Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW3760

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
11/00959
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW3760
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Getuigenverzoeken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toegepast. Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de aan het verzoek ten grondslag liggende stelling te speculatief is. Dit is, mede gelet op hetgeen in e.a. aan de orde is geweest, niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd. De door het Hof gegeven reden draagt de afwijzing zelfstandig, zodat aan hetgeen het Hof vervolgens nog heeft overwogen kan worden voorbijgegaan. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/715
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00959

Mr. Knigge

Zitting: 14 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem(1) heeft bij arrest van 29 april 2010 verdachte wegens "Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(2)

3. Namens verdachte heeft mr. K.N. Holtrop, advocaat te Ens, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt over de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen.

4.2. Verdachte en zijn echtgenote [medeverdachte] zijn door het Hof veroordeeld wegens kort gezegd uitkeringsfraude. De inkomsten die zij genoten uit de markthandel in onder meer fietsen zouden zij ten onrechte niet hebben opgegeven. Het in het middel bedoelde getuigenverzoek heeft betrekking op de duur en de omvang van deze fietsenhandel. Ter verduidelijking hiervan geef ik eerst de bewijsoverwegingen van het Hof weer met betrekking tot die duur en omvang. De bedoelde overwegingen luiden:

"Ten aanzien van de tenlastegelegde periode

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben aangevoerd dat de periode zoals deze is opgenomen in de tenlastelegging veel te ruim is. In het bijzonder heeft de raadsvrouw verklaard dat verdachte mogelijk is verward met andere personen die ook de naam '[verdachte]' dragen en dat, als er al tot een bewezenverklaring van het plegen van valsheid in geschrift kan worden gekomen, als beginpunt dient te worden uitgegaan van de periode vanaf september 2005.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Uit het proces-verbaal van de unit sociale Recherche van de gemeente Zwolle van [verbalisant 1] van 25 juli 2006 volgt dat de sociale recherche onderzoek heeft verricht naar de mogelijke extra inkomsten (naast de uitkering) van verdachte en zijn partner [medeverdachte]. Uit genoemd proces-verbaal blijkt dat op 8 juli 2004 en in juli 2005 anonieme tips binnenkwamen bij de sociale recherche, inhoudende dat verdachte op rommelmarkten stond. Op 21 september 2005 kwam wederom een anonieme tip binnen inhoudende dat verdachte en zijn partner zich schuldig zouden maken aan uitkeringsfraude. Er werd melding gemaakt van het feit dat beiden op markten stonden in Appelscha, Eelde, Leeuwarden, stadjesmarkt Groningen, met fietsen, chinees porselein en glaswerk. Voor de handel zouden verdachte en medeverdachte drie schuren gebruiken, van henzelf, hun vader/schoonvader en zwager. Noch verdachte noch zijn partner had dergelijke bezigheden bekend gemaakt bij de gemeente Zwolle. Uit het proces verbaal van de sociale recherche blijkt voorts dat tijdens het onderzoek op 15 september 2005 werd waargenomen dat verdachte en zijn partner bezig waren voor een garage, die vol stond met fietsen.

Verdachte en zijn partner zijn naar aanleiding van de onderzoeksresultaten op 2 juni 2006 door de sociale recherche verhoord. Daarbij is door medeverdachte [medeverdachte] een administratie ter beschikking gesteld, betrekking hebbende op hun zelfstandige activiteiten. Uit genoemde administratie blijkt van meerdere contacten tussen verdachte en diverse fietsenhandelaren in Noord-Oost Nederland. Naar aanleiding hiervan zijn door de sociale recherche diverse fietsenhandelaren gehoord als getuige, waaronder [betrokkene 6] te [plaats], [betrokkene 5] te [plaats], [betrokkene 4] te [plaats], [betrokkene 2 en 3] te [plaats], en [betrokkene 1] te [plaats]. Uit de processenverbaal van verhoren van genoemde getuigen volgt dat verdachte niet eerst vanaf september 2005 doch reeds gedurende een geruime periode daaraan voorafgaand partijen fietsen heeft opgekocht bij genoemde handelaren. Diverse fietsenhandelaren hebben verklaard dat verdachte al geruime tijd, inmiddels twee of drie jaar, hij hen kwam om fietsen te kopen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte tijdens het onderzoek door de sociale recherche mogelijk is verward met een of meer andere [verdachte]s uit Zwolle, tegen wie strafrechtelijke vervolging liep. Het hof acht deze verwarring echter niet aannemelijk geworden nu tijdens alle hierboven aangehaalde verhoren door de recherche een foto van verdachte (en in een aantal gevallen ook van zijn partner [medeverdachte]) is getoond aan de fietsenhandelaren, waarbij verdachte (en ook zijn vrouw) door de verschillende handelaren werd(en) herkend."

