Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW4254

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
10/03916
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN5754
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW4254
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Artt. 6 en 175 WVW 1994. Schuld. Roekeloosheid. HR herhaalt de relevante overwegingen t.a.v. schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994 en “roekeloosheid” uit HR LJN A05822 en HR LJN BU2016. De motivering van het Hof schiet tekort. De door het Hof genoemde omstandigheden zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte "zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam" heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" i.d.z.v. art. 6 WVW jo. art. 175 WVW heeft gereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/977
NJ 2012/489 met annotatie van F.W. Bleichrodt
VR 2013/69
NBSTRAF 2012/291
VA 2013/27 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
JIN 2012/168 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/03916

Mr. Vegter

Zitting 28 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 26 augustus 2010 wegens "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren.

2. Mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaarde schuld niet uit de bewijsmiddelen blijkt, althans dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich als bestuurder van een personenauto roekeloos heeft gedragen zodanig dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden - zonder nadere motivering die ontbreekt - onbegrijpelijk is.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 17 januari 2008 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (taxi) -in de hoedanigheid van beroepschauffeur-, daarmee rijdende over de tram/busbaan van de Marnixstraat zich zodanig, te weten roekeloos heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenletsel en een gebroken linker onderbeen werd toegebracht;

bestaande dat gedrag uit het volgende:

de verdachte, heeft toen daar, als bestuurder van voornoemde personenauto gereden over de tram/busbaan van de Marnixstraat, komende uit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van het Leidseplein,

- terwijl het donker was en

- terwijl het wegdek vochtig was en

- terwijl hij niet in het bezit was van een ontheffing om de tram/busbaan te mogen berijden en

- terwijl hij met de verkeerssituatie ter plaatse goed bekend was;

de verdachte heeft, bij nadering van de kruising van de Marnixstraat met de Elandsgracht waargenomen dat er zich een voetganger ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats - gelegen gezien verdachtes rijrichting, vlak na de kruising van de Marnixstraat met de Elandsgracht bevond;

de verdachte is vervolgens die kruising overgestoken, terwijl hij de tram/busbaan is blijven berijden en heeft zich er daarbij niet van vergewist en is er zich er niet van blijven vergewissen dat die voetganger, [slachtoffer], wilde oversteken;

immers heeft de verdachte niet tijdig en niet voldoende afgeremd en is de verdachte niet tijdig en niet voldoende uitgeweken voor deze voetganger, die doende was, gezien verdachtes rijrichting van rechts naar links, over te steken,

hierdoor is de verdachte tegen voornoemde voetganger aangereden en aangebotst waardoor aan deze voetganger ([slachtoffer]) het hiervoor omschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht."

3.3. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een door haar aan het hof overgelegde notitie op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval sprake is van roekeloosheid. Daarnaast heeft zij gesteld dat voor de verdachte een 'Garantenstellung' geldt: nu de verdachte een taxichauffeur is mag van hem als weggebruiker meer worden verwacht.

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting primair op het standpunt gesteld dat bij de verdachte geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat, indien het hof van oordeel is dat bij de verdachte wel sprake was van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, de zwaarste schuldvorm, te weten roekeloosheid, niet kan worden bewezen. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd, kort samengevat, dat uit de stukken van het dossier niet volgt dat het slachtoffer op het moment dat hij door de verdachte werd aangereden zich op de voetgangersoversteekplaats bevond. Nu dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld is de vraag of de verdachte bedacht heeft moeten zijn op overstekende voetgangers, dan wel of de verdachte de plicht had om het slachtoffer voorrang te verlenen. Voorts blijkt uit het NFI-rapport dat de verdachte heeft afgeremd. Het feit dat de verdachte zonder ontheffing op de trambaan reed, met een hogere snelheid dan daar is toegestaan, is onvoldoende om te spreken van roekeloos rijgedrag, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Voor de beoordeling van het verkeersgedrag van de verdachte in het onderhavige geval, beziet het hof het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.

Ten aanzien van de plaats van het ongeval

Het ongeval vond plaats op de Marnixstraat, net na de kruising met de Elandsgracht; dit is in het centrum van Amsterdam. De Marnixstraat bestaat daar uit één rijbaan met één verkeersstrook voor het verkeer komende uit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van het Leidseplein. Links naast deze rijstrook bevindt zich een afgescheiden baan voor trams en bussen in beide richtingen, waarop de verdachte met zijn auto reed. Vanuit die richting bezien, is direct na het kruisen van het kruispunt op de Marnixstraat een voetgangersoversteekplaats gelegen en enkele meters daarna een tram/nachtbushalte.

