Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW3687

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
10/04961
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW3687
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO + strafkorting i.v.m. overschrijding redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/709
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04961

Mr. Knigge

Zitting: 14 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte 4]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 17 februari 2010 verdachte wegens 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 2. "medeplegen van een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Het Hof heeft de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelast van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Namens verdachte heeft mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen van flessentrekkerij niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode van februari 2004 tot en met februari 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen - al dan niet op naam van:

(a.) [A] of

(b.) [B] B.V. of

(c.) [C] B.V. en/of Stichting [D] of

(d.) [E] B.V. -

met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk de navolgende goederen gekocht, te weten

Kirby stofzuigers van [K] en

een beamer van [L] en/of [betrokkene 11] en

verrekijkers van [M] v.o.f. en

fietsen van [I] B.V. en/of [betrokkene 12]] en/of [O] B.V. en

koffiezetapparaten van [P] B.V. en

pakken (print)papier van [E] en

dekbedden en hoeslakens van [Q] B.V. en

koffiezetapparaten en sapcentrifuges van [R] B.V. en

minicoolers van [S] en

wereldontvangers van [T] en

strandlakens van [U] en

een rolsteiger van [V] en

flessen wijn van [W] en/of [betrokkene 13] en

skelters van [X] en

dartborden van [Y] en

batterijladers (incl. batterijen) van [Z] en/of [betrokkene 14] en

gazonmaaiers van [DD] en

pakken papier van [EE] en

kluizen van (de eenmanszaak) [CC] en/of [betrokkene 15] en

toner kits van [DD] en

golfsets van [EE] B.V. en

wekkerradio's van [FF] en

messensets van [GG]".

4.3. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet de betrokkenheid van de verdachte kan volgen bij álle in de bewezenverklaring genoemde goederen, maar slechts bij de koffiezetapparaten, golfsets en wekkerradio's. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten aanzien van de overige goederen uitvoeringshandelingen heeft verricht. Evenmin zou uit de bewijsmiddelen volgen dat de verdachte ten aanzien van deze goederen zo nauw en volledig met anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het bewezenverklaarde medeplegen.

4.4. Het Hof heeft in totaal 41 bewijsmiddelen gebezigd, die zowel op het onder 1 als het onder 2 bewezenverklaarde betrekking hebben. Onder 1 is bewezenverklaard dat verdachte deelnam aan een organisatie die bestond uit de verdachte zelf, [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 1] en/of de door hen opgerichte bedrijven en die tot oogmerk had het plegen van flessentrekkerij. Die bewezenverklaring wordt door de cassatiemiddelen niet aangevochten. Nu volgt uit het feit dat de verdachte heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie niet zonder meer dat hij alle "door" die organisatie gepleegde misdrijven heeft medegepleegd. De vraag is inderdaad of de verdachte ten aanzien van elk van de door de organisatie gepleegde misdrijven een rol heeft gespeeld die zodanig is dat van medeplegen kan worden gesproken. De dogmatische moeilijkheid daarbij is dat onder 2 het medeplegen van maar één misdrijf is tenlastegelegd, namelijk het maken van een beroep of gewoonte van (kort gezegd) het kopen en niet betalen van goederen. De vraag kan worden gesteld of voor het medeplegen van een beroep of gewoonte maken vereist is dat de verdachte betrokken is geweest bij alle afzonderlijke aankopen. Verdedigbaar lijkt mij dat voldoende is dat de afzonderlijke aankopen met elkaar in verband staan. Ik laat dat echter voor wat het is. Dit omdat het Hof mijns inziens uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte ten aanzien van alle aankopen een rol heeft gespeeld die als medeplegen kan worden aangemerkt.

