Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW3730

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
11/00174
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW3730
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO. Conclusie AG over art. 138 Sr en binnendringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/711
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00174

Mr. Vellinga

Zitting: 14 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "Op het besloten erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen.

2. Namens verdachte heeft mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van binnendringen in de zin van art. 138 Sr, althans dat het Hof het zijdens verdachte gevoerde verweer dat geen sprake is van binnendringen in de zin van art. 138 Sr nu verdachte gebruik heeft gemaakt van een opening in het hek, onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 20 maart 2009 te Amsterdam wederrechtelijk een besloten erf gelegen aan de [a-straat 1] en in gebruik bij [betrokkene] is binnengedrongen"

5. Het Hof heeft onder het kopje 'bewijsverweer' het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Er is geen sprake van 'binnendringen', nu verdachte vrij het terrein op kon lopen. Er is een gat in de omheining geconstateerd, maar er kan niet vastgesteld worden dat de verdachte via deze weg het terrein is opgekomen, nu het ook mogelijk is het terrein via een open stuk in de omheining te betreden. Indien 'binnendringen' niet gekwalificeerd kan worden kan dientengevolge ook 'erfvredebreuk' niet gekwalificeerd worden en dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Het hof overweegt en beslist hieromtrent het volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op het bedrijventerrein sliep en daar op 20 maart 2009 aanwezig was om zijn gereedschap op te halen, voorts dat er een hek om het terrein stond terwijl de ingang was voorzien van een slagboom; tenslotte dat hij van die ingang geen gebruik maakte maar het terrein had betreden door een ruimte tussen de delen van het hek aan de achterzijde. Het hof overweegt dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2009 het perceel nummer [1] volledig was omheind door hekken. Terwijl de verbalisanten zich op dit terrein bevonden zagen zij dat de verdachte zich ook op dat terrein bevond en bij het zien van de politiebeambten wegrende in de richting van een gat in het hek en door het gat heen klom in de richting van de openbare weg.

Het hof komt op grond van deze gegevens tot de slotsom dat de verdachte zich bevond op een afgesloten erf dat hij had betreden en dat hij weer verliet via een niet-rechtmatige doorgang. Het hof is van oordeel dat de verdachte door deze handelwijze het terrein wederrechtelijk was binnengedrongen terwijl hij zich van de wederrechtelijkheid van dat binnendringen bewust was. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman."

6. Het oordeel van het Hof moet kennelijk aldus worden begrepen dat de verdachte, door het met een hek en een slagboom afgesloten terrein op te gaan door een gat in het hek, het terrein is binnengedrongen tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende.

7. Als binnendringen in de zin van art. 138 Sr kan worden beschouwd het betreden van een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, indien degene die zich daarin of daarop begeeft, zulks doet tegen de voor hem - hetzij door een verklaring in woord of daad, hetzij op grond van enige andere omstandigheid - onmiskenbare wil van de rechthebbende.(1)

8. Van een besloten erf in de zin van art. 138 Sr is sprake indien dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden.(2) Het erf behoeft niet geheel afgesloten te zijn om als besloten te kunnen worden aangemerkt.(3)

9. Volgens Noyon-Langemeijer-Remmelink betekent de enkele omstandigheid dat een erf besloten is of een huis van een deur is voorzien niet zonder meer dat het betreden binnendringen is. Als zonder hulpmiddelen, zoals een sleutel, gewone toegang kan worden verkregen, dan heeft de rechthebbende zijn tegen het binnentreden gerichte wil nog niet geopenbaard. Zo kan de logeergast geacht worden door de eigenaar of bewoner (stilzwijgend) te zijn gemachtigd de woning te betreden. Bij een niet tot toegang bestemde opening ligt dit anders. Een venster dat openstaat of van buiten opengeschoven kan worden, kan niet worden geacht de in het sluiten van de deur opgesloten liggende wilsverklaring op te heffen.(4) Datzelfde zal in de regel opgaan voor gaten in schuttingen of hekken. Deze plegen immers niet bestemd te zijn om een erf te betreden.

10. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en is het, ook gelet op het verweer, voldoende met redenen omkleed. Zoals het Hof kennelijk heeft geoordeeld heeft de gebruiker van het onderhavige terrein door dit te omgeven met een hek en de toegang te bewaken met een slagboom op niet voor misverstand vatbare wijze te kennen gegeven dat het door een daartoe niet bestemde opening in het hek betreden van het terrein geschiedde tegen diens onmiskenbare wil. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Zou anders zijn geoordeeld, dan zou het omgeven van het terrein met een hek en het bewaken van de ingang met een slagboom immers geen zin hebben gehad.

11. Het middel faalt.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 16 december 1969, NJ 1971, 96.

2 Vgl. HR 23 november 1971, LJN AB5759, NJ 1972, 76.

3 Vgl. HR 4 december 2007, LJN BB7104, rov. 4.2.

4 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 138, aant. 11 (suppl. 123, september 2003).