4.3. Het in het middel bedoelde verzoek had betrekking op zeven personen, onder wie de zes door het Hof genoemde fietsenhandelaren. Het verzoek had een voorgeschiedenis. In eerste aanleg was al een andere fietsenhandelaar, [betrokkene 7], op verzoek van de verdediging bij de RC gehoord. In dat verhoor was [betrokkene 7] grotendeels op zijn tegenover de sociale rechercheurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2] afgelegde verklaring teruggekomen.(3) Hij had daarbij felle kritiek op één van die rechercheurs, die door hem "de dikke neus" werd genoemd. Hij stelde dat hij over verschillende [verdachte]s was gehoord en dat de facturen die hij aan de rechercheurs had verstrekt, niet allemaal betrekking hadden op [verdachte]. "Dat heb ik de dikke neus toen ook op zijn hart gedrukt." [Betrokkene 7] betwijfelde of het in zijn politieverklaring over een en dezelfde [verdachte] gaat. "Ik wijt dit aan het onhandige optreden van die rechercheur die alles op 1 hoop gooit." Ter zitting van de Rechtbank werd vervolgens een van de sociale rechercheurs, [verbalisant 1], over de door [betrokkene 7] afgelegde verklaring gehoord.(4) Hij bevestigde dat [betrokkene 7] over verschillende [verdachte]s was gehoord, maar meende dat van enig misverstand geen sprake kan zijn geweest.

4.4. Het bij appelschriftuur gedane verzoek werd daarin als volgt toegelicht:

"In het kader van een eerder getuigenverhoor is al gehoord [betrokkene 7]. Ter zitting is [verbalisant 1] gehoord. Uit het verhoor van [verbalisant 1] bleek dat hij, hetgeen niet uit het dossier blijkt al in januari 2006 [betrokkene 7] had gehoord in het kader van een onderzoek naar familie van [verdachte]. [Betrokkene 7] stelde in zijn verklaring bij de RC dat voor hem niet duidelijk was over welke personen [verdachte] hij werd gehoord tijdens het verhoor op 9 mei 2006. Nu uit hetgeen [verbalisant 1] ter zitting verklaarde kan worden afgeleid dat mogelijk ook bij andere verhoren meerdere gesprekken zijn geweest ook over andere [verdachte]s als [verdachte] is er aanleiding de andere getuigen nogmaals te horen. Dit extra omdat uit overgelegde bescheiden door diverse getuigen blijkt dat er bescheiden zijn overgelegd die betrekking hebben op andere [verdachte]s als [verdachte]."

Op de regiezitting van het Hof van 16 november 2009 werd het gedane verzoek door de raadsvrouw van verdachte herhaald. Zij lichtte het verzoek daarbij als volgt toe:

"In eerste aanleg bleek dat het opsporingsonderzoek over verschillende [verdachte]s gaat. [Betrokkene 7] was het ook niet duidelijk. Een deel van het bewijsmateriaal kan ook gaan over die andere [verdachte]s. De getuigen die ik heb opgegeven bij mijn appelschriftuur d.d. 22 augustus 2008 moeten daarom ter zitting worden gehoord. Het is mij met name te doen om de omvang en de periode van de fraude."