4.5. De bewijsmiddelen 2 t/m 24 behelzen telkens de aangiften van de in de bewezenverklaring genoemde bedrijven, inhoudende dat de in de bewezenverklaring genoemde goederen zijn besteld en niet zijn betaald. Uit deze aangiften blijkt dat de bestellingen zijn geplaatst door en de goederen zijn geleverd aan de bedrijven [A] (met als contactpersonen: [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], en [betrokkene 4]), [B] (met als contactpersoon: [betrokkene 5], [C] B.V. (met als contactpersonen: [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [betrokkene 9]) en [E] B.V. (met als contactpersonen: [betrokkene 16] en [betrokkene 17]). Uit de bewijsmiddelen 25 t/m 41 blijkt voorts dat de verdachte ("[verdachte 4]") samen met [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 1] de dienst uitmaakte in de vier zojuist genoemde bedrijven. Die bewijsmiddelen werpen voorts licht op de werkwijze van de organisatie en verdachtes aandeel daarin. Kortheidshalve volsta ik met de weergave van de bewijsmiddelen 35, 36 en 37, die opgaven van de verdachte bevatten:

"35. Het proces-verbaal van verhoor van de Belastingdienst/FIOD-ECD, Kantoor Alkmaar, dossiernummer 33513, codenummer V-05-01, d.d. 20 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 20 april 2005 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

[A] was [gevestigd] aan de [a-straat] in een bedrijvenverzamelgebouw op een bedrijventerrein in Reeuwijk. [Er] werden goederen besteld die nooit werden afgerekend. Ik bestelde goederen bij bedrijven. Deze bedrijven zocht ik op in telefoongidsen. We zaten met vier of vijf mensen in Reeuwijk. Offertes kwamen per fax of per post binnen. Alle goederen die binnengehaald konden worden en voldeden aan de betalingscondities, moesten ook binnengehaald worden. Als er aanbetaald of betaling vooraf moest worden gedaan, werd met die offerte niets gedaan. Ik wist dat die bestelde goederen nooit betaald zouden worden. Ik was niet de enige die bestellingen deed. Er waren vier of vijf mensen die dit deden. Per post of fax of telefoon werd een order geplaatst. Ik moest ook de orderbevestiging tekenen. Je mocht niet je eigen naam gebruiken. Aflevering van de bestelde goederen moest altijd de 2e helft van de maand, dit had te maken met de betalingscondities en de leveringstermijn. Als de leveringstermijn niet binnen de 2e helft van die maand viel werd de offerte weggegooid en de goederen niet besteld. Dit was ook zo met de offertes waarin om contante betaling werd gevraagd.

36. Het proces-verbaal van verhoor van de Belastingdienst/FIOD-ECD, Kantoor Alkmaar, dossiernummer 33513, codenummer V-05-02, d.d. 20 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 20 april 2005 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Half december 2003 heb ik met mijn vriend [verdachte 1] contact gehad in restaurant De Biltse Hoek in Bilthoven. Bij dit gesprek was verder aanwezig [verdachte 2]. Wij hebben gesproken wat wij zouden moeten doen. Er werd mij toen duidelijk dat het ging om het bestellen van goederen die niet werden afgerekend. [Verdachte 2] vertelde dat zij een BV in de buurt van Rotterdam gingen regelen waarmee goederen zouden worden besteld, die natuurlijk niet werden betaald. Die goederen werden dan weer verkocht. Het bedrijf is [A] geworden. De bedoeling was als volgt:

- Het bedrijf moest ongeveer een maand gaan draaien;

- Goederen bestellen met een betaaltermijn van 14 dagen na aflevering;

- Aflevering van de goederen moest plaatsvinden in de 2e helft van die maand;

- De leveranciers moesten niet betaald;

- Vervolgens werden de goederen, vooral via internet, verkocht en de winst opgestreken;

- Het bedrijf laten verdwijnen.