Vaststaat dat het slachtoffer kort na 2 uur 's nachts de Marnixstraat, ter hoogte van de hoek van het politiebureau, is gaan oversteken. Uit beelden van de camera die is bevestigd aan het politiebureau, valt op te maken dat het slachtoffer, (bezien vanaf de Elandsgracht-Kinkerstraat) in de lijn van het midden van de onderdoorgang van het politiebureau, de Marnixstraat is overgestoken. Dit is ter hoogte van genoemde voetgangersoversteekplaats. Het slachtoffer heeft de Marnixstraat dus overgestoken op of vlak na een voetgangersoversteekplaats en in de directe nabijheid van een tramhalte.

Daarnaast staat vast dat het slachtoffer, voordat de verdachte hem heeft aangereden reeds de eerste verkeersstrook had overgestoken en inmiddels bezig was de trambaan over te steken.

Ten aanzien van de gereden snelheid

Het NFI heeft aan de hand van camerabeelden de snelheid van de door de verdachte bestuurde auto met een grote mate van nauwkeurigheid kunnen vaststellen, zoals weergegeven in het NFI-rapport van 13 april 2010. De bevindingen van het NFI komen er op neer dat de verdachte bij het benaderen van het kruispunt met een snelheid gelegen tussen 57 en 68 km/u heeft gereden.

Voorts blijkt dat de verdachte het kruispunt met een snelheid gelegen tussen de 58 en 67 km/u is overgestoken en dat hij in het laatste traject, namelijk gelegen na het kruispunt tot het punt van aanrijding(1) een snelheid had, gelegen tussen de 39 en 49 km/u.

De verdachte heeft aldus veel te snel gereden. Niet alleen voor wat betreft het rijden binnen de bebouwde kom, maar ook voor wat betreft het naderen van een kruispunt. Voor wat betreft de gereden snelheid ter hoogte van de tramhalte geldt het hiernavolgende.

Ten aanzien van de trambaan

De verdachte is ter hoogte van de Rozengracht op de trambaan van de Marnixstraat (in de richting van het Leidseplein) gaan rijden. Het is voor automobilisten verboden om over deze trambaan te rijden, maar taxichauffeurs kunnen daarvoor een ontheffing krijgen. Daartoe is onder meer vereist dat de taxichauffeur een specifieke opleiding volgt en met goed gevolg afrondt. De verdachte is - en was ook ten tijde van het ongeval op 17 januari 2008 - taxichauffeur in Amsterdam, maar op die datum nog niet in het bezit van een trambaanontheffing. Wel was de verdachte in die periode bezig met de opleiding voor het verkrijgen daarvan en hij was op de hoogte van de regels die gelden voor het rijden op de trambaan.

Eén van deze regels houdt in dat ter hoogte van een tramhalte met een gepaste snelheid van 20 à 30 km/u dient te worden gereden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat, vanwege de zich in het wegdek bevindende gladde tramrails, auto's op een trambaan een langere remweg hebben. Uit genoemd NFI-onderzoek blijkt echter dat de verdachte met een veel te hoge snelheid de tramhalte is genaderd en zeker niet heeft gereden conform de daarvoor geldende ontheffingsregels.

Ten aanzien van de weer- en verkeerssituatie

Ten tijde van het ongeval (rond 2 uur 's nachts) was het droog, maar het wegdek was nog vochtig van een eerdere regenbui. Er was weinig verkeer op de Marnixstraat en het kruispunt was goed verlicht. Het zicht van de verdachte was onbelemmerd.

Ten aanzien van de positie van het slachtoffer

In zijn verklaringen van 17 en 18 januari 2008 en op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij vóór het kruispunt het slachtoffer met zijn fiets in de richting van het Leidseplein aan de hand, heeft zien staan bij het politiebureau op de hoek van de Marnixstraat met de Elandsgracht. De verdachte dacht daarom dat het slachtoffer naar het Leidseplein zou gaan. Daarna heeft de verdachte niet meer op het slachtoffer gelet. Deze verklaringen heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd.

Het slachtoffer bevond zich op het moment dat de verdachte hem voor het eerst had waargenomen vlakbij een voetgangersoversteekplaats. De verdachte had hier alert op moeten zijn én blijven, nu het slachtoffer zeer wel er toe kon besluiten gebruik te maken van deze voetgangersoversteekplaats. Doordat de verdachte zich er niet van is blijven vergewissen wat het slachtoffer zou gaan doen, heeft hij niet gezien dat het slachtoffer reeds bezig was met het oversteken van de Marnixstraat.