4.5. Het Hof wees het verzoek na gehouden beraad af en overwoog daartoe als volgt:

"het verzoek tot het horen van een zevental getuigen, dat door de raadsvrouw bij appelschriftuur d.d. 22 augustus 2008 binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep is gedaan en waar het criterium van het verdedigingsbelang op van toepassing is, wordt afgewezen. Grond voor dat verzoek is een mogelijke persoonsverwisseling van verdachte [verdachte] met andere personen [verdachte]. Uit de gerelateerde verhoren blijkt dat aan deze getuigen tijdens de verhoren een foto is getoond van verdachte [verdachte]. Daarnaast is in sommige verhoren ook een foto getoond van verdachte [medeverdachte]. Het hof is het met de advocaat-generaal eens dat derhalve een persoonverwisseling met een andere [verdachte] niet aannemelijk is geworden. Bovendien heeft de raadsvrouw ter zitting in hoger beroep aangegeven dat het haar te doen is om het vaststellen van de omvang en de periode van de fraude. Voor zover er nog onduidelijkheden bestaan, kan de raadsvrouw daarop wijzen en kan het hof daaraan consequenties verbinden. Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte, bij het niet horen van genoemde getuigen, redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad;"

4.6. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, kan uit de overwegingen van het Hof "zonder meer" volgen dat het Hof de juiste maatstaf heeft toegepast. De vraag waarop het aankomt, is derhalve of de afwijzing van het verzoek, gelet op de toepasselijke maatstaf, begrijpelijk is gemotiveerd.

4.7. De afwijzing van het verzoek op de grond dat "een persoonsverwisseling met een andere [verdachte] niet aannemelijk is geworden", komt mij niet begrijpelijk voor. Het verzoek was juist gedaan om te onderzoeken of mogelijk sprake was van een persoonsverwisseling, een mogelijkheid die, zoals uit de verklaring van [betrokkene 7] bij de RC blijkt, niet geheel uit de lucht was gegrepen. Ik merk daarbij op dat het daarbij niet alleen ging om de vraag of de getuigen zich hadden vergist, maar ook om de vraag of de verbalisanten bij de weergave van hun verklaringen niet alles "op 1 hoop" hadden gegooid. Dat telkens een foto was getoond, sluit misverstanden aan de kant van de verbalisanten bepaald niet uit. Ik laat daarbij dan nog daar dat de ervaring leert dat het tonen van een foto niet altijd tot een betrouwbare herkenning leidt.

4.8. Wat de strekking is van het door het Hof met "Bovendien" ingeleide argument is mij eerlijk gezegd niet helemaal duidelijk geworden. Als het Hof bedoelt dat het de verdediging eigenlijk niet om een mogelijke "persoonsverwisseling" is te doen, maar om de omvang en de periode van de fraude, komt mij dat niet juist voor aangezien de mogelijke "persoonsverwisseling" alles te maken heeft met de omvang en de duur van de fraude. Als het Hof niet meer heeft bedoelen te zeggen dan dat de verdediging de mogelijkheid heeft om op eventuele onduidelijkheden te wijzen, komt mij dat niet begrijpelijk voor. Een volwaardig alternatief voor een uit het horen van getuigen bestaand onderzoek naar de betrouwbaarheid van de door de sociale rechercheurs opgemaakte processen-verbaal levert dat niet op.

4.9. De vraag die zich opdringt, is of het Hof bij zijn afwijzing van het verzoek niet te ver is vooruitgelopen op zijn onder 4.2 weergegeven, van een uitgebreide motivering voorziene, oordeel. Met de uitsluiting van de mogelijkheid van een "persoonsverwisseling" stond het oordeel van het Hof over de duur en de omvang van de fraude eigenlijk al vast. De overweging dat de raadsvrouw "voor zover er nog onduidelijkheden bestaan" daarop kan wijzen, versterkt daarbij de indruk dat er voor het Hof geen onduidelijkheden meer bestonden over de duur en de omvang van de fraude.

4.10. Het middel slaagt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De processen-verbaal van de terechtzittingen en het arrest vermelden telkens: Gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zittinghoudende te Arnhem. De vermelding dat Leeuwarden een van de nevenzittingsplaatsen van het Hof is, is zinledig nu het Hof van die nevenzittingsplaats geen gebruik heeft gemaakt. De gedachte dat de bevoegdheid bij de nevenzittingsplaats ligt en dat die nevenzittingsplaats elders zitting kan houden, vormt een miskenning van de wettelijke regeling.

2 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (11/00956), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

3 Beide verklaringen bevinden zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.

4 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 augustus 2008, p. 3/4.