Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW4003

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
11/05681
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2011:BT6823
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW4003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Ontheffing uit ouderlijke macht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/864
JWB 2012/310
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/05681

Mr. Huydecoper

Zitting van 20 april 2012

Conclusie inzake

[De moeder]

verzoekster tot cassatie

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming

te Groningen

verweerder in cassatie

1. De cassatieklachten in deze zaak stellen geen vragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoording behoeven. Ik merk die klachten verder aan als ongegrond; en ook overigens als van dien aard, dat het in dit geval verantwoord is om te volstaan met een verkorte conclusie.

2. Daarmee wil ik bepaald niet suggereren dat er in deze zaak geen wezenlijke problemen aan de orde zijn. De zaak betreft de ontheffing uit de ouderlijke macht van de verzoekster tot cassatie, [de moeder], wat betreft haar nog zeer jeugdige dochter [de dochter] (geboren op [geboortedatum] 2008).

Het hof heeft echter in de in cassatie bestreden uitspraak een op deugdelijke afweging en onderzoek gebaseerde beslissing gegeven. De daartegen in cassatie gerichte klachten leveren het in alinea 1 hiervóór aangegeven beeld op. Ik geef ter toelichting het volgende overzicht:

3. Alinea 5.3 van het cassatierekest(1) bevat feitelijke betwisting van enkele bevindingen van het hof. Deze klachten stuiten af op art. 419 lid 3 Rv. jo. art. 429 lid 2 Rv.(2).

In alinea 5.4 wordt gesuggereerd dat er geen "Eindverslag" als bedoeld in rov. 11 zou zijn. Een uitgebreide rapportage die de titel "Eindverslag" heeft, bevindt zich echter wel in het dossier.

4. Alinea's 5.4 - 5.8 van het cassatierekest strekken er alle toe dat miskend zou zijn dat kinderbeschermingsmaatregelen zoals in deze zaak aan de orde steeds gericht zouden moeten zijn op terugkeer van het kind in de door het middel kennelijk als "normaal" gekwalificeerde opvoedingsrelatie bij (dat wil zeggen: in huis bij) de "eigen" ouders, en dat het streven naar deze terugkeer bij maatregelen als bedoeld, steeds prioriteit zou moeten krijgen.

5. Deze klachten berusten op een verkeerde rechtsopvatting. Het is helaas een realiteit, dat het zich kán voordoen dat de belangen van een kind te zeer worden bedreigd wanneer de opvoedingsrelatie ten huize van de "eigen" ouders wordt gecontinueerd of hervat, en dat dan met het oog op het zwaarder wegende belang van het kind moet worden besloten om af te zien van beleid dat op terugkeer in deze opvoedingssituatie gericht is.

Deze realiteit is ook in de rechtsleer, en daarmee in het geldende recht geaccepteerd.

6. Een zwaarwegende factor in dit verband vormt het feit, dat (jonge) kinderen een sterke behoefte hebben aan bestendigheid en zekerheid/veiligheid in hun opvoedingssituatie (waarbij ook de mogelijkheid van hechting aan de opvoeders in de eerste levensjaren van groot belang is). Deze gegevens kunnen opleveren dat het niet verantwoord is, een eenmaal bestendig gegroeide opvoedingssituatie buiten het oorspronkelijke ouderlijke gezin, nog te wijzigen. Dat is a fortiori het geval wanneer de wijziging gericht zou zijn op plaatsing bij de "eigen" ouders in een fase waarin serieuze twijfel over de geschiktheid van die ouders als opvoeders, gerechtvaardigd is.

7. Anders dan de hier bedoelde alinea's uit het cassatierekest stellen dan wel suggereren, brengen de zojuist aangeduide gegevens mee dat de "eigen" ouders slechts in beperkte mate kunnen verlangen dat er, ten koste van een bestaande bestendige "alternatieve" opvoedingssituatie van het kind, pogingen worden ondernomen tot terugplaatsing met het oog op onderzoek, dan wel met het oog op ondersteuning van de "eigen" ouders bij het ontwikkelen of verbeteren van hun vaardigheden als opvoeders.

De vraag of aan verlangens als hier bedoeld tegemoet moet worden gekomen, kan slechts aan de hand van feitelijke weging van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld. Die weging heeft het hof in deze zaak op een verantwoorde en begrijpelijke wijze verricht.

8. Een vergelijkbaar betoog werd aangevoerd in de zaak waarover in HR 30 maart 2012, rechtspraak.nl LJN BV3405 (met toepassing van art. 81 RO) werd beslist. Ik veroorloof mij uit de conclusie voor die beslissing het volgende aan te halen:

"12. Ook wordt in deze klacht (en hier en daar elders in het middel) geklaagd - in mijn parafrase - dat (X) c.s. nooit de kans is geboden "te bewijzen" dat zij een goed opvoedingsmilieu voor de kinderen kunnen bieden.

Dat dit geen steekhoudende klacht is, behoeft eigenlijk geen toelichting; maar omdat betogen van deze strekking vaak worden aangevoerd, ben ik zo vrij er nog iets meer van te zeggen.

Primerend in zaken als de onderhavige is het belang van de kinderen(3). Als de omstandigheden zich zo hebben ontwikkeld dat dat belang - in uitgesproken mate - méér gediend is met opvoeding door anderen dan de ouders, geeft dat de doorslag. Dat de ouders het spijtig vinden dat hun de kans is onthouden om een beter opvoedingsklimaat te bieden (dan zij, althans aanvankelijk, in feite bleken te kunnen bieden) is te begrijpen; maar dat is in zo'n geval rechtens niet van veel betekenis."

9. Op deze bedenkingen stuiten de verschillende klachten uit alinea's 5.4 - 5.8 van het cassatierekest alle af. Dat betekent dat Middel I in zijn geheel ongegrond is.

Middel II bouwt op Middel I voort. Het is om dezelfde redenen ongegrond.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 In de eerdere gedeelten van het rekest tref ik geen klachten aan.

2 Anders dan in deze alinea wordt gesuggereerd, heeft het hof blijkens rov. 10 wel aandacht besteed aan het betoog, van de kant van [de moeder], dat [de dochter] mogelijk "Breath Holding Spells" (dat is de "medische oorzaak of verklaring" die in deze alinea wordt bedoeld) zou vertonen; maar heeft het dit betoog in het licht van de medische rapportages als onaannemelijk beoordeeld.

Ik merk overigens op dat de producties bij het beroepschrift waarnaar het cassatierekest in alinea's 5.3 en 5.4 verwijst, niet in het in cassatie beschikbare dossier zijn aangetroffen.

3 Dat dan ook in voorkomend geval het belang van de ouders kan "overvleugelen", zie bijvoorbeeld EHRM 6 juli 2010, zaak nr. 41615/07, Neulinger c.s./Zwitserland, rov. 134 en 135.

(NB: de voetnootnummering in de onderhavige conclusie wijkt af van die in de conclusie uit LJN BV3405. Voor de onderhavige zaak is overigens ook rov. 136 uit het aangehaalde arrest van het EHRM verhelderend.)