De veronderstelling van de verdachte dat het slachtoffer vast van plan zou zijn geweest zich richting het Leidseplein te begeven zodat hij niet meer op hem hoefde te letten is een ernstige beoordelingsfout geweest. Hierbij komt dat de verdachte werkt(e) als taxichauffeur in Amsterdam en aldus ruime ervaring behoort te hebben met het waarnemen en inschatten van het gedrag van andere verkeersdeelnemers, juist ter hoogte van voetgangersoversteekplaatsen in het centrum van Amsterdam. Juist van een taxichauffeur mag wat dat betreft een verhoogde alertheid worden verwacht.

Conclusie: roekeloos rijgedrag

Naar het uiterlijk waarneembare rijgedrag van de verdachte, met inbegrip van de omstandigheden zoals die zich objectief voordeden, komt het hof, gelet op voorgaande vastgestelde omstandigheden, tot de slotsom dat de verdachte heeft blijk gegeven van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid aangaande zijn rijgedrag. Dat rijgedrag wordt door het hof aangemerkt als roekeloos rijgedrag, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel beeft bekomen."

3.4. In de lastig te doorgronden toelichting op het middel wordt met een beroep op de Memorie van Toelichting bij het voorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima(2) gesteld dat roekeloosheid een of meerdere gedragingen vereist die erop duiden dat door de bestuurder welbewust onaanvaardbare risico's zijn genomen. In het algemeen zal bij roekeloosheid sprake moeten zijn van bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zicht niet zullen realiseren. Uit de gebruikte bewijsmiddelen en de overwegingen van het Hof blijkt echter niet dat er bij de verdachte sprake was van bewustheid van ernstige risico's, noch dat hij er op lichtzinnige manier van uit is gegaan dat die risico's zich niet voordeden, aldus de steller van het middel.

3.5. Ik stel op deze plaats voorop dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994, in het onderhavige geval de bewezenverklaarde roekeloosheid, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.(3)

3.6. De steller van het middel vervolgt de toelichting met de opmerking dat het Hof het rijgedrag van de verdachte heeft aangemerkt als roekeloos, onder meer omdat hij zich er niet van heeft vergewist en is blijven vergewissen dat het latere slachtoffer zou oversteken en dat de veronderstelling van de verdachte dat het slachtoffer zich in de richting van het Leidseplein zou begeven zodat de verdachte niet meer op hem hoefde te letten een ernstige beoordelingsfout is geweest. De steller van het middel roept vervolgens de vraag op of de verdachte voorafgaand aan het ongeval een andere inschatting had moeten maken en komt tot een ontkennend antwoord op die vraag. Volgens de steller van het middel was het geen (ernstige) beoordelingsfout om te veronderstellen dat het slachtoffer richting het Leidseplein zou gaan, is het slachtoffer niet overgestoken op een daartoe bestemde plaats en heeft alles zich in slechts een paar seconden afgespeeld.

3.6. Het Hof heeft geoordeeld dat, naar het uiterlijk waarneembare rijgedrag van de verdachte - met inbegrip van de omstandigheden zoals die zich voordeden - en gelet op de door het Hof vastgestelde omstandigheden, de verdachte blijk heeft gegeven van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid aangaande zijn rijgedrag. Dit rijgedrag wordt door het Hof aangemerkt als roekeloos rijgedrag. Hoewel de steller van het middel dat op zichzelf niet betwist, merk ik op dat de hiervoor onder 3.6 genoemde ernstige beoordelingsfout dus niet de enige omstandigheid is op grond waarvan het Hof tot roekeloosheid heeft geconcludeerd.

3.7. Het Hof heeft de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:

- het ongeval vond plaats op de Marnixstraat in Amsterdam, net na de kruising met de Elandsgracht. De Marnixstraat bestaat daar uit één rijbaan met één verkeersstrook voor verkeer richting het Leidseplein. Links naast deze rijstrook bevindt zich een afgescheiden baan voor trams en bussen in beide richtingen, waarop verdachte met zijn auto reed in de richting van het Leidseplein. Vanuit die richting bezien, is direct na de kruising een voetgangersoversteekplaats gelegen en enkele meters daarna een tram/nachtbushalte.

- het slachtoffer is de Marnixstraat overgestoken ter hoogte van (dat wil zeggen: op of vlak na) genoemde voetgangersoversteekplaats en in de directe nabijheid van een tramhalte.

- het slachtoffer had, voor de aanrijding, de eerste verkeersstrook reeds overgestoken en was bezig de trambaan over te steken.