We zijn in Reeuwijk in februari 2004 begonnen. [Verdachte 2] kwam al snel met [verdachte 3]. Wij, [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 1] en ik, zijn bedrijven gaan benaderen en bestelden goederen. Daarbij gebruikten we valse namen. Ikzelf gebruikte toen de naam [alias verdachte 4]. In, ik denk april 2004, werd het kantoor van [A] in Reeuwijk door ons leeggehaald en is het pand verlaten. Wij kregen een deel van de opbrengst van de goederen. In mei 2004 kwam [verdachte 2] met een nieuw bedrijf waarmee we, dan bedoel ik [verdachte 2], [verdachte 1], [verdachte 3] en ikzelf, hetzelfde gingen doen. Het bestellen van goederen en deze niet betalen maar doorverkopen en wegwezen. Dit bedrijf was [B] [en] zat in Utrecht. De straat was [b-straat]. [B] heeft maar kort gedraaid, volgens mij maar drie weken, omdat [verdachte 3] toen werd gepakt met een steiger. Ook bij [B] werden weer valse namen gebruikt.

37. Het proces-verbaal van verhoor van de Belastingdienst/FIOD-ECD, Kantoor Alkmaar, dossiernummer 33513, codenummer V-05-06, d.d. 25 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 25 april 2005 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Vanaf het moment dat ik zelf bij [B] begon, in mei 2004, hebben daar dezelfde personen gewerkt als bij [A]: [verdachte 2], [verdachte 1], [verdachte 3] en ikzelf. Nadat [B] werd stilgelegd wilden [verdachte 2] en ikzelf samen verder. Toen heeft [verdachte 2] weer een BV geregeld. Dat werd [C] BV en wij hebben een pand gehuurd. Dit pand was in Lelystad [en] hebben [verdachte 2] en ik samen uitgezocht. [C] BV is gestart ongeveer [in] juli 2004 en had weer dezelfde bedoeling als [A] en [B]: goederen bestellen onder valse naam, niet betalen maar wel doorverkopen en de opbrengst houden. Ik gebruikte de naam [alias verdachte 4] bij [C]. [Verdachte 1] werkte ook bij [C] BV. [verdachte 2] gebruikte ook de naam [naam], zodat het leek alsof wij samen één en dezelfde persoon waren. Ik bestelde, nam goederen in ontvangst en verkocht deze weer. [Verdachte 2] bestelde alleen maar. We verdeelden de opbrengst onder elkaar, ieder kreeg evenveel. Wij deden op kantoor in Lelystad allemaal hetzelfde: bestellen en verkopen. Degene die verkocht verdeelde de opbrengst. [C] BV heeft ongeveer vijf weken gedraaid. Het was na vijf weken gewoon tijd om met zo'n bedrijf dat inkocht en niet betaalt, te stoppen. Ongeveer begin december 2004 zijn [verdachte 2] en ikzelf weer begonnen met eenzelfde bedrijf, nu onder de naam [E] BV. [E] BV had weer dezelfde bedoeling: kopen onder valse naam, niet betalen en vervolgens verkopen en de opbrengst houden. Het bedrijfsadres was in Aalten. Ik denk dat [E] ongeveer drie weken, zo tot de Kerst 2004, heeft gedraaid."

4.6. Vermelding verdient voorts dat het Hof met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde het volgende heeft overwogen:

"Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, zakelijk weergegeven, niet bij alle genoemde bestellingen, zoals deze zijn ten laste gelegd onder 2, sprake is geweest van medeplegen door de verdachte wegens het ontbreken van enige betrokkenheid van de verdachte daarbij.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat voor het bewijs van medeplegen niet noodzakelijk is dat een medepleger (alle) uitvoeringshandelingen verricht. Daargelaten of de verdachte bij alle uitvoeringshandelingen betrokken is geweest, is naar het oordeel van het hof op grond van de processtukken voldoende komen vast te staan dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, en bovendien dat de verdachte een grote rol heeft gespeeld ten aanzien van het bewezenverklaarde. De verdachte en medeverdachten hebben met elkaar afspraken gemaakt en intensief samengewerkt. Uit het procesdossier is niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich op enig moment (vrijwillig) heeft gedistantieerd van de gemeenschappelijke aankoopdoelstellingen."

