Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW4208

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
11/04140
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW4208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Schuldsanering; weigering toepassing, ontbreken goede trouw, geen toepassing art. 288 lid 3 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/677
JWB 2012/229

Conclusie

11/04140

Mr. L. Timmerman

Parket: 16 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

1. [Verzoeker] is een alleenstaande man, geboren op [geboortedatum] 1964. Van 23 augustus 2010 tot 26 oktober 2010 heeft hij een eenmanszaak gehad, te weten een ambulante handel in zelfbereide Surinaamse broodjes. [Verzoeker] heeft thans een WWB-uitkering. De totale schuldenlast van [verzoeker] bedroeg op 12 april 2011 blijkens de verklaring ex art. 285 lid 1 onder a Fw € 52.126,45, bestaande uit onder meer een schuld aan het CJIB van € 1.921,07 en een schuld aan de gemeente Eemnes van € 24.297,17. Blijkens het overzicht van het CJIB van 13 juli 2011 bedroeg het totaal openstaande bedrag aan Mulderfeiten op die datum € 765,-. De schuld aan de gemeente Eemnes is ontstaan toen de gemeente bij besluit van 3 september 2008 besloot tot terugvordering van de aan [verzoeker] verstrekte uitkering over de periode van 4 december 2006 tot en met 4 juni 2008 wegens schending van de inlichtingenplicht. Dat besluit heeft in bezwaar en beroep standgehouden.

2. [Verzoeker] heeft op 13 mei 2011 een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling ingediend. Bij vonnis van 25 juli 2011 wees de rechtbank Amsterdam het verzoek af op de grond dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw was geweest en er geen aanleiding was tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw. In de door [verzoeker] hiertegen ingestelde beroepsprocedure heeft het hof Amsterdam bij arrest van 6 september 2011 de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe overwogen dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden te goeder trouw is geweest. Wat betreft zijn schuld aan de gemeente heeft het hof kort samengevat overwogen dat uit de onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter blijkt dat [verzoeker] zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, dat hij geen opgave heeft gedaan van zijn werkzaamheden en inkomsten en dat [verzoeker] terzake een verwijt valt te maken. Het hof acht de door [verzoeker] gestelde omstandigheden - dat zijn relatie thans verbroken is, dat hij geen auto meer heeft en hij heeft afgelost op zijn CJIB-boetes - onvoldoende om aan te nemen dat [verzoeker] de situatie die heeft geleid tot zijn schulden onder controle heeft, mede nu [verzoeker] heeft nagelaten deze stellingen met stukken te onderbouwen en in het licht van zijn schulden waarvan [verzoeker] niet aannemelijk heeft kunnen maken dat deze te goeder trouw zijn ontstaan.

3. Van dit arrest is [verzoeker] tijdig in cassatie gekomen.(1) Het cassatieverzoekschrift klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoeker] onvoldoende heeft aangetoond dat hij de omstandigheden die tot het ontstaan van de schulden hebben geleid, onder controle heeft. Gewezen wordt op in het geding gebrachte stukken waaruit zou (moeten) blijken dat [verzoeker] de bedoelde omstandigheden wel onder controle heeft. De ontstentenis van de auto zou blijken uit de verklaring schuldsanering, blz. 4 onder "gegevens vermogen"; de omstandigheid dat [verzoeker] niet meer wordt toegelaten tot de woning van zijn ex-partner zou blijken uit het feit dat de vordering van de gemeente ziet op een periode die eindigde in juni 2008 in samenhang met het feit dat een latere (tweede) terugvordering ontbreekt. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste - zij het gelet op het gebruik door het hof van het woordje "mede", niet geheel onbegrijpelijke - lezing van 's hofs arrest. [Verzoeker]'s beroep op art. 288 lid 3 Fw strandt in rov. 2.4 van het bestreden arrest op de m.i. zelfstandig dragende grond dat de gestelde omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat hij de situatie die heeft geleid tot zijn schulden onder controle heeft gekregen. Deze grond wordt in cassatie niet bestreden. Daarop loopt het cassatieberoep stuk. Overigens merk ik op dat de zelfstandig dragende grond ook niet onjuist of onbegrijpelijk is. Voorop staat dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft om de in art. 288 lid 3 Fw neergelegde hardheidsclausule (al dan niet) toe te passen.(2) De bepaling is aan de wet toegevoegd in het bijzonder met het oog op personen met verslavings- en/of psychosociale problemen die de omstandigheden die bepalend waren voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben gekregen. Dat de schuldenaar die omstandigheden onder controle heeft gekregen, zal moeten blijken uit door de schuldenaar getroffen, objectiveerbare maatregelen.(3) Wil een beroep op art. 288 lid 3 Fw slagen, dan zal in het algemeen vereist zijn dat de schuldenaar van een zekere (persoonlijke) ontwikkeling blijk geeft die zich uitbetaalt in het feit dat hij de situatie die hem in financiële problemen heeft gebracht onder controle heeft.(4) Bij (de enkele) wijziging van de (externe) omstandigheden zal het risico dat de schuldenaar gedurende of na afloop van de toepassing van de schuldsaneringsregeling terugvalt in oude fouten en opnieuw in een problematische schuldsituatie geraakt onverminderd kunnen gelden.(5) De in casu gestelde omstandigheden dat [verzoeker] niet langer over een auto beschikt en geen toegang meer heeft tot de woning van zijn ex-partner geven geen blijk, althans niet zonder nadere toelichting - die ontbreekt - van een dergelijke (persoonlijke) ontwikkeling.

4. Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het cassatieverzoekschrift is op 14 september 2011 per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.

2 Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 962.

3 Kamerstukken II 2006-2007, 29 942, nr. 24, blz. 3.

4 Dat blijkt ook wel uit het feit dat art. 288 lid 3 Fw volgens de Minister vooral ziet op "echte gedragsaspecten". Zie ook Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958.

5 Zie ook Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958.