- de verdachte reed bij het naderen van de kruising met een snelheid gelegen tussen de 57 en 68 km/u.

- de verdachte is de kruising overgestoken met een snelheid gelegen tussen de 58 en 67 km/u.

- het traject na het kruispunt tot het punt van de aanrijding heeft de verdachte gereden met een snelheid gelegen tussen de 39 en 49 km/u.

- de verdachte heeft aldus veel te snel gereden; niet alleen wat betreft het rijden binnen de bebouwde kom, maar ook wat betreft het naderen van een kruispunt.

- de verdachte was taxichauffeur, maar niet in het bezit van een ontheffing om over de trambaan te rijden. Wel volgde de verdachte in die periode een opleiding om een ontheffing te verkrijgen en was hij op de hoogte van de regels die gelden voor het rijden op de trambaan. Eén van deze regels houdt in dat ter hoogte van een tramhalte met een snelheid van maximaal 20 à 30 km/u dient te worden gereden. De verdachte was ervan op de hoogte dat auto's vanwege de tramrails op de trambaan een langere remweg hebben.

- de verdachte is met een veel te hoge snelheid de tramhalte genaderd en heeft niet gereden conform de geldende ontheffingsregels.

- ten tijde van het ongeval was het wegdek vochtig, er was weinig verkeer, het kruispunt was goed verlicht en het zicht van de verdachte was onbelemmerd.

- de verdachte heeft vóór het kruispunt het slachtoffer met zijn fiets in de richting van het Leidseplein zien staan bij het politiebureau op de hoek van de Marnixstraat met de Elandsgracht. De verdachte dacht dat het slachtoffer in de richting van het Leidseplein zou gaan. Daarna heeft de verdachte niet meer op het slachtoffer gelet. Het slachtoffer bevond zich op het moment waarop de verdachte hem voor het eerst waarnam vlakbij een voetgangersoversteekplaats. De verdachte had hierop alert moeten zijn en blijven. Doordat hij dat niet heeft gedaan, heeft hij niet gezien dat het slachtoffer reeds bezig was de Marnixstraat over te steken.

3.8. De verdachte heeft dus met te hoge snelheid en zonder ontheffing gereden op de trambaan, was op de hoogte van de daar geldende lagere maximumsnelheid en het gevaar van de langere remweg op de tramrails, heeft het slachtoffer gezien maar gedacht dat deze een andere kant op zou gaan, heeft niet meer op het slachtoffer gelet, is door blijven rijden en heeft het slachtoffer - terwijl deze de rijbaan reeds was overgestoken ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats en doende was de trambaan over te steken - aangereden. Dat het Hof uit dat complex van omstandigheden de conclusie heeft getrokken dat de verdachte roekeloos heeft gereden, kan ik niet onbegrijpelijk vinden.

3.9. De steller van het middel maakt er voorts bezwaar tegen dat het Hof bij de beoordeling van de (mate van) schuld ook heeft betrokken dat de verdachte te hard heeft gereden bij de nadering van het kruispunt, alsmede dat hij op een trambaan reed terwijl hij daar geen ontheffing voor had. Die twee aspecten betreffen communicerende vaten, aldus de steller van het middel.

3.10. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Dat de verdachte op de trambaan heeft gereden is één overtreding, dat hij zich niet aan de snelheid op de trambaan heeft gehouden een tweede. Dat het Hof dat zo heeft gezien is althans niet onbegrijpelijk. Overigens merk ik op dat het nog maar de vraag is of er geen sprake zou zijn geweest van een snelheidsovertreding op het moment dat de verdachte op de rijbaan had gereden. Art. 19 RVV bepaalt immers dat de bestuurder in staat moet zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Dat kan met zich meebrengen dat ook 50 km/u te snel kan zijn. Tenslotte wijs ik er op dat, anders dan de steller van het middel kennelijk wil, in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.(4)

3.11. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Het middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In de aanvulling op het verkorte arrest heeft het Hof overwogen dat "het punt van aanrijding" dient te worden vervangen door "vlak voor het punt van aanrijding".

2 Kamerstukken II, 2001-2002, 28484, nr. 3, in het bijzonder p. 12.

3 HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005/252 m.nt. Knigge en HR 29 april 2008, LJN BD0544, NJ 2008/440 m.nt. Keijzer (onder NJ 2008/442).

4 HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005/252 m.nt. Knigge en HR 29 april 2008, LJN BD0544, NJ 2008/440 m.nt. Keijzer (onder NJ 2008/442).