4.7. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben samengewerkt in achtereenvolgens de bedrijven [A], [B] B.V., [C] B.V. en [E] B.V. en dat het doel van deze bedrijven was het bestellen van goederen onder een valse naam, het niet betalen van de afgeleverde goederen en het doorverkopen daarvan teneinde de opbrengst op te strijken. Verdachte was blijkens zijn tot het bewijs gebezigde verklaringen vanaf het begin op de hoogte van dit plan en heeft actief meegewerkt aan de uitvoering daarvan door - onder valse naam - goederen te bestellen, in ontvangst te nemen en door te verkopen.(2) Weliswaar volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet dat de verdachte ten aanzien van alle in de bewezenverklaring genoemde goederen zelf handelingen heeft verricht, maar dat is ook niet vereist voor het bewijs van medeplegen.(3) Daarvoor moet er sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.(4)

4.8. Een sterke aanwijzing dat telkens sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking heeft het Hof kunnen ontlenen aan het feit dat de verdachte, naar hij zelf verklaarde, deelde in de opbrengst. Daaraan doet mijns inziens niet af dat niet alle opbrengsten van de afzonderlijke aankopen onderling werden verdeeld. De als bewijsmiddel 27 gebezigde verklaring van [verdachte 2] houdt onder meer in:

"Een derde van de goederen die ik binnenkreeg nam ik mee en verkocht ik. Dat deed ik meestal via internet en een enkele keer via kennissen. De opbrengst van de goederen die ik verkocht mocht ik houden. Als er meerdere mensen bij het binnenhalen van de goederen betrokken waren was de verdeelsleutel van de opbrengst iets anders. Dan deelde ieder voor een evenredig deel mee in de opbrengst."

Dat de gehele opbrengst in bepaalde gevallen naar [verdachte 2] ging, berustte kennelijk op een onderlinge afspraak, een verdeelsleutel. [Verdachte 2] "mocht" de opbrengst houden.

4.9. Ook in de gevallen waarin de verdachte geen directe rol speelde bij het bestellen, de aflevering en de doorverkoop van de goederen, kan van medeplegen worden gesproken. Uit de bewijsmiddelen kan namelijk worden afgeleid dat de medeverdachten er ook in deze gevallen op konden rekenen dat verdachte zijn rol zou spelen en zich, als de goederen werden afgeleverd en als werd gebeld over het uitblijven van betaling, zou voordoen als werknemer van het betrokken bedrijf en zou doen voorkomen dat het om een bonafide transactie ging. Zonder die bereidheid om de schijn te helpen ophouden, zou het gezamenlijke plan niet hebben gewerkt. Het Hof heeft dan ook de vereiste bewuste en nauwe samenwerking uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden, waarbij nog in aanmerking genomen kan worden dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat hij met bepaalde specifieke aankopen niets te maken heeft gehad.(5)

4.10. Het middel faalt.

5. Het tweede middel

5.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

5.2. Namens verdachte is op 2 maart 2010 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 november 2010 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met twee dagen is overschreden. Wellicht mede daardoor zal de Hoge Raad, naar het zich laat aanzien, niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep uitspraak doen. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.

5.3. Het middel slaagt derhalve.

6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede middel slaagt.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [verdachte 2] (10/01051), [verdachte 3] (10/02620) en [verdachte 1] (10/05230), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet slechts dat de verdachte ten aanzien van de koffiezetapparaten, golfsets en wekkerradio's handelingen heeft verricht. Ik noem: de handdoeken/strandlakens (zie bewijsmiddel 30 en 38), minicoolers (zie bewijsmiddel 10 en 39), gazonmaaiers (zie bewijsmiddel 18) en wereldontvangers (zie bewijsmiddel 11).

3 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2009, p. 436-439.

4 HR 24 mei 2011, LJN BP6581.

5 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2010 is daar slechts aangevoerd dat het onduidelijk is wie bij welk feit betrokken was.