Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW2488

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11/03724
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ1410
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW2488
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Wapens en Munitie (WWM). De HR verbetert de kwalificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/658

Conclusie

Nr. 11/03724

Mr. Vegter

Zitting 28 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 15 april 2011 wegens 1. "Moord", 2. "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd " en "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" en 4 subsidiair "Opzetheling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren, met aftrek zoals bedoeld in art. 27 Sr, met voorts enige beslissingen over inbeslaggenomen voorwerpen en over vorderingen van benadeelde partijen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel en met bevel tot gevangenneming van verdachte, alles als nader in het arrest is bepaald.

2. Mr. J.H.L.C. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 en 2. De verklaring van de getuige [getuige] had niet voor het bewijs mogen worden gebruikt nu deze is afgelegd tijdens een studioverhoor waarbij gebruik is gemaakt van de methode van de geleide herinnering. Volgens de steller van het middel bestaat er naar huidige wetenschappelijke inzichten geen zekerheid "omtrent de objectieve betrouwbaarheid van een door middel van deze methode afgelegde verklaring, zulks terwijl in het algemeen aan die betrouwbaarheid van dergelijke verklaringen moet worden getwijfeld en de mogelijkheid om in een concreet geval tot een verantwoord oordeel te komen omtrent het waarheidsgehalte van een door middel van deze methode afgelegde verklaring ontbreekt."

4. Uit de Promisgewijs gegeven bewijsconstructie van het Hof voor de feiten 1 en 2 komt onder meer naar voren dat, toen het slachtoffer samen met een man die een bivakmuts droeg zijn woning betrad, daar zijn echtgenote [getuige] al aanwezig was. Zij is betrokken geraakt bij het gebeuren en was vanaf het betreden van de woning door haar echtgenoot en de man tot na het schietincident in de woning aanwezig. Het valt in verband daarmee te begrijpen dat ze als ooggetuige in de periode tussen 7 november 2007 en 11 augustus 2008 dertien keer door de politie is gehoord. Het vierde verhoor op 22 november 2007 was een verhoor waarbij de methode van de geleide herinnering is toegepast. Die methode wordt wel als volgt omschreven: "Methode waarbij de getuige wordt gevraagd om zich in gedachten het beeld van het incident voor ogen te halen, waarna de verhoorder met open vragen de getuige door het beeld probeert te loodsen. Twee stappen vooraf, eerste stap is getuige op gemak stellen. Tweede stap is de getuige een algemene beschrijving van de gebeurtenis te geven."(1)

Uit de transcriptie van het studioverhoor van 22 november 2007 blijkt het verhoor te zijn afgenomen door een psycholoog. De psycholoog zegt onder meer tegen de getuige: "... de manier waarop we te werk zullen gaan is, we noemen dat ondervragingstechniek geleide herinnering. Als het ware ga je door de tijd heen. Beeldje voor beeldje terugpakken wat jij hebt meegemaakt (...) ik doe dat op een bepaalde manier. Ik ga dus niet vragen wat heeft u gezien? Maar we gaan er vanuit, u bent daar weer, u maakt het weer mee en dan vraag ik dus: wat ziet u? En wat hoort u? En wat doet u? En wat gaat er door u heen? Ik doe dus alsof het dus op dit moment gebeurt." Uit de inhoud van het verhoor blijkt dat het niet steeds eenvoudig is om deze methode consequent vol te houden. De getuige verklaart een aantal malen retrospectief.

5. In het arrest van het Hof wordt onder meer overwogen: "Ten aanzien van het handelen van [betrokkene 1] heeft zij tijdens het studioverhoor (geleide herinnering) onder meer nog verklaard dat [betrokkene 1] zich omdraaide en de man van zich af probeerde te duwen."

Het middel vindt het kennelijk onacceptabel dat deze passage in de bewijsconstructie is opgenomen. Ik merk op dat deze passage in het geheel van de bewijsconstructie van zo'n ondergeschikte betekenis is dat reeds om die reden er alle aanleiding toe is om tot de slotsom te komen dat het middel faalt.(2) Het gaat hier meer om een weergave van het verloop van gebeurtenissen dan om een ondersteuning van een te bewijzen bestanddeel.

6. Er wordt terecht niet geklaagd over het uitblijven van een reactie op enig verweer inzake het gebruik van de getuigenverklaring die met de methode van de geleide herinnering tot stand is gekomen. Een daartoe strekkend verweer ontbreekt namelijk. Er was dus voor het Hof geen enkele aanleiding om in te gaan op de kennelijk aan het middel ten grondslag liggende stelling dat geleide herinneringen van de getuige fictief, gelogen of in ieder geval onbetrouwbaar zijn, omdat ze het gevolg zijn van naar wetenschappelijk inzicht onbruikbare methoden of technieken. Gelet daarop was het Hof dus tot nadere motivering van het gebruik van de vierde verklaring van de getuige [getuige] niet gehouden.(3)

7. Het middel stelt dus nu voor het eerst in cassatie, met verwijzing naar hetgeen geldt voor hypnose(4), de principiële vraag aan de orde of een verklaring met behulp van de methode van de geleide herinnering onbruikbaar is voor het bewijs. Voor de beoordeling van die vraag is mede nader feitelijk onderzoek nodig en daarvoor is in cassatie geen ruimte.

8. Hoewel het middel dus kansloos is toch een enkele opmerking over de vraag of in de wetenschap het gebruik van geleide herinnering inderdaad wordt gezien als een onbruikbare methode. Ik meen dat zulks niet zonder meer het geval is en dat de onderbouwing van het middel nogal selectief is. Zo wordt bijvoorbeeld verwezen naar B.A.J. Cohen e.a. (red.), Forensische geneeskunde, Assen 2004, p. 524. Die verwijzing betreft echter een passage waarin de hypnose wordt besproken en waarin slechts terloops een opmerking wordt gemaakt over andere bijzondere technieken zoals geleide herinnering. Gezegd wordt dat van die andere wetenschappelijke technieken weinig bekend is vanuit wetenschappelijk onderzoek ten aanzien van de effectiviteit en de mate van vertekening die zij mogelijk met zich meebrengen. Overigens blijkt uit deze passage dat het niet juist is hypnose en andere technieken als geleide herinneringen over één kam te scheren. In de toelichting wordt voorts onder verwijzing naar een tweetal boekbijdragen gesteld dat het gebruik van de methode van geleide herinnering riskant is. Ik kom het woord riskant niet tegen in de beide bijdragen die sterk op elkaar lijken. Wel wordt gewezen op het verschijnsel van imaginatie-inflatie. In de bijdrage van 2010 wordt het (voortschrijdende?) inzicht gepresenteerd dat 'wij' de methode van geleide herinnering in verband met dat verschijnsel afraden.(5) Op het gevaar voor een aanzet tot fantasie wordt ook door auteurs uit politiekringen gewezen.(6) Dat lijkt mij echter niet te betekenen dat de methode absoluut onbruikbaar is, maar wel dat het voor de hand ligt dat in feitelijke aanleg zo nodig het debat over de bruikbaarheid van een met toepassing van de methode tot stand gekomen verklaring aan de hand van de omstandigheden van het geval bijvoorbeeld door de raadsman wordt geopend.(7)

9. Ook het tweede middel betreft de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 en 2. Kern van de klacht is dat een mededeling van de raadsman voor het bewijs is gebruikt. Het middel gaat er onder verwijzing naar rechtspraak(8) van uw Raad terecht van uit dat het niet toegelaten is mededelingen of verklaringen van de raadsman als bewijsmiddel te gebruiken.

10. Het middel heeft betrekking op onderdeel 3.3. met als opschrift 'Conclusie I' van het arrest:

"Het hof stelt vast op grond van de bewijsmiddelen als genoemd onder 1.1 t /m 1.5 dat de dodelijke schoten op het slachtoffer zijn gelost door een man van omstreeks 1.90 meter in een tijdsbestek van ongeveer 4 minuten.

Het hof is van oordeel dat op basis van de uitkomsten van voornoemd sporenonderzoek in onderling verband en samenhang bezien, gelet op het aantal sporen op verschillende soorten voorwerpen, te weten aan de ene kant op die van de dader (wapentuig en munitie) en aan de andere kant op één van het slachtoffer (diens jas), de conclusie geen andere kan zijn dan dat de verdachte deze man is en dat hij de DNA-sporen, waarvan hij niet ontkent dat deze van hem zijn ('voetnoot 20'), heeft aangebracht tijdens het (voorbereiden van) het schieten op dan wel de worsteling met het slachtoffer. Het hof beschouwt de aangetroffen sporen derhalve als delictgerelateerd."

Voetnoot 20 heeft de volgende inhoud:

"Pleitaantekeningen van de raadsman van de verdachte, mr. J. H. L.C.M. Kuijpers, ten behoeve van de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2011, punt 4.4, p. 14."

11. De kern van het standpunt van de verdediging, zoals opgenomen in punt 4.4. van de pleitnota, heeft het Hof kennelijk als volgt begrepen. Bij nader inzien heeft verdachte zich gerealiseerd dat de DNA-sporen wel van hem moeten zijn. Hij heeft in verband daarmee ook naar een verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA gezocht. Die verklaring wordt door de verdediging gevonden in de omstandigheid dat er bij verdachte is ingebroken en allerlei spullen van hem zijn gestolen. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof dit zo verstaat dat het standpunt van de verdediging is dat verdachte niet ontkent dat de DNA-sporen van hem zijn. Het middel lijkt dit overigens op zichzelf ook niet te bestrijden.

12. Anders dan de steller van het middel meen ik dat de onder 10 geciteerde overweging van het Hof geen opgave van redengevende feiten en omstandigheden (die inderdaad in bewijsmiddelen thuishoren) bevat, maar een tussenconclusie. Het Hof doet niets meer dan er op wijzen dat (een belangrijke bouwsteen van) de conclusie bij pleidooi niet weersproken is. De mededeling van de raadsman dat de verdediging niet betwist dat het aangetroffen DNA van verdachte is, wordt hier derhalve niet voor het bewijs gebruikt, en er is derhalve geen bezwaar dat wordt verwezen naar de pleitnotities. Overigens leidt het Hof de conclusie dat het om DNA van verdachte gaat natuurlijk geheel af uit de bevindingen van de DNA-deskundigen. Het tweede middel faalt derhalve eveneens.

13. Ten overvloede wijs ik er op dat uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat verdachte niet ontkent dat het op een vuurwapen aangetroffen DNA van hem is(9). Ik heb geen verklaring van verdachte aangetroffen waarin hij stelt dat al het voor het bewijs gebezigde DNA van hem is(10). Dat laatste sluit niet uit dat het standpunt van de verdediging kan zijn dat niet (meer) wordt betwist dat alle (aan verdachte gerelateerde en voor het bewijs te gebruiken) DNA-sporen van verdachte zijn.

14. Het derde middel klaagt over de kwalificatie van feit 2.

15. De bewezenverklaring van feit 2 houdt in dat:

"hij op 7 november 2007 te 's-Gravenhage wapens van categorie III, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool (merk BBM), kaliber 6.35 mm en een pistool kaliber 9 mm, en voor voornoemde wapens geschikte munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 6.35 mm Browning en 9 mm Parabellum, voorhanden heeft gehad".

16. Volgens de toelichting op het middel kan uit de kwalificatiebeslissing van het Hof (zie onder punt 1 hierboven) bezwaarlijk anders worden afgeleid dan dat het Hof ten onrechte van mening is dat het voorhanden hebben van voor twee verschillende wapens geschikte munitie twee verschillende strafbare feiten oplevert.

17. Art. 1, aanhef en eerste lid onder 4°, WWM luidt:

"1. In deze wet wordt verstaan onder:

(...)

4°. munitie: patronen en andere voorwerpen, bestemd of geschikt om een projectiel of een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof door middel van een vuurwapen af te schieten of te verspreiden, alsmede projectielen, bestemd om afgeschoten te worden door middel van een vuurwapen;"

18. Ik citeer uit het hier toepasselijke HR 3 juli 2007, LJN BA5034:

"Het Hof heeft het bewezenverklaarde, voor zover hier van belang inhoudende dat de verdachte munitie van categorie III in de vorm van patronen van diverse kalibers voorhanden heeft gehad, gekwalificeerd als "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd". In aanmerking genomen dat zowel één patroon als een aantal patronen 'munitie' in de zin van de WWM vormt, levert de bewezenverklaarde overtreding van het in art. 26, eerste lid, WWM vervatte verbod op het voorhanden hebben van munitie slechts één bij art. 55, eerste lid, (oud) WWM strafbaar gesteld feit op (vgl. HR 3 juni 1997, LJN ZD0737, NJ 1997, 657)."(11)

19. Het middel is derhalve terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde voorhanden hebben van munitie verbeteren. Terugwijzing naar het Hof voor de strafoplegging, nu dit feit niet meermalen maar éénmaal is gepleegd, behoeft niet te volgen. Gelet op de bewezenverklaarde feiten en in het bijzonder feit 1 moet worden aangenomen dat het Hof in de verbeterde kwalificatie geen aanleiding zou hebben gevonden tot het opleggen van een lagere straf.

20. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het derde middel slaagt.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de kwalificatie van feit 2. De Hoge Raad kan de kwalificatie verbeteren. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A. van Amelsvoort, I. Rispens en H. Grolman, Handleiding verhoor, Den Haag 2007, 2e druk, p. 128.

2 Vgl. HR 23 oktober 1990, LJN ZC8623, NJ 1991/171 m. nt. Van Veen en HR 13 januari 1981, LJN AC2810, NJ 1981/349 m. nt. Van Veen.

3 Vgl. ook HR 25 mei 2004, LJN AO4044 (niet gepubliceerd).

4 HR 17 maart 1998, LJN ZD0976, NJ 1998/798 m. nt. Reijntjes.

5 De twee in de schriftuur genoemde bijdragen zijn: P.J. van Koppen e.a. (red.), Het recht van binnen, Deventer 2002, p. 452-454 en P.J. van Koppen e.a., Reizen met mijn rechter, Deventer 2010, p. 497- 499. Zie overigens uitvoeriger ook J.L. Jackson e.a., Helping the witness to recall: the usefulness of guided memory interview technique, report NCSR-WD 96-10-augustus 1996.

6 A. van Amelsvoort, I. Rispens en H. Grolman, Handleiding verhoor, 4e druk, Amsterdam 2010, p. 202 (Stapel & De Koning).

7 Hoewel ook al weer wat ouder verwijs ik ook nog naar Maaike Tiecke e.a., De Psycholoog 1996, p. 472-477 en in het bijzonder p. 475: "Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de techniek van de geleide herinnering niet meer correcte, noch meer incorrecte details oplevert dan het standaard getuigenverhoor."

8 HR 8 januari 2002, LJN AD5594, NJ2002/340 m.nt. Schalken; HR 31 oktober 2006, LJN AX9179, RvdW 2006/1051 en HR 15 december 2009, LJNBK2129 , NJ 2010/26.

9 Zie verhoor van verdachte van 23 september (2008) (4/VD/PJP/268).

10 In zijn verklaringen van 2 april 2008 te 20.30 uur, 3 april 2008 te 10.54 uur en 3 april 2008, te 14.05 uur ontkent verdachte dat het DNA dat is aangetroffen bij het slachtoffer van hem is.

11 Zie ook HR 24 mei 2011, LJN BP6439, RvdW 2011/700.