de man toegegaan en heeft hem aangesproken, waarop de man verklaarde dat hij niet meer in het bezit was van een bankpas, maar deze kennelijk verloren had. [Betrokkene 1] zag dat de man tijdens dit gesprek een pas uit de automaat pakte. Hierop is de man in afwachting van de komst van politie naar een "ruimte voor ophoud" meegegaan. Uit de stukken in bet dossier komt niet naar voren, en evenmin heeft de raadsman gesteld dat de verdachte tegen zijn wil, zelfs met geweld, is meegenomen en in de ruimte voor oponthoud heeft verbleven. Uit het proces-verbaal van bevindingen (pag. 5) blijkt dat genoemde [betrokkene 1] en zijn collega de politie hebben gebeld en dat zij de verdachte vervolgens onverwijld aan de twee opsporingsambtenaren hebben overgedragen.

Het hof is van oordeel dat deze handelwijze niet als een burgeraanhouding kan worden aangemerkt, omdat er geen sprake van een ontdekking op heterdaad was. Na de overdracht hebben de verbalisanten, zoals hieronder nog ter sprake komt, onder meer de video-opnamen bekeken waardoor de verdenking van het begaan van een strafbaar feit ontstond. Op dat moment mochten de verbalisanten de verdachte aanhouden. De aanhouding was derhalve rechtmatig en derhalve verwerpt het hof dit onderdeel van het verweer.

4.4. Het middel keert zich met twee samenhangende klachten tegen het oordeel van het Hof dat van een onrechtmatige burgeraanhouding door de medewerkers van Holland Casino geen sprake was. De klacht die ik als eerste bespreek, richt zich als ik het goed begrijp tegen het kennelijke oordeel van het Hof dat de verdachte vrijwillig met de bedoelde medewerkers is meegegaan naar een ruimte voor oponthoud, nu uit de stukken in het dossier niet naar voren komt en de raadsman evenmin heeft gesteld "dat de verdachte tegen zijn wil, zelfs met geweld, is meegenomen". Dit oordeel komt mij inderdaad niet zonder meer begrijpelijk voor. De raadsman heeft niet alleen aangevoerd dat de verdachte is "meegenomen" - hetgeen bevestiging vindt in het eerste bewijsmiddel - maar ook gesteld dat de verdachte op dat moment niet kon weglopen en dus in feite reeds was aangehouden. Daarin ligt als stelling van de raadsman besloten dat de verdachte tegen zijn wil in de oponthoudsruimte verbleef en dus van zijn vrijheid was beroofd. Aan die stelling doet niet af dat noch uit de stukken, noch uit het aangevoerde blijkt dat geweld is toegepast. Van vrijheidsbeneming is ook sprake als de verdachte kan verwachten dat hij met geweld wordt tegengehouden als hij zou pogen zich te verwijderen. Bij de meeste aanhoudingen die de politie verricht, blijkt ook niet van de toepassing van geweld.

4.5. De tweede klacht keert zich tegen het oordeel van het Hof dat het optreden van de medewerkers van Holland Casino niet als een burgeraanhouding kan worden aangemerkt, "omdat er geen sprake van een ontdekking op heterdaad was". Het ontbreken van de vereiste verdenking maakt niet, aldus de steller van het middel, dat geen sprake was van een aanhouding, maar maakt dat de vrijheidsbeneming en daarmee de aanhouding onrechtmatig was. Ook hier lijkt het middel een punt te hebben. Het Hof heeft echter kennelijk niet tot uitdrukking willen brengen dat de (beweerdelijke) vrijheidsbeneming van de verdachte rechtmatig was omdat er geen sprake was van een ontdekking op heterdaad, maar, zij het in minder gelukkige bewoordingen, dat de beweerdelijke onrechtmatige vrijheidsbeneming niet als een aanhouding in de zin van art. 53 Sv kan worden aangemerkt omdat aan de in dat artikel gestelde voorwaarden niet was voldaan.

4.6. Bij deze uitleg van 's Hofs overweging sluit aan dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte door de verbalisanten is aangehouden nadat bij hen het redelijke vermoeden had postgevat dat de verdachte een strafbaar feit had begaan. Die aanhouding was niet nodig geweest - en was juridisch gezien zelfs buiten de orde - als de verdachte reeds op grond van art. 53 Sv was aangehouden. Het vierde lid van art. 53 Sv schrijft voor dat de burger de door hem aangehouden verdachte onverwijld overlevert aan een opsporingsambtenaar. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de onderhavige "overdracht" niet als een "overlevering" in de zin van dit artikellid kan worden aangemerkt, aangezien de verbalisanten niet voetstoots hebben aangenomen dat de verdachte door de casinomedewerkers rechtmatig was aangehouden en het nodig vonden om zich een eigen oordeel te vormen over de vraag of er voldoende grond was om tot aanhouding over te gaan. Het oordeel van het hof komt er dus op neer dat het eventuele onrechtmatige optreden van de casinomedewerkers niets afdoet aan de rechtmatigheid van de aanhouding die daarna door de verbalisanten is verricht.

4.7. Dit oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Ik teken daarbij aan dat uit de stukken van het geding niet blijkt en dat evenmin door de verdediging is aangevoerd dat de verbalisanten de verdachte in de periode na zijn "overdracht" en vóór zijn aanhouding van zijn vrijheid hebben beroofd. Daarom kan de vraag blijven rusten of opsporingsambtenaren in situaties als de onderhavige - waarin sprake is van de overdracht van een al dan niet rechtmatig door burgers "aangehouden" verdachte - niet enige tijd moet worden gegund om de situatie te beoordelen en of daarin niet een - in de wettelijke regeling van de aanhouding geïmpliceerde - grond is gelegen voor een kortstondige vrijheidsbeneming.

4.8. Het onder 4.7 bedoelde oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig. Het onder 4.4 gesignaleerde motiveringsgebrek kan daarom niet tot cassatie leiden.

5. Het middel faalt.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG